Posts tonen met het label Friedrich Hayek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Friedrich Hayek. Alle posts tonen

dinsdag 11 januari 2022

Elchardus: links of rechts?


    
 Laatst bespotte ik in een stukje de ‘linkse auteurs zoals Elchardus’ die wat al te graag over de ‘toenemende ongelijkheid in de samenleving’ praten. Een lezeres reageerde: ‘Dat je Elchardus nog links noemt, verbaast me.’
     ’t Is inderdaad niet altijd makkelijk om uit te maken wat ‘links’ of ‘rechts’ is. In mijn extreem-linkse jeugd was het eenvoudig. Je had vooreerst de échte communisten, dat waren wijzelf. Dan had je de knechten van het grootkapitaal, de fascisten en de contrarevolutionairen, waartoe ook een deel van extreem-links toe behoorde. Dat was allemaal één reactionaire pot nat. En dan had je de ‘eerlijke linksen’, dat wil zeggen iedereen die graag met de échte communisten wou samenwerken zonder het zelf te zijn.
     Later geloofde ik dat niet meer, en ging ik op zoek naar een wat genuanceerdere kijk op ‘rechts’ en links was. Bij De Slegte bladerde ik in het boekje De linkse traditie in Europa, van David Caute. De achterflap beloofde een antwoord op al mijn vragen: ‘Wat noemen wij links in Europa en waar precies ligt de scheidingslijn met rechts?’ Ik nam het boekje mee naar huis. Het was een beetje saai maar ik las het toch helemaal uit.
     Caute begint zijn onderzoek naar links en rechts met de Franse revolutie. Hij bekijkt de verschillende stromingen en bestudeert vooral hun houding tegenover de volkssoevereiniteit. Dat wordt voor hem de toetssteen. Links is de stroming die voor onbeperkte volkssoevereiniteit staat. Het volk, alleen het volk, en het gehele volk kiest zijn vertegenwoordigers en die nemen soeverein, meerderheid tegen minderheid, beslissingen over alles wat de res publica aangaat. Zij worden niet beperkt door eeuwenoude privileges, niet door een constitutionele monarch, niet door een erfelijke House of Lords, niet door cijnskiesrecht, en ook niet door aangeboren, natuurlijke, of door God geschonken rechten.
     Als we de begripsomschrijving van Caute volgen, is Mark Elchardus, in zijn boek Reset, een van de meest linkse denkers van Europa, want juist volkssoevereiniteit is de rots waarop hij zijn stelsel bouwt, tegen de oude beperkingen, en tegen de nieuwe, zoals: universele mensenrechten, activistische rechtspraak, eurocraten, multinationals en hun lobby’s, en ten slotte politici die ongestraft beslissingen nemen tegen de meerderheid van het volk in. Elchardus vertrekt trouwens in zijn politieke analyse net als Caute van de verschillende strekkingen binnen de Franse Revolutie.
     Maar het uitgangspunt van Caute heeft zijn beperkingen. Het verklaart bijvoorbeeld niet waarom linkse lezers het boek van Elchardus als ‘rechts’ verworpen hebben: Louis Tobback, Meyrem Almaci, Dimitri Van den Meersche, Pascal Debruyne, Jelle Versieren enzovoort*. Naar het schijnt hebben ook Marc Reynebeau en Walter Zinzen het boek door de mangel gehaald, maar die hun commentaren lees ik beter niet, want ik weet uit ervaring hoe ik daarop reageer. Aan de andere kant heeft rechts, bij monde van Bart De Wever, Tom van Grieken, Jean-Pierre Rondas en nog enkele anderen het boek geprezen.
     Een klassieke manier om die paradoxale reactie van links en rechts te verklaren is het gebruik van een dubbele as. In plaats van een algemene links-rechts-as neem je twee assen: de eerste economisch rechts-links en de tweede sociaal conservatief-progressief. Dat levert een vierkant op met vier kwadranten erin. Ik heb voor het schrijven van dit stukje eventjes snel de Political Compass vragenlijst ingevuld en daaruit blijkt dat ik mij in het economisch rechtse, sociaal-progressieve (libertarian) kwadrant bevind. Dan zou Elchardus zich bijvoorbeeld in het economisch linkse, sociaal-conservatieve kwadrant kunnen bevinden en zouden wij wij diagonaal tegenover elkaar staan.



     Maar zo eenvoudig is het niet. Na het lezen van Reset, vermoed ik dat Elchardus en ik na het invullen van de vragenlijst op ongeveer gelijke hoogte zouden uitkomen komen wat de sociale as betreft. Dat dat ons in de onderste sociaal-progressieve helft zou plaatsen, komt omdat de vragen van Political Compas té Amerikaans zijn, en ondertussen zelfs daar grotendeels achterhaald. Er wordt mij gevraagd of ik tegen het homohuwelijk ben, of tegen elke vorm van abortus? Natuurlijk niet, wat denken ze wel? Maar dat standpunt deel ik in ons land niet alleen met de progressieven maar ook met de meerderheid van de conservatieven. 
     De kwestie is deze. De meeste sociaal-progressieve strijdpunten uit het verleden zijn bij ons binnengehaald. Ze zijn een verworvenheid. Ondertussen heeft woke zijn opwachting gemaakt en dat heeft hele sociale as van een nieuwe ijking voorzien. Het achterhaalde Political Compas stelt geen vragen over positieve discriminatie, dekolonizering van de geesten, Zwarte Piet of genderinclusieve toiletten. Verder heb je controverses rond migratie waarvan niet duidelijk is of ze op de economische dan wel op de sociale as thuishoren. En wat doe je met standpunten rond seksuele vrijheid, pornografie, puritanisme en censuur die op de as van plaats verwisseld schijnen te zijn.  En wat met het secularisme? Is het dragen van een religieuze symbolen, of het tolereren ervan, sociaal-pogressief of sociaal-conservatief? 
     Er is nog een ander bezwaar tegen het kwadrantenvierkant. Aparte antwoorden op een vragenreeks doen geen recht aan de ideologische voedingsbodem waaraan die antwoorden ontspruiten. Zeker bij een in hoge mate coherent boek als dat van Elchardus is dat een nadeel. Het lijkt mij daarom beter om terug te vallen op een derde schema: de driehoek van Hayek, zoals die ontwikkeld wordt in The Constitution of Liberty. Hayek onderscheidt drie polen: conservatisme, liberalisme en socialisme. Ook die driehoek is niet perfect. Hij heeft geen aparte plaats voorzien voor nationalisme, dat hij onderbrengt bij het conservatisme. Ook het  ‘personalisme’ van Mounier, Karol Woytilla en onze eigen CD&V heeft hij – jammer, jammer – niet in zijn schema kunnen betrekken. Een enkeling kan niet met alles rekening houden, zoals Hayek maar al te goed weet.
     Hayek gaat met zijn driehoek ook in op de raakvlakken tussen de verschillende denkstromingen, en op de mogelijke bondgenootschappen. Als één van de polen erg dominant wordt, krijg je een vervorming van de driehoek en komen de andere twee polen dichter bij elkaar elkaar. De socialistische gedachte bijvoorbeeld beheerste, volgens Hayek en Elchardus, de politieke agenda in de decennia na de Tweede Wereldoorlog. Dan was het normaal dat conservatieven en liberalen elkaar in die tijd vonden, verenigd tegen de gemeenschappelijke vijand.  
    De vervormde driehoek zou ook een mooie verklaring kunnen zijn voor de huidige ideologische ontwikkeling waarin traditioneel rechts en links elkaar soms vinden. Dan zouden Tatcher en Reagen een neoliberale dominantie hebben ingeluid, waardoor socialisten en conservatieven dichter bij elkaar kwamen, en waardoor Mark Elchardus, Sarah Wagenknecht, Jean-Luc Mélenchon en de Deense sociaaldemocraten standpunten gaan delen met Bart De Wever, Georges-Louis Bouchez, Tom van Grieken en Marine Le Pen. Op dezelfde manier kan de conservatieve dominantie in de 19de eeuw het bondgenootschap tussen socialisten en liberalen verklaren.



     Die vervormde driehoeken bieden een mooie verklaring, maar zijn ze ook werkelijk meer dan ‘nen uitleg’? Zijn ze geldig in het huidige tijdsgewricht? Zelf twijfel ik eraan. Is er bijvoorbeeld al 40 jaar een liberale dominantie? De voortschrijdende invloed van woke kun je desnoods, als je dat echt wil, als een liberaal exces lezen –maar dat is geen reden waarom zogenaamd rechtse liberalen zich niet tegen dat exces zouden kunnen verzetten, samen met conservatieven en socialisten. En of het economisch neoliberalisme zó dominant geworden is vanaf de jaren 80, staat voor mij ook niet vast. De toenemende belastingsdruk vertelt in elk geval een ander verhaal. Maar misschien is de perceptie van een economie die losgeslagen neoliberaal is al genoeg om bepaalde conservatieven en socialisten dichter bij elkaar te brengen.


* Conner Rousseau in De Tijd was opvallend positief. Hij vindt dat Elchardus op een heldere en overtuigende manier beschrijft waarom we meer nood hebben aan socialisme. Dat is zeker een van de stellingen van het boek. Of Rousseau het boek gelezen heeft, kunnen we niet met zekerheid zeggen. Van Meyrem Almaci kunnen we dat wel: ze heeft het niet gelezen. Haar reactie in De Tijd was zo naast de kwestie dat er geen andere verklaring overblijft.

dinsdag 4 mei 2021

Trickle down: bestaat het echt?

  


   Op mijn stukje over dt-fouten, antwoordde M.S. met een tweet van President Biden. Die had gezegd dat ‘trickle down economics has never worked.’ M.S. vond dat de ‘tweet van het jaar’. Wat kon ik daarop antwoorden? Ik weet al een poosje dat ‘trickle down’ een kapstokwoord is waar verschillende tegenstanders van het ‘neoliberalisme’ hun eigen stokpaardjes aan ophangen. Ik vroeg dus aan M.S. wat ‘trickle down’ voor hém inhield, welk stokpaardje híj aan de kapstok wou hangen. Daar wou hij niet op antwoorden want ik ‘wist maar al te goed waarover het ging … Ik moest niet doen alsof.’
     Goed dan. Als M.S. niet wil zeggen wat ‘trickle down’ is, wil ik het wel eens proberen.
     ‘Trickle down’ is dan vooreerst de economische wijsheid van een baron die vindt dat hij een deel van zijn rijkdom verdeelt onder de proleten als hij een veranda aan zijn kasteel laat bouwen. De baron betaalt lonen; de baron zorgt voor tewerkstelling. Dat is natuurlijk onzin. De baron heeft niets van zijn rijkdom verdeeld; hij heeft alleen een deel van zijn geld geruild voor een veranda van gelijke waarde, en is dus in totaal even rijk gebleven*. De baron zorgt ook niet voor tewerkstelling. Zijn rijkdom had evengoed verspreid kunnen zijn over dertig postbodes die dan elk een kleine veranda aan hun huis lieten bouwen. De verandabouwers hadden dan evengoed een loon ontvangen, zonder baron.
     Daarop voortbouwend is ‘trickle down’  een stropop van links die het voorstelt alsof rechts redeneert zoals bovenvermelde baron. Thomas Sowell heeft linkse critici ooit uitgedaagd om één rechtse, conservatieve of neoliberale econoom te noemen die ooit het ‘trickle down’-begrip gebruikte in zijn analyse. Er heeft zich niemand aangediend.
     Maar ‘trickle down’ is niet alléén onzin. Het is ook een wat onnauwkeurige, informele, je zou kunnen zeggen ‘intuïtieve’, beschrijving van hoe investeringen voor iedereen voordelig zijn. Een bedrijf dat veel winst maakt**, kan die winst investeren in uitbreiding en vernieuwing, waardoor het misschien meer mensen kan tewerkstellen, en in elk geval meer, betere en goedkopere producten kan maken voor de consument. Die tewerkstelling en die producten kunnen met wat goede wil als ‘doorsijpeling van rijkdom’ worden omschreven.
     ‘Trickle down’ is ten slotte ook een alweer wat intuïtieve beschrijving van hoe luxe zich verspreidt in de samenleving: van boven naar onder. Daarmee zijn we weer bij onze baron aanbeland, maar dit keer staat hij er op zijn plaats. Doordat de edelman een veranda laat aanbouwen aan zijn kasteel, ontwikkelt de techniek van verandabouwen zich, worden veranda’s goedkoper, en gaan uiteindelijk ook de postbodes zich een veranda kunnen veroorloven. De rijken die indertijd een fortuin uitgaven voor een slecht functionerende autotelefoon, bekostigden op hun manier mee de ontwikkeling van de mobieltjes die je nu ook aantreft in de bidonvilles van de Derde Wereld. Dit verschijnsel – niet dat van de mobieltjes, maar in het algemeen – wordt beschreven door Hayek in het derde hoofdstuk van The Constitution of Liberty. Het was geloof ik vanaf dat hoofdstuk dat ik wist dat ik een trouwe volgeling zou worden.
     Kortom: trickle down is één keer onzin, één keer een stropop, en twee keer een intuïtieve beschrijving – geen verklaring – van een reële, en voor iedereen gunstige, ontwikkeling.
     Andere vraag – de vraag van het jaar zou je kunnen zeggen. Wat betekent het als een politicus als Biden zegt dat ‘trickle down doesn’t work’? Dat betekent dat hij de belastingen op bedrijfswinsten en hoge inkomens wil verhogen om toch maar een gewenste ‘trickle down’ te forceren. Het is niet makkelijk het resultaat van zo’n beleid in te schatten. Míjn inschatting: de belastingverhoging is een zekerheid, de doorsijpeling naar de lagere inkomens is een mogelijkheid, de gunstige gevolgen voor economische groei en tewerkstelling is een onwaarschijnlijkheid.

 

* Eigenlijk nog rijker, want hij schat de waarde van die veranda blijkbaar hoger in dan die van het geld dat hij ervoor heeft uitgegeven. Anders had hij alles gelaten zoals het was.

** Voorafgaand aan die winst heeft het bedrijf eerder moeten investeren, onder andere in arbeidslonen, zodat de doorsijpeling al begon vóór er winst was. Dan is het begrip toch niet zo goed gekozen.

woensdag 3 februari 2021

Nu ook op café: de Verlichting


       Op school leer je over de investituurstrijd, de abele spelen en de cloaca van de vogels, maar als je geen historicus, germanist of bioloog wordt, kun je die begrippen na het laatste examen gerust weer vergeten. Je zult evengoed een eerbaar beroep kunnen uitoefenen, een gezin stichten en in een auto rondrijden. Soms echter gebeurt het dat zo’n onderwerp de schoolse boeien afgooit, het echte leven binnenwandelt en opduikt in het cafégesprek, het krantenstuk of het praatprogramma. Dat is wat gebeurd is met de Verlichting. Wie dan op café, in de krant of op de televisie een woordje mee wil praten, kan zich best wat inlezen.
     Dat de Verlichting meer was geworden dan een schoolbankbegrip, begreep ik voor het eerst toen ik in 2004 een uitspraak las van kardinaal Daneels (hier). De kardinaal wou iets zeggen over de samenlevingsproblemen met de moslims in onze maatschappij. Hij zei dat er in Europa alleen plaats was voor de islam als die ook een ‘Franse revolutie’ zou doormaken, de scheiding tussen politiek en godsdienst zou erkennen, en waarden als verdraagzaamheid zou aanvaarden. Nu denk ik bij ‘Franse revolutie’ wat al te gemakkelijk aan Robespierre en de guillotine, maar het is duidelijk dat Daneels dacht aan wat aan die revolutie voorafging: Voltaire en al degenen met wie die eerst bevriend was en daarna ruzie kreeg, met andere woorden de Verlichtingsdenkers, met hun geloof in het menselijke verstand en de Rede-met-een-hoofdletter.
    Ik heb ondertussen over die Verlichting een en ander gelezen dat mij op school niet was verteld. Van Hayek leerde ik dat de Verlichters niet uitsluitend Fransen waren, maar dat je ook Angelsaksen had. Heel grof gesteld waren die laatsten gematigder, voorzichtiger, minder rechtlijnig, en wat minder optimistisch over de mens en zijn verstand. Filosofen als David Hume en Adam Smith geloofden niet dat je door louter verstandelijk te redeneren een ideale samenleving tot stand kon brengen. Het was beter om een en ander over te nemen van wat de 
natuur en de traditie tot stand hadden gebracht aan godsdienst, wetten en economische praktijken. Het verstand en de rede bleven belangrijk, maar ze dienden meer om af te tasten wat in die traditie bruikbaar was, of vervangbaar, of hervormbaar. Er waren dus, als ik Hayek mocht geloven, twee soorten Verlichting: de continentale en de Angelsaksische.
     Bij Pinker las ik nog iets anders (zie ook hier, hier en hier). Volgens hem had je ook twee soorten anti-Verlichting. De ene soort was alweer continentaal, eerder Duits dan Frans dit keer, met filosofen als Johann Georg Hamann en Johann Gottfried von Herder. Pinker heeft die filosofen, geloof ik, net als ik, niet gelezen, maar je kunt ongeveer te weten komen waar ze voor staan uit recentere publicaties óver hen, zoals het essay ‘Counter-Enlightenment’ van Isiaiah Berlin, dat Pinker en ik wél gelezen hebben. Die continentale anti-Verlichters, waren net als de continentale Verlichters, erg radicaal. Ze wilden niets te maken hebben met de Rede-met-een-hoofdletter. Ze geloofden in andere hoofdletters, zoals die van de ‘Ziel’*, die de kern uitmaakte van elke beschaving en die niet door het verstand kon worden gestuurd. Ook dachten ze dat af en toe een goede oorlog nodig en gezond was, al was het maar om de Ziel op scherp te stellen. Pinker loopt niet hoog op met dat gedachtegoed, dat soms als ‘Romantiek’ wordt omschreven.
     Helemaal anders was volgens Pinker de Verlichtings-kritiek van de Anglo-Ierse Edmund Burke. Die was geschokt door de Franse revolutie, voorzag de massamoorden en de oorlogen die eruit zouden volgen, en dacht dat de Verlichtingsdenkers daar mee verantwoordelijk voor waren. Dat vindt Pinker overdreven. De Franse revolutie en de oorlogen waren wel een humanitaire ramp – 2 tot 4 miljoen doden – maar er waren daarvóór ook al oorlogen en massamoorden geweest. Bovendien waren de aanstokers volgens Pinker niet gevormd door de grote filosofen van de Verlichting – Descartes, Hobbes, Spinoza, Locke en Hume. Ze hadden vooral boekjes gelezen van Franse filosofische ‘lichtgewichten’ en ‘utopisten’, en van Jean-Jacques Rousseau, die je evengoed bij de Verlichting als bij de Romantiek kunt rekenen.
    Maar Pinker gelooft dat Burke ook gelijk had. Rampen als revolutie, oorlog en massamoord hou je niet tegen met redelijke praatjes alleen. Er moet aan die praatjes een min of meer spontaan beschavingsproces aan zijn voorafgegaan, en dat beschavingsproces is dubbel mysterieus. Zelfs Pinker geeft dat toe. Niemand weet goed waar het vandaan komt, en niemand heeft een goed overzicht op het resultaat. De waarden van die beschaving zijn immers deels onuitgesproken en deels onbespreekbaar. Ze vermommen zich als hypocrisie of verbergen zich als taboe. Maar ze vormen een dijk tegen het springtij van geweld en barbarij. Alle werken om de dijk te verfraaien, vond Burke, moeten met omzichtigheid worden uitgevoerd. Als je het zo bekijkt is het verschil tussen de Angelsaksische Verlichting en de Angelsaksische anti-Verlichting helemaal niet zo groot.
     Nu weet ik niet of we alles moeten geloven van wat Hayek en Pinker en Berlin over Verlichting en anti-Verlichting vertellen. Maar dat Danneels toen, in 2004, voor één keer iets verstandigs over de Islam gezegd heeft, dat geloof ik wel. Een revolutie met guillotines en noyades is niet nodig, een Verlichtingskuur wel, van het continentale type, van het Angelsaksische type, of van een type er tussenin. Wíj hebben die kuur ook moeten ondergaan.

* Alhoewel sommige van die continentale anti-Verlichters de ‘Ziel’ weer ‘Rede’ gingen noemen. Misschien deden ze dat wel expres om hun tegenstanders te jennen.

woensdag 26 augustus 2020

De meeste mensen deugen (4) - Het verloren paradijs

 


     Bregmans boek is niet vrijblijvend, in tegenstelling tot mijn badinerende commentaar erop. In de eerste paragraaf van het eerste hoofdstuk hoopt hij dat zijn idee ‘een revolutie ontketent’ die ‘de samenleving op haar kop zet’. Elders laat hij verstaan dat wij in zekere zin terug moeten naar de maatschappijvorm die we kenden vóór het ontstaan van de landbouw, tienduizend jaar geleden. Een maatschappij met meer gelijkheid, samenwerking en gemeenschappelijk eigendom; een maatschappij met minder elite, minder concurrentie, en minder privé-bezit.
     ’t Is een oude droom: de terugkeer naar de paradijselijke oertoestand: de tuin van Eden waar niet moest worden gewerkt in het zweet des aanschijns, de Gouden Eeuw van Ovidius waar de  bronzen tafelen van het strafrecht niet nodig waren, de Gelukkige Tijd van Don Quichot, toen de mensen ‘de woorden mijn en dijn nog niet kenden’ –  een formulering die aan onze eigen Jacob Van Maerlant doet denken.

        Twee woorden in de wereld zijn
        Dat
s allene mijn en dijn
        Mocht men die verdriven
        Pais ende vrede bleve fijn.”

     Heeft die Gelukkige Tijd van Adam en Eva, van Ovidius en van Don Quichot ook echt bestaan? Misschien was het wel de oorspronkelijke maatschappij van de jagers-verzamelaars. Maar was die zoveel beter dan de landbouwmaatschappij die erna kwam? De archeologen zijn over de vraag verdeeld, en je kunt het aan Bregman overlaten om enthousiast te gaan plukken in de kersentuin van hen die vinden van wel. De oervorm van de samenleving was er een van minder werken, minder stress, minder ruzie, minder straffende Goden, minder virale ziekten, beter dieet, beter ouderschap, beter seksleven. Dat is allemaal best mogelijk. Maar ik vind het onvoldoende vaste grond om van dáárop nú een revolutie te ontketenen.
     Ten eerste is er de kwestie van het geweld. De jagers-verzamelaars leefden in stammen en er is nogal wat archeologisch bewijs dat die stammen meer dan eens met elkaar in botsing kwamen. Bregman antwoordt dat het archeologisch materiaal verkeerd geïnterpreteerd wordt, of verkeerd gedateerd, of dat het anders om uitzonderingen gaat. Er zouden juist bewijzen zijn dat de stammen zich gemakkelijk met elkaar vermengden. Ook vindt hij het tekenend dat overblijvende maatschappijen van jagers-verzamelaars erg vreedzaam zijn. Als er dan een gevonden wordt waar dat niet zo is, vindt hij dat we die huidige toestand niet mogen extrapoleren naar het verleden.
     Ondertussen rijst er een andere vraag. Bregman geeft toe dat de moderne afstammeling van de jager-verzamelaar wel degelijk een voorkeur heeft voor de eigen groep van gelijken, en een afkeer van ánderen, en dat die gelijktijdige neiging tot solidariteit én vijandigheid al bij peuters kan worden vastgesteld. ‘We worden geboren met een tribale knop in ons hoofd,’ schrijft hij. ‘Er hoeft alleen maar op gedrukt te worden.’ Ik zou denken dat we die tribale knop dan toch van onze pre-diluviale voorouders moeten hebben geërfd. Van wie anders? En werd in hun tijd dan nooit op die knop gedrukt?
     Ten tweede moeten we, als we een revolutie overwegen, de jagers-verzamelaarsmaatschappij niet vergelijken met de despotische of feodale landbouwmaatschappij die erop volgde, maar met de moderne oplossingen die door de Verlichting werden gestimuleerd: vrije markt, rechtstaat, scheiding der machten, verlichte bureaucratie, representatieve democratie. Als Bregman wil aantonen dat er iets beters bestaat dan díe oplossingen, kan hij best niet te veel steunen op het argument van de oermaatschappij. Hij beschrijft enthousiast hoe in de huidige Venezolaanse stad Torres (205 000 inwoners) de budgettaire beslissingen niet worden genomen op een gemeenteraad, maar op ‘honderden’ volksvergaderingen. Als blijkt dat dat de goede methode is, mij goed, als ik maar niet aan die volksvergaderingen moet deelnemen en als de jagers-verzamelaars er maar buiten worden gelaten.
     Bregman bespreekt overigens wel de moderne oplossingen van de Verlichtingsfilosofen als David Hume en Adam Smith. Die filosofen gaan er, heel verstandig vind ik, van uit dat de mens zowel uit egoïstische als altruïstische motieven handelt. Maar door die egoïstische motieven alleen al te erkennen, wakkeren die filosofen volgens Bregman het egoïsme aan, als een selffulfilling prophecy. Dat is mogelijk. Zelf vind ik het interessanter dat Smith liet zien dat het egoïsme zijn goede kanten heeft, dat zelfs de meest egoïstische bakker, slager en brouwer ervoor zorgt dat we van brood, vlees en bier worden voorzien dat we niet zelf hadden kunnen bakken, uitbenen of brouwen. Die filosofen baanden met hun leer de weg voor het soort samenwerking, niet van honderd bij elkaar levende stamleden, maar van duizenden onbekenden verspreid over de hele wereld die samen in staat zijn bijvoorbeeld een potlood tot stand te brengen (hier). Als Bregman overigens wil uitleggen waarom zo’n potlood ook, en zelfs beter, kan worden geproduceerd door democratisch overleg tussen coöperatieve hout-, lak-, grafiet- en lijmbedrijven op de vijf continenten, zal ik aandachtig luisteren.
     Ik ben hier op het punt gekomen, beste lezer, waar ik Bregman ook een keer gelijk moet geven. De vroege mensenmaatschappij wás communistisch, collectivistisch en egalitair. Ook Friedrich Engels heeft dat in 1884 met veel geestdrift in de verf gezet. En vandaag weten we uit de evolutionaire psychologie dat die honderdduizenden jaren communisme sporen moeten hebben nagelaten in onze genen. Genetisch zijn we allemaal een beetje communisten, behept met de inequality aversion waar, zoals Bregman schrijft, ‘tienduizend wetenschappelijke artikelen’ over zijn geschreven.* 
     Is het communisme dan beter in overeenstemming met de menselijke natuur dan het kapitalisme? Ik geloof dat het antwoord dubbel is. We geven de voorkeur aan de materiële welvaart die het kapitalisme biedt en we hebben een hekel aan de ongelijkheid die ermee samenhangt – en er ook in zekere zin de basis van vormt. We willen leven in een kapitalistisch land, en daar willen we dan communistische eisen aan stellen.  Het is zoals in de Wilder-Lubitsch-film Ninotchka (zie ook hier). De Sovjetdiplomaten Iranov, Boeljanov en Kopalski vallen voor de decadente luxe van het westen, ontvluchten hun land, beginnen samen een restaurant, en het laatste beeld van de film toont een stakende Kopalski die voor het restaurant met een bordje zwaait waarop hij te kennen geeft dat hij ‘unfair’ behandeld wordt door Iranov en Boeljanov.
     Zelf zou ik liefst zien dat de moderne mens de inequality aversion van oermensen en primaten als ballast overboord gooide, of minstens moderniseerde tot een afkeer van privileges**, rechtsongelijkheid en machtsmisbruik. Maar ik geloof niet dat dat snel zal gebeuren. Zoals ik ook niet geloof dat Bregman gemakkelijk een performant alternatief zal vinden voor het huidige bestel. Op bladzijde 377 schrijft hij: ‘Laten we niet vergeten dat de opkomst van het kapitalisme in de afgelopen twee eeuwen gepaard ging met een enorme groei van de welvaart.’ En op bladzijde 301 vinden we eenzelfde geluid: ‘Het kapitalisme, de democratie, de rechtstaat en de bureaucratie hebben ons leven veel beter gemaakt. De statistieken liegen niet. De wereld is rijker, veiliger en gezonder dan ooit.’ Tja, probeer het dan maar eens beter te doen.
   Wij kúnnen het natuurlijk proberen. We hebben immers allemaal, zoals Bregman, veel kritiek op het bestel. Als Bregman kankert op ceo’s, zal hij applaus oogsten op de banken van links; als hij te keer gaat tegen beroepspolitici, mag hij gejuich verwachten van de libertariërs; en als hij de bureaucratie op de korrel neemt, zal ook de volgzaamste burger, ja zelfs de bureaucraat, instemmend knikken. Maar wat Bregman in de plaats stelt is magertjes. Hier en daar een bedrijf dat zonder ceo’s werkt. Good for them. Een stijging van de ‘zorgcoöperaties, broodfondsen en energiecoöperaties’. Daar is zeker plaats voor, maar als algemene aanpak? It’s been tried before.
     Het mooiste, of eigenlijk, het zwakste voorbeeld vond ik op bladzijde 379 waar Bregman spreekt over het Alaska Permanent Fund. De olievoorraden van Alaska zijn eigendom van alle inwoners van de staat. De dividenden daarvan worden uitgekeerd als een soort universeel basisinkomen aan alle inwoners, en kan tot 3000 dollar bedragen. Hij legt uit – terecht – dat aan zo’n systeem niet de nadelen kleven van de ‘ouderwetse verzorgingsstaat … die afhankelijkheid produceert’. En hij vraagt zich af wat niet allemaal mogelijk zou zijn als bijvoorbeeld ook grondwater en patenten tot gemeenschappelijk eigendom zouden worden verklaard, zodat ze dividenden opleveren voor de individuele burgers. Veel zou mogelijk zijn, geloof ik, maar in elk geval zouden die dividenden worden betaald door de gebruikers van dat water en van die gepatenteerde uitvindingen, dus door dezelfde mensen die de dividenden ontvangen. Alleen als je zoals de oliesjeiks of de inwoners van Alaska extra rente uit je grondstoffenvoorraad haalt, die je door anderen laat betalen, krijg je een overtuigende illusie van gratis geld.
     Misschien schrijf ik morgen nog iets over Bregmans verklaring van het Kwaad in de wereld. Hopelijk valt het dan wat korter uit.


* Zie ook Hayek, The Fatal Conceit, hoofdstuk 1 (hier) en Popper, The Open Society, hoofdstuk 10.
** Privileges in de betekenis van arbitraire voordelen toegekend door officiële instanties en sommige andere gezagsdragers. 

woensdag 21 maart 2018

Récht op mijn pensioen

     Ik behoor tot de club van de babyboomers. Of je die naoorlogse generatie nu strikt omschrijft – geboren tussen 1945 en 1955 – of er voor de zekerheid ook nog de volgende tien geboortejaren bijtelt, ik hoor erbij. Ik ben geboren in 1955.
     Over die generatie wordt veel slechts verteld, onder andere op de Facebook*. De babyboomers, las ik, zijn profiteurs die stelen van de volgende generatie. Ze hebben te weinig gewerkt, te weinig belasting betaald en te veel uitgegeven. Ze hebben in het zwart bijgeklust. Ze hebben een huis gekocht voor 50 000 euro en ze verkopen dat nu belastingvrij voor 200 000 euro. Ze laten een staatsschuld na die even groot is als het jaarlijkse bruto nationaal product. Ze gingen op 55 op pensioen en ze zijn van plan om tot 90 te blijven leven. Zelf hebben ze tijdens hun beroepscarrière elk twee gepensioneerden onderhouden en nu vragen ze dat iedereen van de volgende generatie er zes onderhoudt. Ik vond dat misschien een beetje overdreven, maar er stak ook veel waarheid in de aanklacht en ik heb het bericht geliket.
    Wat later echter las ik op hetzelfde Facebook een welsprekend antwoord. De babyboomers, dat waren de stakkerds die zich blauw moesten betalen om een keertje per vliegtuig te reizen,  die bij hun afstuderen gingen werken om het ouderlijk gezin te ondersteunen, die eerst tien jaar met de fiets rondreden voor zij zich een gezinswagentje aanschaften. Het waren de zielenpoten die na vijftien jaar sparen een bouwlening aangingen tegen 12 procent, waardoor ze uiteindelijk het dubbele van de oorspronkelijke prijs betaalden. Daartegenover staan de verwende knapen van generatie X (geboren tussen 1965 en 1980) en de millennials (geboren tussen 1980 en 2000). Dat zijn de gozers die met het vliegtuig reizen voor de prijs van een treinticket, die zich na hun afstuderen in hotel Mama installeren, die hun loon of uitkering voor zichzelf houden, en die, als ze nog maar net getrouwd zijn, meteen al over twéé gezinsauto’s beschikken en daar bovenop nog een pastoriewoning laten bouwen met een lening tegen 1,5 %. Ook dat antwoord was wellicht overdreven, maar ik heb het bericht toch geliket omdat ik veel van die toestanden zelf heb meegemaakt of gezien heb bij anderen.
     Als babyboomer ga ik binnen twee jaar op pensioen en nu begin ik mij zorgen te maken. Er wordt mij verteld dat de hoogte en de uitbetaling van dat pensioen welbeschouwd een kwestie is van solidariteit tussen de generaties. De jongere generatie betaalt goedgezind voor het onderhoud van de oudere omdat ze weet dat ze zelf ooit die oudere wordt. En dat is allemaal mooi wettelijk vastgelegd.
     Die solidariteit vind ik prima maar na de woordentwist van hierboven tussen babyboomers en millennials ben ik er niet gerust meer in. Op zo’n bouwgrond van solidariteit zet je, vrees ik, geen pastoriewoning. Een wettelijke regeling biedt meer vastigheid, maar – helaas – ook wetten kunnen gewijzigd worden. Als de verwende millennials hun luxeleventje bedreigd zien door al te hoge bijdragen, dan zouden ze wel eens en masse voor een anti-pensioenpartij kunnen stemmen om zo de profiterende babyboomers een pittig lesje te leren. Ik zeg niet dat zoiets zál gebeuren, maar áls zoiets gebeurt, dan zullen mooie woorden over solidariteit niet genoeg zijn om dat tegen te houden.
     Eigenlijk komt het hierop neer. Welk pensioensysteem er ook gevolgd wordt, er is altijd een deel van de bevolking dat werkt en consumeert, en een deel dat alleen consumeert. Het werkende deel van de bevolking bakt brood, koffiekoeken en taartjes en dat lekkers moet worden verdeeld onder datzelfde werkende deel én het gepensioneerde deel. Er bestaat een oude, eerbiedwaardige manier om die verdeling tot stand te brengen en dat is het eigendomsrecht. Dat is iets moois. Het geld dat je verdient is van jou en je koopt daar zoveel koffiekoeken voor als je wilt. Een deel van dat geld spaar je om later, als je niet meer werkt, nog altijd koffiekoeken te kunnen kopen. Als je veel gespaard hebt, kun je later veel koffiekoeken kopen, en als je weinig gespaard hebt moet je je op je oude dag tevreden stellen met brood van de Aldi. En om zeker te zijn dat iedereen genoeg spaart, en dat niemand alleen brood van de Aldi moet eten, kan dat sparen desnoods bij wet worden opgelegd en geregeld.
     Een pensioensysteem volgens het eigendomsrecht, zoals ik hierboven heb uitgetekend, noemt men een ‘kapitalisatiestelsel’. In Holland, waar het stelsel van kracht is, spreekt men van ‘kapitaaldekking’. Wat de straatveger of de nefroloog spaart voor zijn pensioen is en blijft zijn eigendom. Dat geld wordt op de een of andere manier geïnvesteerd, en op een zekere leeftijd – die de straatveger of de nefroloog liefst zelf mag kiezen – krijgt hij een rond bedrag van tienduizenden of honderdduizenden euro’s. Hoe langer hij gewerkt heeft, en hoe meer hij heeft afgedragen, hoe hoger dat bedrag.
     Er is ook een tweede mogelijkheid. In plaats van een rond bedrag, krijgt de gepensioneerde burger een lijfrente die berekend wordt op dat ronde bedrag. Hij geeft bij wijze van spreken zijn geld aan een private of openbare verzekeringsinstelling, en in ruil daarvoor krijgt hij een vaste maandelijkse uitkering. De burger gaat daarbij een soort weddenschap aan op zijn levensverwachting. Leeft hij na zijn pensionering nog slechts enkele jaren, dan wint de instelling. Wordt hij zo oud als Methusalem, dan wint de burger. Een dergelijk stelsel wordt natuurlijk zó berekend dat de verzekeringsmensen ietsje meer kans maken om te winnen dan de burger, want zij hebben de wet van de grote getallen achter zich. Met dat ietsje meer kans, kunnen zij overigens heel rijk worden, volgens het principe van Theofiel Boemerang: kleine procentjes, rijke ventjes**. De gemiddelde pensioentrekker daarentegen verliest een kleinigheid, maar daarvoor geniet hij de zekerheid van het ‘win-for-life’-principe. Zelfs de liberale econoom Friedrich Hayek verkoos les te geven aan een universiteit die een veilige lijfrenteregeling aanbod in plaats van een risicovol rond bedrag dat vroeg of laat opgesoupeerd kan raken. Hayek had, zoals wel vaker, gelijk, want hij werd 93. En ook die lijfrente kan desnoods wettelijk geregeld worden zodat elke burger minstens gedeeltelijk in het veilige systeem stapt. Als het moet kan zelfs een staatswaarborg worden afgesproken.
     Indertijd werd bij ons, anders dan in Nederland, niet gekozen voor de kapitalisatie, maar voor de zogeheten repartitie. Dat stelsel werkt niet volgens het solide beginsel van het eigendomsrecht, maar volgens het vluchtige beginsel van de solidariteit. Wat de werkende betaalt, wordt niet opzij gelegd voor zijn eigen latere pensioen, maar wordt rechtstreeks doorgestort aan de huidige gepensioneerden. De werkende moet erop vertrouwen dat de volgende generatie even solidair, of even volgzaam, zal zijn als de zijne.
     De keuze voor repartitie was, geloof ik, een fout, en zo’n fout achteraf rechtzetten is een heel karwei. Misschien kan links daarbij meehelpen. Links beschouwt de rechtse partijen als anti-pensioenpartijen. Ik geloof dat dat een foute inschatting is. Maar stel dat links gelijk heeft en dat die centrumrechtse partijen inderdaad anti-pensioen zijn, zou links dan niet beter meehelpen om de toekomstige werknemerspensioenen in veiligheid te brengen achter de betrouwbare muren van het eigendomsrecht? Voor zo’n stevig metselwerk kan centrumrechts immers nog altijd enig ontzag opbrengen.

* Met name op de pagina van Filip De Mey. Het antwoord dat ik verder parafraseer vond ik bij Michel Berger.

** Vandersteen, W. (1959), De Texasrakkers, passim.

woensdag 24 januari 2018

Professorale belevenissen van Boudewijn Bouckaert

     Het gedenkschrift van Boudewijn Bouckaert, Professorale belevenissen, is maar een dun boekje geworden. Niet meer dan 250 bladzijden. Dat is niet zo’n groot nadeel als de lezer misschien zou denken. Bouckaert bezit de gave om iets kort en duidelijk onder woorden te brengen. Hij vat ergens Hayeks Law, Legislation and Liberty samen op een halve bladzijde, en ’t is een verdomd goede samenvatting. Hij besteedt enkele bladzijden aan het jaar dat hij aan Harvard les heeft gegeven. ’t Is vooral zijn persoonlijk verhaal, maar toen ik die bladzijden gelezen had, wist ik over die Amerikaanse law schools ongeveer alles wat ik wilde weten. Eerder in het boek wijdt hij enkele zinnen aan de overleden maoïstenleider Ludo Martens. Door die zinnen lijkt het alsof ik Ludo nu heel wat beter ken, terwijl ik hem vaker gezien en gesproken moet hebben dan Bouckaert. Als mijn zoon iets zou willen weten over de studenterevoltes van de jaren zestig – die nieuwsgierigheid zou hem sieren – zou ik hem de eerste vijftig bladzijden van Bouckaert aanraden. Alles wat ik er zelf van weet – alles wat de moeite is bedoel ik – staat erin. Dat de trotskisten bijvoorbeeld hippe vestjes droegen, en leninbaardjes en trotskibrilletjes, of er in ieder geval speciaal uitzagen. Ja, daarvoor waren het ook trotskisten!
     Bouckaert is onmiddellijk na zijn afstuderen en zijn legerdienst terwerkgesteld geweest aan de Rijksuniversiteit van Gent: tijdelijk assistent, eerst aanwezend assistent, docent, hoogleraar en gewoon hoogleraar. De laatste stap is ‘dóód gewoon hoogleraar’ voegt Bouckaert eraan toe en hij hoopt dat die laatste benoeming nog even op zich laat wachten. De weg van assistent naar hoogleraar is er een bezaaid met voetangels en wolfksklemmen, en benoemingen hangen evenzeer af van kantoorgekonkel als van academische verwezenlijkingen. De hoofdstukken daarover lezen als een vermakelijke campus novel.
     Inzake politieke overtuiging dan is Bouckaert meer dan één keer van kamp veranderd. Begonnen als rechts-katholiek werd hij aan de universiteit links-katholiek, dan radicaalsocialist, dan sociaaldemocraat om ten slotte rust te vinden bij het libertarisme – ook klassiek liberalisme genoemd. Die laatste overtuiging is hij trouw gebleven, al was hij achtereenvolgens lid van VLD, N-VA, LDD en dan weer N-VA. Wel stelde hij zich pragmatisch op en begreep hij dat in de politiek de beste én de tweedebeste keuze meestal ‘niet haalbaar’ zijn. Vaak gaat het erom de vierdebeste keuze te laten zegevieren over de vijfdebeste, en als dat gelukt is, kun je met recht en reden verzuchten: autant de gagné sur l’ennemi.
     Een van de aantrekkelijke eigenschappen van Bouckaert is zijn eerlijkheid. Hij komt er rond voor uit dat hij met grote tegenzin examens afneemt, trucjes verzint om het aantal mondelinge examens te beperken en dat hij op het einde van een examendag humeurig kan uitvallen tegen studenten. Als hij dan ziet dat ze schrikken, schrikt hijzelf ook en biedt zijn excuses aan. Toen hij assistent was van professor Calewaert, een hevige socialist, en bij hem doctoreerde, zorgde hij ervoor dat zijn eigen libertarische overtuiging wat onderbelicht bleef. Ook dat erkent hij achteraf. En die keer dat hij in De Morgen werd aangevallen door Yves Desmet antwoordde hij met een nogal onhandig satirisch stuk. In zijn boek geeft hij toe dat hij toen uit verbittering handelde. Dat is het soort toegeving dat je niet elke dag in gedenkschriften tegenkomt.
     Vooral in het eerste deel van het boek, verwerkt Bouckaert enkele aardige anekdotes. Zo moest hij tijdens zijn legerdienst het militair reglement uit het hoofd leren. Een van de regels luidde: ‘De soldaat heeft recht op zijn brood.’ Daar hoorde dan de examenvraag bij: ‘Wat heeft de soldaat op zijn brood?’ Het juiste antwoord was: ‘Recht.’
     In zijn studententijd werd Bouckaert ooit gearresteerd bij een betoging aangaande Vietnam. Hij werd ervan beschuldigd dat hij een politieagent met een ‘pancarte’ had bedreigd. Zo’n ‘pancarte’ waar een slogan op geschilderd is, kan inderdaad een gevaarlijk wapen zijn, afhankelijk van het materiaal waaruit het is gemaakt. Een stuk karton is vrij onschuldig, maar een bord uit stevig betonplex van dertig op vijftig centimer, vastgemaakt aan een stevige stok, dat is een andere zaak, vooral als je dat bord met de scherpe kant laat neerkomen op het hoofd van je slachtoffer. Bouckaert verscheen dus voor de rechtbank en een politieman kwam getuigen dat de student hem had bedreigd met een … met een … pamflet. Bij die verspreking, schrijft Bouckaert nogal droog, veerde advocaat Piet van Eeckhaut recht en wees erop hoe gevaarlijk zo’n papieren ding wel kon zijn.
     Misschien was meester Van Eeckhaut die dag ook kort en droog. Maar wie hem ooit aan het werk geeft gezien, op televisie of in het echt, stelt zich de scène anders voor. ‘Een pamflet! Edelachtbare, een pamflet! Ziedaar het wapen van de crimineel. Ziedaar het wapen van de terrorist! Ziedaar het moordwapen … (grist een blad uit zijn boekentas). Een onschuldig blad papier, edelachtbare, een onschuldig blad papier waarmee je geen geen mus in de tuin, waarmee je geen vlieg op het raam kunt verwonden, laat staan doden! Een blad papier dat een boodschap bevat van vrede en hoop en solidariteit met dat moedige volk in dat verre deel van Azië, dat volk dat alleen in alle rust en vrede zijn rijst wil verbouwen op zijn vruchtbare akkers. En nu wil men ons doen geloven, edelachtbare, dat deze zwaarbewapende agent, opgeleid en gedrild om gangsters en criminelen te bestrijden, dat deze zwaarbewapende agent, zeg ik u, zich bedreigd voelde door dit … (dramatische stilte, toont weer zijn papier) … pamflet? Ik vraag de vrijspraak voor mijn cliënt!’
     Meester Van Eeckhaut is rood aangelopen. Het is niet helemaal duidelijk of hij zo geboren is, teveel gedronken heeft in zijn leven, zo hard zijn best moet doen om niet in de lach te schieten, of dat hij het dramatische talent bezit om naar believen rood te kleuren als hij verontwaardiging wil veinzen.

maandag 6 november 2017

Lenin was een bodybuilder

     Over de ‘glorieuze oktoberrevolutie’ – die morgen voor de honderste keer wordt herdacht – kun je lang of kort praten, naar gelang je voor of tegen bent.* Maar drie dingen zijn zeker: ze was niet glorieus, ze viel niet in oktober en het was geen revolutie. Niet glorieus, want ze was het begin van een eindeloze reeks slachtpartijen, executies, gruwelijke folteringen en jarenlange hongersnood. Niet in oktober, want volgens onze Gregoriaanse kalender viel ze op 7 november. Geen revolutie, want die had al plaats gehad in februari-maart. Wat in november gebeurde was een machtsgreep waarbij een van de revolutionaire fracties de rivaliserende revolutionaire fracties aan de kant schoof. En er is nog één ding zeker: zonder Vladimir Iljitsj Oeljanov, bijgenaamd Lenin, had ze nooit plaatsgevonden.
     Die Lenin heeft in zijn leven heel veel geschreven. Zijn Verzameld Werk bestond uit geloof ik 45 dikke delen van elk meer dan 500 bladzijden. Daar waren telegrammetjes bij, en kattenbelletjes, en krantenartikeltjes waarin onze vriend al eens in herhaling verviel, maar daar waren ook échte boeken bij over filosofie, over wetenschap, over de wereldeconomie, en over de kunst van de revolutie en de politieke intrige.**
     Ik leerde die Lenin-boekjes kennen toen ik zestien jaar was. In de studiezaal van ons college werd van hand tot hand, onder de banken, een lijst doorgegeven waarop je ze kon bestellen. De lijst werd dan overgemaakt aan een Leuvense student en die zorgde ervoor dat de boekjes de school werden binnengesmokkeld. Het was een succes, want de boekjes waren heel goedkoop. Voor de prijs van een zakje friet kon je al een heus klassiekertje als Staat en revolutie kopen. Zelfs wie weinig zakgeld kreeg, kon op korte tijd een mooie verzameling revolutionaire literatuur aanleggen.
     Een van die boekjes – het was iets duurder en beter gedrukt en had een lichtblauwe omslag – heette Wat te doen? Die titel was ons, jonge revolutionairen, uit het hart gegrepen. Zo’n revolutie vonden wij een machtig idee, maar hoe begon je eraan? Met andere woorden: wat moest je doen? Helaas, het boekje gaf geen duidelijk antwoord op die vraag. Dat antwoord kregen we later op ‘vormingsvergaderingen’ van Ludo Martens die uit het boekje - dat volgens hem Que Faire? heette*** - allerlei praktische aanwijzingen haalde die we er zelf nooit in hadden gevonden.
    De titel van zijn werkje had Lenin overgenomen van een roman van Tsjernysjevski, de lievelingsschrijver van zijn jeugd.**** Die roman heette ook Wat te doen? en eindigde met een visioen. In het toekomstige Rusland is een ideale maatschappij tot stand gekomen. Iedereen leeft in grote gemeenschappelijke paleizen van aluminium.  Ook de meubels zijn van aluminium. De volwassenen werken overdag op het veld onder een geweldig zonnescherm terwijl het huishoudelijk werk door kinderen en bejaarden wordt gedaan. Elke avond is er feest. Zoals in wel meer socialistische utopieën is het huwelijk afgeschaft en heerst er een systeem van vrije liefde. Daar zijn speciale kamertjes voor ontworpen.
     Maar zo’n aluminium paradijs komt er niet vanzelf. Eerst moet een generatie zich opofferen. Die generatie kan zich spiegelen aan de held van het verhaal, zekere Kairat Rachmetov. Rachmetov is een asceet. Hij slaapt als het moet op een bed van spijkers. Hij eet alleen rauwe biefstuk. Hij leest alleen wat nuttig is voor de revolutie. Verleidelijke vrouwen houdt hij op een afstand. En hij staalt zijn lichaam door dagelijks aan gewichtheffen  te doen.
     Lenin heeft zich op jonge leeftijd voorgenomen om het voorbeeld van Rachmetov te volgen. Met ijzeren wilskracht is hij dat voornemen trouw gebleven. Of hij rauwe biefstuk at weet ik niet, maar hij liet zich weinig in met verleidelijke vrouwen en las alleen wat nuttig was voor de revolutie.  Bij Orlando Figes lees ik dat hij dagelijks met gewichten in de weer was.
     Lenin was een bodybuilder.


___________

* Die mooie formulering heb ik helaas niet zelf bedacht.  Andere Leninstukjes van mij vind je hier en hier.
** Een van de belangrijkste regels van de politieke intrige is het koppen tellen. Dat demonstreert Lenin heel aardig in zijn boekje Een stap vooruit, twee achteruit, waar hij verslag uitbrengt van het tweede congres van zijn partij. Op dat congres waren 51 afgevaardigden en daarvan waren 23 op Lenins hand en 28 op de hand van zijn tegenstrever Martov. Lenin begreep dat je in zo’n geval kunt praten als Brugman maar 23 is 23 en 28 is 28. Daar helpt geen lievemoederen aan. Het enige wat je kunt doen is zorgen dat minstens zes, liefst zeven, van die 28 worden weggemaneuvreerd. De idealistische Martov begreep dat niet en bevond zich na 27 zittingen plots in de minderheid.

*** Waarom die Franse vertaling? Omdat ze korter is en beter in de mond ligt? Maar in Nederland, waar men minder Frans kent, spraken Marxisten volgens Wikipedia van ‘What Is To Be Done’. Dat is niet korter en ligt niet beter in de mond. Is het een middel om de ingewijde van de buitenstaander te onderscheiden? Zo sprak men in mijn kringen ook nooit van de ‘Geschiedenis van de KPSU' maar van de 'Bolsjewiek’.

**** Men beweert wel eens dat Tsjernytsjevski’s roman meer mensen tot het communisme heeft bekeerd dan alle geschriften van Marx en Engels samen. Ongeveer zoals men van Ayn Rands romans beweert dat die meer mensen tot het libertarisme hebben bekeerd dan de boeken van Mises, Hayek en Friedman.

Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.

woensdag 28 oktober 2015

Neo

In wijzerzin: vier die zichzelf om de dooie dood
nooit neoliberaal genoemd zouden hebben:
Friedrich Hayek (Burkean Whig), Milton Friedman
(small capital libertarian), Margaret Thatcher (Tory),
Ronald Reagan (American).
    Dit seizoen telt ons voetbal twee neo-eersteklassers: Sint-Truiden, dat kampioen werd in tweede klasse, en na een spannende eindronde, ook OHL. Bij die laatste club is Jan getest en goedgekeurd om bij de beloften te spelen, maar zés trainingen per week én een match leek ons wat te veel voor een toekomstige eerstejaarsstudent.
     Dat voorvoegsel ‘neo’ van daarnet in ‘neo-eersteklassers’ kom je vaak tegen in de filosofie en in de kunst: neoplatonisme, neothomisme, neopositivisme, neoromantiek, neoclassicisme … Dat is allemaal in orde, als je daar van houdt, behalve dat laatste, want classicisme betekent eigenlijk al neoklassiek, en met neo-neoklassiek krijg je wel erg slappe thee.
     In de politiek ligt het moeilijker. Daar heb je neonazi’s en neofascisten en die deugen niet, maar de oude nazi’s en fascisten deugden ook al niet; dat ‘neo’ verandert daar niets aan. Neomarxisten hoeven zich dan weer voor niets te schamen en neoconservatieven al evenmin. Ik heb ooit een bundel essays van Irving Kristol gelezen en die bundel heette ‘Neoconservatism’. Kristol was daar helemaal niet beschaamd over.
    Met het woord neoliberaal is dat anders. Onlangs vertelde Etienne Vermeersch op tv dat de NVA weliswaar ‘liberaal’ was, maar niet ‘neoliberaal’. Zó extreem was de Alliantie echt niet, vond de professor, en met Bart De Wever was het leuk praten op Reyers Laat.
     Er zijn, bedenk ik nu, helemaal geen Vlaams-nationalisten, maar ook heel weinig liberalen, hoe radicaal ook, die zichzelf ‘neo-liberaal’ noemen. Het woord wordt eigenlijk alleen door tegenstanders gebruikt. Het voorvoegsel ‘neo’ zorgt hier onmiskenbaar voor een negatieve bijklank. En dat is niet eerlijk, vind ik, want bij alle andere woorden is ‘neo’ onpartijdig en betekent het alleen ‘een nieuwe versie van’.


     Naschrift op 9 maart 2017. Vandaag lees ik op Wikipedia dat  ‘neoliberalisme’ oorspronkelijk ook de neutrale betekenis had van ‘nieuwe en afgezwakte versie van het klassieke liberalisme’.
   

Oorspronkelijk geplaatst op 27 mei 2015

vrijdag 18 september 2015

Hayek en Keynes

   Als je zoals ik niets van staatshuishoudkunde afweet, beleef je harde tijden. De kranten staan vol artikels waar je weinig van begrijpt, en zelfs op Facebook hebben vrienden artikels gedeeld over zaken als schuldafbetaling,  investeringsbeleid en fiscale politiek. Moeilijk, moeilijk. Als de economie terugloopt, wat moet je dan doen? Het antwoord op die vraag zou te vinden zijn bij twee knappe koppen van vorige eeuw: John Maynard Keynes en Friedrich Hayek.
   Hun antwoorden zijn nogal tegenstrijdig – wat had je gedacht? Meer geld bijdrukken en uitgeven, zegt Keynes, en ervoor zorgen dat de lonen stijgen, zodat er meer gekocht kan worden. – Wel integendeel, zegt Hayek. Minder geld uitgeven, lonen matigen en dat bespaarde geld investeren. Dat is dus precies het tegenovergestelde. En met belastingen is het net zo. Die moeten omhoog, zegt Keynes, zodat de staat meer kan investeren. – Juist andersom, zegt Hayek. Ze moeten omlaag, zodat de bedrijven meer kunnen investeren.
   We zouden, als betrokken burgers, die boeken eigenlijk eens moeten lezen voor we gaan stemmen voor SP.a of NVA. Maar de ‘General Theory’ van Keynes schijnt veel algebra te bevatten, en de ‘Pure Theory’ van Hayek zou nog erger zijn: 450 bladzijden dorre redenering waarbij elke zin voortbouwt op vorige. Ik begin er niet aan. Wel kijk ik de laatste jaren af en toe naar het vermakelijke rapnummer Hayek vs Keynes. Er is ook een Round Two. Of die zangstukken een juist beeld geven van de economische denkbeelden in kwestie, weet ik niet. Wel zijn er voldoende authentieke foto’s die bewijzen dat  Hayek meer haar op zijn hoofd had dan de videoclips laten geloven. En Keynes minder.

Oorspronkelijk geplaatst op 4 februari 2015