Posts tonen met het label Harry Frankfurt. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Harry Frankfurt. Alle posts tonen

maandag 21 december 2020

Bart De Wever en het Vlaams Belang


  * De straffe uitspraken van Bart De Wever over een mogelijke coalitie met Vlaams Belang (‘als dit de electorale toekomst is, zal ik er niet toe behoren’) hebben de aandacht getrokken. Of ze inhoudelijk, strategisch of tactisch veel nieuws bevatten, is een andere zaak. Een en ander wordt voorgesteld als de zoveelste ‘bocht’ van BDW en N-VA.

* Als we over échte bochten spreken in de Vlaamse politiek van de laatste 15 jaar zie ik er maar vier: Vlaams Belang is afgestapt van haar 70-puntenprogramma, de PVDA is afgestapt van het leninisme-stalinisme, Open-VLD is afgestapt van het rechts-liberalisme en confederalisme, en N-VA heeft haar communautaire strategie aangevuld met een stevig standpunt over economie en migratie. Drie van die vier bochten vind ik positief.

* Wat journalisten en politieke tegenstanders als bocht voorstellen, is vaak een rimpeling in een glas water. Jambon die minister-president wordt in plaats van De Wever, Lachaert die paars-geel inruilt voor Vivaldi, Coens die na maanden aarzeling toch een regering zonder N-VA aanvaardt – dat zijn niet meer dan tactische keuzes vanuit een begrijpelijke partij-logica. Ik wil tegenstanders daar graag mee jennen, maar dan is mijn verontwaardiging half gespeeld.

* Als ik goed luister hoor ik De Wever niet zozeer élke mogelijke coalitie met VB uitsluiten als wel voorwaarden stellen: dat Van Grieken zich ‘redelijk’ moet opstellen  en dat hij ‘schoon schip moet maken in zijn stal’. Dat eerste is niet onmogelijk want De Wever geeft toe dat die redelijke opstelling aanwezig was tijdens de Vlaamse regeringsonderhandelingen. Dat tweede verwijst naar een aantal extreme Vlaams Belang-leden, onder andere in de Antwerpse gemeenteraad, waarmee Filip De Winter en Sam van Rooy worden bedoeld.

* ‘Er gaat geen gemeenteraad voorbij,’ zegt De Wever, ‘of raadsleden van het Vlaams Belang zeggen minstens drie keer dat moslims en Afrikanen achterlijk zijn.’ Sam Van Rooy antwoordt daarop dat hij alleen de Islam zelf en de Afrikaanse cultuur ‘achterlijk’ heeft genoemd, niet die mensen (1). Nou ja, ’t is een verschil, maar of de belediging minder hard aankomt bij die mensen, dat weet ik niet. Schelden is niet de beste manier om nieuwkomers van de voordelen van onze cultuur te overtuigen.

* Meer algemeen: een politicus die – terecht vind ik – de migratie vanuit Afrika wil beperken, moet juist een extra inspanning leveren om racisme te ontzenuwen tegenover Afrikanen die hier al wonen. En wie het moslimextremisme wil bestrijden, richt zich best op sommige kwalijke tendensen binnen de islam, bijvoorbeeld de beweging die de sharia wil invoeren naast of in de plaats van onze rechtstaat.

* N-VA en Vlaams Belang hebben gemeenschappelijke programmapunten: Vlaamse onafhankelijkheid, Vlaamse identiteit, strikt immigratiebeleid, realistisch energiebeleid. Hoe dichter partijen bij elkaar aanleunen, hoe meer ze electoraal vijanden van elkaar zijn, want ze vissen in dezelfde vijver.

* Sam Van Rooy zegt dat hij met ‘Vlaams Belang niet groter wil worden ten koste van N-VA’. Dat klinkt heel mooi, maar het is minstens bullshit en hoogstwaarschijnlijk een leugen. Het verschil staat uitgelegd in Harry Frankfurts On Bullshit.

* Er zijn ook verschillen tussen N-VA en Vlaams Belang. N-VA is rechtser voor economie, meer bereid tot compromissen met traditionele partijen, neemt als partij geen standpunt in tegen de Islam in het algemeen, neemt duidelijker afstand van racisme, en verwerpt met meer klem het collaboratieverleden van de Vlaamse beweging. Op al die punten sta ik aan de kant van N-VA, al zal dat mijn radicaallinkse vrienden niet beletten om mij moslimhaat, racisme en goedpraten van de collaboratie te verwijten.

* De communautaire basisstrategie van N-VA is het afsluiten van een ‘deal’ met de PS. Die van Vlaams Belang is er een van het behalen van een Vlaamse meerderheid van N-VA en Vlaams Belang, en daarna eenzijdig de onafhankelijkheid te verklaren zodra 50 % + 1 is bereikt. Ik geloof niet dat N-VA ooit in die tweede strategie zal meestappen. Mijn stem zou ze in elk geval kwijt zijn.

* Als een radicale partij en een gematigde partij in dezelfde electorale vijver vissen, dicteert het eigenbelang voor de twee partijen typische strategieën voor elk van hen. Je zag die strategieën vroeger ook in de opstelling van de communistische en socialistische partijen.

* De radicale partij moet laten uitschijnen dat ze graag willen ‘samenwerken’. Dat geeft een gematigd imago en tegelijk kan ze op alle andere vlakken radicaal blijven, met inbegrip van scherpe aanvallen op de gematigde partij. Bij de communisten leidde het tot de perfide ‘volksfront’-politiek. Bij Vlaams Belang leidt het tot de ‘uitgestoken hand’.

* De gematigde partij moet hopen dat de succesvolle radicale partij ooit kan meeregeren, zodat ze ofwel ook gematigder wordt, ofwel minder aantrekkelijk. Daarom zal N-VA volgens mijn berekening nooit het cordon sanitaire onderschrijven.

* Als de radicale partij electoraal echter te sterk wordt, vermindert paradoxaal de bereidheid om ze in een coalitie mee op te nemen, behalve in de vorm van ‘gedoogsteun’.

* N-VA en Vlaams Belang zitten federaal allebei in de oppositie. In die oppositie is er weinig reden tot samenwerking, behalve dat ze vaak hetzelfde stemgedrag zullen vertonen. Wat zouden ze verder samen moeten doen? Samen juichen en jouwen in het Parlement. Dat zal veel opleveren! Samen manifesteren op straat? Dat is vooral iets voor radicalen. Samen een wetsvoorstel indienen? Dat zal geen indruk maken op de meerderheid.

* De meest verregaande samenwerking zou zijn als N-VA en Vlaams Belang bij de volgende verkiezingen als kartel opkwamen? Soms werkt zoiets. Onder bepaalde omstandigheden wordt 1 + 1 dan 2,5. Maar in het geval van N-VA en Vlaams Belang zou 1 + 1 ongeveer 1,5 zijn. Heel wat gematigde N-VA-kiezers zouden afhaken.

(Zie ook hier, hier, hier en hier).


(1) Zie hier. Letterlijk zegt Van Rooy: ‘De Wever is historicus. Hij is intelligent genoeg om het verschil te begrijpen tussen de Afrikaanse cultuur of de islamitische ideologie achterlijk noemen en alle moslims of Afrikanen met hetzelfde adjectief bedelen. Dat eerste heb ik uiteraard al wel gedaan. Ik ga dat ook blijven zeggen.’ 

zondag 9 oktober 2016

Bavo Claes en de superrijken

     Oud-journalist Bavo Claes schreef onlangs een stukje waarin hij de superrijken van vandaag vergelijkt met de slaveneigenaren van gisteren (hier). De rijkdom van die superrijken is ‘een misdaad’, ‘een morele ontsporing’ en vergelijkbaar met de slavernij die vroeger ook ‘doodnormaal' gevonden werd. Hij hoopt dat zijn ‘schatten van kleinkinderen’ het nog zullen meemaken dat de graaiers en de poenscheppers uit het beeld zijn verdwenen en iedereen zich hoofdschuddend afvraagt hoe men vroeger die rijkdom van de superrijken heeft kunnen dulden. Claes beroept zich voor zijn stelling onder andere op een zekere Richard Wilkinson en dat is een ‘emeritus hoogleraar’.
     Hoewel hij sterke taal niet schuwt, is Claes ook voorzichtig. Zo spreekt hij niet over de ‘rijken’ in het algemeen. Het zijn alleen de ‘superrijken’, de ‘schatrijken’, de ‘puissant rijken’, de ‘absurd rijken’ en de ‘exorbitant rijken’ die in de toekomst zullen verdwijnen. De welgestelde lezer van zijn stuk hoeft zich geen zorgen te maken, zolang hij zichzelf niet ‘absurd’ of ‘exorbitant’ rijk vindt.
     Nu zijn speculaties over wat in de toekomst zal gebeuren geen sterk argument. Daarom haalt Claes ook ‘onverdachte bronnen’ aan die ‘cijfers in de hand’ bevestigen dat inkomensongelijkheid de economische groei fnuikt, het kapitalistisch systeem kapot maakt en de maatschappij ontwricht*. Vooral dat het kapitalistisch systeem kapotgemaakt werd, maakte me erg ongerust.
     Mijn vijanden verwijten mij dat ik in mijn polemiek aan detailkritiek doe. Dat ik van één argument de logische of feitelijke fout aantoon, terwijl er honderden andere argumenten zijn waar ik niet op inga. Laat ik dat weer maar eens doen. Ik ga dus niet in op de vraag of de inkomensongelijkheid de economie fnuikt, het systeem kapot maakt of de maatschappij ontwricht. Maar ik beweer stellig dat die gefnuikte economie, dat kapotte systeem en die ontwrichte maatschappij niet bewijzen dat inkomensongelijkheid een ‘morele ontsporing is’. Of iets een moreel goed of een moreel kwaad is, moet minstens in abstracto kunnen worden behandeld zonder er meteen de gunstige of kwalijke gevolgen in een ander domein bij te halen. Slavernij was een moreel kwaad op zichzelf, ook als het de economische groei stimuleerde, het systeem bestendigde en de maatschappij in stand hield, in plaats van die te fnuiken, kapot te maken of te ontwrichten. 
     We moeten de vraag dus opnieuw stellen: is inkomensongelijkheid een moreel kwaad op zichzelf, en is inkomensgelijkheid een moreel goed op zichzelf? In plaats van het aan een epidemioloog als Wilkinson te vragen, al is hij dan emeritus hoogleraar, lees ik liever wat een moraalfilosoof daarover schrijft. Harry G. Frankfurt is zo’n moraalfilosoof en hij is bovendien ook emeritus hoogleraar. Hij schreef het kleine boekje On Inequality – een trage lezer als ik heeft het uit in twee uurtjes – waarin hij beredeneert waarom ongelijkheid geen moreel kwaad is op zichzelf, in tegenstelling bijvoorbeeld tot onnodige armoede, en waarom gelijkheid geen moreel goed is op zichzelf.  Als je in een maatschappij alle rijkdom van de rijken zou vernietigen, zo redeneert Frankfurt ongeveer, als je al hun geld zou vernietigen, al hun huizen zou afbranden, al hun boten zou laten zinken, en al hun auto’s zou laten pletten door een erkende autosloper, dan heb je ontegenzeggelijk een grotere gelijkheid tot stand gebracht. Maar je hebt geen moreel goed tot stand gebracht. En verder wijst Frankfurt erop dat het vergelijken van inkomens en bezit de aandacht afleidt van de echte morele vragen in dat verband.
     Het boekje van Frankfurt is bescheiden van opzet. De schrijver blijft volledig binnen het domein van de moraalfilosofie en de zielkunde. Hij bestudeert niet het verband tussen ‘vrijheid’ en ‘gelijkheid’. Hij bespreekt niet de voor- en nadelen van de vrije onderneming of de staatsregulering. Hij geeft geen antwoord op de vraag of inkomensongelijkheid  de economische groei fnuikt of juist bevordert. Hij is best bereid om toe te geven dat er allerlei redenen kunnen bestaan om naar meer – of zelfs naar volledige – gelijkheid te streven. Dat moeten anderen maar eens uitzoeken. Maar op zijn terrein spreekt hij zich duidelijk uit:  gelijkheid is geen moreel goed, en ongelijkheid  is – in tegenstelling tot slavernij – geen moreel kwaad. Vroeger niet, nu niet en ook in de toekomst niet,  als kleinkinderen van Bavo Claes groot zullen zijn.

* Misschien bedoelt Bavo Claes met die onverdachte maar naamloze bronnen wel het succesboek The Spirit Level. Dat zou kunnen, want dat boek is geschreven door Richard Wilkinson – de emeritus hoogleraar die hij wél met name vermeldt. Die bron bevestigt, ‘cijfers in de hand’, dat allerlei maatschappelijke kwalen zoals slechte gezondheid, korte levensduur, misdaad, wantrouwen, tienerzwangerschappen, alcoholmisbruik, geestesziekten, enzovoort niet alleen gerelateerd zijn aan lage inkomens, zoals men vroeger dacht, maar aan de ongelijkheid op zichzelf. De mensen worden ziek, of leven korter, of worden zwanger op jonge leeftijd, niet omdat ze arm zijn, maar omdat ze rondom zich of op de televisie mensen zien die rijker zijn.
     Een criticus van de theorie vergeleek het met vliegtuigreizen. De gewone reiziger verlaat het vliegtuig dodelijk vermoeid, geradbraakt en hongerig. Dat komt niet door de slechte stoelen, het gebrek aan beenruimte en de karige maaltijden, maar omdat hij ziet dat de eersteklasreizigers fris en monter en verzadigd het toestel verlaten. Voor wie dieper op de kwestie wil ingaan, raad ik aan om zowel The Spirit Level te lezen, als het antwoord erop, The Spirit Level Delusion van Christopher Snowdon. Al naar gelang je maatschappelijke overtuiging zul je aan minstens van één van die twee boekjes veel plezier beleven.