Posts tonen met het label Ludwig von Mises. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ludwig von Mises. Alle posts tonen

donderdag 25 maart 2021

Opium van of voor het volk?

 


     Toen ik een jaar of vijftien was, wou ik graag marxist worden, maar dat was niet makkelijk. Er stonden geen werken van Marx in de boekenkast van mijn vader. Ik vond die ook niet in de bibliotheek van de school. Wat ik daar wel vond waren werkjes óver Marx, zoals dat van predikant, theoloog en socialist Willem Banning. Die werkjes waren jammer genoeg nogal kritisch voor het gedachtegoed van Marx, maar er stond toch altijd genoeg in waar ik mij aan op kon trekken.
     Een van de dingen waar Banning als theoloog dieper op inging, was de leer van Marx over godsdienst als ‘opium van het volk’. Die kreet moest volgens Banning strikt worden onderscheiden van wat Lenin daarvan gemaakt had: ‘opium voor het volk.’  Banning windt zich daarover op. ‘Er staat: Religion ist das Opium des Volkes, niet: für das Volk (term van Lenin, 1905). Dat laatste zou suggereren dat er een klasse van beroepsbedriegers is (priesters, predikanten) die voor het volk opium bereidt en het toedient: een stelletje bewuste misleiders.’
     Later vond ik dat een raar onderscheid. Zou Marx dan niet gedacht hebben dat priesters en predikanten een klasse van beroepsbedriegers vormden? Het ene sluit het andere toch niet uit? Je kunt toch geloven dat de opiumgodsdienst ontstaan is onder invloed van ‘objectieve maatschappelijke krachten’, als troost voor de ondermaanse ellende, en tegelijk geloven dat de priesters, behalve dan Daens, het goedje in de kerk verkochten omdat ze het zelf zo naar hun zin hadden in de huizen van de rijken. Ik heb ooit iets in die zin beweerd op een filosofie-examen en merkte hoe de examinator langzaam één wenkbrauw omhoogtrok. Het moet een discipel van Banning zijn geweest.
     Nu zie ik echter dat ik niet alleen sta met mijn twijfel aan het verschil tussen van en voor. Ludwig von Mises schetst ergens vooraan in Human Action het intellectuele klimaat van de 18de en 19de eeuw waarin, lang vóór Lenin, werd aangenomen dat godsdienst gebruikt werd door priesters die hun eigen macht en rijkdom, en die van hun vrienden, de uitbuiters, veilig wilden stellen. Mises gaat verder: ‘De marxianen namen deze bewering over door te spreken over ‘opium voor het volk’.’ En in een voetnoot voegt hij eraan toe: ‘Dat kán ook de mening zijn geweest van Marx zelf, maar die valt niet af te leiden uit de oorspronkelijke tekst.’*
     Alweer een voorbeeld dat afwezigheid van bewijs geen bewijs is van afwezigheid.


* De teksten van Marx en Lenin vind je hier. De commentaar van Banning vind je in Karl Marx. Leven en betekenis,  (hoofstukje ‘De Antropologie’). De commentaar van Mises vind je in Human Action (Hoofdstuk III, § 3: ‘The Praxeological Aspect of Polylogism’).

zondag 21 maart 2021

Maakt werken gelukkig?

 


     Er zijn liederen die ik al heel mijn leven ken, zoals ‘There’s No Business Like Show Business’ van Irving Berlin. Ik moet het voor het eerst gehoord hebben toen ik een jaar of zes was en de film Annie Get Your Gun zag in de bioscoop van mijn vader. Ik vermoed dat de film enkele jaren later hernomen werd en dat ik hem toen opnieuw heb gezien. In 1974 zag ik meerdere keren de compilatiefilm That’s Entertainment, in Kortrijk, in Gent – ik zat soms helemaal alleen in de matinee voorstelling. Ook in die film moet het lied voorgekomen zijn. En de film All That Jazz die ik minstens tien keer heb gezien eindigt ermee.
     Zoals dat meestal gaat, kende ik maar flarden van de tekst: ‘There’s no people like show people, they smile when they are low’ en ‘let’s go on with the show’. Dat is een vrolijke boodschap. Alles is fantastisch in de showbusiness: ‘Everything about it is appealing’. En als het al eens tegenzit, dan is de boodschap: veeg de tranen van je smoel, ga dapper door, en de volgende keer komt alles weer goed.
     Maar nu hoorde ik onlangs een melancholische versie van het lied die ik niet kende, en die begon met een strofe die ik evenmin kende. Ik kon melodie en tekst eerst niet thuisbrengen:

     The butcher, the baker, the grocer, the clerk
     Are secretly unhappy men because
     The butcher, the baker, the grocer, the clerk
     Get paid for what they do but no applause.

     Zo bekeken is het een droevig lied, en zó wordt het ook gezongen door Mary Hopkin*. Iedereen is ongelukkig in zijn baan, behalve de ‘show people’, want zij krijgen applaus. De andere krijgen alleen maar geld. Adam Smith schreef ook zoiets. “It is not from the benevolence of the butcher, the brewer, or the baker that we expect our dinner, but from their regard to their own self-interest.” Met dat ‘self-interest’ worden geloof ik de centen bedoeld die op de toonbank worden gelegd.
      Gelukkig is de werkelijkheid niet zo ongenuanceerd**. Een collega van mij verkondigde aan iedereen die het horen wilde dat hij eigenlijk werkte voor het geld, zoals zijn leerlingen eigenlijk werkten voor de punten. Als zijn leerlingen geen punten kregen, zouden ze hun taak niet maken, en als hij niet betaald werd, zou hij niet op school verschijnen. Later, na zijn pensionering, was hij altijd de eerste om interim opdrachten te aanvaarden, ook als ze onbezoldigd waren na het overschrijden van de bijverdiengrens. 
     Hoe het dus precies zit met de ‘butcher, the baker, the grocer, the clerk’, dat  zul je aan hen moeten vragen. De ‘teacher’ zou ik niet aan het lijstje toevoegen. Maar misschien komt dat omdat die ook wel eens applaus krijgt in de vorm van een instemmende knik, een begrijpend lachje, een geïnteresseerde blik, of een slimme vraag.

 

* Je vindt die versie hier

** De strenge econoom Ludwig von Mises wijdt in zijn hoofdwerk Human Action een hoofdstukje aan ‘the joy and tedium of labor’
    

dinsdag 6 maart 2018

Hoe bekeer je iemand tot het stalinisme?

     Gisteren 65 jaar geleden overleed Jozef Stalin. Dat was geen aardige man, want hij had vele, vele miljoenen Russen laten vermoorden. Ik moet dat geweten hebben toen ik voor het eerst, op zestien- of zeventienjarige leeftijd, het krantje kocht dat Alle Macht aan de Arbeiders heette. Op de eerste pagina van dat krantje prijkte een afbeelding van de ‘vijf koppen’. De vijf koppen,  dat waren die van vijf bekende communistische leiders: Marx, Engels, Lenin, Stalin en Mao. Thuis nam ik een rode stift en trok een kruis over de vierde kop. Nà. Daar had die wrede dictator niet van terug.
     Hoe wist ik eigenlijk dat die Stalin niet deugde? Onze geschiedenisleraar, Danny Desseyn, had ons weinig over de Russische leider verteld, en dat weinige was nog positief geweest ook: de wilskracht waarmee hij het hoofd had geboden aan de Duitse inval, de succesvolle vijfjarenplannen. Toch wist ik, of liever voelde ik, dat werkelijk iederéén, behalve die jongens van Alle Macht, het erover eens was dat Stalin een heel slecht mens was geweest. Er hing een soort eenstemmigheid in de lucht, en daar had ik ongetwijfeld iets van opgesnoven. Misschien ook had ik ergens een kritisch opstel van Boris Souvarine gelezen. ’t Is lang geleden.
     Ik was dus, toen ik zestien-zeventien was, antistalinist, zoals iedereen. Toch hadden handige bliksems als PdB, WM en sommige anderen van wie ik mij slechts één initiaal herinner, niet al te veel moeite om me in geen tijd in een klein stalinistje om te turnen. Enkele trucjes hielpen daarbij. De terreur van Stalin erkennen (‘hij heeft dertig procent fouten gemaakt’), ontkennen (‘leugens van de burgerlijke pers’), en minimaliseren (‘veel minder erg dan de miljoenen slachtoffers van het kolonialisme en de kapitalistische wereldoorlogen’). Een ander foefje bestond erin de aandacht af te leiden van de daden van de man naar de woorden van de schrijver. Want Stalin schrééf ook, net als de vier andere koppen. ‘Lees eens een boek van Stalin zelf,’ zei men mij, ‘in plaats van alleen maar negatieve dingen over hem te lezen.’ En ik kreeg iets in handen gestopt over het ‘dialectisch en historisch materialisme’ of over ‘het nationaliteitenvraagstuk’. En ja, het klonk allemaal behoorlijk marxistisch wat daarin stond, en ook dat marxisme hing in de lucht en daar had ik meer dan mijn deel van opgesnoven.
     Nauw in verband met de truc van de boeken, was de sterkste handgreep van allemaal: het begraven van de stalinistische moordpartijen onder een menigte ideologische haarkloverijen. Zo werd er eindeloos geargumenteerd waarom in het Rusland van de jaren 30, de ene keer meer middelen naar de landbouw en de andere keer meer middelen naar de industrie moesten gaan. Zulke discussies hadden geen wetenschappelijke basis omdat, zoals Ludwig von Mises al in 1920 had aangetoond, de socialistische economie geen wetenschappelijke basis heeft. Het socialisme vervangt een aanpak van gissen, missen en leren van je fouten, door een blindemanspelletje waarbij je niet eens wéét wanneer je raak of mis slaat. Maar het zijn natuurlijk net de discussies zónder wetenschappelijke basis die met de grootste passie worden gevoerd. En na een ideologisch seminarie van drie dagen waren we het er allemaal over eens dat Stalins landbouwpolitiek de enige juiste was, terwijl die van Trotski door links opportunisme, en die van Boecharin door rechts opportunisme was gekenmerkt. Dat die landbouwpolitiek uitmondde in de Oekraïense Hongersnood van 1932-1933 – drie tot zes miljoen slachtoffers* –, was een aspect dat op zo’n seminarie minder uitvoerig werd besproken.
     Die ideologische seminaries werden dan aangevuld door vlijtige zelfstudie van communistische of half-communistische boeken. Uit die boeken bleek dat het allemaal best meeviel met de stalinistische moordpartijen. Hier en daar was wel eens een klassenvijand naar een kamp gestuurd of een spion doodgeschoten, maar er was vooral veel goeds gerealiseerd: genoeg te eten, goedkope condooms, scholen, rusthuizen, de metro van Moskou, autowegen, en op tijd rijdende treinen. De boeken waarin dat goeds werd bezongen, waren vaak geschreven door figuren van het tweede garnituur:  Anna Louise Strong, Kostas Mavrakis, Nils Holmberg, Sayers & Kahn. Soms waren het ‘neutrale’ boeken zoals de memoires van Joseph E. Davis, de Amerikaanse ambassadeur in Rusland, of een reisverslag van Hewlett Johnson, de deken van Canterbury. En af en toe vond je boek van een auteur met een grote naam, waar je dus niet beschaamd over moest zijn, zoals dat van de Franse communist Louis Aragon, die, zoals iedereen moest toegeven, voor zijn vrouw mooie gedichten had geschreven. Als je dan tien of twintig van zulke boeken had gelezen, dan wist je over Stalin meer dan 99 procent van de bevolking, en meer dan 90 procent van de niet ter zake gespecialiseerde historici. Zoals een beetje holocaustontkenner ook meer weet over Hitler dan u en ik en de doorsnee geschiedenisleraar.
     Als zo’n holocaustontkenner of zo’n Stalinnegationist in gesprek raakt met een leek in de materie, doet zich een raar verschijnsel voor. De ontkenner haalt tientallen argumenten aan, sleept er de kolen- en staalproductie bij, bespreekt partijdagen en congressen, citeert uit rapporten van geheime diensten, wijst op tegenstrijdige en onmogelijke cijfers … en de leek haalt zijn schouders op. De ontkenner wordt wanhopig. Hij brengt de graanproductie, de alfabetisering en de nationaliteitenpolitiek ter sprake. De leek blijft onverstoorbaar. De ontkenner wordt nu emotioneel, barst in tranen uit, wijst op de heldhaftigheid van het Duitse of Russische volk en op de lage maneuvers van de vijand. Maar de leek geeft geen kik. Die Hitler of die Stalin was een massamoordenaar, punt. De leek weet dat zeker, zonder ook maar één boek gelezen te hebben.
     Razend werd ik ervan.

* Ik schreef oorspronkelijk 6 miljoen slachtoffers. Nl.Wikipedia spreekt van 2,5 tot 7,5 miljoen slachtoffers. En.Wikipedia heeft uitgebreid toelichting bij de verschillende schattingen.

maandag 6 november 2017

Lenin was een bodybuilder

     Over de ‘glorieuze oktoberrevolutie’ – die morgen voor de honderste keer wordt herdacht – kun je lang of kort praten, naar gelang je voor of tegen bent.* Maar drie dingen zijn zeker: ze was niet glorieus, ze viel niet in oktober en het was geen revolutie. Niet glorieus, want ze was het begin van een eindeloze reeks slachtpartijen, executies, gruwelijke folteringen en jarenlange hongersnood. Niet in oktober, want volgens onze Gregoriaanse kalender viel ze op 7 november. Geen revolutie, want die had al plaats gehad in februari-maart. Wat in november gebeurde was een machtsgreep waarbij een van de revolutionaire fracties de rivaliserende revolutionaire fracties aan de kant schoof. En er is nog één ding zeker: zonder Vladimir Iljitsj Oeljanov, bijgenaamd Lenin, had ze nooit plaatsgevonden.
     Die Lenin heeft in zijn leven heel veel geschreven. Zijn Verzameld Werk bestond uit geloof ik 45 dikke delen van elk meer dan 500 bladzijden. Daar waren telegrammetjes bij, en kattenbelletjes, en krantenartikeltjes waarin onze vriend al eens in herhaling verviel, maar daar waren ook échte boeken bij over filosofie, over wetenschap, over de wereldeconomie, en over de kunst van de revolutie en de politieke intrige.**
     Ik leerde die Lenin-boekjes kennen toen ik zestien jaar was. In de studiezaal van ons college werd van hand tot hand, onder de banken, een lijst doorgegeven waarop je ze kon bestellen. De lijst werd dan overgemaakt aan een Leuvense student en die zorgde ervoor dat de boekjes de school werden binnengesmokkeld. Het was een succes, want de boekjes waren heel goedkoop. Voor de prijs van een zakje friet kon je al een heus klassiekertje als Staat en revolutie kopen. Zelfs wie weinig zakgeld kreeg, kon op korte tijd een mooie verzameling revolutionaire literatuur aanleggen.
     Een van die boekjes – het was iets duurder en beter gedrukt en had een lichtblauwe omslag – heette Wat te doen? Die titel was ons, jonge revolutionairen, uit het hart gegrepen. Zo’n revolutie vonden wij een machtig idee, maar hoe begon je eraan? Met andere woorden: wat moest je doen? Helaas, het boekje gaf geen duidelijk antwoord op die vraag. Dat antwoord kregen we later op ‘vormingsvergaderingen’ van Ludo Martens die uit het boekje - dat volgens hem Que Faire? heette*** - allerlei praktische aanwijzingen haalde die we er zelf nooit in hadden gevonden.
    De titel van zijn werkje had Lenin overgenomen van een roman van Tsjernysjevski, de lievelingsschrijver van zijn jeugd.**** Die roman heette ook Wat te doen? en eindigde met een visioen. In het toekomstige Rusland is een ideale maatschappij tot stand gekomen. Iedereen leeft in grote gemeenschappelijke paleizen van aluminium.  Ook de meubels zijn van aluminium. De volwassenen werken overdag op het veld onder een geweldig zonnescherm terwijl het huishoudelijk werk door kinderen en bejaarden wordt gedaan. Elke avond is er feest. Zoals in wel meer socialistische utopieën is het huwelijk afgeschaft en heerst er een systeem van vrije liefde. Daar zijn speciale kamertjes voor ontworpen.
     Maar zo’n aluminium paradijs komt er niet vanzelf. Eerst moet een generatie zich opofferen. Die generatie kan zich spiegelen aan de held van het verhaal, zekere Kairat Rachmetov. Rachmetov is een asceet. Hij slaapt als het moet op een bed van spijkers. Hij eet alleen rauwe biefstuk. Hij leest alleen wat nuttig is voor de revolutie. Verleidelijke vrouwen houdt hij op een afstand. En hij staalt zijn lichaam door dagelijks aan gewichtheffen  te doen.
     Lenin heeft zich op jonge leeftijd voorgenomen om het voorbeeld van Rachmetov te volgen. Met ijzeren wilskracht is hij dat voornemen trouw gebleven. Of hij rauwe biefstuk at weet ik niet, maar hij liet zich weinig in met verleidelijke vrouwen en las alleen wat nuttig was voor de revolutie.  Bij Orlando Figes lees ik dat hij dagelijks met gewichten in de weer was.
     Lenin was een bodybuilder.


___________

* Die mooie formulering heb ik helaas niet zelf bedacht.  Andere Leninstukjes van mij vind je hier en hier.
** Een van de belangrijkste regels van de politieke intrige is het koppen tellen. Dat demonstreert Lenin heel aardig in zijn boekje Een stap vooruit, twee achteruit, waar hij verslag uitbrengt van het tweede congres van zijn partij. Op dat congres waren 51 afgevaardigden en daarvan waren 23 op Lenins hand en 28 op de hand van zijn tegenstrever Martov. Lenin begreep dat je in zo’n geval kunt praten als Brugman maar 23 is 23 en 28 is 28. Daar helpt geen lievemoederen aan. Het enige wat je kunt doen is zorgen dat minstens zes, liefst zeven, van die 28 worden weggemaneuvreerd. De idealistische Martov begreep dat niet en bevond zich na 27 zittingen plots in de minderheid.

*** Waarom die Franse vertaling? Omdat ze korter is en beter in de mond ligt? Maar in Nederland, waar men minder Frans kent, spraken Marxisten volgens Wikipedia van ‘What Is To Be Done’. Dat is niet korter en ligt niet beter in de mond. Is het een middel om de ingewijde van de buitenstaander te onderscheiden? Zo sprak men in mijn kringen ook nooit van de ‘Geschiedenis van de KPSU' maar van de 'Bolsjewiek’.

**** Men beweert wel eens dat Tsjernytsjevski’s roman meer mensen tot het communisme heeft bekeerd dan alle geschriften van Marx en Engels samen. Ongeveer zoals men van Ayn Rands romans beweert dat die meer mensen tot het libertarisme hebben bekeerd dan de boeken van Mises, Hayek en Friedman.

Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.

vrijdag 25 september 2015

Rijkdom verdelen

   Onze leraar Nederlands in het vierde middelbaar – Antoon Vandendriessche heette hij – kwam vers van de universiteit, droeg een donkerblauwe blazer en was nogal goedlachs en los in de omgang. Maar verhandelingen verbeteren deed hij met vooroorlogse gestrengheid. Ik schreef ooit dat ‘de jongeren terecht geobsedeerd zijn door maatschappelijk onrecht’. Een obsessie kan nooit terecht zijn! stond er in rode letters in de kantlijn. Of ik ontwikkelde de redenering dat, als de rijkdom van de rijken onder de armen zou worden verdeeld, dat die armen dan minder arm zouden zijn. Triviaal! was de commentaar. Ik kende dat woord niet en moest er de betekenis van vragen.
   Niet veel later leerde ik uit marxistische geschriften hoe je de herverdelingsgedachte minder triviaal kon formuleren. In het goed verwarmde treinstation van mijn geboortestad las ik op regenachtige zondagen boekjes zoals Loon, prijs, winst van Karl Marx, Socialisme van utopie tot wetenschap van Friedrich Engels, en de in 1971 heruitgegeven oorlogsnummers van de Roode Vaan.
   In de Roode Vaan van november 1942 vond ik volgende redenering. De naamloze vennootschappen in België maakten jaarlijks 5 miljard winst. Als dat bedrag verdeeld zou worden onder de anderhalf miljoen loontrekkenden, zou elk van die loontrekkenden ‘slechts’ een verhoging genieten van 300 fr. in de maand. Dat vond de steller van het artikel ‘zeker niet te versmaden’, maar nu ook weer niet zo bijzonder. Gelukkig kwam daar iets bij. Het communisme zou niet alleen zorgen voor een betere verdeling van de taart, het zou vooral ook zorgen voor een veel grótere taart. Je kon een voorbeeld nemen aan de Sovjet-Unie. Daar had je een productie die elke vijf jaar verdúbbelde. Met zo’n groeiritme zou het niet lang duren voor men de Verenigde Staten zou inhalen.  Chroestsjov dacht later ook zoiets.
   Maar zo’n vaart is het niet gelopen. De communistische economieën raakten juist hoe langer hoe meer achterop. Later vond ik bij Karel van het Reve en Ludwig von Mises waarom dat zo was.

Oorspronkelijk geplaatst op 25 februari 2015.