Posts tonen met het label Bertrand Russell. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bertrand Russell. Alle posts tonen

zondag 7 augustus 2022

Kortjes

Caroline Pauwels. Ik heb ooit horen vertellen over iemand die Alexander Decroo een goed mens vond. ‘Je ziet dat gewoon als hij op televisie komt,’ had die man gezegd. Zelf beschik ik over te weinig mensenkennis om zulke uitspraken te doen. Maar toen ik gisteren op televisie een paar flarden interview met Caroline Pauwels zag, maakte ik spontaan een uitzondering. Dat moet toch een goed mens geweest zijn, dacht ik. En ik was de enige niet. Zelfs zo’n ruwe man als Pieter Auwaerts schreef op Facebook dat Pauwels ‘een vrouw was waar de goedheid van afdroop.’ Die indruk had ik dus ook. Maar ik heb, zoals gezegd, weinig mensenkennis. Die van Pieter vertrouw ik meer.

Opwarming van de aarde. De aarde warmt ongetwijfeld op, maar op sommige plaatsen warmt ze meer dan op andere. Op de parkeerplaats van onze Proxy Delhaize is het altijd twee graden warmer dan ergens anders. Als we het wat koud hebben, gaan we gewoon even boodschappen doen.

Wales. Mijn zoon is met enkele vrienden vertrokken naar Wales voor een wandelvakantie. Dat roept voor mij meteen enkele literaire reminiscenties op. Captain Fluellen in Henry V. The Old Devils van Kingsley Amis. Maar vooral, vooral, A Man for Alle Seasons: ‘Why Richard, it profits a man nothing to give his soul for the whole world … but for Wales!’ ‘t Is even geestig als Elsschots dodelijke zinnetje. ‘Was het nog een mof of een Rus, maar een Pool!’ Probeer daarna Wales, of de Polen, maar eens ernstig te nemen. 

Plaisure-pain ratio. Als het goed is, moeten we het ook zeggen. Thuis studeer ik piano op een Yamaha B3 en in Oostende op een digitale Casio Celviano AP-470. Als ik enkele dagen op de Celviano gespeeld heb en dan weer overschakel op de Yamaha, ervaar ik een genotsgevoel, op gang gebracht door de vollere klanken en de natuurlijker respons van de toetsen. Als ik omgekeerd na enkele dagen Yamaha overschakel op de Celviano voel ik een ontgoocheling. Maar – nu komt het – het genot van de ene overschakeling is intenser en duurt langer dan de ontgoocheling en pijn van de andere. Mag ik daar metafysische conclusies uit trekken, of bewijst het alleen nog maar eens dat ik van nature een zonnetje in huis ben?

Taiwan. Columnist Nico Dijkshoorn maakte zich van de week vrolijk over mensen die nu plots een mening over Taiwan hebben. Ik heb daar al langer een mening over. Ik geloof niet dat China, zoals Japan indertijd, héél Zuid-Oost-Azië militair wil inpalmen, maar ze willen, moeten en zullen wel minstens Taiwan inpalmen. ’t Is vreselijk voor de Taiwanezen die, neem ik aan, in grote meerderheid gehecht zijn aan hun kapitalisme en hun democratie. Wat de Amerikaanse bondgenoot van Taiwan in deze kan doen, weet ik niet goed. Afwisselend dreigen en sussen? De hele zaak op de lange baan helpen schuiven? Een gunstiger overgang bedingen? Ik zou als Amerikaanse president voor die kwestie zeker geen oorlog voeren. Zeker niet. Omgekeerd, mocht die oorlog er toch komen, dan duim ik voor de Amerikanen en de Taiwanezen.

Hiernamaals. De meeste westerlingen  van vandaag geloven dat ze na hun dood in het niets verdwijnen, wat geen prettige gedachte is, maar wel een geruststellende. De anderen, een minderheid, geloven dat ze in de hemel komen als ze niet te veel medemensen hebben vermoord. Maar het is ooit anders geweest. Het hiernamaals voor de Christenen is eeuwenlang een te vrezen toekomst geweest. De kans was groot op een eeuwige foltering in de hel, of minstens enkele honderdduizenden jaren foltering in het vagevuur. Je moest daarvoor niemand vermoord hebben. Als je in staat was geweest om iemand te vermoorden was dat genoeg. Dat je niemand vermoord hebt, is misschien een kwestie van geluk, of van ‘the Grace of God’, zoals John Tyndale meende. Velen van mijn generatie en de generatie ervoor vragen zich af waartoe ze in staat zouden zijn geweest mochten ze door omstandigheden in een Einsatzgruppe terechtgekomen zijn.

Bertrand Russell. Het toneelstuk De paradox van Russell, dat ik gezien heb met Theater aan zee, gaat niet over de manier waarop Russell zijn logisch systeem sluitend wilde maken, noch over de manier waarop Gödel die poging ondermijnd heeft. Het gaat over het conflict tussen rede en gevoel, ratio en emotie, logos en pathos. Ik had, voor één keer, de indruk dat ik een toneelstuk helemaal begreep, wat een plezierig gevoel is. Maar iets anders zat mij dwars. Ik heb twee jaar geleden het boek Intellectuals van Paul Johnson gelezen. Stond daar nu wel of niet een hoofdstuk over Russell in, vroeg ik mij af. Het kon bijna niet anders. Maar zeker wist ik het niet. Thuisgekomen controleerde ik het even: jawel hoor: 28 bladzijden over Russell. Nu ik erover nadenk weet ik ook weer wat het zwaartepunt van Johnsons betoog was: de overgang van Russells oorlogstaal in de periode 1945-1953 naar zijn pacifisme in de jaren erna. Johnson ziet daar geen grote tegenstelling tussen: de twee standpunten zijn vergelijkbaar door hun extremisme. Ik herinnerde mij die passages over Russells oorlogstaal, geloof ik, omdat ik van veel vroeger al van die oorlogstaal afwist, van lang voor ik Johnson gelezen had. Als ik dingen lees die ik vroeger ook al wist, herinner ik mij ze veel beter. 

Bertrand Russell 2. Russell was eigenaardig genoeg zelf een groot tegenstander van extremisme. Ook daar was hij extreem in. ‘Geen enkele mening moet met vuur verdedigd worden. Niemand beweert met vuur dat zeven maal acht zesenvijftig is, omdat we weten dat dat het geval is. Een vurige uiteenzetting is alleen nodig als de verdedigde mening twijfelachtig is, of aantoonbaar vals.’ En lord Russell heeft veel vurige uiteenzettingen gehouden.

Liberaal-ironisch. In het toneelstuk De nieuwe man maakt de rechtse Natali een eigenaardig verwijt aan het adres van haar linkse ex-minnaar Peter. Die zou er een ‘liberaal-ironisch’ wereldbeeld op nahouden. Daar moest ik even over nadenken. Maar enkele dagen later woonde ik, alweer in het kader van ‘Theater aan zee’, een lezig bij van Hendrik Vos over ‘Europa na Oekraïne’. Nu weet ik precies wat liberaal-ironisch betekent.

zondag 16 september 2018

Is een beschaafd debat mogelijk tussen links en rechts?

     Enige tijd geleden schreef ik een stekelig commentaartje op een stuk van Ruben Mersch in De Standaard. Ik vond dat de auteur een subtiele drogreden had gebruikt. Ik kreeg een vriendelijk antwoord van de aangevallene, waarop ik op mijn beurt vriendelijk antwoordde, waarna alweer een vriendelijk antwoord volgde. We weken geen millimeter af van ons standpunt, maar we waren wel vriendelijk. Ik was de vriendelijkste, vond ik, want ik liet hem het laatste woord.
     Nu heeft Mersch een heel boek geschreven over hoe je vriendelijk met elkaar kunt discussiëren. Ik heb dat boek –  boekje eigenlijk, 143 blz. – gelezen, en er staat veel waars in. Dat we ons in discussies laten meeslepen door emoties, dat onze argumenten vaak gelijken op handige excuses achteraf, dat we onze eigen kennis en goed karakter overschatten, dat we de argumenten van de tegenstander geen eerlijke kans geven*, dat we niet weten waarom we debatteren.
     Op die laatste vraag geeft Mersch zelf een antwoord dat ik hier parafraseer. We debatteren om verschillende redenen: om een tegenstander te vloeren en op het lichaam van die idioot te dansen; om populariteit te verwerven in een groep van geestesgenoten;  om anderen te overtuigen van het eigen gelijk; en ten slotte: om samen met de tegenstander naar een waarheid te zoeken die misschien wel de tegengestelde standpunten overstijgt.
     Geen van die vier beweegredenen is mij vreemd, maar het mooiste lijkt mij een combinatie van drie en vier. Je probeert de ander te overtuigen, maar je houdt tegelijk de mogelijkheid van je eigen ongelijk open. Zouden zulke discussies ook echt plaatsvinden? Er schiet mij op dit moment maar één voorbeeld te binnen: dat van Walter Block die als jonge socialist in discussie ging met de libertair Nathaniel Branden. Branden stelde twee voorwaarden aan de discussie. Eén: Block moest het boekje lezen ‘Economics in One Lesson’ van Henry Hazlitt. Twee: ze zouden blijven discussiëren, desnoods wekenlang, tot men het eens was. Het was uiteindelijk Block die zwichtte en libertair werd.
     Het boekje van Mersch helpt ons om die wonderlijke uitkomst van het debat te verklaren. Branden speelde het slim. Hij vermeed de discussie te voeren op het vlak van uitgangspunten en morele waarden**. Mersch noemt zo’n discussies ‘contraproductief’. Met zijn keuze voor ‘Economics in One Lesson’ bracht Branden de discussie op het vlak van de gevolgen en van de logica. Met die morele waarden loopt het immers vaak mis. Alles gaat goed, zolang men waarde per waarde neemt, want dan blijkt men allebei voorstander van vrijheid én van veiligheid. Maar zodra die waarden worden gecombineerd in één of andere hiërarchie of, erger nog, ‘visie’, wordt een discussie met andersgezinden haast onmogelijk. Dan moet je als gentlemen uit elkaar gaan, agree to disagree, of beginnen schelden als kapitein Haddock.
     Mersch reikt een andere element aan waarmee we de bekering van Block kunnen verklaren. Block was genetisch voorbeschikt om zich te laten overtuigen. Toen Block ‘Economics’ las, riep hij uit: ‘This book is so me!’ Die standpunten waren blijkbaar op één of andere manier al in zijn DNA ingebakken, zoals men dat vandaag zegt. Er bestaat  bijvoorbeeld onderzoek dat een verband legt tussen politiek-conservatieve standpunten enerzijds en genetische karakterkenmerken anderzijds – zoals ‘nood aan orde’ en ‘angst voor vernieuwing’. Mersch, die bioloog is van opleiding, gaat een heel stuk mee in dergelijke verklaringen. Zelf ben ik nogal terughoudend. Hoe vaak is dat onderzoek al gerepliceerd? Wat betekent politiek-conservatief? Hoe groot is die genetische invloed precies?*** En ook: wélke karaktertrekken heeft men allemaal onderzocht en welke niet? Bij Block zal ‘nood aan orde’ geloof ik geen grote rol gespeeld hebben. Maar hij lijkt wel een bovengemiddelde behoefte te hebben gehad aan intellectuele consistentie. Ook zo’n karaktertrek kan een politiek wereldbeeld beïnvloeden, zonder dat die daarom de poort naar de waarheid wijd openzet. ‘Niemand is er nog in geslaagd,’ schrijft Bertrand Russell, ‘een filosofie te ontwikkelen die zowel geloofwaardig als consistent is.’
     Wie, zoals Mersch en ik,  af en toe een discussiedraad op Facebook volgt, schudt vaak meewarig het hoofd. Mersch ergert zich het meest aan (1) schelden, (2) meningen afvuren zonder argumenten, en (3) over iets anders beginnen. Dat schelden kan ik nochtans tot op zekere hoogte begrijpen. Een tegenstander vernederen, geeft voldoening. Het lucht op. Het heeft iets eerlijks, want je meent wat je zegt als je de andere een onbenul noemt. Fijne ironie, waar ik mij soms aan bezondig, heeft iets gluiperigs.
     Meningen zonder argumenten, begrijp ik ook. Die mensen van meningen-zonder-argumenten voelen misschien niet de drang om anderen te overtuigen. Misschien hebben ze een speciaal talent om meningen scherp en bondig te formuleren en halen ze dáár hun plezier uit. De grote aforisten van de zeventiende en achttiende eeuw zoals La Rochefoucauld, Vauvenargues en Chamfort hielden zich ook niet bezig met zoiets saais als argumenten.
     Maar de neiging om over iets anders te beginnen – daar breek ik mij het hoofd over. Waar komt díe vandaan? Een rechtse jongen verdedigt mening A door argument X te gebruiken. En een linkse meid die mening B aanhangt, antwoordt meteen met argument Y. Waarom doet die niet eerst de moeite om argument X te weerleggen of zelfs maar te erkennen? Hier zijn verschillende verklaringen mogelijk. Argument Y kan een stokpaardje zijn van de linkse meid. Elke gelegenheid is goed om het te voorschijn te halen. Of, de linkse meid wil die rechtse jongen niet overtuigen, neen, ze wil een neutrale toeschouwer aan haar kant krijgen. Daarvoor gebruikt ze háár sterktste argument, en dat is Y. En er is nog een derde verklaring: de linkse meid wil cognitieve dissonantie vermijden. Door zo snel mogelijk argument X, waar ze geen weg mee weet, te vergeten, houdt ze haar harmonie der sferen vrij van schurende geluiden. Het kiezelsteentje in de schoen wordt snel verwijderd. Ze kan vrolijk verder stappen.
     Ik sprak hierboven over meningen A en B en over argumenten X en Y. Mersch probeert in zijn boekje die meningen en argumenten wat aanschouwelijker te maken door voorbeelden te geven. Die voorbeelden zijn niet altijd gelukkig gekozen. Zo haalt hij enkele keren het rechtse argument aan als zouden de politieke vluchtelingen onze jobs komen inpikken. Ik ben ter rechterzijde vooral het tegenovergestelde argument tegengekomen, namelijk dat die vluchtelingen geen job zoeken en in de leefloonwereld terechtkomen. Hij schrijft ergens dat president Bush geen graten zag in seksuele vernedering als geavanceerde ondervragingstechniek. Dat lijkt mij erg onwaarschijnlijk, als ik denk aan zijn geschokte reactie op de Abu Ghraib-foto’s. Bush lijkt mij juist iemand die veel meer bezwaren had tegen seksuele vernedering, dan tegen eenzame opsluiting, slaapdeprivatie en waterboarding.
     Mersch doet wat smalend over voorbeelden en anekdotes als discussiemateriaal. Hij citeert de bekende uitspraak ‘the plural of anecdote is not data’. Met voorbeelden kun je alles bewijzen, zei een van onze leraren in het middelbaar. Zelf hou ik echter van anekdotes. Mersch vertelt af en toe over zijn verleden in de farma-industrie, over ruzies met zijn vrouw, over zijn veranderde houding tegenover bedrijfswagens toen hij er zelf een kreeg. Ik lees dat graag. Ergens vertelt hij van een bonte avond die hij heeft bijgewoond, samen met allemaal hoogopgeleide blanke progressievelingen. In het toespraakje vooraf ging het over diversiteit en dergelijke.  Een zinnetje sprong eruit: ‘Het is goed dat er mensen zoals wij bestaan. Mensen die niet in hokjes denken.’ Als ik binnenkort alles vergeten ben wat in het boekje van Mersh staat, zal ik die anekdote onthouden hebben. Ik zou ze ook onthouden als ze niet in mijn overtuiging paste dat links door de bank genomen moreel zelfgenoegzamer is dan rechts. Ik heb meestal een goed geheugen voor anekdotes, cijfers en treffende verwoordingen die mijn wereldbeeld tegenspreken. Die dissonante geluiden draag ik dan mee. Ik denk er soms aan. Het gebeurt dat ik na enige tijd met mooie woorden een geluiddicht kastje in elkaar timmer waar ik ze kan wegstoppen. Maar soms ook blijven ze zachtjes schuren. Ik laat er mijn slaap niet door.
     Als anekdotes ons niet echt vooruithelpen, wat dan wel? Mersch somt het op: ‘We kunnen dingen meten, experimentjes uitvoeren en er desnoods een hele zwik statistische analyses tegenaan gooien. Wetenschap heet dat dan. In principe kunnen onze vragen zo beantwoord worden, in de praktijk valt dat weleens tegen.’ Hier zou je de vraag kunnen stellen of je eigenlijk wel het recht hebt om aan een discussie deel te nemen als je niet tot de wetenschappelijke top behoort in het betreffende domein.**** Ik meen van wel. Je kunt ook als niet-wetenschapper op de hoogte zijn van enkele basisgegevens: dat ons land 7 % moslims telt, geen 3 % en geen 20 %; dat de extreme armoede in de wereld de afgelopen 20 jaar gehalveerd is, en niet verdubbeld; dat steenkoolenergie meer mensenlevens kost dan kernenergie – ik neem de voorbeelden over van Mersch.
     Bovendien kun je vaak met huis-tuin-en-keukenlogica laten zien dat bepaalde argumenten geen steek houden. Eind de jaren 60 kwam Karel van het Reve tussen in het marxismedebat, hoewel hij daarin minder gespecialiseerd was dan vele anderen. Toch kon hij dat marxisme aardig weerleggen omdat die leer ‘waaraan miljoenen mensen geloven en die soms door zeer ontwikkelde mensen wordt aangehangen, stellingen bevat waarvan een kind de onredelijkheid kan inzien.’ Karel speelde de rol van dat kind en toonde die onredelijkheid aan in eenvoudige woorden, zinnen en redeneringen. Wie wou kon daarna blijven geloven in het communistische ideaal, maar dan moest hij andere argumenten verzinnen dan die van het marxisme.  
     Het boekje van Mersch staat vol goede raad voor wie een opbouwend debat wil aangaan met de overkant. Veel van die raad neem ik nu al ter harte. Sta niet stil bij de vraag wiens schuld het allemaal is. Herleid je tegenstander niet tot zijn standpunt. Bedenk dat die rechtse zakken en die gutmenschen, die imams en die avant-gardekunstenaars, ook mensen zijn die houden van hun vaders en moeders, hun zonen en dochters, hun echtgenoten en echtgenotes, hun minnaars en minnaressen. Misschien houden ze wel van dezelfde muziek als jij, of van dezelfde boeken, of van dezelfde films. Maak geen karikatuur van meningen die je niet lust. Laat je niet voorstaan op zekerheden waar je niet zeker van bent. Claim geen moreel monopolie. Hou verschillende zaken een beetje uit elkaar. Hecht niet te veel belang aan positief of negatief gekleurde woorden, en gebruik die kleur nooit als argument. Als je je met alle geweld je superioriteit wil bewijzen, ga je gang, maar overdrijf niet te erg. Je bent geen Einstein. Dat logische raadsel op blz. 137 van Mersch zijn boek heb je voor de zoveelste keer niet kunnen oplossen. Verder zou ik er nog de regel van Popper aan toevoegen: verbeter eerst zelf kleine foutjes in de argumentatie van de tegenstander en val dan die verbeterde constructie aan.
     Mersch formuleert helder de kwestie van de ‘glijdende schaal’. Die stelt zich vooral bij ja-nee-vragen. Is glyfosaat kankerverwekkend? Is de dader toerekeningsvatbaar? Is Brussel een gevaarlijke stad? Die vragen noemt hij ‘onbeantwoordbaar’. Het is alsof je je bij avondschemering afvraagt of het al nacht is of nog altijd dag. ‘In dat geval,’ schrijft Mersch, ‘kun je er beter een lichtmeter bijhalen en samen bepalen waar op het continuüm jullie je bevinden.’ Ook wijst hij erop hoe dicht het ja-antwoord en het nee-antwoord bij elkaar kunnen liggen. Wie op de vraag of glyfosaat kankerverwekkend is ‘ja’ antwoordt, bedoelt eigenlijk dat de kans op enkele types kanker bij massale blootstelling aan het spul misschien een heel klein beetje zou kunnen stijgen. Volgens sommige studies. Het verschil tussen ‘ja’ en ‘nee’ is hier dus een cijfer ver na de komma. De vraag blijft overigens of je met Mersch zijn oproep tot nuanceren, tellen, meten en wegen ook iets kunt dóen. De waarschijnlijkheid is namelijk groot dat je tegenstander iemand is die graag  proclameert dat je ‘niet een beetje zwanger kunt zijn’ en dan triomfantelijk om zich heen kijkt. Ik heb me ook ooit van die uitspraak bediend en triomfantelijk om me heen gekeken, en ik schaam me daar diep voor.
     Er zijn twee raadgevingen van Mersch waar ik het moeilijker mee heb. Hij wijst terecht op ontsporingsgevaar als we discussiëren over symbolen zoals Zwarte Piet en de hoofddoek. Wij zouden die symbolische laag moeten ‘afpellen’ en het debat ‘verplaatsen van het symbool zelf naar datgene waar het naar verwijst’. Dat vond ik vroeger ook. Nu geloof ik echter dat een symbolenstrijd op een bepaald moment een machtsstrijd wordt. Dat is geen prettig gezicht, maar die strijd wórdt gestreden. Als alle redelijken dan het debat verlaten, komt de overwinning toe aan het kamp waar meest onredelijkheid heerst.
     Ook vindt Mersch het een sterke zet om in een debat een vraag te stellen in plaats van een argument aan te brengen. In een polemisch debat zou ik zo’n vraag vermijden als ik het antwoord zelf níet wist, want dan zou mijn zwakheid worden uitgebuit door de tegenstander. En in een vriendschappelijk debat zou ik de vraag vooral vermijden als ik het antwoord wél wist. Ik zou de vraag in elk geval nooit stellen als strategie. Eerst vragen hoe hoog men het percentage moslims schat en dan, nadat de tegenstander verkeerd geraden heeft, triomfantelijk met het juiste cijfer komen aandragen? Zo’n vernedering zal weinig openingen creëren vrees ik.
     Bij de goede raad van Mersch hoort ook de regel: ‘Doe het liever niet online’. Dat is kort en krachtig en waar. Het zijn echter juist mensen zoals ik, die díe raad in de wind zullen slaan, die met de rest van het boekje het meeste voordeel zullen doen.

      

* Mersch geeft drie strategieën waarmee je de argumenten van de tegenstander kunt wegredeneren. Je overtuigt jezelf ervan dat de tegenstander achterlijk is, dat hij een slecht mens is, of dat hij spreekt uit eigenbelang. Ikzelf denk altijd dat die tegenstander niet goed heeft nagedacht.

** Bruno De Witte wees mij erop dat Block ook nog een ander boek moest lezen: Atlas Shrugged van Ayn Rand. Aangezien dát boek wel een sterke moraliserende component bevat, schiet mijn voorbeeld dus een half metertje naast het doel. Het laat dus eigenlijk zien dat, wat Mersch en ik ook mogen beweren, mensen zich wél door moraliserende verhalen laten overtuigen.

*** Tussen de 15 en de 40 % – heel goed weet men het dus nog niet. Het doet denken aan die klimaatvoorspellingen waar ook altijd ruime marges bestaan. Het doet anderzijds ook denken aan die rabbijn die hoorde dat geleerden onder elkaar twistten over de vraag of de aarde nu 8 of 4 miljard jaar oud was. Met een foutenmarge van 4 miljard, redeneerde de rabbijn, konden we beter aannemen dat de aarde gewoon 6 duizend jaar oud was, zoals sinds eeuwen in eerbiedwaardige boeken stond opgetekend.

**** ‘Show me your PhD,’ las ik eens op een discussiedraad. Nu wist ik toevallig dat de bestemmeling inderdaad een PhD had, maar hij had de goede smaak om dat ook in de verdere discussie niet te vermelden.





woensdag 11 oktober 2017

Lenin op De Afspraak

     Gisteren in De Afspraak ging het over Vladimir Iljitsj Oeljanov, bijgenaamd Lenin. Bart Schols stelde vragen aan Lien Verpoest, een Ruslandkundige met een erg beweeglijk gezicht. Af en toe kwam de olijke Mark Eyskens tussen met flauwe anekdotes, het soort anekdotes die ik in de klas ook wel eens vertel: dat Lenin op het Kremlin een heel klein werkkamertje betrok*, dat hij in 1917 met een ‘verzegelde’ trein naar Rusland reisde, en dat Trotski met een bijl de hersens werd ingeslagen in Mexico. Mark had dat werkkamertje en die bijl met eigen ogen gezien.
     Rond de figuur van Lenin werd in de uitzending een web van bijvoeglijke naamwoorden geweven: zeer radicaal, zeer intelligent, verbeten, recht-door-zee, zeer kordaat, rechtlijnig, open van geest. ‘De kenmerken van een echte leider,’ zo vatte Schols het samen, die er daarnaast enkele keren op wees dat Vladimir Iljitsj verantwoordelijk was voor de dood van zes miljoen mensen.**
     Niet alle omschrijvingen van Lenin leken mij even gelukkig. ‘Radicaal’ en ‘kordaat’ zijn geen slechte woorden, maar ‘fanatiek’ en ‘meedogenloos’ roepen een scherper beeld van de man op. ‘Recht-door-zee’ en ‘rechtlijnig’ geven goed aan dat Lenin nooit zijn uiteindelijke doel uit het oog verloor. Maar ze doen onrecht aan zijn eeuwige tactisch gemaneuvreer. Dit was immers de man de schreef dat communisten ‘indien nodig, gebruik moesten maken van alle mogelijke listen, kunstgrepen en onwettelijke methodes, van alle uitvluchten en verzinsels om binnen te raken in de vakbonden.’*** Als ik zo’n zin lees, denk ik niet meteen aan onze mooie, taaleigen uitdrukking ‘recht-door-zee’.
     Was Lenin ‘zeer, zeer intelligent’, zoals mevrouw Verpoest beweerde? Wie zal het zeggen? Toen de Russissche politiek in 1908 geblokkeerd leek, sloot Lenin zich negen maanden op in de academische bibliotheken van Genève en London om een boek te schrijven waarin hij de marxistische filosofie afwoog tegen de toenmalige stand van de wetenschap. Dat boek – Empirio-critisme en materialisme – zou, geloof ik, aan de meeste universiteiten aanvaard zijn als doctoraatsverhandeling, mits de promotor er de scheldwoorden en de overbodige herhalingen uithaalde. Een domme jongen was Lenin dus niet. Maar is een doctoraatsverhandeling altijd een bewijs van superieure intelligentie? Bertrand Russell heeft een uur met Lenin gepraat en vond hem heel gewoontjes. We moeten er niet aan denken wat Keynes zou hebben geconcludeerd na een uurtje Lenin.
     Wat Russell opviel was Lenins gebrek aan kennis (in verband met Engeland), zijn ontoereikend psychologisch voorstellingsvermogen, zijn bekrompenheid en zijn absolute geloof in de leer. Dat valt moeilijk te rijmen met de ‘open geest’ die door Schols werd gesuggereerd en door Verpoest werd overgenomen. Gelukkig werd die openheid toegelicht met voorbeelden.
     Hét grote voorbeeld van Lenins ‘openheid op maatschappelijk gebied’ was zijn steun aan de vrouwenbeweging. Daar kon Schols niet bij. Verantwoordelijk voor zes miljoen doden en tegelijk ook de ‘grondlegger van de vrouwenrechten’. Hoe kon dat nu? Daar kon Lenin toch zelf nooit opgekomen zijn, dacht Schols. Daar moest een vrouw achter zitten. Inessa Armand bijvoorbeeld, die misschien wel Lenins maîtresse was. De kijkers kregen een foto van Innessa te zien. Verpoest gaf toe dat Inessa er wel iets mee te maken had. Maar dat was niet het belangrijkste, zei ze. Lenin haalde zijn ideeën over vrouwenrechten, vrije liefde, wettelijke abortus en afschaffing van huishoudelijke taken uit ‘het marxisme en het leninisme dat hij zich eigen had gemaakt.’
     Dat Lenin zich het leninisme had eigen gemaakt, was een kleine verspreking van Verpoest. Dat gebeurt. Ik zou ook zenuwachtig zijn als ik over Lenin moest spreken in een studio. Maar dat Lenin zijn vrouwenrechten gehaald had bij Marx en Engels – en de Duitse sociaaldemocratie –, daar had Verpoest gelijk in. Sympathiek aan het vroege marxisme en socialisme was dat het allerlei in wezen liberale ideeën overnam en consequenter doorvoerde dan de liberalen zelf. De gelijkberechtiging van de vrouw was een van die ideeën. Het was een hoeksteen van de socialistische beweging. Lenin was in dat opzicht een brave, weinig originele socialist. We vergeten te snel dat Lenin zich amper drie jaar vóór 1917 had afgescheurd van de socialistische beweging.
     Hier hebben we meteen een reden om Lenins rol als grondlegger van de vrouwenrechten wat bij te stellen. Wat in het gesprekje tussen Schols en Verpoest namelijk ontbrak was duidelijkheid over de twee revoluties van 1917, die van februari en die van oktober. Het bleef onduidelijk wélk soort revolutie – of staatsgreep – Lenin in oktober had uitgevoerd. Kijkers met weinig achtergrond bleven wellicht met de idee zitten dat de oktoberrevolutie de tsarentroon omvergooide. Dat was natuurlijk niet het geval. De tsaar was al afgetreden na de revolutie van februari, toen Lenin nog in Zwitserland verbleef. Na het aftreden van de tsaar kwamen verschillende regeringen van conservatieven, liberalen en socialisten – met altijd maar meer socialisten.
     Lenin voerde zijn staatsgreep van oktober dus uit tegen een voornamelijk socialistische regering, een regering met mensjevieken en sociaal-revolutionairen die vrouwenrechten even hoog in hun agenda hadden ingeschreven als gelijk welke volgeling van Lenin. Zonder diens staatsgreep waren de vrouwenrechten in Rusland er ook gekomen. Daar zouden de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen wel voor hebben gezorgd. Maar dan was er niet één grondlegger van die rechten geweest. En als verhaal is dat minder.


* Eyskens vond dat kleine werkkamertje ontroerend. Het was jammer dat Lenin zo overtuigd was van zijn eigen gelijk, vond Eyskens, want daardoor kon hij, Lenin, geen democraat zijn. Maar hij, Eyskens, had wel veel bewondering voor de moed van Lenin.
** Alle zes miljoen slachtoffers aan Lenin toeschrijven is onrechtvaardig. Ook zonder Lenins staatsgreep zouden duizenden zijn omgekomen in de revolutionaire storm die over Rusland waaide. In de burgeroorlog die op de staatsgreep volgde, waren de Polen en de Tsjechen, de Witten van Koltsjak, de kozakken van Kaledin, de anarchisten van Machno en vele anderen tot even grote wreedheden bereid als de Roden van Lenin. Ze kregen ook steun vanuit het buitenland, van Engeland, van de Verenigde Staten en van andere landen. Maar zelfs hevige tegenstanders van de buitenlandse interventie, zoals Bertrand Russel, legden de verantwoordelijkheid van de burgeroorlog bij Lenins roekeloze staatsgreep.

*** Vakbonden in democratische landen wel te verstaan. Zie: De linkse stroming – Kinderziekte van het communisme, hoofdstuk 7, voorlaatste alinea).


Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.

zaterdag 2 april 2016

“De islam heeft er niets mee te maken”

     Volgende uitspraak zou niet misstaan in de beroemde lijst van ‘opinions chics’ die Karel van het Reve ooit opstelde: “De Islam bestaat niet want er zijn honderden soorten Islam.” Ik las ergens een snedig antwoord: “Jazeker, er bestaan honderden soorten islam, maar dan vooral twee: de islam die er niets mee te maken heeft, en de islam die er helemaal niets mee te maken heeft.”
     Wat mij brengt bij de titel van dit stukje.
     Dat de islam er niets mee te maken heeft, is een erg vage stelling, en die vaagheid begint met de woorden ‘de’ en ‘er’ en ‘niets’ (helemaal niets?). En wat betekent in godsnaam ‘iets te maken hebben met’? De Duitse filosoof Hegel (1770-1831) beweerde dat alles met alles te maken had, en wie zal hem tegenspreken? Zo bekeken hebben de jongste terreuraanslagen niet alleen met de islam te maken maar ook met het Brusselse taxiwezen, het tweede huwelijk van Philippe Moureaux, het Sykes-Picotverdrag, de kruistochten, Alexanders wereldrijk, enzovoort. En laten we daarbij het droogvallen van de Beringstraat aan het begin van het holoceen niet vergeten. Maar zo komen we nergens, en dat was ook de mening van Bertrand Russell (1872-1970) die Hegel van weerwoord diende en aantoonde dat alles weliswaar met alles te maken had, maar dat je alleen zinvol met elkaar kunt praten als je er niet altijd alles bij betrekt.
     Wat bedoelen mensen eigenlijk die zeggen dat de islam niets met het terrorisme te maken heeft? Mij lijkt het dat velen van hen bedoelen dat de islam niets met het terrorisme te maken zou mogen hebben. Dat hadden ze dan duidelijker kunnen zeggen, maar ik ben het er verder volkomen mee eens.
     Het gesprek over de islam zou, geloof ik, doelmatiger, feitelijker en misschien zelfs aangenamer verlopen, als onze vage stelling wat meer vlees om het lijf kreeg door beperktere, duidelijker afgetekende formuleringen, zoals:

(1)           Moslims zijn meestal brave mensen die, zoals iedereen, gruwen van geweld.
(2)           Moslimterroristen gebruiken de islam als voorwendsel voor hun
             gewelddadige neigingen.
(3)           Ze zouden die aanslagen ook gepleegd hebben als ze niet – meestal recent –
             de islam ontdekt of herontdekt hadden.

(4)           Terroristen vormen maar een heel-heel-heel klein deel van de moslims in
             de wereld.
(5)           Slechts een even klein deel van de moslims in de wereld keurt het
              terrorisme goed.
(6)           Zelfs moslims die de doelen van de terroristen goedkeuren, keuren hun
              middelen af.
(7)           Moslimterroristen zijn door een gezaghebbende fatwah uit de
             moslimgemeenschap gestoten.


En wat ruimer:

(8)          De Koran bevat geen oproepen om geweld te plegen tegen ongelovigen.
(9)           De overgeleverde levenswandel van de Profeet wijst de weg naar vrede en
              verzoening
(10)       De boodschap van universele liefde is de grondtoon van de Koran en de
             Haddith.

(11)        De hele geschiedenis van de islam is er een van trachten naar vrede en
             goede verstandhouding met iedereen.

(12)        De jongste evolutie binnen de islam laat een koerswijziging zien naar
             meer verdraagzaamheid en geweldloosheid.

     Sommige van bovenstaande uitlatingen zijn ongetwijfeld waar.  Of ze allemaal waar zijn, zou ik eens aan een deskundige moeten vragen.