Posts tonen met het label Goethe. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Goethe. Alle posts tonen

woensdag 17 maart 2021

Niet akkoord met Ivo Michiels

 


     In het prachtboek van Jo Komkommer Dinsdagen in November* staat een prachtstuk over Ivo Michiels. Jo heeft Ivo redelijk goed gekend, want de beroemde auteur was een goede vriend van zijn vader. Hij was een man met veel innemende eigenschappen: gevoel voor humor, een uitbundige lach, gebrek aan rancune, een mooie vrouw. Hij had met verbeten ijver het schrijverschap nagestreefd om te ontsnappen aan het grauwe bestaan van fabrieksarbeider bij Agfa-Gevaert. Hij had in zijn repertoire een machtige mop die hij zowel vertelde als uitbeeldde. Die begon als volgt. Fidel Castro houdt vanop zijn balkon een redevoering die eindigt met de beklemmende oproep ‘Trabajo si! Samba no!’. Kan iemand van mijn lezers raden hoe de mop eindigt? Het helpt als je de vorige zin luidop leest en je je het enthousiaste Cubaanse publiek voorstelt.
     Zelf heb ik Ivo Michiels niet gekend. Ik heb er wel les over gekregen van Marcel Janssens. We moesten voor Nederlandse Literatuur een aantal auteurs lezen waaronder Elsschot en Michiels, en op het examen had ik de Michiels-vraag. Van het Boek Alfa herinnerde ik mij bitter weinig maar daar liet ik mij niet door van de wijs brengen. Ik situeerde de schrijver binnen de groep van modernisten zoals (even diep ademhalen): ‘Harry Mulish, Paul de Wispelaere, Willy Roggeman, Bert Schierbeek, Sybren Polet, Hugo Raes en in het buiteland, Marcel Proust, James Joyce, Virginia Woolf, Hermann Broch (wie?), Robert Musil en William Faulkner.’ Janssens knikte goedkeurend, want zo stond het in zijn cursus, en ik had geen enkele naam vergeten.
     Tijdens het academiejaar had Janssens de auteur ook uitgenodigd om een gastcollege te geven. Naast de keurige professor, was de auteur een bonte verschijning. Hij droeg een Hawaïhemd met open kraag, een lichtbruine leren jas, en met die broek was ook iets fout, maar ik weet niet meer wat. Tijdens zijn uitleg maakte hij wilde gebaren. Hij tekende twee ladders op het bord, waarmee hij twee verschillende gedachtestromen weergaf die hij volgde tijdens het schrijven. Die ladders werden dan de benen van een personage, en waar ze bij elkaar kwamen was de geslachtsdrift gelokaliseerd. Die geslachtsdrift was heel belangrijk, wist Michiels nog.
     Het college ging over hoe schrijven eigenlijk in zijn werk gaat. Dat moet iets heel persoonlijks zijn, waar ik overigens niets vanaf wist. Toch slaagde ik erin het met Michiels oneens te zijn. En ik was de enige niet. Een paar stoelen verder zat Erik Spinoy die herhaaldelijk en nadrukkelijk ‘nee’ schudde met zijn hoofd.
     Waar Spinoy en ik het niet eens mee waren, weet ik natuurlijk niet meer. Maar dankzij Jo heb ik nu toch íets in handen om met Michiels van mening te verschillen, al gaat het om een nuance, een peulenschil, een akkefietje. Net zoals Jo de beroemde auteur Ivo Michiels heeft gekend, had Ivo Michiels de beroemde auteur Willem Elsschot gekend. Hij waardeerde hem ten zeerste, ‘maar hij vond het tegelijkertijd zo jammer dat deze altijd zo laatdunkend over zijn eigen oeuvre en over zijn schrijverschap deed. Elsschot kon of wilde zich niet aan zijn Antwerpse wortels onttrekken.’
     Dat is inderdaad de indruk die Elsschot soms gaf. Toen Walschap hem voorstelde lid van de Academie der Vlaamse Letteren te worden, zei Elsschot: ‘Ik ben geen letterkundige. Ik ken die mensen niet.’ Toen men hem in Ten Huize Van vroeg of hij tevreden was met de uitgave van zijn Verzameld Werk antwoordde hij aarzelend. ‘Ja … natuurlijk. Het heeft vooral dit voordeel dat een deel van mijn werk gered is, in deze zin dat al die kleine boekjes waarin het verschenen is, daarvan zullen waarschijnlijk enkele in de loop van de jaren totaal verdwijnen, misschien alleen nog aanwezig zijn in de bibliotheek van een paar literaire liefhebbers. Nu zitten ze bij elkaar.’ Die ‘kleine boekjes’, dat klinkt inderdaad wat laatdunkend.
     Maar als Elsschot in hetzelfde programma de vraag wordt gesteld of hij nu door die nieuwe uitgave zichzelf herlezen heeft, is de toon van het antwoord anders. ‘Sinds ik die boeken geschreven heb, heb ik ze nooit meer herlezen. Nu pas, drie weken terug, heb ik de hele geschiedenis nog eens doorgenomen. Dat is me zéér meegevallen, tot mijn eigen verwondering. Ik heb de indruk gekregen dat ik dat onmogelijk nog zou kunnen schrijven.’
     Ik liet dat vraaggesprek altijd aan mijn leerlingen zien, en vroeg achteraf of Elsschot zijn eigen werk nu wel of niet hoog inschatte. De meningen in de klas waren dan verdeeld, maar er was toch altijd een meerderheid die vond van wel. Ik hoorde bij die meerderheid. De bewondering van Elsschot voor zijn eigen werk, vind ik ontroerend. De auteur die voor het mysterie staat van zijn eigen talent – dat hij ooit zoiets heeft kunnen schrijven! Elsschot móet geweten hebben hoe goed hij was, net zoals Horatius, Dante, Shakespeare, Goethe en Heine dat vóór hem ook wisten. En hij moet daar zó van overtuigd zijn geweest, dat hij het vernederend vond om reclame voor zichzelf te maken – wij weten hoezeer hij het reclameberoep verfoeide. Zijn soms geringschattende uitlatingen over zijn eigen werk, zijn een gevolg van zelfzekerheid. Bij andere schrijvers, die heel hardnekkig hun reputatie verdedigen, vraag je je vaak of of ze hun onzekerheid niet proberen te overschreeuwen.
     Het volstaat overigens om de Inleiding bij Kaas en het Nawoord bij Tsjip te lezen om te weten dat Elsschot heel goed wist waar hij literair mee bezig was. Het laatste waar je Elsschot van wil beschuldigen, is dat hij een poseur was. Maar als hij wat laatdunkend spreekt over zijn ‘boekjes’ neemt hij wel degelijk een pose aan.

* Als alle exemplaren nog niet uitverkocht zijn, kun je het nog altijd bestellen op de Facebookpagina van de auteur. Zie ook hier en hier.

donderdag 1 oktober 2020

Max Havelaar en de gymnasiumstudent

 

     Van het beroemde boek Max Havelaar weet ik nooit met zekerheid of ik het – behoudens de vier eerste hoofdstukken en het Saidjah en Adinda-verhaal – helemaal gelezen heb. Het moet wel. Ik heb er twee keer examen over afgelegd; ik bezit de door W.F. Hermans becommentarieerde uitgave, en op bijna alle bladzijden, ook die van de voetnoten, staan in potlood streepjes, kruisjes en notities in de marge. Het is mijn geschrift. En toch. Ik weet dat er in het boek een Verbrugge meedoet, een Duclari, een Slijmering en een mevrouw Slotering, maar wat die zeggen en doen, dat vergeet ik altijd.  
     Laatst kreeg ik van een oud-leerling de vraag bij welke ‘literaire stroming’ Max Havelaar eigenlijk hoorde. Hij moest daarover binnenkort examen afleggen. Ik wist wel ongeveer het antwoord, maar ik vond het veilig om het boek nog snel eens opnieuw te lezen. De W.F. Hermans-uitgave heeft een onhandig formaat. Je kunt het boek wel vóór je op tafel leggen, maar je kunt het niet vasthouden als je in bed of op de sofa ligt. Ik heb het boek dus half in die uitgave, en half in de handzame ‘hertaalde en bewerkte’ versie van Gijsbert van Es gelezen. Ik weet ondertussen weer wat Verbruggen en Duclari en Slijmering en mevrouw Slotering zeggen en doen in het boek: niet veel. Dat zal de reden zijn dat ik het altijd vergeet.
     Zo’n hertaling of bewerking is normaal gesproken tegen mijn principes (zie hier), maar  Van Es kreeg lof toegezwaaid van Multatuli-biograaf Van der Meulen, en van de conservator van het Multatuli-museum. ‘Zó zou Multatuli hebben geschreven als hij nu had geleefd,’ schrijft de biograaf. Ik besloot het erop te wagen. Ook wou ik het boek snel uit hebben, zodat ik verder kon lezen in Hilary Mantel (zie hier). En als ik mij zou ergeren aan de ‘hertaling’, ach, dan kon ik er misschien een stukje over schrijven.
     Wat zal ik zeggen? Ook in een bewerking is Multatuli onderhoudend en geestig, twee woorden, geloof ik, die Van Es zou ‘hertalen’. Max wordt in het boek door Stern te hoog de hemel in geprezen, vooral omdat je weet dat die Stern eigenlijk Eduard D.D. is, en die Max is ook Eduard D.D., zodat het dus Eduard D.D. die zichzelf de hemel in prijst. Toch blijft het boeien, de strijd van de voortvarende  medisch gezien wellicht manische  rebel tegen het corrupte baasje in Lebak dat zijn onderdanen uitzuigt om meer moskeeën te kunnen bouwen, en dat beschermd wordt door gemakzuchtige Hollandse bureaucraten.
     En natuurlijk héb ik mij geërgerd aan de hertaling. Ik heb vroeger zelf wel eens ‘eindredactie’ gedaan. Je wordt dan per bladzijde betaald om een tekst te corrigeren, maar je krijgt bij jezelf de misvatting moelijk weg dat je per ingreep betaald wordt. Staat er ‘platbranden’, dan wil je er ‘afbranden’ van maken en staat er ‘afbranden’, dan wil je er ‘platbranden’ van maken, zodat je toch íets gedaan hebt voor je geld. En als je zulke dingen doet bij een auteur als Multatuli, dan zal dat niet vaak een betere tekst opleveren.
     Neem het toneelstukje waar het boek mee opent (zie hier).  Lothario wordt ervan beschuldigd dat hij Barbertje heeft vermoord. ‘Die man moet hangen,’ zegt de rechter. ‘Hoe heeft hij dat aangelegd?’ Dat laatste wordt bij Van Es: ‘Hoe heeft hij het gedaan?’ Dat is geen verbetering, lijkt mij. Ik hou nogal van dat ‘aangelegd’. Multatuli noemt de Mekka-bedevaarders ‘gebedzingende leeglopers’. In de hertaling wordt dat ‘biddende nietsnutten’. ‘Nietsnutten’, tot daar aan toe, maar ‘zingend’ maken ze mij toch bozer dan gewoon ‘biddend’. Dat laatste kan ook in stilte. Als de Havelaars visite krijgen, maar ze hebben geen nagerecht voor hun gasten, stelt Max voor om ‘wat te vertellen, in plaats van gebak.’ Van Es schrijft: ‘in plaats van iets zoets’. In welke wereld is ‘iets zoets’ beter dan ‘gebak’?
      Toen Van Es zijn vertaling intikte, naar het schijnt op een pendeltrein, stond hem ongetwijfeld een weinig ontwikkelde gymnasiumstudent voor ogen die het boek moet lezen ‘vanwege de lijst’. Zo’n student mag niet aan het schrikken worden gebracht. In een van de Droogstoppel-hoofdstukken zingt Marie een Frans liedje ‘van Béranger’. Oei. Daar heeft die student nog nooit van gehoord. Moet hij dat kennen voor het examen? Van Es grijpt in. Weg, Béranger*. Helaas, de ingreep helpt niet, want wat later wordt de bibliotheek van Max beschreven, met boeken van Say, Bastiat en … Béranger.
     Het ergste vind ik de weglatingen in de Droogstoppel-hoofdstukken, omdat ik die het beste ken. De makelaar in koffie bespreekt de vaderlandse geschiedenis: de Romeinen en de Batavieren, de hertog van Alva ‘die een ondier’ was, de eb van 1672 die ‘expres’ wat langer duurde om Nederland te beschermen en de ‘bey van Tunis die een koliek kreeg als hij het wapperen hoorde van de Nederlandse vlag’. De Romeinen, de Batavieren en de eb blijven staan, maar de hertog en de bey zijn eruit. Nochtans vind ik de zin over de bey nogal briljant, en prima geschikt om in de klas te illustreren met een stukje visueel theater. Ik deed dat graag.
         In een bekend stuk geeft Droogstoppel commentaar op Heines gedicht Auf Flügeln des Gesanges, dat Stern heeft voorgedragen aan Marie, Droogstoppels dochter.  In dat gedicht wordt het water van de Ganges ‘heilig’ genoemd. Je begrijpt de ergernis van Droogstoppel die recht in de leer is. Hij schrijft een boze brief aan Stern met de vraag: ‘Mag je haar geloof aan het wankelen brengen door te zeggen dat er geen ander heilig water is dan dat van de doop?’ Dat moet ongeveer het omgekeerde zijn.
      Veel tijd heb ik uiteindelijk niet gewonnen door de hertaling te lezen in plaats van het échte boek. Al te vaak moest ik, bij een onbegrijpelijke passage, toch het origineel erbij nemen. In het veertiende hoofdstuk wordt Max ervan beschuldigd dat hij weliswaar goedhartig is, maar dat hij ermee koketteert. Stern haalt daarbij aan dat Max in een oceaan vol haaien sprong om een hondje te redden. En wat is de conclusie van Stern, volgens Van Es? ‘Ik vind zo’n uiting van overdreven goedhartigheid moeilijker te geloven dan de goedhartigheid zelf.**’ Dat is wel erg duister, hoe vaak je de zin ook herleest. De arme gymnasiumstudent zal er niets van begrijpen. Ik ook niet.

  

* Béranger komt met geen enkel lied in mijn bloemlezing voor van Poèmes francais. In mijn tweedelige Histoire de la litérature française krijgt hij één zinnetje. Daar staat tegenover dat Goethe hem in aanwezigheid van Eckermann veel vaker vermeldt dan Victor Hugo.

 ** In het origineel staat er : ‘Ik vind zulk koketteren met goedhartigheid moeilijker te geloven dan de goedhartigheid zelf.’ Aha, dát wordt er bedoeld.


17,5 x 23,5 cm (opengeslagen dus 35 cm breed)


maandag 21 oktober 2019

Citeren

     Wie graag citeert, kan aan de Faust van Goethe zijn hart ophalen.  Er is wellicht meer geciteerd uit de Bijbel, Shakespeare of Het Rode Boekje, maar dat zijn geen eerlijke vergelijkingen. De Bijbel bestaat uit 66 boeken, Shakespeare schreef 37 toneelstukken, en het Rode Boekje is geplukt uit de vier dikke delen van Maos Verzameld Werk. Daarmee vergeleken vormen Faust I en II samen maar een dun boekje.
     En dan is er nog iets. Als we ‘to be or not to be’ zeggen, weten we dat dat van Shakespeare komt. ‘De macht komt uit de loop van een geweer’ is van Mao. ‘Wie zonder zonden is werpe de eerste steen’ komt uit Johannes 8:7. Maar je kunt zoals ik je hele leven spreken over ‘des Pudels Kern’, de zorgen die we ons niet moeten maken om het Heilig Roomse Rijk, de ‘zwei Seelen in einer Brust’ en ‘das Ewig Weibliche’ zonder te weten waar die woorden vandaan komen.
     Nou ja, bij Shakespeare heb je dat ook. We hebben het over de ‘happy few’ of ‘het beest met de twee ruggen’, of we neuriën ‘Kiss me, Kate’ zonder te denken aan Henry V, Othello of The Taming of the Shrew. Maar bij Goethe’s Faust is het anders. Daar kom je in citaatvorm tegen wat je zelf altijd al gedacht hebt. Of vroeger dacht, en flauwtjes verwoordde. Toen ik vijftien was, herhaalde ik wel eens de yippie slagzin ‘Never trust anyone over thirty’. Goethe zegt het krachtiger: ‘Hat einer dreissig Jahr vorüber / Am besten wär’s, inh zeitig totzuschlagen’.
     Later, als ik oud word, ouder dan nu, zal ik vaker gaan wandelen. Dat denk ik toch. Ik koop mij dan een wandelstok en zeg met Faust: ‘Solang ich mich noch frisch auf meinen Beinen fühle / genügt mir dieser Knotenstock’. Dat lijkt mij wel wat. Ter afwisseling kan ik ook Jules Marchal citeren die mij ooit zei: ‘Hiermee,’ en hij zwaaide met zijn stok, loop ik als het moet tot in het hart van Afrika.’ Of ik citeer Jean-Pierre Rawie van wie de grootvader met zijn wandelstok, ‘naar verluidt half Java had bekeerd’.

zondag 4 augustus 2019

Een slecht klimaatargument

      Op mijn en andere facebookpagina’s lees ik soms hevige discussies tussen klimaatontkenners en klimaatalarmisten. De tussenkomsten in die discussies zijn niet altijd peer-reviewed en bevatten vaak erg informele argumenten. Zelf gebruik ik ook geen andere.
     Er is daarbij een argument dat aan de twee kanten opduikt: de waarschuwing voor overmoed of zelfoverschatting, de befaamde hubris van de Grieken – die in hun mythologie en hun toneelstukken zo’n grote rol speelde.
     Bij de klimaatalarmisten gaat dat argument zo. De mens moet zich bescheiden opstellen tegenover de Grote Natuur. Als de mens teveel activiteit ontwikkelt, zeeën drooglegt zoals Faust, grondstoffen wint, energie verbruikt, vissen vangt en opeet, dan zal hij moeder Aarde ‘uitputten’. Het verminderen van onze CO2-productie is in die zienswijze een manier om het natuurlijk evenwicht te herstellen.
     Sommige klimaatontkenners hoor je iets soortgelijks beweren. De mens moet zich, alweer, bescheiden opstellen tegenover de Grote Natuur. Die is zelf groot genoeg om de Aarde op te warmen als ze dat wil en ze weer af te koelen als ze van mening verandert. Kijk maar naar de Grote en de Kleine IJstijd en de warme zomer van 1833. De mens moet niet denken dat hij met zijn industriële CO2 – jaarlijks 0,0004 % van de atmosfeer – ook maar iets te betekenen heeft, vergeleken met de onvoorstelbaar grote bewegingen van de planeten en de gigantische activiteit van de zon.
     De lezer heeft gemerkt dat klimaatalarmisten en klimaatontkenners het hubris-argument op een verschillende manier gebruiken. De eersten beweren dat de mens overmoedig hándelt, de anderen dat de mens overmoedig dénkt. Maar de wortel van het kwaad is in de twee gevallen dezelfde.
     Ik vind het argument niet op zijn plaats in discussies met een grote wetenschappelijke of technische component. De waarschuwing voor hubris kan heilzaam zijn als we ons persoonlijk, spiritueel of beroepsleven inrichten, of als politieke veranderingen moeten worden doorgevoerd waarvan we de gevolgen niet goed kunnen overzien. Maar als Icarus of de gebroeders Wright willen vliegen, hebben ze niets aan een preek over zelfoverschatting.  Wat zij nodig hebben, zijn een goede cursus over aerodynamica en materiaalkunde. Daarin mag ook het smeltpunt van was niet onvermeld blijven.

dinsdag 13 februari 2018

Nogmaals over schoolpoortkamperen

   Onder mijn stukje over kamperen voor de schoolpoort heeft Tom Naegels een kritisch maar vriendelijk antwoord geplaatst, wat bewijst dat hij niet alleen een Gutmensch is, zoals hij zelf verklaart, maar ook een goeie mens – of toch minstens een vriendelijke mens, wat ook niet te versmaden is. Dat hij het scheldwoord ‘Gutmensch’ als geuzennaam voor zichzelf claimt, bewijst dat hij niet nerveus wordt van woorden, en dat vind ik fijn. Ik word ook niet nerveus van woorden en durf mijzelf desnoods ‘neoliberaal’  of ‘rechts’ noemen als ik daar iemand een plezier mee kan doen.
     Die vrijmoedige omgang met woorden heeft Naegels altijd gehad, geloof ik. Ik las eens, misschien wel twintig jaar geleden, een stuk van hem in een of ander baldadig tijdschrift waarin hij de lezer opriep geen hoge borst op te zetten en moreel niet boven zijn stand te leven. Het stuk eindigde met een krachtig: ‘Laat de fascist in u los’, of woorden van die strekking, maar ‘fascist’ kwam erin voor. Of heb ik mij dat allemaal ingebeeld?
     In zijn antwoord schrijft Naegels dat de schoolpoortkampeerders hun kind blijkbaar ‘uniek’ en ‘onwaarschijnlijk speciaal vinden’. Daar zit iets in. Zelf vind ik mijn zoon (20) ook onwaarschijnlijk speciaal. Hij kan allerlei dingen die ik niet kan: hij voert statistische toetsen uit, voetbalt, staat op de dansvloer als hij uitgaat, en hij begrijpt vrouwen. In de lente heeft hij als eerste een bruin kleurtje, en in de herfst is hij de laatste die dat kleurtje behoudt. Als de zon door zijn haren schijnt, lijkt hij op de antieke stripheld Alex. Weliswaar is die gelijkenis de jongste jaren wat afgenomen, want zijn haar wordt nu donkerder. Maar ik dwaal af.
     Naegels maakt van het schoolpoortkamperen een financiële kwestie. Rijke mensen kunnen een mobilhome huren, schrijft hij, en ze kunnen het zich makkelijker veroorloven om enkele dagen vrij te nemen. Een collega van mij vertelde zelfs dat rijke autochtonen soms allochtonen inhuren om in hun plaats te kamperen. Een beetje zoals een 19de-eeuwse rijkaard die, als hij uitgeloot was voor legerdienst, een arme boerenzoon kon inhuren om in zijn plaats drie jaar soldaat te spelen.
     Maar de meeste kampeerders doen het geloof ik zonder mobilhome; en als die allochtonen kunnen worden ingehuurd om te kamperen voor andermans kinderen, kunnen ze, denk ik dan, ook tijd maken om voor hun eigen kinderen te kamperen. De enigen die volgens mij echt benadeeld zijn in het kampeersysteem zijn alleenstaande ouders, mensen met een klein netwerk, en inwijkelingen zoals mijn vrouw en ik, die hun geboortestreek hebben verlaten waar hun ouders, ooms, tantes, neven en nichten zijn blijven wonen.
     Ik heb in mijn vorige stukje nagelaten om iets te zeggen over de kwestie van de solidariteit. Naegels wijst mij daarop in zijn antwoord, want dat is voor hem is het ‘essentiële punt’, des Pudels Kern om ook Goethe te citeren. Solidariteit … tja, wat kan ik daar ook over zeggen? Ik ben in elk geval bereid om elke vorm van vrijwillige solidariteit te prijzen. Ik ben ook bereid toe te geven dat zelfs een opgelegde solidariteit soms tot een aanvaardbare oplossing leidt. Maar ik geloof vooral, met Adam Smith, dat het op een redelijke wijze nastreven van eigenbelang vaak de beste uitkomst oplevert voor iedereen.
     Naegels betwist dat laatste als het om schoolkeuze gaat. Ouders die gaan kamperen voor een school berokkenen volgens hem schade aan ouders die dat niet doen. Een school die niet meedoet aan het centrale aanmeldingssysteem, vergroot de schaarste voor de rest. Dat is ‘wiskundige logica’, schrijft hij.
     Die wiskundige logica betwijfel ik. Ik zie het zo. Als een derde van de ouders door flink te kamperen hun kind kunnen binnenloodsen in de school van hun voorkeur, dan hebben die allemaal, dus 100 procent, hun eerste keuze gekregen. Ouders die het centrale systeem gebruiken –  de overige twee derde dus –  zullen misschien maar in 60 procent van de gevallen hun eerste keuze krijgen. Een heel verschil. Maar alles samen genomen krijgt in zo’n scenario 73 procent van de ouders hun eerste keuze, als ik dat tenminste goed heb uitgerekend.* Als alle ouders daarentegen gedwongen worden aan de centrale aanmelding meedoen, krijgt slechts 60 procent van de totale groep hun eerste keuze. Mij lijkt een totale tevredenheid van 73 procent beter dan een totale tevredenheid van 60 procent.
     Is het rechtvaardig als in de eerste groep een tevredenheid heerst van 100 procent en in de tweede slechts van 60 procent? Ik vind van wel. In de twee groepen heersen andere spelregels, dat is waar. Aan de eerste groep worden bijzondere eisen gesteld, met name de bereidheid om te kamperen. Maar de rechtvaardigheid bestaat erin dat iedereen de kans krijgt om te kiezen voor een van de twee groepen, en voor de spelregels die erbij horen.
     De wiskundige kant van het probleem blijft mij achtervolgen. Klopt het dat de tevredenheid van de ouders die in het centrale systeem stappen gelijk blijft – bijvoorbeeld 60 % – als er meer of minder scholen aan deelnemen? In zekere zin wel. Als 2000 leerlingen zich inschrijven in 40 scholen via een centrale aanmelding, of 3000 leerlingen in 60 scholen, moet dat eenzelfde aantal eerste keuzes, tweede keuzes, enzovoort opleveren, en eenzelfde algemene tevredenheid. Aangezien ik indertijd slecht heb opgelet in de wiskundeles, heb ik het probleem eens voorgelegd aan enkele wiskundige en wetenschappelijke collega’s en die gaven mij gelijk.
     Maar het klopt ook niet helemáál – dus weer heeft Naegels een beetje gelijk. Als ik binnen eenzelfde oppervlakte – Antwerpen – tussen minder scholen kan kiezen, dan wordt de kans wat kleiner dat ik een school vlakbij de deur vind. Ook kunnen het juist de beste scholen zijn die zich uit het systeem terugtrekken en wat heb je aan een eerste keus binnen het systeem als dat niet je échte eerste keus is? Niet veel natuurlijk. Maar dan kun je je afvragen:  wat is precies de beste school?** De moeilijkste? De makkelijkste? De zorgzaamste? De zakelijkste? De strengste? De toegeeflijkste? De meest elitaire? De minst elitaire? Ik ken in elk geval ouders die, net als Tom Naegels, hun kind nooit naar een elitaire dikke-nekkenschool zouden sturen. Dat is voor hen dan zeker níet de beste school. Ook ken ik ouders die hun ene kind naar ónze school stuurden – Onze-Lieve-Vrouw-Waver, Bosstraat 9 – omdat die het beste paste bij dát kind, terwijl ze dan hun andere kind naar de concurrentie stuurden, waar het op zijn beurt, hoopten ze, beter op zijn plaats zou zijn.
     Toch blijft er, als je wil, iets oneerlijks kleven aan een regeling waarbij sommige scholen wél en andere niet aan een centrale aanmelding meedoen.*** Ouders die de nabijheid van de school boven alle andere eigenschappen stellen, worden een beetje benadeeld. En omgekeerd.**** Bovendien worden ouders die heel veel moeite willen doen om de school van hun keuze te krijgen, door de regeling bevoordeeld. Dat zijn dan ouders die, om het alweer met de woorden van Naegels te zeggen, ‘na eerst de hele procedure van het aanmeldingsysteem te hebben doorlopen, ook nog eens gaan kamperen.’ Hij voegt eraan toe: ‘Zo gek is niemand.’
    Maar dat weet ik nog zo niet.



* 100 % tevredenheid van bijvoorbeeld 1000 ouderparen, en 60 % tevredenheid van 2000 ouderparen levert een gemiddelde tevredenheid op van (100 % x 1000 + 60 % x 2000) / 3000 = 73 %.

** Een lezer reageerde op mijn stukje dat onze maatschappij erin moet slagen ‘alle scholen op hetzelfde hoge niveau te brengen’ en dat het ‘niet verdedigbaar is dat er goede en slechte scholen zijn.’ Daar moest ik even over nadenken. Er zullen, geloof ik, altijd wel goede en minder goede scholen zijn, zoals er goede en minder goede restaurants zijn, goede en minder goede auto’s en goede en minder goede kleurpotloden. Als je om het even welk nummer van Testaankoop openslaat, zie je dat er ook bij gelijkgeprijsde producten grote kwaliteitsverschillen optreden. In scholen, net als in bedrijven, worden bepaalde beslissingen genomen, om de kwaliteit te verbeteren. Je weet niet goed waarheen die beslissingen zullen leiden. ’t Is een proces van gissen en missen, van trial and error. Sommige beslissingen draaien goed uit, andere minder goed. En daardoor komt het, onder andere, dat er goede en minder goede scholen zijn. Het leuke is echter dat de minder goede altijd kunnen leren van de goede en zo kunnen ze er allemaal op vooruitgaan.

*** Natuurlijk had ik liever gehad dat er helemaal géén aanmeldingssysteem bestond. Maar als scholen daar vrijwillig aan deelnemen, kan ik hen moeilijk tegenhouden.

**** Zie bijvoorbeeld de ontroerende getuigenis van Jonathan Holslag over ouders die de nabijheid van de school niet als hoogste goed beschouwen.

zondag 14 januari 2018

Voor Paus en Zoeaaf


   Ik zou de roman Spanooghes Queeste van Danny Chambaere wellicht niet gelezen hebben als ik de auteur niet persoonlijk kende. Ik zou dan veel gemist hebben: een uiteenzetting over de vroegmiddeleeuwse pornocratie, een geheime samenzwering die vele eeuwen omspant en tot op vandaag voortwoekert, een zichzelf kastijdende monnik, getrukeerde pornografische filmpjes, saffische liefde, stenen Cupidootjes die hun stenen slachtoffertjes de hersens inslaan met een gemzenhoorn, een hoogzwangere vrouw die over omheiningen klautert, een spannende ontsnapping en achtervolging in Zwitserland. En wat misschien het beste bijblijft: de koude regen en de felle wind op het Schotse eiland Saint Kilda – even ongenadig als de regen en de wind in de tweede en derde kring van Dantes Hel ….
      En dan de figuur van Gianni Utterwulghe.
     Halverwege het boek wordt een West-Vlaamse huisvrouw onder handen genomen door een gangster die dus Gianni Utterwulghe heet. De naam schijnt echt te bestaan. Utterwulghe martelt de vrouw met een elektrische prikstok zoals die in slachthuizen gebruikt wordt. Hij stelt vragen, roept af en toe enthousiast ‘Voor Paus en Zoeaaf’, en tettert voor de rest aan één stuk door in het Algemeen Beschaafd West-Vlaams*.
     “Uw orders zullen alleen via deze GSM gegeven worden [zei Utterwulghe]. Gesnopen? Draag hem altijd bij u, ook op de WC-pot, ook als ge u ligt te vingeren op de canapé. Zorg dat de batterij nooit leeg is. Want weet heel goed, madammeke, dat de batterijen van ’s Heerens Wreekstokken nooit plat zijn.” [Daarna deed hij de terrasdeur een paar keer open en dicht met één vinger]. “Bolt goed,” knikte hij goedkeurend. “Soms hebde van dieje camelot die zo steeg is als een droge hoer. Kwaliteit dit. Veel geld gekost zeker?” Hij begon te gniffelen. “Gij en ik noemen dat een porte-fenêtre, nietwaar madammeke? Weet ge hoe Ollanders dat noemen? Een schuifpui! Echt waar, schuifpui. Ge houdt het niet voor mogelijk. Een land vol zwalpeiers, Olland.” Nee, ’t is geen typische martelscène.

     Bijna de helft van de roman bestaat uit dagboeknotities van Freddy Spanooghe, een wat pedante geschiedenisleraar die de pedanterie zo ver drijft dat hij het zelfs in zijn dagboek niet laten kan om voetnoten te gebruiken. Bij alles wat hij schrijft, schieten hem dingen te binnen die hij meteen in of onder het geschrevene verwerkt. Je zou het culturele referenties kunnen noemen maar Spanooghe spreekt van ‘ankerpunten’, een ‘emotioneel kader’ dat hem later toelaat om het moment van het schrijven opnieuw te beleven.
     Een geleerde die binnen tweehonderd jaar het boek openslaat, zal een redelijk beeld krijgen van hoe een enigszins bovengemiddelde  culturele bagage bij het begin van de 21e eeuw eruit zag. Wat wist iemand die omstreeks 1953 geboren was en omstreeks 2018 een boek publiceerde? Op elke bladzijde zal de geleerde wel een of meer kennissnippers kunnen onderstrepen. Veel van die snippers van Freddy Spanooghe – en van Danny Chambare – behoren ook tot mijn bagage. Dat Germaine Greer een beroemde feministe was, dat Maria van Boergondië  van haar paard viel in de buurt van Wijnendale, dat maoïsten in de jaren zestig groene parka’s droegen, dat Schubert een lied maakte – op een tekst van Goethe – over een Elfenkoning,  dat China bij het begin van de twintigste eeuw geleid werd door een keizerin-regentes met een slecht karakter**, dat Bach een reeks canons opdroeg aan Frederik de Grote en dat één daarvan ‘quaerendo invenietis’ heet, wat Latijn is en betekent: ‘zoekt, en gij zult vinden,’ en dat dat een citaat is uit de bijbel.

     Ik vraag mij af hoeveel hiervan ook tot de bagage van onze toekomstige geleerde zal behoren: Schubert, Goethe, Bach, de Elfenkoning en Frederik de Grote wellicht wel. Maar zouden Germaine Greer, Wijnendale, de maoïsten met hun parka’s, het slechte karakter van de keizerin-regentes en het Latijn er nog bij zijn?***


* Dat Algemeen West-Vlaams is ook in de rest van het boek onderhuids aanwezig. Daarbij probeert Chambaere een aantal oude zegswijzen te redden die zijn vader vroeger hanteerde. Uit die zegswijzen blijkt dat magere mensen in de oude, politiek niet correcte tijden vaak het mikpunt waren van spot en discriminatie. Iemand met een smal hoofd was een ‘flessenpikker’: hij kon immers met zijn snavelachtige kop een snip drank uit een fles ‘pikken’. Van zo iemand werd ook gezegd: ‘smijt een brood tegen zijn ongeschoren bek en het valt in boterhammen uit elkaar’. En magere mensen in het algemeen ‘konden maar twee ziektes krijgen: de velziekte en de beenderziekte.’

 ** Chambaere schrijft over de ‘dowager empress’ en verwijst naar de film van Bertolucci, The Last Emperor (1987). Ik zou spreken van de ‘keizerin-douairière’ en verwijzen naar de film van Nicolas Ray, 55 Days at Peking (1963). In de ondertiteling van de film zag ik voor het eerst dat rare woord ‘doaurière’.

 ** En dan spreken wij nog niet van het Grieks, want bij Lukas 11:8 heet het niet ‘quaerendo invenietis’ maar ‘ζητεῖτε, καὶ εὑρήσετε’.

zondag 5 maart 2017

Heerlijke fouten

Johann Christoph Friedrich von Schiller (1759-1805)
     Mijn vader heeft altijd veel plezier beleefd aan het herkennen van andermans fouten. Als hij in Humo iets leest over het ‘eiland Belize’, of als hij merkt dat Karel van het Reve de schrijfsters George Sand en Mme de Staël door elkaar haalt, maakt hij daar een kleine notitie van die hij dan later niet meer terugvindt.
     Ik heb dat ook. Ik heb jammer genoeg dat NOS-journaal niet gezien waarin de verslaggeefster sprak over de Duitse dichters Goethe en Schilling. Erover lezen in de krant is hetzelfde niet. Maar het blijft heerlijk. Friedrich von Shilling, auteur van Don Carlos – ik had bijna Don Juan geschreven – Friedrich von Schilling, auteur van onze Europese hymne,  Friedrich von Shilling, Grote Vriend en Rivaal van Goethe. Ik weet niet of ik ooit weer het ordinaire Schiller gewoon word.
     Wat fouten betreft, zit ik als leraar natuurlijk gebeiteld. Als mijn leerlingen van het zesde jaar iets moeten presenteren, maken ze de wonderlijkste fouten. Sommige van die fouten wekken mijn ergernis, zoals een verkeerd uitgesproken eigennaam – Víctor Húgo met de klemtoon op de eerste lettergrepen bijvoorbeeld –, of het citeren van boektitels in het Engels als het helemaal niet om Engelse boeken gaat– Tolstoj als auteur van War and Peace bijvoorbeeld. Maar de meeste fouten zijn een bron van grote vreugde, vooral als je wat vertrouwd bent met de Wikipedia-pagina waar mijn leerlingen hun wijsheid vandaan halen.
     Ik heb in de loop der jaren een kleine verzameling van die fouten aangelegd. Elk jaar hoor ik er wel twee of drie van.
  1. Victor Hugo droeg het vaandel in de Romantische beweging.
  2. Robert Louis Stevenson studeerde aan de universiteit van Bohemen.
  3. De ouders van Thackeray waren Indianen. (Daar hoort een dia bij van twee Irokezen).
  4. Alexandre Dumas stierf tijdens Frans-Punische oorlog.
  5. Hawthorne veranderde zijn naam om aan de heksenvervolging te ontsnappen.
  6. Tom Lannoye reist dagelijks heen en weer tussen Antwerpen en Kaapstad.
  7. Charles Dickens werkte in een fabriek als schoenenpoetser.
  8. Emily Brontë werd erg katholiek opgevoed door haar vader die dominee was.
  9. Zola beschrijft tot in de details het rijk van Napoleon tussen 1852 en 1870.
  10. Herman Melville ging naar de Academie in Albanië.
  11. Flaubert was goed bevriend met de Chinese leider Mao Zedong.
     Die laatste fout heb ik maar één keer gehoord. Dat was in het jaar toen de Wikipedia-pagina over Flaubert tijdelijk gehackt was. Er stond geloof ik ook in dat de schrijver van Madame Bovary uit een gezin met zeventien kinderen kwam en dat die ook allemaal boeken schreven. En dat hun literaire productie drie vierde van het bruto nationaal product van Frankrijk uitmaakte.


1. Vaandeldrager van de romantische beweging - 2. At the University, he was a pillar of Bohemia - 3 Of Anglo-Indian descent - 4. Frans-Pruissisch - 5. To dissociate himself from the witch hunting by his ancestor - 6. Pendelt tussen - 7. Worked in a shoe-blacking factory - 8. A religious education - 9.  Napoleon III - 10. The Albany Academy.