Posts tonen met het label Joel De Ceulaer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Joel De Ceulaer. Alle posts tonen

donderdag 24 november 2022

Trotski, K3 en andere kortjes


Trotski en de meisjes van K3.
 In zijn Great Companions vertelt de Amerikaanse schrijver Max Eastman onder andere over zijn gesprekken met filosoof Santayana en met politiek agitator Leon Trotsky. Van allebei merkt hij korzelig op dat hij veel vragen aan hén stelde, maar dat zij van hun kant nooit een vraag aan hém stelden. ‘Ik voelde mij gekwetst door Trotski’s volkomen gebrek aan belangstelling voor mij als persoon,’ schrijft hij. Dat doet mij denken aan die keer dat we met Jan – hij moet een jaar of zes zijn geweest – naar Antwerpen gingen om de intocht van Sinterklaas mee te maken. We stonden in de menigte te wachten op de boot die, toen hij eraan kwam, niet alleen de Sint maar ook de zanggroep K3 aan boord bleek te hebben.  De meisjes zongen en dansten alsof hun leven ervan hing. We hadden een uitstekend plaatsje van waar we alles goed konden zien. Maar Jan begon te wenen. ‘K3 ziet mij niet,’ snikte hij. 

Joël De Ceulaer. Sommige lezers vinden dat ik met mijn stukje laatst het hoofdoekenstandpunt van De Ceulaer ‘vernietigd’ had. Welnee, Joël kan altijd antwoorden: Die Clerick ... 1) springt van principiële argumentatie naar pragmatische argumentatie en omgekeerd; 2) past het argument van neutraliteit van ambtenaren toe op schoolkinderen; 3) geeft niet aan hoe hij zijn standpunt kan rijmen met zijn libertarisch wereldbeeld; 4) zegt dat men symbolen moet afleggen in sommige contexten, maar geeft geen criteria om die contexten af te bakenen; 5) geeft niet aan of hij zijn redenering voor leerlingen ook durft doortrekken tot het hoger onderwijs; 6) ziet een correlatie tussen hoofddoekdragen en fundamentalisme, maar correlatie is geen causatie; 7) enzovoort.

Joël De Ceulaer (2) Joel kan als het moet een gesprek modereren, een interview afnemen, een boek schrijven, en een boek van een ander bespreken. Maar als hij aan polemiek doet, gaat het mis. Hij grijpt dan naar primitieve drogredenen, krankzinnige vergelijkingen en extravagante overdrijvingen, zolang ze in zijn straatje passen. Wellicht denkt hij dat dat in orde is, als hij bovenaan zijn stuk het woord satire vermeldt.

Dialect. In de les Nederlands liet ik wel eens de dialectkaart voor het lemma ‘aardappel’ zien. De variatie is groot: je hebt de familie van eerappel, êrappel, iërappel, irappel, eppel, erpel, irpel en aan de andere kant de familie van petat, petaat, petijt, petoot, petoet, petèt. Ik hoor het liefst de Gentse varianten: petatse en petaoter. Ik ga nooit voorbij de groenteafdeling van de supermarkt, zonder dat ik tot mijzelf binnensmonds zeg: ‘Kijk, petaoters. Allemaal petaoters.’

Dialect (2).  Omdat mijn vrouw keek, heb ik af en toe een paar minuten meegekeken naar de VRT-serie Chantal. Ik vond het West-Vlaams erg goed, geen woord-voor-woord vertaling van het Nederlands overgoten met West-Vlaamse klanken, maar echt West-Vlaams, ook in woordkeus en zinsbouw. Ik kan het weten, want ’t is een taal die ik zelf goed beheers, beter eigenlijk dan enige andere taal. En Cafmeyer beheerst die ook, want ze acteerde beter dan als ze dat in Herman Teirlinck-Nederlands moet doen. Nu lees ik dat kijkers uit Antwerpen en omstreken verdeeld reageerden. De enen vonden het onbegrijpelijk dialect ergerlijk, de anderen waren een beetje jaloers en zuchtten: ‘’t Ies toch schoeën, zoeën dialect, spaatig da waai da nie emme.’ Ja, die Antwerpenaars.

Subsidiedossiers. Onlangs schreef Gaea Schoeters dat kunstenaars hard moeten werken om subsidies en beurzen te verkrijgen: ‘Want dat het schrijven van die aanvragen, schreef Schoeters, vreet happen tijd die we anders zouden kunnen gebruiken om ons eigenlijke beroep, dat van kunstenaar, uit te oefenen.’ Dat is inderdaad een erg droevige en vernederende toestand. De Amerikaanse dichteres Edna Sint-Vincent Millay heeft ooit, toen ze in geldnood zat, een beurs van 5000 dollar geweigerd omdat het reglement van de Academy of American Poets, die de beurzen uitreikte, een gemotiveerde aanvraag van de dichters vroeg. De Academy had die bepaling uiteindelijk, op vraag van Edna, geschrapt maar, dat was voor de dichteres onvoldoende. De infame regel, ook al werd hij ingetrokken, wierp in haar ogen voor eeuwig een smet op de Academy. Ja, behalve op seksueel vlak was Edna erg puriteins.

Homoseksueel. Dezelfde Edna leed gemakkelijk aan hoofdpijn. Ze ontmoette een psychiater die dacht dat daar een psychische oorzaak voor bestond. Na veel aarzelingen vroeg de psychiater of de mogelijkheid bestond … euh … of ze zich misschien ... euh ... al was het onbewust ... euh ... aangetrokken voelde tot personen … euh … van hetzelfde geslacht. ‘Oh, je bedoelt dat ik homoseksueel ben,’ zei Edna. Ja, natuurlijk ben ik dat, en heteroseksueel ook, maar wat heeft dat met mijn hoofdpijn te maken?’

Sunk cost fallacy. Ondernemers leren op de ondernemersschool dat ze zich moeten hoeden voor de sunk cost-reflex. Bij het nemen van beslissingen voor een project is het enige wat telt de toekomstige kosten en welke opbrengsten daar tegenover staan. Met kosten die al gemaakt zijn mag je geen rekening houden. Maar de sunk cost-reflex in het dagelijkse leven heeft ook zijn voordelen. Piano leren spelen op oudere leeftijd bijvoorbeeld is een kwelling. Je denkt wel eens aan opgeven. Maar dan denk je aan al het werk dat je er al in geïnvesteerd hebt, en je gaat verder. 

 

zondag 20 november 2022

Joël de Ceulaer en de hoofddoek


     Ik heb onlangs nog een stuk over de moslimhoofddoek geschreven*, en ik was niet van plan om daar zo snel een vervolg aan te breien in de trant van  ‘De hoofddoek, deel 2’, ‘De terugkeer van de hoofddoek’, ‘De wraak van de hoofddoek’ en ‘De zoon van de hoofddoek’. Maar nu heeft Joël de Ceulaer er een van zijn ‘satires’ aan gewijd en daarom wil ik voor één keer een uitzondering maken. Bij zo’n stuk van Joël voel ik mij vaak als een kind in een snoepwinkel waar alles gratis is: in bijna elke zin zit iets lekkers om op te sabbelen. Ik weet niet waar ik eerst naar moet grijpen.
     Neem de eerste alinea. Daarin vergelijkt Joël de harde houding hier ten lande tegenover hoofddoekdraagsters met de milde beoordeling van misstanden in de crèches. Als peuters worden ‘geslagen, vastgekleefd en met het hoofdje in de toiletpot geduwd’, dan wordt dat, schrijft Joël, ‘op alle niveaus gedoogd dan wel genegeerd of door de vingers gezien.’ Als ik zoiets lees, is mijn eerste reactie om in de lach te schieten. Joël doet hier denken aan een tooghanger die bralt dat de politie veel te snel boetes uitschrijft voor snelheidsovertredingen, maar moorden en verkrachtingen ‘door de vingers ziet’. ’t Is waar, die tooghanger stemt waarschijnlijk voor een andere politieke partij dan  Joël. 
     In de volgende alinea maakt Joël een vergelijking tussen Iran, waar de hoofddoek verplicht is, met het gemeenschapsonderwijs (GO!), waar de hoofddoek verboden is. ‘Ik hoop dat het ooit doordringt,’ schrijft hij, ‘dat een verbod hetzelfde is als een verplichting.’ ’t Is waar, je kunt met enig trekken en duwen elke bepaling zowel als verplichting (hoofdoek!) of als verbod (niet bloothoofds!)  formuleren. Dat maakt niet veel verschil. Wat wel een verschil maakt, is de partijdigheid of onpartijdigheid van een bepaling. In Iran bijvoorbeeld is er geen algemeen verbod om bloothoofds rond te lopen**. Er is in Iran juist een heel precieze verplichting dat alleen het vrouwelijke deel van de bevolking treft.
     Er zijn andere, dwingender redenen om de vergelijking tussen Iran en het GO! te verwerpen. De verplichting van de ayatollahs en het verbod van het GO! komen voort uit een andere motivatie en worden opgelegd met een ander doel. De hoofddoek in Iran is een onderdeel van de onderhorige rol die de vrouw in de fundamentalistische Islam krijgt toebedeeld. Het hoofddoekenverbod in het GO! daarentegen sluit aan bij de twee eeuwen oude idee van een neutrale lekenstaat die neutraal onderwijs organiseert. Ik ga daar verder niet op in, want Joël weet dat ook allemaal. Alleen vergeet hij het te schrijven.
    Ik wil mij hier beperken tot een evidentie. Het verbod van het GO! wordt in ruimte en tijd begrensd door de schoolmuren en de schooluren; de verplichting van de Iraanse overheid daarentegen omvat de hele openbare ruimte. Mocht de Iraanse overheid een hoofddoek op scholen verplichten, als onderdeel van het meisjesuniform, zou ik daar niet half zoveel problemen mee hebben, zolang de meisjes en de leraressen die hoofddoek weer mogen afdoen als ze de school verlaten. Dan is het dragelijk. En zo is het eveneens dragelijk dat de meisjes en leraressen in het GO! hun hoofddoek moeten afdoen bij het betreden van de school, zolang ze hem weer mogen aandoen – als ze dat per se willen – bij het verlaten ervan. Joël haalt het geval aan van die ‘sympathieke, gemotiveerde en welbespraakte’ Chaïmae Bentouhami die op de televisie haar wens kenbaar maakte om lerares-met-hoofddoek te worden. Goed, dan wil ik nog een stap verdergaan: de welbespraakte mag van mij haar hoofddoek ook dragen in de lerarenkamer, zolang ze hem maar afdoet in de klas.
     Joël verwijt het GO! dat het inconsequent is. Het onderwijsnet streeft zogezegd neutraliteit na, maar organiseert zelf de gesegregeerde lessen voor ‘islamitische, katholieke, joodse en vrijzinnige kindjes’***. ’t Heeft er weinig mee te maken maar ik moet het toegeven: die twee uurtjes per week zijn niet ‘neutraal’. Ze maken onderdeel uit van een historisch compromis dat de liberale founding fathers afsloten met hun katholieke tegenstanders. En van een compromis kun je geen uiterste consequentie verwachten. Trouwens, is  die kleine inbreuk op de neutraliteit gedurende twee uur per week een goed argument om nog meer neutraliteit prijs te geven?
     We komen zoetjesaan bij de kern van Joëls betoog, dat ook in de titel is vervat: ‘Het hoofddoekenverbod heeft niets te maken met neutraliteit, maar alles met islamofobie.’ Die Joël toch! Eerst wordt bij de vergelijking tussen het GO! en Iran elke verwijzing naar doel en motivatie ontweken, en nu wordt die de kern van het betoog. Joël weet dat degenen die de neutraliteit inroepen eigenlijk door islamofobie gedreven worden. Goed, als Joël dat weet, dan weet ik iets anders. Ik weet dat niet bij iederéén neutraliteit een excuus is voor islamofobie.
     Maar ik wil het Joël gemakkelijk maken. Ik zal het alleen over mezelf hebben en dan wil ik schuchter bekennen dat islamofobie bij mij wel een rol speelt. Ik weet dat het niet mag, en dat landen als Qatar en andere voorbeeldnaties internationale conferenties houden om tegen islamofobie te waarschuwen, maar ik geef het toe: ik ben bang. Bang dat het fundamentalisme binnen de islam verder opgang maakt, bang dat die opgang bij moslims de aanpassing aan hun nieuwe land bemoeilijkt, bang dat verschillende godsdienstbeleving van oud- en nieuwkomers tot spanningen leidt, bang van het hellend vlak dat leidt tot aparte sharia-rechtbanken voor bepaalde materies. Of om bij mijn onderwerp te blijven: bang dat moslimmeisjes die de hoofddoek liever niet dragen het in de toekomst nog moeilijker zullen krijgen om dat vol te houden. Mocht ik daar allemaal niet bang voor zijn, mocht ik met andere woorden minder islamofoob zijn, dan dacht ik misschien anders over hoofddoek en lekenstaat.
     Joël geeft een andere invulling aan het begrip islamofobie. Hij ziet er het onvermogen in ‘om onder elke hoofddoek gewoon de mens te zien in plaats van de vermeende ideologie.’ Joël heeft hier een kruimel van gelijk. Bij het beoordelen van mensen die we niet kennen gaan we al te snel af op uiterlijke kenmerken: op die ongepoetste schoenen, op die tatoeages, op dat roze geverfd haar, op die kaalgeschoren linkerslaap die het gezicht van een mooi meisje ontsiert. Vooroordelen zijn des mensen. In de school waar ik les gaf, was een godsdienstleraar die in hetzelfde jaar als ik begon les te geven. We lieten elkaar de eerste drie jaar links liggen. Ik was bang van hem omdat hij zo groot was, en hij van zijn kant was vooringenomen tegen mij omdat ik een das droeg. Nadat we toevallig in een discussie over Kant en Rawls verzeild raakten, veranderde dat, werden we onafscheidelijk en kon je ons elke middag in het café tegenover de school aantreffen, ook al was hij nog altijd zo groot en droeg ik nog altijd een das.
     Maar stel nu dat Joël hier gelijk zou hebben – dat islamofobie een kwestie is van vooringenomen reflexen – dan nog gaat het niet aan om die islamofobie af te wegen tegen iets als neutraliteit. Het gaat om twee verschillende sferen. Islamofobie is, als je wil, een deel van het probleem, en neutraliteit is een deel van de oplossing. Het is juist omdat we als mensen behept zijn met vooroordelen en fanatisme dat het goed is dat we die in sommige contexten minstens symbolisch afleggen. En dat moet gebeuren volgens neutrale spelregels waarbij de verschillende godsdiensten minstens formeel gelijk worden behandeld****. Dat is het hele eiereneten van de neutraliteit. De Franse lekenstaat heeft ongetwijfeld zijn wortels in antikatholieke vooroordelen en christianofobie. Dat neemt niet weg dat hij alles samen een redelijk kader geboden heeft om de conflicten tussen katholieken en antikatholieken te temperen.
    Naar het einde van zijn stuk komt Joël goed op dreef. ‘Menig Vlaams-nationalist wordt razend als men zijn zwart-gele leeuwenvendel een collaboratievlag noemt in plaats van een strijdvlag. Terecht. Tegelijk prediken diezelfde lieden dat iedere hoofddoek een teken van onderdrukking is - terwijl dat overduidelijk helemaal niet het geval is.’
   Ook hier wil ik een heel klein stukje met Joël meegaan. Een uitspraak over ‘iedere hoofddoek’ is een veralgemening, en een veralgemening in het maatschappelijke debat is gevaarlijk. Een moslimse die een hoofddoek draagt wordt niet noodzakelijk, altijd, en zonder uitzondering, meer onderdrukt dan een moslimse of een oud-Vlaamse die zo’n hoofddoek niet draagt. Maar zoals men zich terecht kan bezinnen over de algemene symboolwaarde van de zwart-gele vlag in de middeleeuwen, tijdens de oorlog, in de jaren vijftig en nu, zo kan men zich ook bezinnen over de algemene symboolwaarde van de hoofddoek sinds de Iraanse ayatollah-revolutie.
     Ik wil hier ook iets kwijt over de rol van het katholiek onderwijs in de hoofddoekenkwestie, al zegt Joël daar niets over.  Zoals geweten kunnen katholieke scholen vrij beslissen om de hoofddoek toe te laten of te verbieden. Boeve geeft de indruk dat hij die toelating gunstig gezind is, misschien onder het motto ‘godsdienst is godsdienst’, of om pluralistisch te zijn, of eigentijds, of om op die manier zijn eigen onderwijsnet een concurrentieel voordeel te bieden tegenover het GO!
     Ik heb daar iets van meegemaakt op de katholieke school waar ik les gaf. 15 jaar geleden, lang vóór Boeve, was daar een vacature voor een leerkracht economie. De toenmalige directie, die dolgraag eigentijds wou zijn, had een hoofddoekdraagster op het oog. De directeur kwam ons in de lerarenkamer geruststellen. Bij het sollicitatiegesprek had men gevraagd of de vrouw in kwestie haar hoofddoek als een symbool van fundamentalistische propaganda beschouwde. De vrouw had ‘nee’ geantwoord. De geruststelling door de directe was trouwens overbodig geweest want bij het begin van het schooljaar was hoofddoekdragende lerares, op aandringen van de raad van bestuur, vervangen door een andere lerares.
     Aangezien ik geen gedachten kan lezen, weet ik niet of onze hoofddoekdragende econome fundamentalistische opvattingen had of niet. Ik weet alleen dat ze erg vriendelijk was, want ze stond naast mij op de personeelsfoto die genomen werd tijdens de laatste dagen van de vakantie. Ik vermoed niet dat ze van plan was haar lessen economie te doorspekken met islampropaganda. Maar ik hoop dat ze nu les geeft in een andere school en het gezond verstand heeft gehad om daar de hoofddoek weg te laten. Dán weet ik bijna zeker dat ze niet van de fundamentele soort is. Ik denk hetzelfde van de moslimse poetsvrouw van mijn ouders. Die draagt geen hoofddoek, maar een sjaal. Als ze binnenkomt legt ze die af. Ze heeft wel een traditionele hoofddoek, zegt ze, maar die is om te dragen bij feestelijke gelegenheden. Ook van haar neem ik aan dat ze niet van de fundamentele soort is. Ik voel mij daar geruster bij.
    Ik keer terug naar Joël. Die spreekt, om te besluiten, zijn hoop uit dat de hoofddoekendiscussie niet in een eeuwige loop blijft vastzitten. Dat hoop ik ook. De discussie mag voor mij zelfs onmiddellijk worden stopgezet. Ik ben voorstander van het status-quo. De hoofddoeken moeten op straat niet verboden worden, zoals CD&V’er Hendrik Bogaert ooit voorstelde, ze moeten geen aanleiding geven tot een extra belasting, zoals Filip De Winter ooit voorstelde, en ze moeten niet in het GO! worden toegelaten, zoals Joël de Ceulaer nu voorstelt. Alles mag reglementsgewijs***** blijven zoals het was. Je suis demandeur de rien. 

 

* Voor mijn vorige stukje over de hoofddoek: zie hier.

** De Engelse koningin Elizabeth I verbood wel dat haar onderdanen ouder dan zeven jaar bloothoofs op straat rondliepen. Ze wou geloof ik met die maatregel de hoedenindustrie steunen.
*** Joël vergeet nog de protestantse kindjes. Ik heb minstens twee mensen gekend die als enige van de school les konden volgen in de protestantse godsdienst.

**** Dus ook geen andere religieuze symbolen op school. Wel kan formele gelijkheid volgens neutrale regels een zekere ongelijkheid in de praktijk inhouden. Daar is niets aan te doen. Als de staat bijvoorbeeld maatregelen neemt tegen extremisme binnen godsdiensten, dan wordt de godsdienst die het meeste extremisme in zich draagt in zekere zin het zwaarste getroffen. Ook zijn er een aantal gevallen waar kan worden betwijfeld worden of de neutraliteit per se moet worden doorgevoerd, zoals bij nieuwe benamingen als ‘winterfeest’ voor ‘kerstfeest’. Er zijn redelijke argumenten voor en tegen.
***** Hier en daar mag een gemeentereglement worden aangepast zodat hoofddoekdracht aan loketten, in het kader van de lekenstaat, verboden wordt. 

dinsdag 12 november 2019

Youssef Kobo tegen Theo Francken

     Op de brandstichting in het toekomstige asielcentrum van Bilzen heeft Theo Francken gereageerd met een twitterbericht. Hij doet dat wel vaker, reageren met een twitterbericht. Vijf of zes van die berichten waren nogal ongenuanceerd en ruw verwoord. Je kunt ze met een beetje kwade wil verkeerd interpreteren, en tegenstanders halen ze jaren later nog altijd aan om het ‘deshumaniserend’ discours van N-VA aan te klagen. Het is een beetje jammer dat ze na al die jaren niet meer, en betere, voorbeelden van dat discours gevonden hebben, maar je moet roeien met de spaanders die je hebt.
     Het nieuwste twitterbericht van Francken is echter noch ruw, noch ongenuanceerd, noch dubbelzinnig. “Brand stichten in een asielcentrum in de nacht van Wapenstilstand. Geen woorden voor. Hoe hard je ook revolteert tegen het huidige asielbeleid, brand stichten is NOOIT het juiste antwoord. Nooit mag wrok tegen slecht beleid zich omzetten in wrok tegen mensen.”
     Het mooiste vind ik de laatste zin. Francken heeft die naar het schijnt overgenomen van zijn collega Wouter Raskin.  Joël De Ceulaer maakt er zich vrolijk over dat ook andere N-VA’ers die zin overnemen op hun twitterpagina. Ik vind dat juist een goed idee. Je kunt niet stevig genoeg ingaan tegen ‘deshumanizering’. Wrok tegen ménsen moet altijd worden afgekeurd.
     Toch is Youssef Kobo erin geslaagd om het bericht verkeerd te begrijpen. ‘Het is blijkbaar onmogelijk voor Theo Francken,’ schrijft hij, ‘om een gewelddaad onvoorwaardelijk te veroordelen, er moet 2 x een vergoeilijking [sic] aan voorafgaan: ‘Het is de schuld v/h huidig[e] asielbeleid’ en ‘wrok tegen slecht beleid’. Beschamend en veelzeggend.”
     De reactie van Kobo is, zo niet beschamend, in elk geval veelzeggend, en al helemaal zeker fout. De veroordeling door Francken is wel degelijk onvoorwaardelijk. Zo’n brandstichting is ‘nooit’ het juiste antwoord, schrijft Francken, en het woord ‘nooit’ staat in hoofdletters. Francken en Raskin doen ook niet aan ‘vergoeilijking’: zij schrijven juist dat kritische standpunten tegen opvang van meer asielzoekers géén excuus zijn voor de gewelddaden. Dat is dus het tegenovergestelde van ‘vergoeilijking’.
     Je zou de kritiek van Kobo kunnen formuleren op een wat geloofwaardiger manier: ‘Francken en Raskin zeggen in hun bericht twee dingen: de brandstichting is verwerpelijk én het asielbeleid is te laks.’ Door de twee uitspraken tegelijk te doen, verzwakt de ene uitspraak de andere. Dat is een redelijk argument. Zo kun je na een bomaanslag de islamitische terreurzaaiers veroordelen en tegelijk waarschuwen voor wraakacties tegen de moslimbevolking. Als je het zo formuleert, en je betrekt er het schertsbegrip ‘islamofobie’ niet bij, dan zou ik zo’n 
dubbele boodschap best appreciëren. Maar anderen zullen er zich aan storen. Dat is dan voor hún rekening.
     De strekking van de Raskin-Francken-zin kan, geloof ik, verduidelijkt worden door een vergelijking te maken. Onlangs kwam Christoph Bush, de vroegere directeur van de Dossin-kazerne, bij ons op school een lezing geven over ‘polarisering’. Hij voorspelde daarin dat op middellange termijn het islamterrorisme zou afnemen en dat het eco-terrorisme zou toenemen. Ik hoop dat de eerste voorspelling juist is en de tweede fout.
     Maar veronderstel nu dat dat eco-terrorisme inderdaad toeneemt. Anuna De Wever en haar vrienden krijgen genoeg van de praatjes van politici die veel beloven en niets doe-oe-oen. Ze besluiten van zelf iets te doe-oe-oen. Ze gaan ’s nachts de banden doorsteken van geparkeerde vrachtwagens, ze snijden elektriciteitskabels door van CO2-bedrijven, ze ontvoeren een lobbyist van de oliesector. Als dat gebeurt, mag Meyrem Almaci van mij gerust een berichtje versturen dat zulke acties ‘NOOIT het juiste antwoord zijn, hoe zeer je ook revolteert tegen het huidige klimaatbeleid’.
     Ik zou over zo’n berichtje niet lastig doen, ook al revolteer ikzelf niet tegen dat klimaatbeleid. 


Post Scriptum
Op bovenstaand stuk heeft Youssef Kobo als volgt gereageerd:
‘Wacht, laat me het zo proberen: “Ik veroordeel het politiegeweld tegen de Catalaanse bevolking. Wrok en frustratie tegen een onrechtmatig illegaal uitgevoerde referendum mag nooit leiden tot geweld” Waardeloze veroordeling niet?’
Ik heb daar niet zo’n groot probleem mee als Kobo denkt. Dat het politiegeweld veroordeeld zou worden door iemand die fanatiek tegen de Catalaanse onafhankelijkheid is, vind ik helemaal niet waardeloos. Komen die vaak voor, die veroordelingen?’

dinsdag 12 juli 2016

Joël spuwt niet

     Ik heb de commentaren gelezen over de uitspraak van Geert Bourgeois – er is een stakingsgrens tussen Vlaanderen en Wallonië en de Vlaming is die spuugzat. Ik moet zeggen: ik ben het met al die commentaren roerend eens. Ja, de Walen staken te veel. Nee, men mag niet veralgemenen. Ja, er moet af en toe iemand zijn die iets zegt. Nee, dat moet niet op zo’n ruwe manier gebeuren. Ja, Bourgeois heeft ook een opbouwende 11-juliboodschap gebracht. Nee, die opbouwende boodschap is niet overgekomen. Dat is allemaal precies wat ik er ook van denk.
     Ik ben het in deze zelfs eens – schrik niet – met Joël De Ceulaer, senior writer bij De Morgen. Die vindt (hier) dat Bourgeois beter de uitdrukking ‘balen van’ dan ‘spugen op’ had gebruikt. Joël schrijft dat niet letterlijk zo. Hij schrijft het tegenovergestelde. Hij moedigt Bourgeois aan om meer van die grove uitdrukkingen te gebruiken. Maar dat is volgens mij een staaltje van fijne ironie. ’t Is een schalk, Joël.
     Op de formulering van de senior writer valt anders wel wat af te dingen. Zo schrijft hij: ‘Let wel, inhoudelijk zit u [Geert Bourgeois] ernaast. Neem nu bijvoorbeeld alleen nog maar mijzelf: ik ben ook een Vlaming en ik spuw niet op Waalse stakers. Integendeel, ik baal nogal fameus van uw Vlaams-Nationalisme.’ Dat ‘integendeel’ vind ik niet helemaal in orde. Het tegendeel van spuwen op Waalse stakers, lijkt mij het toejuichen van Waalse stakers. Of eventueel: het spuwen op Vlaamse stakers, dat kan ook. Maar de algemene logica is onberispelijk. Als er één Vlaming rondloopt – al is het dan Joël zelf – die geen spuwer is, dan is de hele stelling dat ‘de’ Vlaming voortdurend spuwt, weerlegd. Eén tegenvoorbeeld volstaat om een algemene stelling te ontzenuwen. Eén keer een appel die niet valt, en heel Newtons leer is om zeep.
     De logica van Joël is niet altijd zo onberispelijk. Een paar dagen voordien had de senior writer een ander stukje geschreven (hier) waarin hij een maatregel van nva-minister Theo Francken van afkeurende commentaar voorzag. Die maatregel maakt het makkelijker om vreemdelingen die schuldig zijn aan moord, verkrachting of terrorisme het land uit te wijzen. Het gaat meer bepaald om vreemdelingen die in België geboren zijn, of jonger dan twaalf waren toen ze in ons land aankwamen, maar nooit de Belgische nationaliteit hebben aangevraagd of gekregen. Zulke vreemdelingen konden vroeger slechts na een loodzware procedure worden uitgewezen. Soms was er zelfs een Koninklijk Besluit voor nodig. En die procedure heeft Theo Francken nu vereenvoudigd. Zijn bedoelingen daarbij laten zich gemakkelijk raden – Francken wil liever zo weinig mogelijk misdadigers in ons land. Hij is die misdadigers liever kwijt dan rijk. Welke bezwaren kan Joël daar nu tegen hebben?
     Een eerste bezwaar is van semantische aard. Je kunt die mensen niet ‘terugsturen’ naar hun ‘land van herkomst’ want dat land is België zelf. Prima. Dan worden ze teruggestuurd naar ‘het land waarvan de nationaliteit op de achterzijde van hun identiteitskaart vermeld staat’. Zo goed?
     Het tweede bezwaar bestaat uit een reductio ad Vlaams-Blokkum. Joël beweert dat Theo Francken beïnvloed is door het ‘racistische wereldbeeld’ van het Vlaams Belang. Hij citeert Filip De Winter die ooit beweerde – in een interview met Joël – dat ook vreemdelingen van de tweede, derde of vierde generatie niet volwaardig kunnen integreren. ‘Een kat die in een viswinkel geboren wordt, is nog geen vis.’ Zo’n uitspraak lijkt mij inderdaad iets voor Filip De Winter. Het zou natuurlijk sterker geweest zijn als Joël zo’n uitspraak uit de mond van Theo Francken had kunnen noteren. Dat zal echter niet zo snel gebeuren, geloof ik. Maar voor Joël is dat geen probleem. Dat Francken zo’n mening nooit heeft uitgesproken, bewijst niets. Francken kan ze stilletjes in zijn hoofd gedacht hebben. Joël strooit dus met woordjes als ‘heimelijk’, ‘stiekem’ of zelfs ‘onbewust’ en wrijft op die manier niet alleen Francken, maar ook Annemie Turtelboom en Gwendolyn Rutten een heimelijk-stiekem-onbewust racistisch wereldbeeld aan. Afwezigheid van bewijs is nog geen bewijs van afwezigheid, zal hij gedacht hebben.
     In de volgende stap van zijn redenering gaat Joël vooral verwarring zaaien. Hij gebruikt daarbij de begrippen ‘eendimensionaal’, ‘Belg’, ‘vreemdeling’, ‘dubbele nationaliteit’, ‘immigratieachtergrond’ en ‘tweederangsburger’ – zonder dat die begrippen een duidelijke betekenis krijgen.  ‘Als eendimensionale Belg,’ schrijft Joël, ‘mag u in Syrië gaan strijden, terreuraanslagen plegen of seriemoordenaar worden – er zal altijd een plekje voor u zijn in de viswinkel. Maar als u een migratieachtergrond hebt, dan zal men u liefst willen behandelen als een tweederangsburger. Zeker als u geen Belg bent, maar ook als u dat wel bent.’
    Hier heeft Joël de zaken zo onduidelijk mogelijk uiteengezet. Toch is de situatie glashelder. Als u een vreemde nationaliteit hebt, kunt u het land worden uitgezet – en dat kan nu makkelijker met Theo Francken. Als u een dubbele nationaliteit hebt, kan de Belgische nationaliteit u worden afgenomen en kunt u dan eveneens het land worden uitgezet. Als u echter uitsluitend de Belgische nationaliteit hebt, kunt u het land niet worden uitgezet, wat ook uw huidskleur of afkomst is. Uw migratieachtergrond heeft er niets mee te maken. Of u lid bent van de vierde, derde, tweede of eerste immigratie inwijkelingen doet niet ter zake. Wilt u met alle geweld zware misdaden plegen, dan hebt u recht op een Belgische gevangenis. Liefst voor een wat langere periode.
   Ook gaat het hier niet om een moreel recht. De morele rechten van moordenaars, verkrachters, brandstichters en terreurzaaiers zijn een erg twijfelachtige aangelegenheid. Het gaat hier evenwel om iets dat heel wat solieder is: een recht dat rust op de letter en de geest van de wet – het burgerschap. Wat Joël van zulke wettelijke bepaling denkt, leren we uit zijn slotzinnen. ‘België een failed state? Een beetje wel, ja. En dan toch nog zo gewichtig doen over die nationaliteit.’
     Ja Joël, in een rechtstaat doen we daar gewichtig over.