Posts tonen met het label Mark Elchardus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mark Elchardus. Alle posts tonen

zondag 4 december 2022

Mark Elchardus en de hoofddoek op school


      Ik ben het over de hoofddoek niet eens met Mark Elchardus in De Morgen van 3 december, niet met zijn standpunt en niet met zijn redenering. Zijn standpunt is al veertig jaar hetzelfde zegt hij: die hoofddoek moet worden toegelaten voor leraressen op school. Wel is dat standpunt geëvolueerd. Naar het einde van zijn column vraagt Elchardus zich af : ‘Is mijn standpunt vandaag nog houdbaar?’ Hij is op een punt gekomen waar hij vindt dat de hoofddoek op school eigenlijk geen probleem zou mógen zijn. Dát vind ik in zekere zin ook. Mocht ooit een tolerante, liberale, geïntegreerde, ‘Westerse’ variant van de Islam ondubbelzinnig dominant worden onder onze moslims, dan zou ik de hoofddoek ook niet als een groot probleem zien. Maar de kans is groot, denk ik, dat zo’n variant – als die er komt – er een is zonder veel hoofddoeken. Dan is het probleem opgelost als een klontje suiker in een glas water.
      Ik vind het in het algemeen nogal moeilijk om met Elchardus  te polemiseren, zonder eerst op te sommen waarover ik het allemaal wel met hem eens ben. Bijvoorbeeld:

  1. Dat de immigratie allerlei problemen meebrengt, zoals verhoogd jongerenvandalisme
  2. Dat de moslimse godsdienstbeleving slecht aansluit bij onze cultuur
  3. Dat men daarom de immigratie moet beperken door illegale immigratie te bestrijden en gezinshereniging veel strenger te regelen
  4. Dat men anderzijds een godsdienstbeleving moet tolereren die men eerst zelf langs open grenzen heeft binnengelaten*
  5. Dat men het dragen van de hoofddoek niet tot één motief mag herleiden
  6. Dat men niet te veel veronderstellingen nopens de intentie van de hoofddoek in het debat moet brengen, zoals daar zijn: onderwerping van de vrouw, bekeringsdrang, provocatie**
  7. Dat anderzijds het dragen van een hoofddoek hoe dan ook verbonden is met de moslimse godsdienstbeleving
  8. Dat men de hoofddoek enkel kan verbieden daar waar hij aanwijsbaar tot grote nadelen leidt
  9. Dat het verbieden van de hoofddoek tot averechtse resultaten kan leiden
  10. Dat de taak van leraren erin bestaat om kennis door te geven, onbeïnvloed door persoonlijke kenmerken als huidskleur, geslacht, aangenomen gender, ideologie, geloof en seksuele oriëntatie.

     Het eigenaardige voor mij is nu dat Elchardus juist uit het tiende punt, waar ik het ongeveer eens mee ben, een argument puurt om hoofddoeken voor leraressen toe te laten. Ik citeer: ‘Ik wil geen man die als man voor de klas staat, geen vrouw die als vrouw voor de klas staat, geen blanke die als blanke voor de klas staat, geen zwarte die als zwarte voor de klas staat, geen katholiek die als katholiek voor de klas staat. Ik wil een leraar die als leraar voor de klas staat.’ 
     ’t Is misschien wat scherp gezegd, maar ik ga hier, min of meer, in grote lijnen, op mijn manier, mee akkoord. Natuurlijk, je kunt je mannelijkheid of vrouwelijkheid niet afleggen als je de klas binnenkomt. Misschien geef je als man wel wat anders les dan vrouwelijke collega’s. Maar je geeft in elk geval geen mannelijke natuurkunde of vrouwelijke geschiedenis en je komt geen propaganda maken voor het masculinisme of het feminisme. Alleen is de opsomming van Elchardus opvallend onvolledig. ‘Geen katholiek die als katholiek voor de klas staat’. Hij had daar gemakkelijk aan toe kunnen voegen: ‘En geen moslimse die als moslimse voor de klas staat.’ Daarmee was het probleem waar hij mee worstelt scherper gesteld: kan dat dan, niet als moslimse voor de klas, met die hoofddoek op? Zou Elchardus zelf niet veel geruster zijn met in de klas een moslimse zónder hoofddoek, of een moslimse die althans in bepaalde omstandigheden bereid is om die hoofddoek af te leggen?
      De rare gedachtesprong van Elchardus wordt nog duidelijker in de zin die erop volgt: ‘Als het lukt doen huidskleur, seksuele geaardheid, ideologische overtuiging er niet toe, en een hoofddoek ook niet.’ We krijgen hier naar mijn smaak een heterogene opsomming: drie persoonlijke kenmerken en een symbool***. Dat zijn toch heel verschillende zaken. Een zwarte of blanke leraar voor de klas is inderdaad geen probleem, maar een speldje ‘Black and Proud’ of ‘White Pride’ is dat wel; een homo sportleraar is inderdaad geen probleem, maar een regenboogarmband boven zijn trainingspak is dat wel; een communist of een fascist voor de klas om wiskunde te doceren is misschien ook geen probleem, maar dan toch liefst een zonder hamer en sikkel of runeteken op zijn revers. En een bondage-adept is ook geen probleem, maar dan kan hij toch beter zijn latexpak thuislaten, al voelt dat pak voor hem aan als ‘een deel van zijn persoonlijkheid’. Zo is ook een moslimse voor de klas geen probleem, maar dan zonder dat specifieke ‘deel van haar persoonlijkheid’****.
     Aangezien Elchardus een man van nuances en pragmatiek is, wil ik er nog twee bedenkingen bovenop gooien. De eerste is deze. Zelfs als we niet te veel speculeren over de reden waarom een bepaalde moslimse een hoofddoek draagt, weten we dat er een verschil kan bestaan in het respect dat ze van moslimmannen krijgt. Zou dat geen gevolgen kunnen hebben in een school? Dat leraressen met een hoofddoek meer respect krijgen van de jongens in de klas dan andere leraressen zonder hoofddoek? En zou dat geen grote druk meebrengen voor álle moslimse leraressen om die hoofddoek toch te dragen, ook als ze die zelf niet zo belangrijk vinden in hun godsdienstbeleving?
     Mijn tweede bedenking betreft de kinderen. Het lijkt mij geen slecht idee om kinderen op school te beschermen tegen sociale druk in verband met kledij. Zelf gaf ik les op een uniformschool en ik vond dat prima. De leerlingen konden een keer per trimester hun eigen kleren kiezen, of het uniform van hun jeugdbeweging dragen. Van mij zouden moslimmeisjes op die dag ook hun hoofddoek mogen aanhouden, al getuigt het van een bedenkelijk fanatisme om daar op die leeftijd al mee te beginnen. Maar op andere dagen moeten ze die thuis laten, in het kader van algemene kledijvoorschriften. Zo’n verbod lijkt mij in alle opzichten verstandig, maar het zal moeilijk te handhaven zijn als hoofddoeken voor leraressen wel zijn toegelaten. 

 

 

* De vraag is wie die ‘men’ is in zo’n geval. De burgers? De politici die verantwoordelijk zijn voor het open-grenzenbeleid? Ik denk dat Elchardus hier vanuit zijn ideologie geen probleem in ziet. 

** Ondertussen is het onvermijdelijk dat we de veronderstellingen nopens de betekenis van de hoofddoek in het achterhoofd houden.
*** Je kunt je afvragen of baarden en dassen voor leraren en hoge hakken voor vrouwen ook niet tot de categorie van de symbolen behoren, al zijn ze heel algemeen en is de symboolwaarde door de traditie wat afgesleten ’t Is een delicate materie. Ik zou mij in deze niet verzet hebben tegen kledingvoorschriften voor leraren zoals die vroeger bestaan hebben: stofjas verplicht, stofjas verboden, kousen verplicht, kousen verboden, enzovoort. 

**** Ik ben de uitdrukking ‘deel van mijn persoonlijkheid’ al enkele keren tegengekomen. Het is, ondanks de aanhalingstekens, geen citaat van Elchardus.

zaterdag 15 januari 2022

Elchardus en de mensenrechten

     Volgens Elchardus moet in een fatsoenlijke Westerse maatschappij de democratie het laatste woord krijgen, boven al de rest. Er is een grondwet, er zijn internationale afspraken en bondgenootschappen, er zijn rechtbanken, er zijn mensenrechten, maar als puntje bij paaltje komt moet een meerderheid van de bevolking kunnen beslissen om een grondwet te wijzigen, een verdrag te verbreken, een bondgenootschap te  verlaten,  een jurisprudentie door nieuwe wetten ongedaan te maken of anderszins tegen te gaan, en mensenrechten toe te voegen, te schrappen of anders te interpreteren.
     Ik zal mij hier beperken tot de kwestie van de mensenrechten. Elchardus haalt aan dat er internationaal  ondertussen rond de driehonderd mensenrechten erkend zijn, zoals ‘recht op deelname aan het culturele leven’, ‘recht op rust en ontspanning’, ‘recht op de hoogste mentale en fysieke gezondheid’, ‘recht op goede gezondheid’, ‘recht op gunstige werkomstandigheden’, ‘recht op een adequate levensstandaard’, ‘recht op kinderopvang’,  ‘recht te genieten van wetenschappelijke vooruitgang’ … Elchardus bespot die overvloed aan inflatoire ‘universele’ rechten door erop te wijzen dat er in Nigeria geen loket bestaat waar de inwoner kan aankloppen om te zeggen dat hij onvoldoende geniet van de wetenschappelijke vooruitgang en daarvoor compensatie eist.
    Elchardus heeft een aantal verklaringen voor die exponentiële toename van rechten, maar hij vergeet de voornaamste. De harde kern van de mensenrechten bestond vroeger uit de oude individuele rechten: vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting, gelijke behandeling van alle burgers, enzovoort (de zogenaamde ‘negatieve vrijheden’), een lijst die van nature nogal beperkt is*. Die liberale waarden werden later aangevuld met sociale rechten (de zogenaamde ‘positieve vrijheden’), waarvan de lijst oneindig kan worden uitgebreid**. De oude liberale vrijheden zijn gratis maar ze bieden geen garanties op daadwerkelijke invulling. Het kost de Nigeriaanse staat geen cent om de persvrijheid in te schrijven in de grondwet, maar dat biedt geen garantie dat elke Nigeriaan die dat wil ook een krant kan uitgeven. Maar als die staat het recht op goede gezondheid wil verzekeren, hangt daar een stevig prijskaartje aan vast. Er moeten ziekenhuizen gebouwd, apparatuur gekocht en lonen betaald worden. De liberale vrijheden kunnen dus onvoorwaardelijk worden toegekend, zonder naar geld om te zien, de nieuwe sociale rechten daarentegen hangen af van de budgettaire mogelijkheden.
    Maar de liberale vrijheden, zijn ook niet helemaal onvoorwaardelijk. Ze zijn ondermeer afhankelijk van de welwillendheid van de heersers en van de meerderheidsopinie van de bevolking. Niet elke cultuur koestert dezelfde opvattingen over eer, ouderlijk gezag, godsdienstvrijheid, kindhuwelijken, pornografie, homoseksualiteit, vrouwenrechten, kritiek op autoriteiten, enzovoort waardoor de vraag rijst of de mensenrechten die ermee samenhangen wel zo universeel zijn als de internationale verdragen laten uitschijnen. Elchardus meent van niet, en Patrick Loobuyck, die hem van antwoord diende in Knack, meent van wel. Het kan een kwestie van beroepsmisvorming zijn, want de ene is socioloog en de andere filosoof.
     Maar universeel of niet, interessanter is voor mij de vraag over de verhouding tussen democratie en mensenrechten. Kan of mag een democratie, meerderheid tegen minderheid, een bepaald mensenrecht afschaffen of invoeren?  Neem bijvoorbeeld een fundamenteel recht als dat om om niet gefolterd te worden. Dat recht staat ingeschreven in de Europees Verdrag van de Rechten van de Mens onder artikel 3. Ik zou het niet afgeschaft willen zien, ook niet als daar een democratische meerderheid voor bestaat. Dat mensenrecht is voor mij belangrijker dan de democratie.
     Daarnaast is rond dat artikel 3 een controverse ontstaan waar Elchardus uitgebreid op ingaat. Het Europees Hof van de Rechten van de mens heeft namelijk op grond van dat artikel 3 beslist dat immigranten niet mogen uitgewezen worden naar landen waar ze mogelijk gefolterd zouden kunnen worden. Met enige overdrijving zou je kunnen stellen dat het Hof dus een nieuw mensenrecht gecreëerd heeft namelijk het immigratierecht voor alle inwoners van landen waar wel eens gefolterd wordt. Dat zijn er heel wat. Elchardus vermoedt dat de meerderheid van onze landgenoten niet akkoord gaan met zo’n interpretatie, en dus moet er volgens hem een democratische procedure komen waarmee die interpretatie van het Hof ongedaan kan worden gemaakt. Ik volg hem volledig. De democratie is voor mij hier belangrijker dan dat nieuwe mensenrecht, of anders gezegd: de democratie moet hier beslissen wat wel en niet een mensenrecht is.
     Maar ’t is niet helemaal eerlijk van mij om, zoals mijn muts mij staat, de ene keer een mensenrecht boven de democatie te verkiezen en een andere keer de democratie boven een mensenrecht. Bovendien kan het mij eigenlijk niet zoveel schelen hoe een mensenrecht dat mij lief is tot stand komt, of hoe een onrecht dat mij tegenstaat wordt tegengehouden. Vrije immigratie lijkt mij een onrecht om redenen die ik hier niet zal uitleggen. Als het Europees Hof op grond van artikel 3 dat onrecht in het leven roept, wil ik dat teruggeschroefd zien en het maakt mij niet uit of dat gebeurt door een democratie, een autocratie of een andere gerechtelijke instantie. Ik ben die dag dan tegen het Europees Hof. Maar als morgen het Europees Hof onze racisme- en seksismewetgeving verwerpt omdat ze de fundamentele vrijheid van meningsuiting schendt, zou ik morgen vóór het Hof zijn. Ik blijf ronddraaien in dezelfde cirkel.
    Vroeg of laat moet ik toch een onderscheid maken tussen inhoud en procedure. Inhoudelijk vind ik de oude liberale vrijheden veel belangrijker dan de democratie. Maar democratie als procedure is een ultieme troefkaart. Als Elchardus aan de democratie het laatste woord wil geven, kan ik daar eigenlijk niet veel tegen inbrengen. Als iemand of iets ‘het laatste woord’ moet hebben, dan is democratie de minst slechte en in elk geval de meest logische kandidaat. Ik heb in mijn linkse jeugd vaak aan vergaderingen van ‘actiecomités’ deelgenomen. Wij beslisten daar bijvoorbeeld over het houden van een manifestatie. Een vraag die dan vaak terugkwam was deze: wordt aan de autoriteiten toestemming gevraagd om te manifesteren of doen we het zonder toestemming? De discussie kon hoog oplaaien, maar uiteindelijk moesten knopen worden doorgehakt. Dat kon door een stemming worden opgelost, maar wie zich in de minderheid wist, was tegen het houden van zo’n stemming. Ik heb meer dan één keer meegemaakt dat er dan na uren discussie gestemd werd over de vraag of er gestemd kon worden. Er zat niets anders op: democratie is in laatste instantie altijd 50 % plus één. 
     Die laatste instantie is natuurlijk de crux van de zaak. In veel gevallen is het beter als een consensus kan worden bereikt door een compromis. Of als er minstens een grote meerderheid verreist is. Voor verregaande beslissingen formuleert Elchardus als voorwaarde dat met een ‘bijzondere meerderheid’ beslist wordt. Dat is een goede, al lang bestaande praktijk: er moet dan een meerderheid zijn van 55 %, of van 66 %, of een meerderheid in de aparte regio’s van een land, enzovoort. Maar ook hier bots je op de brute rekenkunde van de democratie: 50 % + 1 heeft in laatste instantie alle macht. Als de volkswil toch het enige is wat telt, waarom moet een meerderheid dan ‘bijzonder’ zijn? vraagt Louis Tobback zich in zijn bespreking van Reset af. Hij heeft voor één keer gelijk. Wat doe je immers als een gewone meerderheid stemt om de bijzondere meerderheid af te schaffen?
     De democratische procedure, doorgedreven tot zijn ultieme logische consequentie, leidt dus onvermijdelijk tot de macht van 50% + 1, eventueel tot de dictatuur van 50% + 1, in sommige gevallen zelfs tot de tirannie van 50 % + 1***. Het enige kruid dat daartegen gewassen is, bestaat uit een vrijwillige democratische zelfbeheersing. De democratie legt zichzelf beperkingen op door een compromiscultuur maar ook door procedures als grondwettelijke bepalingen, bijzondere meerderheden, juridische toetsing van haar beslissingen, onvervreemdbare ‘natuurlijke’ mensenrechten, en is bereid om die beperkingen ook te aanvaarden als ze minder gelegen uitkomen. ’t Is een kwestie van mentaliteit. Als die mentaliteit verdwijnt, stellen de procedurele remmen niet veel meer voor.
     Elchardus drijft de spot met het ‘duizendjarig rijk van de mensenrechten’. Louis Tobback zag daar een verwijzing naar het nazisme in, en gaf lik op stuk. Elchardus was zelf in het voetspoor getreden van nazi-collaborateur Hendrik de Man, schreef hij nijdig. Maar ik denk niet dat Elchardus aan het nazisme dacht toen hij de uitdrukking gebruikte. Hij lijkt meer te verwijzen naar het mythische karakter van onvervreemdbare en universele rechten die niet wetenschappelijk zijn af te leiden uit wat we geleerd hebben van de wetenschappelijke psychologie, de antropologie en de etnografie. 
    Zelf hou ik van dat mythische karakter. De fundamentele mensenrechten zijn niet ‘natuurlijk’, zijn niet onvervreemdbaar, zijn waarschijnlijk niet door God gegeven, en zijn ook niet noodzakelijk een duizendjarig bestaan beschoren. Maar het is beter om te doen of we geloven dat dat wel het geval is. Het is beter om ze te beschouwen als totem en taboe van onze stam, boven discussie verheven, behalve op het meest theoretische niveau. Ze zijn trouwens niet wetenschappelijk te bewijzen, maar ze zijn ook niet wetenschappelijk te weerleggen. 
    Maar zo’n heiligverklaring van mensenrechten – Elchardus spreekt van ‘sacralisering’, in navolging van Durkheim – zal maar lukken als in de driehonderd internationale mensenrechten geschrapt en gesnoeid wordt tot slechts een harde kern overblijft**** die althans in het Westen sterk verbonden is met de Verlichtingstraditie, en waarover een socialist als Elchardus en een liberaal als ik het ongeveer eens kunnen zijn: verbod op foltering, vrijheid van meningsuiting, vrijheid om handel te drijven, gelijkheid van man en vrouw, onafhankelijke rechtspraak, scheiding van kerk en staat, gelijke rechten voor alle burgers ongeacht hun origine, vreedzame betrekkingen tussen de staten. Over de modaliteiten van die rechten kan dan gediscussieerd en gezamenlijk beslist worden. Democratisch dan maar.*****

 

 

* Het is verkeerd om te geloven dat er nieuwe individuele rechten ontstaan, zoals lgbt-rechten. In wezen zijn die niet meer dan het oude individuele recht om te doen wat je wil als je er niemand schade berokkent en het eveneens oude individuele recht om gelijk behandeld te worden. Het beginsel blijft hetzelfde. Maak je er echter groepsrechten van, dan heb je aan het alfabet niet genoeg. Lgbt wordt dan lgbti, lgbtiq, ligbtiqa, enzovoort.


* Het 19de-eeuwse onderscheid tussen ‘positieve’ en ‘negatieve’ vrijheden en rechten werd populair dankzij Isaiah Berlin met zijn Two Concepts of Liberty (1958). Bart De Wever gebruikte het in zijn laatste essay in De Standaard. Ook Elchardus gebruikt het onderscheid, zij het met een zekere tegenzin. Het verschil is niet altijd even duidelijk, biijvoorbeeld bij de migratie- en milieuproblematiek, maar in het algemeen is de negatieve vrijheid van de burger eerder abstract en inhoudloos en bestaat erin dat hijzelf om het even wat mag doen of zeggen, zolang hij niemand anders schade berokkent. De positieve vrijheid is concreet en houdt in dat de burger bepaalde goederen, diensten of garanties krijgt van anderen. Persvrijheid is bijvoorbeeld een negatieve vrijheid;  subsidies aan de pers zijn een positieve ‘vrijheid’. Recht op eigendom is een negatieve vrijheid omdat niemand vastlegt wat je met je eigendom moet doen. Een werkloosheidsuitkering is een positieve ‘vrijheid’ omdat de gerechtigde met dat geld, in de woorden van Elchardus ‘greep krijgt op zijn leven.’ Negatieve vrijheden worden in verband gebracht met liberalisme, positieve vrijheden met socialisme.


*** De tirannie van 50 % + 1 wordt vooral ondraaglijk als het politieke domein erg omvangrijk wordt, ten nadele van het privé-domein en het domein van de vrijwillige handelsbetrekkingen. De kwestie werd ook aan de orde gebracht door Philippe Nys (Open-Vld) in zijn antwoord op Reset (Knack.be, 22/10/2021) .


**** Ook Elchardus pleit voor van kern-mensenrechten, vooral in een internationale context.


***** Mijn andere Elchardusstukjes vind je hierhier en hier.

donderdag 13 januari 2022

Elchardus en de democratie

      Ik wilde eigenlijk graag iets schrijven over de verhouding tussen democratie en mensenrechten zoals Mark Elchardus die behandelt in zijn boek Reset. Maar bij het schrijven doken enkele aanverwante kwesties op waar ik mij eerst snel van af wil maken. 
     Zelf ben ik een koele minnaar van de democratie. Zeker, ze is tot nu toe het ‘minst slechte’ systeem gebleken. Zeker, ze is redelijk goed verenigbaar gebleken met vrije markt en mensenrechten. Zeker, ze blijft de beste manier om bij onvrede van regering te veranderen zonder bloedvergieten. Zeker, ze kan leiden tot alternance, waarbij de fouten van de ene partij periodiek worden rechtgezet door de fouten van een andere partij. Maar heel veel verder zou ik niet willen gaan. Elchardus gaat veel verder. Democratie is voor hem de geïncarneerde volkswil. Hij lijkt democratie niet het minst slechte, maar het beste systeem te vinden, niet een noodzakelijk kwaad, maar een wezenlijk goed.
     Laat mij eerst een meningsverschil tussen Elchardus en mij tussen haakjes zetten: dat over de gepaste omvang van het politieke domein, vergeleken met die van het economische domein. Mochten we elkaar op café treffen en onder elkaar als tijdverdrijf een politiek stelsel ontwerpen, dan zouden Elchardus en ik het over veel eens zijn. We zouden de politiek niet laten beslissen over de design van mobieltjes of de smaak van frisdrank, en we zouden de  vrije markt niet laten beslissen over de beteugeling van de misdaad. Maar er bestaat een grijze zone tussen die twee uitersten. Elchardus zou, geloof ik, een nogal groot stuk van de grijze zone aan de politiek overlaten, ik veel minder. James Buchanan en anderen hebben geprobeerd om aan te tonen dat politieke beslissingsprocessen nogal inferieur kunnen zijn aan die genomen in een vrije marktomgeving. Ik geloof Buchanan.
     Maar dàt belangrijke, maar ingewikkelde debat wil ik hier dus graag uit de weg gaan. Ik wil wel kort iets zeggen over een andere vraag, namelijk hoe het politieke domein – of het nu groot of klein is – best kan worden ingevuld. Is democratie een goede invulling, en zo ja, hoe goed is die invulling? 
     In een moderne context wegen we democratie vooral af tegen technocratie. Aristocratie, absolute monarchie, theocratie, militaire dictatuur, fascisme en communisme zijn bij ons uit de mode. Om dan de superioriteit van de democratie tegenover technocratie te bepleiten, gebruikt Elchardus een paar keer het beeld van ‘voelsprieten’. De vele miljoenen burgers zijn even zoveel voelsprieten van de samenleving. Met hun verschillende levens en ervaringen, hebben ze allemaal uitzicht op een klein stukje van de samenlevingspuzzel, en bij verkiezingen komen al die puzzelstukjes bij elkaar. ‘Met het algemeen enkelvoudig stemrecht,’ schrijft Elchardus, ‘werd in feite een van de meest presterende waarnemingsmachines ooit ontworpen.’ 
     Dat is een goed argument. Technocraten leven in een bubbel, kennen alleen andere technocraten, en kennen alleen hun eigen comfortabele levensomstandigheden. Ze hebben vaak een heel eenzijdig beeld van hoe het er in de ‘society at large’ toegaat. Ze hebben een beperkt waarnemingsveld. En als hun waarneming een ruimer veld bestrijkt, is die niet doorleefd. ‘I know all the statistics,’ zegt Sir Humphrey Appelby. Ja, ja, de statistieken, dat zal wel, denkt de kijker.
     De vraag is echter of de beste waarnemingsmachine ook de beste beslissingsmachine is. Een technocraat zou kunnen antwoorden dat voelsprieten geen denksprieten zijn. Dat het electoraat wel problemen kan signaleren, maar geen samenhangende oplossingen kan aanbrengen en zelfs niet in staat is om voorgestelde oplossingen te evalueren. Dat de verkiezingsresultaten in het beste geval signalen zijn waar de technocraat mee aan de slag kan. Ik ben geen voorstander van technocratie, maar je kunt die bezwaren niet zo makkelijk weerleggen.
    Toch deel ik Elchardus zijn voorkeur voor democratie boven technocratie. Ik volg gedeeltelijk zijn voelsprietenargument, maar meer nog een ander argument dat als achtergrond in heel Reset aanwezig is: het belangenargument. Verschillende mensen hebben in de samenleving verschillende belangen en noden. Hoogopgeleide grootverdieners, zoals technocraten nu eenmaal zijn, hebben andere noden en belangen dan laaggeschoolde kleinverdieners. 
     Een democratie met algemeen enkelvoudig stemrecht kan ervoor zorgen dat bij het nemen van beslissingen die verschillende belangen en noden allemààl op de weegschaal worden gelegd. Dat proces is natuurlijk onvolmaakt. Sommige zaken zijn voor hervorming vatbaar. Elchardus heeft zelf een aantal hervormingsvoorstellen om de belangen van de laaggeschoolde kleinverdieners meer te laten doorwegen dan nu het geval is. Andere nadelen zijn wellicht niet met hervormingen weg te werken maar zijn daarentegen inherent aan de democratie zelf.
     En daarmee ben ik weer bij mijn beginpunt: is democratie het ‘beste’ syteem, dan wel het ‘minst slechte’? Wie optimistisch is over de hervormbaarheid van de democratie zal ze het ‘beste’ systeem vinden. Wie pessimistischer is, zal blijven spreken van het ‘minst slechte’. Maar is dàt de moeite waard om ruzie over te maken? In een volgend stukje vind ik wel iets om echt ruzie te maken met de socioloog. De verhouding tussen mensenrechten en democratie bijvoorbeeld. 

woensdag 12 januari 2022

Vaccinatieverplichting 'rears its ugly head'

** Het was eventjes schrikken vanmorgen toen ik de kop zag op de één van Het Nieuwsblad. (Zie hierboven)

** Zoals ik een stukje tegen het Hoeyberghs-vonnis begin met een rituele maar gemeende veroordeling van de man, begin ik een stukje tegen vaccinatieverplichting met een ferme én gemeende verdediging van de vaccins. Ikzelf ben drie keer gevaccineerd, en ik zal niet aarzelen om vrijwillig een vierde vaccin te laten inspuiten als dat er komt. Ik ben wel niet enthousiast voor vaccinatie van jonge kinderen.

** De Croo kondigde aan dat hij voor de vaccinverplichting rekening zou houden met het wetenschappelijk advies. Welke wetenschap vroeg ik mij af? Het blijkt de wetenschap van de motivatiepsychologie te zijn, zoals bedreven door de expertengroep ‘Psychologie & Corona’. Ik wil niet graag als anti-wetenschap te boek staan, maarrreuh …

** Ik heb het arsenaal van argumenten gelezen in Het Nieuwsblad. Het lijkt op het debat over de gascentrales: alle argumenten komen aan bod, behalve dat van de CO2-uitstoot. Bij de vaccinverplichting: alle argumenten komen aan bod behalve dat van de effectiviteit van de maatregel. Alleen Liesbeth Van Impe besteedt er één zinnetje aan: ‘De vaccinatiegraad is al hoog, een verplichting zal daar niet veel aan toevoegen.’ 

** De voornaamste rechtvaardiging van de psychologen is dat de resterende niet-gevaccineerden onmogelijk nog met redelijke argumenten te overhalen zijn. Dat is zeker waar en dat wist ik ook zonder de wetenschappelijke psychologie. Hopelijk zal dat argument over de ontoereikendheid van redelijke argumenten niet al te vaak gebruikt worden in de toekomst. Ik heb het indertijd niet gehoord tijdens de discussie over de autogordel. Toen had men het fatsoen om de effectiviteit van de maatregel centraal te stellen. 

** Van Impe en anderen raden aan om een breed parlementair debat te houden over de kwestie. Ja, waarom niet? Het zou mij trouwens verwonderen als de regering die kans niet zou aangrijpen. Het is een debat met een grote symboolwaarde dat ze niet kan verliezen. Buiten het parlement is er een publieke opinie die met een ruime meerderheid de verplichting steunt. Geen enkele brede partij kan zich permitteren om principieel tegen de verplichting in te gaan, zelfs als ze dat eigenlijk zou willen.

** Mij stoort ook het tijdstip waarop de discussie start, namelijk tijdends de staart van de pandemie. Natuurlijk zouden vaccins een wereld van verschil gemaakt hebben tijdens de eerste twee golven. Toen waren er ‘7800 levens’ die hadden kunnen worden gered, iets waar CD&V zo graag over spreekt. Maar de vaccins waren op dat moment nog niet beschikbaar. Als ze er wel waren geweest, dan had men de meeste van die 7800 mensenlevens ook kunnen redden met vrijwillige vaccinatie.

** De timing van de discussie voedt het vermoeden dat het ‘niet om de gezondheid’ gaat, maar ‘om een verborgen agenda’. Zelf geloof ik niet in een samenzwering. Ik geloof niet dat De Croo tegen Vandenbroucke zegt: ‘Hoe kunnen we ons het best voorbereiden op de komende sociaal-economische conflicten’, waarop die laatste antwoord: ‘We gaan er de volgzaamheid tegenover de autoriteiten eens goed inrammen met de verplichte vaccinatie.’

** Waar ik wel in geloof, dat zijn politieke spelletjes. Een regeringsleider die zich afvraagt: ‘Hoe kan ik mij gemakkelijk populair maken?’ Of: ‘Hoe kan ik de oppositie tot een debat verleiden dat ze niet kan winnen.’ 

** Waar ik ook in geloof, dat zijn politici voor wie het een tweede natuur is om de burgers te manipuleren, te controleren en te regimenteren, dat alles natuurlijk-uiteraard-vanzelfsprekend in het belang van die burgers zelf.

** Elchardus heeft in Reset geschreven over een mogelijk conflict tussen democratische meerderheden en mensenrechten. Er is geen probleem zolang een democratische meerderheid zich achter een bepaald mensenrecht schaart. Het recht op lichamelijke integriteit is echter een mensenrecht waar blijkbaar geen democratische meerderheid voor bestaat. 

** Veel mensen hanteren een nogal primaire redenering. ‘Als ik een vaccin laat inspuiten,’ zeggen ze tegen zichzelf, ‘waarom mag een ander dat dan weigeren? Is die misschien beter dan ik? Waarom moet die niet solidair zijn met mij?’ 

** Dat aan die primaire redenering wordt toegegeven, vind ik trouwens het kwalijkste aan het hele debat. Want als ik de voorstellen van de partijen overloop, zie ik geen échte verplichting aan de horizon. CD&V wil een boete voor vaccinweigeraars, Rousseau wil een uitsluiting van bepaalde activiteiten, en Open Vld wil een gevaccineerdenpasje, wat op hetzelfde neerkomt. Dat is nog iets anders dan verplicht in de armen te gaan spuiten.

** Dat men die maatregelen echter voorstelt als een ‘verplichting’, legt de drempel lager om in de toekomst andere echte verplichtingen op te leggen, zonder de effectiviteit van die verplichting te motiveren, maar door alleen de juiste buzz-woorden te gebruiken. 

** De argumentatie van Conner Rousseau in Het Nieuwsblad heeft een onwaarschijnlijk hoog passe-partoutgehalte. Ik geef het hier letterlijk weer. ‘De vaccinatie-verplichting is het belangrijkste wapen voor onze collectieve vrijheid en tegen het vergroten van ongelijkheid.’ Laat het woord ‘vaccinatie’ weg en je krijgt ‘de verplichting is het belangrijkste wapen voor onze collectieve vrijheid’, een slagzin die vaag doet denken aan ‘freedom is slavery and slavery is freedom’ van 1984

maandag 24 mei 2021

Conings en de moslimterreur


     Ik hoop zoals iedereen dat het goed afloopt met Jürgen Conings. Dat hij niet ergens opduikt en zijn wapen leegschiet op een menigte, dat hij niet omkomt bij een vuurgevecht met de politie, dat hij zich overgeeft en netjes gekleed voor de rechtbank verschijnt. Daar kan hij voor ‘diefstal van wapens’ en ‘verboden wapendracht’  en nog wat dubbelzinnige uitlatingen misschien 5 jaar gevangenisstraf krijgen*, en met een goede advocaat nog wat minder.
     Ook heb ik een zeker begrip voor zijn beweegredenen. Hij is naar het schijnt in het leger gesanctioneerd voor extreemrechtse uitspraken en misschien waren die sancties onrechtvaardig, ongepast, vernederend of disproportioneel. Hij is boos op politici en virologen die ‘beslissen hoe hij moet leven’. Een flinke minderheid van onze landgenoten deelt die boosheid. Je vindt die mensen vooral onder degenen die geloven – terecht of ten onrechte – dat de vrijheidsberovende maatregelen overbodig waren.
     Maar mijn begrip is ook niet meer dan dat. Bij mij is ‘tout comprendre’ nooit gelijk aan ‘tout pardonner’. Als Jürgen morgen zijn wapen neerschiet op een menigte, zal ik dat ook ‘begrijpen’. Zo ‘begrijp’ ik ook dat een moslim zich dodelijk beledigd voelt als hij hoort van spottende afbeeldingen van de profeet Mohammed. Als die moslim daarna een aanslag pleegt op de tekenaar ‘begrijp’ ik dat ook. En als de politie daarna bij een gewelddadige confrontatie die moslim, of die Conings, neerschiet, ‘begrijp’ ik dat alweer. Als het op ‘begrijpen’ aankomt, ben ik ruim.
    Wat ik dan weer niet ‘begrijp’, is de gewoonte om, als terrorisme of mogelijk terrorisme in het geding is, een en ander te minimaliseren. Professor Coolsaet wekte indertijd de lachlust op toen hij ons probeerde duidelijk te maken dat terreuraanslagen minder doden veroorzaakten dan ongelukken met overstekend wild. Dat betrof toen de moslimterreur. Over Jürgen Conings postte Tom Van Grieken vier dagen geleden het volgende:
 
‘Antwerpen – Drugsoorlog met bommen en granaten: gebrek aan politie om op te treden. 
Anderlecht – Gewelddadige migrantenprotesten: gebrek aan politie om op te treden. 
Limburg – Eén militair schrijft afscheidsbrief: honderden politiemannen en soldaten gemobiliseerd. 
Het kan dus toch?’

     Ik wil niet zeuren over het simplisme van de boodschap. Dat hoort bij dat soort propaganda. Je vindt het bij alle partijen**. Maar de affaire Conings samenvatten als ‘één militair die een afscheidsbrief schrijft’, dat is minimalisering en vergoelijking van wat de man tot nu toe dééd –diefstal van meerdere wapens – én van de  intenties die kunnen worden afgeleid uit zijn afscheidsbrief: ‘Ik ga in het verzet. Het maakt mij niet uit of ik sterf of niet.’ Mijn indruk bij die zinnetjes is niet dat Conings van plan is zichzelf van kant te maken, zonder verder iemand schade te berokkenen. Als dát zijn doel was geweest, dan had hij alleen dat ene pistool moeten stelen uit de kazerne. Van Grieken zou zo’n verhullende commentaar nooit schrijven als Conings een geradicaliseerde moslim was die met enkele wapens op stap ging en een vage maar verontrustende brief achterliet.
     Dan is er nog een gelijkenis – bij alle verschillen – tussen de moslimterreur en de affaire Conings. Na een islamistische aanslag zie je in de ruwere regionen van de sociale media reacties verschijnen als zou de héle moslimwereld mee verantwoordelijk zijn voor de aanslag. Nu zie je reacties die daar symmetrisch aan zijn – maar dit keer helaas niet alleen op de sociale media. Minister van Defensie Ludivine De Donder – de politiek verantwoordelijke van het debacle*** – lijkt alles wat zij als extreemrechts beschouwt mee verantwoordelijk stellen voor de acties van die ene militair. Ze wil het leger zuiveren van ‘extremisten, fascisten, racisten en seksisten’. Ik zou, als ik haar was, ook nog de ‘populisten’ en de ‘haatzaaiers’**** erbij nemen. Dan hebben we, in haar definitie, de helft van de Vlaamse bevolking, en naar we mogen aannemen, de helft van de Vlaamse militairen in het vizier. Dat wordt een hele zuivering.
      Zo’n geplande zuivering doet mij, met mijn verleden, aan kameraad Stalin denken. Eind de jaren ’30 heeft de Geniale Leider zijn leger, op de vooravond van de tweede wereldoorlog, gezuiverd van ‘trotskisten’. Die term gebruikte hij toen ongeveer even ruim als De Donder nu die van ‘rechtsextremisten’ gebruikt. Hopelijk houdt de vergelijking tussen de Vader van de Volkeren en de Moeder van onze Defensie daar op.

    
* Het Nieuwsblad sprak van vier mogelijke misdrijven: diefstal van wapens, verboden wapendracht, bedreiging met criminele feiten en dreiging met terroristisch misdrijf. Elk van die misdaden kan 5 jaar cel opleveren. Maar als de rechtbank ze samen neemt onder ‘eenheid van opzet’ is het 5 jaar voor de hele zwik.

** Zie bijvoorbeeld hier.

*** Zie daarover het stuk van Mark Elchardus in De Morgen (hier).

**** Haar karakterisering van N-VA in het kamerdebat.

woensdag 10 april 2019

Teder hand in hand onder de moslims

Als groot voorstander van vrede onder de mensen, vind ik het jammer dat Sam Van Rooy en Maarten Boudry altijd zo ruzie maken*, en dan nog over de islam, een kwestie waar ze het in grote lijnen over eens zijn. Ze geloven allebei dat de wereld beter af zou zijn zonder islam en ze geloven allebei dat een te grote moslimminderheid in ons land voor problemen zorgt. Maarten schreef ergens dat een verdubbeling van het aantal moslims – het zijn er nu rond de acht procent** – de al bestaande problemen tot hun ‘kwadraat’ zou verheffen. Dat is een forse uitdrukking. Als men tien problemen tot hun kwadraat verheft, zijn het er meteen honderd, en als het er honderd waren, worden het er tienduizend.
     Sam is de somberste van de twee. In zijn boek Voor vrijheid dus tegen islamisering heeft hij een groot aantal uitspraken bijeengebracht van mensen die zich, vertrekkende van hun ervaringen of van hun lectuur, negatief uitlaten over de islam. Hij heeft een nog groter aantal krantenknipsels verzameld over geweld en intimidatie, over onfrisse toespraken in moskeeën, en over tienjarige meisjes die verplicht worden een hoofddoek te dragen. Hij vreest dat het niet meer goed komt, omdat moslims meer kinderen krijgen dan niet-moslims, waardoor hun aandeel in de bevolking maar blijft toenemen.
     Maarten is vrolijker van aard, zoals blijkt uit de titel van zijn boek Waarom de wereld niet naar de knoppen gaat. Hij buigt zich graag over statistieken en ziet daar goed nieuws, ook als het om moslims gaat. Die keren zich volgens de cijfers zoetjesaan aan af van hun traditionele geloof. Ze seculariseren, zoals dat heet. In Saoedi-Arabië – of all places – noemt ondertussen 24 procent van de bevolking zich in anonieme enquêtes ‘niet-religieus’ of zelfs ‘atheïstisch’. Jonge moslims in Nederland lezen minder in de Koran dan hun ouders. De meisjes dragen minder hoofddoeken dan hun moeders. De tweede generatie migranten staat minder vijandig tegenover homo’s en joden dan de eerste generatie***. Wel gaat het allemaal erg traag, want onder de jongeren is er helaas ook een minderheid die juist fanatieker is dan de ouders. En bovendien, aldus Maarten: ‘Als de toestroom te groot wordt, kan dat de secularisering tenietdoen.’

     Maarten stelt net als Sam vast dat de moslims wereldwijd meer kinderen krijgen dan anderen – 2,9 kinderen per vrouw. Het aandeel van de moslims zal in de komende decennia dus nog toenemen. Maar op lange termijn gaan de  geboortecijfers van moslims en niet-moslims dezelfde richting uit. Tussen 1975 en 2010 is het geboortecijfer in moslimlanden met 41 procent gedaald, wat sneller is dan de wereldwijde daling van 33 procent. En in Europese landen is het aantal kinderen van moslimvrouwen al gedaald tot 2,1 kinderen per vrouw. Dat is natuurlijk nog altijd meer dan het autochtone gemiddelde van 1,6, maar – zoals Maarten niet moe wordt te herhalen – het is vooral de richting die telt. Dat is ook zo voor de huwelijksmigratie. Die neemt namelijk af omdat de migranten hun partner steeds minder gaan zoeken in het land van herkomst****.
     Naast statistieken heeft Maarten nog andere redenen om zijn goede humeur te bewaren. De fundamentalistische moslims in ons land zijn verdeeld in verschillende strekkingen, wat hun politieke mogelijkheden beperkt. Het fundamentalisme is een laatste barbaarse reactie van een voorbijgestreefde levensopvatting die vroeg of laat voor de bijl gaat. En er zijn goede redenen om aan te nemen dat de islam zich, na de nodige strubbelingen, tóch zal moeten hervormen. Dat zou eigenlijk niets meer betekenen dan dat de godsdienst zich aanpast aan de gematigde manier waarop hij nu al door veel van de gelovigen wordt beleefd. Het christendom heeft zo’n aanpassing tenslotte ook moeten ondergaan.
     Men kan aanvoeren dat sommige van Maartens redenen nogal speculatief zijn. Misschien overwint de barbarij wel –  dat is al gebeurd. Misschien blijkt de islam wel resistent tegen elke hervorming – dat weet je op voorhand nooit met zekerheid. Toch geloof ik dat Maarten op de lange termijn gelijk zal krijgen. Maar dan stelt zich een nieuwe vraag: hoe lang zal die lange termijn duren? Is het iets wat Jan nog zal meemaken? Ik herinner mij een gesprek ten huize van islamkenner Lucas Catherine in 1985 of daaromtrent. Lucas betoogde vol vuur dat het fundamentalisme à la Khomeiny eigenlijk al over zijn hoogtepunt heen was. Mijn vrouw, mijn broer en ik werden maar al te graag overtuigd. Maar na enkele jaren begon die overtuiging toch wat te verslappen.

     Door zijn optimisme voortgestuwd, gebruikt Maarten soms ongelukkige bewoordingen. Zo spreekt hij van ‘een ‘kleine minderheid van islamfundamentalisten in Europa’– een uitdrukking die nauwelijks overeenstemt met wat hij enkele bladzijden daarvoor schreef. Je kunt wel wat aanmerken op het onderzoek van Ruud Koopmans die onder de Europese moslims 40 procent fundamentalisten telde, maar je komt redelijkerwijs nooit uit op een een ‘kleine minderheid’ *****. Ergens schrijft Maarten dat ‘onze maatschappij zeker voldoende draagkracht [heeft] om een gestage toestroom van minderheden te absorberen, ook als daar enkelen tussen zitten die ons samenlevingsmodel verwerpen’. Die zin komt uit een pleidooi vóór migratiebeperking, dat ik des te meer toejuich omdat er onder degenen die toestromen meer dan ‘enkelen’ zijn die ons samenlevingsmodel verwerpen. Het is om die reden zou ik graag hebben dat die toestroom minder ‘gestaag’ was.
     Volgens Maarten gaat het met de moslims in ons land de goede richting uit. Als hij de huidige stand van zaken overschouwt, ziet hij veel wat laakbaar is: parallelle samenleving, homohaat, onderdrukking van vrouwen, vijandigheid tegenover de liberale democratie. De problemen zijn groot en de toestand is niet rooskleurig. Zijn goede humeur keert pas terug als hij over zich over de evolutie – de richting dus – bezint. Maar ook over die richting valt wat te zeggen. Als die richting inhoudt dat de immigratie van moslims gevoelig vermindert, dan moeten we inderdaad niet vrezen dat hun aantal zal vertiendubbelen – zoals dat in de voorbije 40 jaar is gebeurd (hier) – maar daarmee is een gewone verdubbeling nog niet uitgesloten. En als het aandeel van fundamentalisten onder de moslims daalt, moet nog altijd bekeken worden of die daling wel groter is dan de stijging van het totale aantal, anders zit de richting – voorlopig althans – nog altijd niet goed.
     Maar nu iets helemaal anders – iets leuks – over de ruzie tussen Maarten en Sam. Maartens nadruk op de ‘richting’ die de moslimkwestie uitgaat, heeft Sam onlangs tot een onvoorzichtige tweet verleid. ‘Welke ‘richting’ het uitgaat, @mboudry? schrijft hij. ‘Laten we samen eens hand in hand of met een keppeltje op door bepaalde wijken in Antwerpen wandelen.’ Maarten reageerde onmiddellijk zoals Barney Stinson in de komische televisiereeks How I Met Your Mother zou doen en juichte: challenge accepted! ‘Welke cameraploeg’, tweette hij,  ‘wil Sam Van Rooy en mij volgen terwijl we innig hand in hand in verschillende Antwerpse wijken rondlopen?’ En toen hij geen antwoord kreeg stuurde hij een nieuwe tweet: ‘Zou Sam bang zijn dat hij het experiment niet overleeft, of eerder dat zijn doemvoorspelling sneuvelt? #chicken.’
     Dat was een heel slimme zet van Maarten. Want stel dat Sam op de uitdaging ingaat en de twee heren lopen teder hand in hand door een paar moslimwijken, dan kunnen er twee dingen gebeuren: of ze worden in elkaar geslagen, of ze worden niet in elkaar geslagen. Worden ze niet in elkaar geslagen, dan is bewezen dat Sam ongelijk had en dat homo’s minder bedreigd worden dan hij had gedacht. Worden ze wel in elkaar geslagen, dan is bewezen dat sommige moslims wel degelijk homohaters zijn, iets wat Maarten volkomen beaamt. Om Karel van het Reve te parafraseren: bij kruis wint Maarten, bij munt verliest Sam.

      

 * Maarten heeft ook ruzie met Sam zijn vader Wim Van Rooy. Het gaat dan over wat beter is: anekdotes of statistiek. Zelf hou ik van allebei. Ook kibbelen Maarten en Wim over de middeleeuwen en over iets wat ‘libido sciendi’ heet, twee zaken waar ik weinig van afweet.
** 7,6 procent volgens onderzoeker Jan Hertogen. Natuurlijk is dat aandeel veel groter in bepaalde steden zoals Antwerpen, Brussel, Molenbeek …

*** Maarten verwijst onder andere naar een studie van Elchardus onder moslimscholieren in Gent en Antwerpen. 25 procent van hen vond geweld tegen homo’s gerechtvaardigd. Ik zou gedacht hebben dat dat meer was. Ook 8 procent van de autochtone scholieren had begrip voor zo’n geweld. Ik zou gedacht hebben dat dat minder was. Dat goedkeuren van geweld is trouwens maar één kant van de zaak. Uit een recente enquête blijkt dat de helft van de Britse moslims homoseksualiteit bij wet wil verbieden. Nou ja, tot 1967 wás homoseksualiteit in Groot-Brittannië natuurlijk bij wet verboden.
**** Maarten geeft hier geen exacte cijfers, maar verwijst in een noot naar het boek van Lucassen en Lucassen, Vijf eeuwen migratie. Maarten heeft zijn eigen boek zeker niet volgestouwd met cijfers en statistiek, maar de cijfers díe hij geeft zijn meestal verhelderend.

***** Het cijfer van 40 procent fundamentalisten kan, zoals Maarten zelf aangeeft, zowel een overschatting als een onderschatting van het probleem zijn. In het onderzoek van Koopmans geldt als fundamentalist iemand die tegelijk aan drie criteria beantwoordt: hij gelooft dat er slechts één correcte interpretatie is van zijn heilig boek, dat de religieuze wet boven de burgerlijke wet moet komen en dat gelovigen moeten terugkeren naar de zuivere bron. Volgens die definitie zijn 40 procent van de moslims fundamentalist en slechts 5 procent van de christenen.  Het onderzoek van Bretfeld en Wetzels (2007) komt tot gelijklopende resultaten: 47 procent van de ondervraagde Duitse moslims vond dat de regels van de Koran belangrijker waren dan de democratie. 47 procent vind ik geen kleine minderheid.

dinsdag 29 januari 2019

Het klimaat - bedenkingen van een zuurpruim

* Oudere heren die schimpen op de jonge klimaatbetogers doen mij denken aan Statler en Waldorf van de Muppetshow. Ik vind ze vermakelijk en kan mijn sympathie voor die zuurpruimen moeilijk onderdrukken. Maar aan volwassen beleidsmakers die hun ‘respect’ en ‘bewondering’ uitspreken voor de jonge mensen erger ik mij. Hoezo respect? Ik respecteer iedereen? Hoezo bewondering? Ik heb ook veel bewondering voor jonge mensen, bijvoorbeeld voor leerlingen van mij die iets bijzonders kunnen zoals zingen, dansen, een muziekinstrument bespelen, voetballen … Maar betogen!
* Ik ben van nature redelijk sceptisch ingesteld, maar als je een een pistool tegen mijn hoofd duwt en mij verplicht een grote som geld in te zetten op een toekomstscenario, dan zou ik toch maar gokken op de gemiddelde voorspelling van de gemiddelde klimaatexpert, ook al betrouw ik die mensen niet helemaal.
* Het klimaatdebat zou voor leerlingen van het middelbaar een goede oefening zijn om eufemismen en dysfemismen te leren ontdekken: klimaatnegationisme, klimaatalarmisme, klimaatscepticisme, ecorealisme … Zelf gebruik ik voor de groene jongens graag de lichtjes denigrerende term ‘milieumensen’, als eerbetoon aan Multatuli’s ‘toneelmensen’ en Elsschots ‘assurantiemensen’. 
* ‘Wijzen op urgentie’ klinkt positiever dan ‘alarm slaan’ maar het gaat in wezen om hetzelfde. De woordkeuze bewijst niet dat die urgentie een feit is, noch dat dat alarm overbodig is.
* God heeft bij zijn schepping van de aarde, geloof ik, geen ideale temperatuur vastgelegd. Twee graden meer of twee graden minder heeft zowel voor- als nadelen. En liever twee graden meer dan twee graden minder, als het van mij afhangt. Die afkoeling van de aarde waar geleerden in de jaren 70 mee dreigden is er gelukkig niet gekomen.
* Iets anders is de adaptatiekost. Onze geografische spreiding, onze huizenbouw, onze landbouw … zijn ondertussen berekend op een bepaalde temperatuur. Elke verandering zal aanpassingen vragen en elke aanpassing zal inspanningen vragen. Die inspanningen kunnen wij uitdrukken als een percentage van het wereldinkomen. Volgens het IPCC zou dat binnen vijftig jaar kunnen gaan om 0,2 % tot 2 % van dat wereldinkomen. Misschien is het nog meer (hier).
* De klimaatbetogers vinden dat de regering eindelijk iets moet dóen aan het klimaat. Maar ze vergeten geloof ik dat de regering nu al heel veel dóet. De jonge betogers zullen dat merken als ze later een huis bouwen. Wie een huis bouwt, betaalt gemakkelijk 25 % meer om aan allerlei milieunormen te voldoen. Moet dat 50 % worden? Mij raakt het niet. Wij hebben al een huis en hebben het recent nog laten isoleren.
* Die isolatiewerken hadden we overigens nooit laten uitvoeren als ze niet tegelijk een aanzienlijke verfraaiing betekenden: mooi grijs-blauw raamwerk in plaats van een saaie aluminiumkleur en de illusie van dikke, stevige muren.
* Op het vtm-nieuws van vorige week leerde ik dat ik mijn ‘ecologische voetafdruk’ met 25 % kan verminderen door niet meer met het vliegtuig te reizen. Een kwart, dat is veel, en je hoort van verschillende zijden dat er hoge vliegtaksen moeten komen. Anderzijds is de luchtvaart van de hele wereld goed voor maar 2 % van de CO2-uitstoot. Hoe zit het nu, vraag ik mij af. Zal ik ooit New York nog terugzien? Op de trappen van Times Square zitten? Spaghetti eten bij Tony’s? Een show zien op Broadway? Rondwalen in Greenwich Village? Als ik aan die 25 % denk, raak ik in paniek. Als ik aan die 2 % denk, wordt mijn hartslag weer normaal.
* Mark Elchardus somt in De Morgen van 26 januari op wat een echte beperking van de CO2-productie kan betekenen: ‘minder vrije markt, een meer sturende overheid, strakkere regulering, zwaardere belastingen voor iedereen en minder consumptie’. Ik geloof dat er mensen bestaan die zo’n toekomst aantrekkelijk vinden. Jan Van Duppen noemt ze de ‘flagellanten’, naar de middeleeuwse zelfgeselaars.
* Een streng groen-links milieubeleid zou de middenklasse en de laagste klasse elk op een verschillende manier treffen. De middenklasse zou vooral meer belastingen en taksen moeten betalen. De laagste klasse zou vooral een areaal van goedkope importproducten zien verdwijnen. De PVDA zou geloof ik een oplossing vinden waarbij het hele feest door de superrijken wordt betaald.

* Antikernenergiemensen haalden vroeger vaak het veiligheidsrisico aan als argument. Dat argument zal altijd een zeker succes hebben. Ook al is de kans op een nucleaire meltdown à la Tsjernobyl bij een moderne centrale teruggebracht tot 1 op 10 miljoen jaar, er zullen altijd genoeg mensen zijn die die éne kans veel te veel vinden.
* De laatste tijd hoor je de kernenergietegenstanders vooral spreken over de hoge kostprijs van kerncentrales. Als ik in hun plaats was, zou ik dat niet doen. Het is immers niet moeilijk zijn om dan andere studies te vinden met andere beginvoorwaarden (aantal centrales, hoeveelheid geproduceerde energie, levensduur, risicoberekening …) die totaal andere cijfers opleveren. Dat wordt een moeilijke discussie. Als ik tegenstander was, zou ik blijven hameren op de mogelijke ongelukken.

zondag 27 januari 2019

Ik ben een klimaatoptimist

     Vanmorgen aan de ontbijttafel kwam het gesprek op de klimaatbetoging van vandaag. Jan dacht dat er wel honderdduizend deelnemers zouden zijn. Om te beginnen zouden al die spijbelende scholieren er zeker bij zijn, zei hij, al was het maar om te bewijzen dat het hen niet om een wekelijks dagje vrij te doen was. Wel twijfelde hij eraan of Brussel groot genoeg was om honderdduizend betogers te omvatten. Mijn vrouw wees erop dat de rakettenbetoging van 1983 wel vierhonderdduizend mensen naar Brussel kreeg. Dat is waar. Ik heb ze met eigen ogen gezien.
     Mij maakt het eigenlijk niet veel uit hoeveel betogers er voor het klimaat op straat komen. Als het er maar honderd zijn, en ze hebben gelijk, dan doet hun kleine aantal niets van dat gelijk af. En als het er een miljoen zijn, en ze hebben ongelijk, dan wordt dat ongelijk niet verholpen door hun grote aantal. De grote geestdrift in de late middelleeuwen voor heksenverbranding zegt niets over de waarschijnlijkheid dat excentrieke vrouwen omgang hebben met de duivel. Hoogstens kunnen wij uit zo’n massale geestdrift besluiten dat er onder de bevolking misschien wel een brede consensus bestond of bestaat over die heksen, die raketten en dat klimaat. Maar als maatstaf voor de waarheid is zo’n consensus waardeloos.
     Anders is het gesteld met een wetenschappelijke consensus. Rond het klimaat is een wetenschap ontstaan die een beroep doet op bevindingen uit de biologie, chemie en fysica en verder op metingen allerhande. Op die gegevens worden statistische analyses losgelaten die een verklaring opleveren van wat er recent met het klimaat gebeurd is, en wat er in de toekomst zal gebeuren. Een aantal van die gegevens zijn
  • CO2 heeft de eigenschap om stralingswarmte te absorberen; die eigenschap werd in 1869 al vastgesteld door de Engelse natuurkundige John Tyndall
  • de aanwezigheid van CO2 in de atmosfeer is gestegen: van 0,03 % in 1959 tot 0,04 % in 2016
  • jaarlijks zorgt industriële activiteit voor een CO2-uitstoot van 0,0004 % van de atmosfeer en de menselijke ademhaling voor één van 0,00003 %*
  • de temperatuur op aarde is nu 0,9 % hoger dan in 1880
    Zelfs een leek ziet met die cijfers dat er minstens een mogelijk verband is tussen de menselijke activiteit, de stijging van CO2-concentratie en de stijging van de temperatuur. Er is zelfs een verklaring voor dat verband. CO2 functioneert als het glas van een serre of broeikas, die de warme zonnestralen binnenlaat, maar daarna in die kleine ruimte vasthoudt. Die broeikastheorie, toegepast op de hele aarde, laat toe om voorspellingen te doen, en die dan te testen. Zo moet volgens het model de stijgende temperatuur in de lagere atmosfeer samengaan met een dalende temperatuur in hogere stratosfeer. Men heeft dat gecontroleerd en het klopt, beweren de geleerden.
     Dát soort voorspellingen zijn eigenlijk hypothesen. Men kan die onmiddellijk testen door experimenten of metingen. Andere voorspellingen gaan écht over de toekomst. Hoeveel zal de temperatuur verder stijgen? Wat zullen de gevolgen zijn voor de zeespiegel, de vegetatie, de windkracht? Die voorspellingen kan men niet onmiddellijk testen. Wij moeten de gebeurtenissen afwachten om zekerheid te hebben, en als die dan catastrofaal blijken te zijn, is het misschien te laat. Die laatste gedachte is het, geloof ik, die vandaag Anuna De Wever, Tine Hens en Tom Naegels op straat brengt. 
     Zelf ben ik optimistischer. Om te beginnen zijn die klimaatgeleerden het ook niet allemaal met elkaar eens. Er is een ruime mate van consensus, maar de voorspellingen van temperatuurstijging van nu tot 2100 variëren van 0 °C tot 1,4 °C mét sterke CO2-reductie en van 0,8° tot 4,5 graden zonder CO2-reductie.** Bijna iedereen is het ermee eens dat menselijke activiteit een invloed heeft op de temperatuurstijging, maar daarmee is nog niet gezegd hoe gróót die invloed is. En ook die invloed zelf wordt volgens metastudies nog altijd aangevochten door 3 à 10 % van de klimatologen.***
          Het relatieve karakter van de consensus is begrijpelijk. Klimaatwetenschap is niet vergelijkbaar met fysica, waarbij het verband wordt onderzocht tussen een klein aantal grootheden zoals snelheid, massa en energie. Het is een toegepaste wetenschap waar heel veel – soms moeilijk meetbare – gegevens een rol spelen: andere broeikasgassen zoals damp, zonneactiviteit, aerosolen, vulkaanuitbarstingen, vegetatie, CO2-uitwisseling tussen atmosfeer en oceaan**** en nog veel, veel meer.
     Al die gegevens worden ingebracht in computermodellen. Dat is een prima methode want er is geen alternatief. Maar die computermodellen hebben dezelfde nadelen als elke statistische analyse. Je weet nooit helemaal zeker of je voldoende dan wel te veel gegevens hebt ingebracht en of je wel de juiste gegevens gekozen hebt. Wetenschappen die sterk van statistiek afhankelijk zijn, lijken mij daarom kwetsbaar voor eenzijdigheid, subjectiviteit, vooroordelen en conformisme – eventueel ook voor tegendraadsheid. Bovendien opereert de klimaatwetenschap in een gebied waar publieke opinie, beleidsmakers en internationale bureaucratie zich laten gelden. Bij mij komt dan als vanzelf de vergelijking op met wetenschappen als epidemiologie, criminologie of – maar nu overdrijf ik misschien – pedagogie.
         Aan de andere kant is de klimaatwetenschap het beste wat we hebben. Die mensen kunnen  best gelijk hebben***** en dan ziet het er maar slecht uit. Elchardus somt in De Morgen op wat een echte beperking van de CO2-productie betekent: ‘minder vrije markt, een meer sturende overheid, strakkere regulering, zwaardere belastingen voor iedereen minder consumptie’.****** Of concreter: als we niet in de marge willen rommelen met een isolatiepremie hier en een fietspremie daar, zit er niets anders op dan iedereen in een levensstijl te dwingen die ver onder de huidige armoededrempel ligt: klein appartementje, geen bad, geen douche, geen vlees, geen reizen, geen auto, geen nieuwe kleren – want helemaal plaatselijk gefabriceerd en dus duur – en weinig verwarming. China en Indië moeten stoppen met groeien en Afrika moet blijven zoals het is, maar met minder mensen. Elchardus betwijfelt overigens of het zover zal komen. ‘Als dat tot iedereen doordringt, is de kans groot dat mensen zich de vraag gaan stellen wat nu het pijnlijkste is: de gevolgen van de opwarming of de gevolgen van de het beleid nodig om de opwarming te beperken? Misschien opteren sommigen voor het leren leven met opwarming.’ ‘Misschien’, schrijft hij, en ‘sommigen’, maar dat is wel heel voorzichtig.
     Gelukkig sta ik voor mijn optimisme op vastere grond. Dat zit zo. Ik ben al geruime tijd voorstander van meer kernenergie. Ik heb mij laten overtuigen dat dat de goedkoopste en efficiëntste energievorm is. Tot voor enkele maanden was ik pessimistisch omdat én de publieke opinie én de klimaatmensen er tegen waren. Maar nu wordt kernenergie langzamerhand ontdekt door de klimaatmensen zelf omdat ze er een werkbaar alternatief in zien voor de CO2-uitstotende brandstofenergie. Wat zie ik vandaag bijvoorbeeld op de voorpagina van De Zondag? Professor De Grauwe die in grote letters verklaart: ‘Ik ben voor kernenergie vanuit milieuoverwegingen.’ Dat is realistisch bekeken van de professor.
     Op dit ogenblik wordt 87 % van de energie in de wereld geleverd door fossiele brandstof, 7 % door waterkracht en slechts 4 % door kernreactoren.  Op dat laatste terrein is echter veel meer mogelijk en dat wordt nu al bewezen door landen als België, Frankrijk, Oekraïne en Hongarije die meer dan 50 % van hun elektriciteit uit kernenergie halen. Er is eigenlijk geen reden waarom dat, ook op wereldvlak, geen 100 % kan worden. Dan zijn we er nog niet, want dan moeten transportmiddelen, verwarming, hoogovens en dergelijke ook nog op die door kernenergie opgewekte elektriciteit overschakelen, maar ‘t is al een hele stap naar een échte daling van onze CO2-productie. Helemáál weg krijgen we CO2 nooit, want we blijven ademen natuurlijk. Bij leven en welzijn.

* Die cijfers als percentage van de atmosfeer heb ik zelf uitgerekend rekening houdend met een totale hoeveelheid van CO2 van 708 gigaton en een industriële productie die goed is voor 7,56 gigaton en een collectieve ademhaling van 0,6 gigaton. Hopelijk heb ik geen rekenfouten gemaakt.

 ** Dit zijn cijfers die uitgaan van een sterke vermindering van broeikasgasuitstoot. Nl.Wikipedia spreekt van een temperatuurstijgingen tussen 0,9°- 2,3° enerzijds en van 1,7°- 5,4° anderzijds. Daarbij wordt vergeleken met de periode tussen 1850 en 1900. Ik heb van die cijfers de 0,9 °C afgetrokken die sinds 1880 heeft plaatsgevonden.

 *** Cook (2013) geeft 3 % dissidenten. Verheggen (2014) geeft 9 % dissidenten (zie hier). Slechts een minderheid van de klimatologische artikels behandelen overigens de rol van de mens in de klimaatwijziging.

 **** De jaarlijkse CO2-uitwisseling tussen oceanen en atmosfeer is 10 keer zo groot als de uitstoot veroorzaakt door de mens. De uitwisseling tussen atmosfeer en vegetatie is 12 keer zo groot. (Zie hier)

***** Mijn zuivere klimaatscepticisme dat mij ooit kwam aangewaaid, kreeg flinke tegenwind toen ik een keer een namiddag heb doorgebracht op de polemische maar goed gemaakte site van skepticalscience. (Zie hier en hier)

****** Zouden er mensen bestaan die zo’n toekomst in abstracto aantrekkelijk vinden? Ik geloof bijna van wel.



zaterdag 8 december 2018

De foute N-VA-campagne

Iemand op N-VA moet gedacht hebben: die telefoneren met hun achtergebleven gezin
 Om hun kritiek op het Marrakesh-akkoord te ondersteunen, heeft N-VA gedurende enkele uren met zes advertenties de sociale media bestookt. Het goede aan die campagne was dat ze zo kort was. Dat was ook het enige. Voor de rest ben ik het eens met Charles Michel, Filip Dewinter en Bart De Wever. De eerste zei dat de campagne ‘onwaardig’ en ‘onaanvaardbaar’ was. Dat was ze. De tweede zei dat de campagne thuishoorde bij het Vlaams Belang strekking 70-puntenprogramma. Spijker op de kop. En de laatste zei: ‘Dit was fout.’ Inderdaad.
     Die fout laat zich echter niet gemakkelijk onder woorden brengen. Neem nu de tekst van de advertenties. Die begint zes keer met “VN-migratiepact’ en gaat verder met
1.       = focus op behoud van eigen cultuur van de migrant
2.       = verbod op terugsturen van illegale gezinnen
3.       = opsluiten van illegalen moeilijker maken
4.       = toegang tot sociale rechten, ook voor illegalen.
5.       = versoepeling procedures gezinshereniging
6.       = illegaal verblijf niet langer strafbaar.

    Dat zijn inderdaad allemaal dingen die zo ongeveer in dat pact staan. 2°, 4° en 6° zijn te stellig geformuleerd, 1°, 3° en 5° zijn te knullig geformuleerd*, en bij alle punten kun je het voorbehoud maken dat het pact ‘niet-wettelijk bindend’ is. Maar de zes slagzinnen geven aardig de algemene richting van het pact aan, evenals de redenen waarom N-VA er zoveel bezwaren tegen heeft.
     In De Morgen verscheen een ‘Fact check’-artikel waarin professor Coolsaet van Gent beweert dat vijf van de zes stellingen ‘onwaar’ zijn. Dat was een bedenkelijk stuk. Er bestaat inderdaad discussie over de interpretatie van al die punten tussen migratie-voorstanders en migratie-tegenstanders. We konden in de kranten discussies volgen tussen analisten en experts die het niet met elkaar eens waren. Tussen Mark Elchardus en Bogdan Vanden Berghe. Tussen Paul Scheffer en Leo Lucassen. Maar één expert ondervragen – Coolsaet dan nog! – en die zijn interpretatie als ‘feit’ voorstellen, is een ontwaarding van het nobele woord factchecking. Op de Amerikaanse site PolitiFact hebben ze zes beoordelingen voor politieke uitspraken: True, Mostly True, Half True, Mostly False, Full Flop en Pants on Fire. Met die labels zou ik de N-VA-simplificaties ‘Mostly true’ noemen en de Coolsaet-simplificaties ‘Mostly False’.* Iemand die het Marrakesh-pact kan lezen – zoals professor Coolsaet – en niet ziet dat het immigratie makkelijker maakt, zo iemand noem ik blind aan zijn twee bevooroordeelde ogen. Maar ik zal mijn oordeel hierover niet als factchecking verkopen.
     Het gaat echter allemaal niet zozeer om de teksten, maar om de beelden bij die teksten. Iedereen is het erover eens dat daar van alles fout mee was, maar wát er precies fout was, heb ik nergens gehoord of gelezen. Ja, Dirk Vandermaelen (SP.a) … Die vond dat de N-VA-beelden geleken op de campagnes van de nazi’s tegen de Joden … En grote woorden over ‘angst zaaien’ en ‘haat aanwakkeren’ … Maar eventjes ernstig, wát was er fout met die beelden? De beelden bestonden uit:
1.       vier vrouwen met niqaabs op straat
2.       een vliegtuig op een militair aandoend vliegveld
3.       een nachtelijke samenscholing van jonge (wellicht illegale) vreemdelingen
4.       een rij wachtende jongeren waarin een jonge vreemdeling duidelijk in beeld is
5.       drie jonge vreemdelingen die op een bankje met hun gsm bezig zijn
6.       een rubberboot met jonge vreemdelingen op de Middellandse Zee.

Die beelden geven allemaal een stukje Europese werkelijkheid weer. Niqaabs zie je niet zo vaak meer sinds men in veel landen wetten goedkeurde die ze verbieden, maar het is niet denkbeeldig dat die wetten in de toekomst worden aangevochten op grond van het VN-migratiepact. En die militaire vliegtuigen, samenscholingen, wachtrijen, zitbankjes, gsm’s en rubberboten bestaan ook allemaal echt.
     Beelden van immigranten, samen met een tekst tegen de immigratie, zorgt echter onvermijdelijk voor een giftig mengsel. De boodschap van de tekst geeft een kleur af op het beeld dat erbij hoort, en op wie en wat er op dat beeld staat afgebeeld. Protest tegen immigratie wordt zo vanzelf een boodschap van ‘wrok tegenover immigranten’, zoals De Wever het verwoordde. En N-VA mag daar niet aan meedoen, vond hij.
     Eén probleem met beelden is dat ze veralgemenen. Vier vrouwen met niqaabs geven de indruk dat álle moslimvrouwen ongeduldig staan te wachten om zo’n ding aan te trekken. Eén allochtone jongere die op een of andere uitkering wacht, geeft de indruk dat álle jonge allochtonen van uitkeringen leven. Maar een groter probleem met beelden is dat ze emotioneel suggestief zijn. Een vliegtuig op een grimmig plein omringd door prikkeldraad doet aan oorlog denken. Een groepje vreemdelingen dat ’s nachts samendromt, geeft de indruk dat er op criminele daden wordt gebroed. En zo’n rubberboot op de Middellandse Zee zorgt voor emotionele polarisatie. Een goede ziel denkt ‘Och arme’ en een harde tante denkt: ‘Zelf gezocht’.
     Er is één foto waar de beeld-tekstcombinatie helemaal absurd is, die van de drie jongens op een bankje met hun gsm. De tekst keert zich tegen de versoepeling van gezinshereniging, maar op de foto zie je … ja, dus, drie jongens op een bankje met hun gsm. Ze doen wat alle jongens doen als ze op een bankje zitten, niet dagdromen, niet mediteren, geen boek lezen, maar naar hun gsm-scherm staren, naar hun gsm-muziek luisteren, op hun gsm-klavier tokkelen. Wie het beeld ziet, in het kader van een campagne tégen iets, denkt: Wat doen die jongens nu fout? Is het misschien omdat het Marokkanen zijn? Als dat geen racisme is!
     Bij politieke tegenstanders in de politieke wereld en in de pers lees je dat de campagne het ‘ware gelaat’ van N-VA getoond heeft. De Maskers Zijn Afgevallen. Ik vraag me af hoe ik mij dat moet voorstellen. Een vergadering waar Bart De Wever zijn vertrouwelingen aldus toespreekt: ‘Vrienden! Vlamingen! Gij allen weet dat wij hier de enige échte racisten zijn. We hebben dat altijd verborgen moeten houden, maar het is nu of nooit. Met het Marrakesh-pact gooien we de kaarten op tafel. Wij zullen die flauweriken van Vlaams Belang een keer laten zien hoe men een échte extreemrechtse campagne voert.’ En als er dan tegen alle verwachting in reactie komt van de andere partijen en, stel je voor, van de pers, dan is er een nieuwe vergadering, waarop De Wever alweer het woord neemt: ‘Vrienden! Vlamingen! Wij hebben ons misrekend. We hadden nooit verwacht dat we van alle kanten zouden worden aangevallen. De pers is ons niet gevolgd. Iedereen zet zijn masker weer op. Klaar?’
    Ik denk niet dat het zo gegaan is. En misschien was het ook niet één vergadering, en één leider, maar een reeks vergaderingen, gesprekken in de wandelgang, e-mails en telefoontjes, waarin zinnen vielen waren als deze:

-    Mannekens, we zijn nu al een week aan het inpraten op onze regeringspartners en ze luisteren niet. Zouden we niet eens uitleggen aan de bevolking waarover het gaat?
-      Zeg vriend, vat dat pact een keer samen in zes korte zinnen.
-    Wie heeft er een plaatje over de gezinshereniging? Nee, we kunnen geen cartoons gebruiken. Misschien iets met vreemdelingen die aan het telefoneren zijn met hun achtergebleven gezin.
-    Ge vindt geen foto’s met boerka’s? Zoek eens op Duitse sites. Daar is dat langer toegelaten geweest. Google eens op ‘die Burka, b-u-r-k-a’ of misschien ‘der Nikab, n-i-k-a-b.’
-    Aha, dat zijn ze … mja … mja … ’t is niet ideaal, maar zet ze er maar op. Beter iets dan niets.***
En ten slotte:
-    Wááát? Zijt ge daar allemaal zot geworden? Ziet ge dan niet dat dat een Vlaams Blok-campagne is?

     Dat laatste is in elk geval wat een klein kind van op afstand kon ruiken en zien. Maar de communicatiemedewerkers en -verantwoordelijken wáren geen kleine kinderen, en, veel erger, ze roken of keken niet vanop afstand, ze zaten er met hun neus op. Ze waren gehaast. Ze waren zo gefocust op de boodschap die ze wílden overbrengen, dat ze vergaten wélke boodschap er nu ook echt overkwám.**** Mijn zoon Jan begrijpt niet hoe specialisten die dag en nacht met iets bezig zijn, fouten maken waar de eerste de beste leek voor zou passen. Hij begrijpt niet dat dat komt juist omdát die specialisten dag en nacht ergens mee bezig zijn en dat ze juist daardoor gevangen raken in hun eigen kronkels en redeneringen.
     Wat zullen de gevolgen zijn van de afgevoerde campagne? Voorstanders van soepeler immigratie zullen de blunder aangrijpen om immigratie-critici te jennen. Hoe zou ik zelf zijn? Genuanceerde N-VA-kiezers zullen met argwaan kijken naar de verdere communicatie van de partij. Ze hebben gelijk. Radicalen zullen boos zijn omdat de campagne weer werd ingetrokken. Radicalen zijn snel boos. En binnen de partij zal er wat geduw en getrek zijn. Dat hoort erbij. Voor verkiezingscijfers zal dat allemaal niet veel verschil maken.
     Het belangrijkste in de hele affaire is of N-VA er iets uit zal leren. Er zijn een paar eenvoudige regels. Slaap er een nachtje over voor je een campagne lanceert. Probeer geen analyse te brengen in slagzinnen. Gebruik geen prentjes van migranten, behalve als rolmodel – jonge moslima’s zónder hoofddoek bijvoorbeeld. Dat is allemaal eenvoudig. Een moeilijker regel is deze: hoe meer je aandringt op het stopzetten van ongewenste immigratie, hoe meer je nadruk moet leggen op de integratie van hen die al geïmmigreerd zijn. Dát is allesbehalve eenvoudig. Het is een dubbele boodschap en een dubbele boodschap is moeilijk om overtuigend over te brengen. Brutus probeerde het na de moord op Caesar. ‘Caesar was slecht want hij wou koning worden, maar hij was ook goed want hij heeft veel voor Rome gedaan.’ Brutus heeft het met die boodschap moeten afleggen tegen de populist Antonius. Die had een veel eenvoudiger boodschap: ‘Brutus is een rijke stinkerd en we gaan hier alles kapotslaan.’
     Zó ‘laagdrempelig’ mag de boodschap van een fatsoenlijke partij nooit worden. Dan maar een dubbele. Maar hóe je dat moet doen, dat moet je aan specialisten vragen. En je moet hen daar enkele nachtjes over laten slapen.*****


* Slagzinnen zijn geschikt om eisen te stellen, maar zijn een onhandige manier om feiten of analyses weer te geven. Lenin heeft zijn revolutie niet gewonnen met slagzinnen als ‘Regering schiet te kort in de broodvoorziening’ of ‘Nieuw besluit schuift landbouwhervorming op lange baan’ of ‘Buitenlandse beleid laat kansen op vrede onbenut’. Zo werkt het niet. ‘Brood’, ‘Land’, ‘Vrede’, zo werk het. Enkele woorden, geen zinnen.

** Op Doorbraak verscheen een uitgebreid artikel over die bedenkelijke factchecking.

*** In dit scenario kan nog altijd sprake zijn van onbewust racisme – een racisme dat ervoor zorgt dat de racist het racisme van zijn fotokeuze niet opmerkt. Allemaal mogelijk hoor. Maar dat dat de foto van de drie jongens met hun gsm uitlegt, dat geloof ik niet.

**** Uit Mad Men heb ik geleerd dat reclamebureaus hun campagne eerst uittesten bij een steekproef uit de doelgroep. Dat is een manier om het verschil te zien tussen wat je wíl dat er overkomt en wat er écht overkomt.
***** Ik heb ondertussen de nieuwe campagne van N-VA gezien. Ze hebben op mijn goede raad niet gewacht. Geen prentjes van migranten. Enkele woorden, geen zinnen. Net wat ik zei.