Posts tonen met het label Guus Luijters. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Guus Luijters. Alle posts tonen

donderdag 3 oktober 2019

Zélf iets moois ontdekken

    Een normaal mens doet het zo. Hij loopt een museum binnen, kijkt wat rond, en blijft wat langer staan voor een schilderij of een beeldhouwwerk. ‘Dit hier lijkt mij wel wat,’ zegt hij dan. Als de normale  mens een Amerikaanse barbaar is, voeg hij er nog aan toe: ‘I don’t know anything about art, but I know what I like.’ In een boekenwinkel gaat het ook zo. De normale mens ziet een paar titels, bekijkt een paar omslagen, leest ergens een achterflap en koopt een boek. ‘Aardig,’ zegt hij achteraf als hij het uit heeft. Voor zo iemand is elk mooi schilderij, boek of elke mooie film een eigen ontdekking.
     Wij, snobs, doen dat anders. Wij kopen catalogi, lezen boekenbijlagen en surfen naar recensies op Rotten Tomatoes. Als we dan een schilderij, boek of film mooi vinden, weten we niet zeker of we dat ook hadden gevonden zonder die catalogi, die boekenbijlagen of die rotte tomaten. We denken van wel, maar wij zijn het niet zeker. Dat schilderij, dat boek of die film wáren al ontdekt vóór wij met onze tropenhelm op het hoofd het terrein betraden.
     Soms heeft een van ons geluk. Karel van het Reve kon indertijd Nabokov, Chandler en Tucholsky zélf ontdekken omdat hun boeken hem in handen vielen vóór hij van die auteurs had gehoord. Maar ’t zijn uitzonderingen. Als wíj Nabokov vastpakken, of Chandler, of Tucholsky, hebben we daar al eerder bij Karel van het Reve over gelezen, of bij iemand anders. Ik dacht vroeger dat ik Billy Wilder zelf ontdekt had omdat ik nog nooit iets van de regisseur had gehoord toen ik in 1978 Fedora zag (hier). Maar dat moet een vergissing zijn. Ik ben er nu bijna zeker van dat ik in 1977 al Some Like It Hot had gezien.
     Boeken die je moet lezen als schoolopdracht zijn een twijfelgeval. Als zo’n auteur die je moet lezen, achteraf ook echt meevalt, voel je je toch een beetje als een die goud heeft gezeefd uit een rivier die weinig goeds beloofde. Ik moest van professor Latré een boek van Jane Austen lezen, en verwachtte daar niet veel van (hier). Vanaf de eerste zinnen echter had ik begrepen dat ik net als Guus Luijters àlles van tante Jane zou lezen. Voor Spaans kregen we van onze docente – de kleindochter van Unamuno geloof ik – zeven boeken opgegeven van auteurs waar ik nog nooit van had gehoord. Terecht, bleek achteraf. Tot ik begon te lezen in El Aleph van Borges. Ik werd een levenslange bewonderaar.
     Onlangs ervoer ik weer iets dat in de buurt kwam van een eigen ontdekking. Ik heb vroeger vaak naar de Goldbergvariaties van Bach geluisterd (hier). De laatste jaren luisterde ik naar andere Bachmuziek (hier). Maar nu had ik in de auto weer eens de variaties opgelegd. Heerlijke muziek. Alle variaties waren om het mooist. Tot ik aan variatie nr 25 kwam. Die was nóg mooier.*
     Nu had ik ooit wel ergens gelezen dat één van de variaties boven de andere uitstak. Iemand, ik weet niet meer wie, had die ‘the Black Pearl’ genoemd. Dat is een mooie naam die tot de verbeelding spreekt. Maar ik had geen idee wélke variatie dat was.
     Ik heb het eens opgezocht. Het was variatie nr 25 (hier). Ik heb de parel zelf gevonden.


Het nadeel is nu wel dat ik alle andere variaties links laat liggen en alleen nog naar nr 25 luister, en naar de inleidende aria natuurlijk. 

vrijdag 11 september 2015

Tante Jane

Hierboven ... ikzelf als - laten
we zeggen: Mr. Bennet
   Professor Latré van de afdeling Germanistiek wou dat ik voor zijn vak vooral 19de-eeuwse romans las. Daar kwam je later niet meer aan toe, zei hij. Ik begon vol goede moed. George Eliot, Thomas Hardy, Henry James … Het leek op wat ik al kende van de romanistiek: Stendhal, Flaubert, Zola – diep, degelijk en een beetje deprimerend. Jane Austen stond ook op de lijst. ‘It is a truth universally acknowledged,’ zo begon Pride and Prejudice, ‘that a single man in possession of a good fortune, must be in want of a good wife.’ Mijn mond viel open.   
   Later ontdekte ik overal medebewonderaars van tante Jane. Haar tijdgenoot en concurrent Walter Scott, Tennyson en Colleridge, Nabokov en Guus Luijters, de secretaressen en vrouwelijke advocaten van het advocatenkantoor waar ik werkte. Ook onder historici bleek ze populair. Macaulay plaatste haar op gelijke hoogte met Shakespeare. Pieter Geyl roemde haar ‘wijze en menselijke visie op het leven.’ Ik begrijp wat hij bedoelt.
     Jane moraliseert, maar ze blijft sympathiek. Ze heeft de normen en de waarden van de burgermaatschappij zonder de zelfgenoegzaamheid van een paar decennia later. ‘Geef mij maar het gezelschap van brave mensen,’ schrijft ze, ‘dan ben ikzelf lekker de slechtste.’ De slechtste, ja, maar nooit de domste. ‘J.A. doesn’t suffer fools gladly,’ schrijft Geyl. Voor charmante schurken als Willougby en Wickham heeft ze enig begrip, maar pompeuze dommeriken en dwaze ganzen krijgen de volle laag, vooral als ze ook nog eens de ouders zijn van de heldin. Maar dom of slecht, Janes personages zijn nooit saai, zelfs niet als ze van zichzelf saai zijn. Ook dragen ze mooie kleren, als ze in een film meespelen.

   Een andere Austen-bewonderaar was Roger Ebert (†2013). Vroeger las ik altijd zijn recensies op IMDB voor ik naar een nieuwe film ging kijken. Nu lees ik ze vóór ik naar een oude film kijk. Ebert onderging in 2006 zijn zoveelste operatie voor schildklierkanker. Bij elke operatie werd een nog groter stuk van zijn kaakbeen weggesneden. Hij kon al jaren niet meer spreken. Enkele maanden na de operatie van 2006 schrijf hij: ‘When I was very sick last year there was a time when I lost all interest in reading. When I began to feel a little better, perhaps strong enough to pick up a book, it was Austen’s Persuasion.
What else?’ – Persuasion is ook mijn lievelingsboek.

Oorspronkelijk geplaatst op 23 januari 2015