Posts tonen met het label Honoré de Balzac. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Honoré de Balzac. Alle posts tonen

woensdag 4 januari 2023

Goede en oude voornemens




   Bij het maken van goede voornemens wil ik dit keer de oude anarchistische slagzin indachtig zijn: Geen nieuwe voornemens zolang de oude niet op zijn! De anarchisten zeiden dat van de kernraketten. Bij mijn oude voornemens ga ik dus even door mijn lijstje, trek ik een streep door wat ik ondertussen heb verwezenlijkt (auto wegdoen, geen boterhammen meer eten op weekdagen, overschakelen naar een Mac-computer, David Copperfield en Illusions perdues herlezen) en trek ik een dubbele streep door de voornemens die ik definitief opgeef (muziekharmonie studeren, oud-Griekse auteurs lezen in de oorspronkelijke tekst).
     Met één welbepaald goed voornemen ben ik al enkele weken voor het nieuwe jaar begonnen: opnieuw dagelijks toonladders spelen. Ik heb daarvoor zelfs een tijdsslot voorzien, zo ongeveer rond tien uur ’s avonds. Ik doe voorlopig re, la en mi in majeur en re, mi en sol in mineur. Ik hoop dit jaar mijn repertoire uit te breiden.
     Zo’n voornemen als die dagelijkse toonladers kun je bij de levenslange projecten onderbrengen, iets wat je kunt blijven doen zolang de gezondheid en de levenslust het toelaten. In dezelfde geest neem ik voor om wat meer boeken te lezen en wat minder films en series te kijken. Ik heb vorig jaar zie ik slechts 24 boeken gelezen, waaronder de reeds vermelde David Copperfield en Illusions perdues. 
     Dat is niet zoveel. Vroeger las ik ook niet zo heel veel, maar toch meer dan vorig jaar. Drie jaar geleden las ik tussendoor het Journal van de broers De Goncourt, en dát alleen al waren 22 delen. Maar ik had in die tijd een vaste leesstonde, ’s nachts van ongeveer van half elf tot twaalf uur, liggend in bad. De laatste zeven maanden gaat dat niet meer. Na enkele minuten word ik door een ondraaglijke jeuk het bad weer uitgejaagd, en dat terwijl Marat juist in bad ging liggen om verlichting van zijn jeuk te zoeken – wat tijdelijk ook hielp, en op zeker ogenblik zelfs definitief.
     Als de geleerde allergologen geen oplossing vinden voor mijn badprobleem, zal ik er iets anders op moeten verzinnen. Het wekelijkse treinreisje van Brussel naar Oostende is onvoldoende om aan mijn leesambities, zo bescheiden als ze zijn, tegemoet te komen. En als ik in bed lees, of op de bank, val ik na enkele minuten in slaap. Ik moet dus een nieuwe leeshouding en een nieuw tijdslot vinden. 
    Zittend aan tafel tussen vijf en zeven uur ’s avonds misschien? Het lijkt mij de moeite waard om te proberen.  

woensdag 14 juni 2017

Hilde Sabbe en Yvan Mayeur

     Columniste Hilde Sabbe wordt nu overal een beetje uitgelachen omdat ze vorig jaar zo’n  lovend stuk schreef over PS-burgemeester Mayeur toen hij de Vlamingen, enigszins veralgemenend ‘fascisten’ of ‘extremisten’ had genoemd. Sabbe had Mayeur geprezen voor zijn passie, zijn overtuiging en zijn emotie. Ook was hij ‘zeer intelligent’. Veel politici waar Sabbe mee gepraat heeft zijn ‘zeer intelligent’.
     Maar nu is gebleken dat die Mayeur zich rijkelijk liet betalen door een organisatie voor daklozen terwijl hij helemáál niet dakloos is. Daarover is nu veel verontwaardiging. Vooral vrijwilligers die zelf al eens wat doen  in de armoedebestrijding zonder daar een cent voor te vragen hebben bedenkingen bij zo’n graaier die hoge zitpenningen ontving voor vergaderingen die niet eens plaats vonden. Die zitpenningen beliepen 19 000 euro bruto per jaar, lees ik.
     Sabbe had kunnen stilzitten en zwijgen als een schaap dat geschoren wordt. Maar ik geloof niet dat dat iets voor haar is, dat zwijgen. Op Facebook maakt ze duidelijk dat ze bóós is op de kranten die van Mayeur een sjoemelende burgemeester hebben ‘gemaakt’. Mayeur heeft een koel hoofd, schrijft Sabbe, en een open geest. Mayeur is geen racist. Mayeur heeft veel talent in zijn vingertop. Mayeur is geen lid van de N-VA.
     Dat kan allemaal best waar zijn.
     Maar die zitpenningen dan? Sabbe gaat in de tegenaanval: ‘Die les hadden de grote graaiers natuurlijk allang begrepen: je nooit laten vergoeden voor geleverde diensten voor sociale organisaties. Alleen maar werken voor kapitaalkrachtige instellingen, dan kraait er geen haan naar hoeveel je betaald wordt.’
     Ik zou nu kunnen vitten en zeggen dat die diensten voor sociale organisaties naar het schijnt juist niet ‘geleverd’ zijn, maar daar gaat het mij niet om. De hele redenering lijkt er mij op neer te komen dat je je gerust flink mag laten betalen door een sociale organisatie die leeft van subsidies en giften want anderen laten zich ook flink betalen door ‘kapitaalkrachtige’ firma’s. Dat die firma’s niet leven van subsidies en giften doet er niet toe. Het gaat er alleen om hoeveel je betaald wordt. Die anderen krijgen dat, dus Mayeur heeft er ook recht op. En Sabbe misschien ook.
     Je kunt op zoveel manieren eerlijk je geld verdienen: een eigen zaak uitbaten, betaald worden door iemand die een eigen zaak uitbaat, aan de staat werken volgens een barema. Je kunt een laag- of een hooggeschoold beroep uitoefenen. Je kunt geld van anderen beleggen en daar kleine procentjes voor opstrijken die samengeteld een enorm bedrag opleveren. In zo’n systeem zal de ene een veel hoger inkomen hebben dan de ander.
     Socialisten en communisten zijn geneigd om die inkomensongelijkheid zelf als een misdaad te zien. Zodra iemand veel meer heeft dan een ander, is er vals gespeeld. Derrière chaque grande fortune il y a un crime, schreef Balzac, die nochtans geen socialist was en zijn leven lang wanhopig op zoek was naar een groot fortuin. Brecht brengt dezelfde boodschap in zijn Driestuiversopera: de hele maatschappij bestaat dankzij de misdaad. Als je nu geld verdient als ondernemer, straatrover, pooier of zaakvoerder van een bedelaarssyndicaat: wat telt is hoeveel je binnenrijft. Of zoals Sabbe schrijft: ‘hoeveel je betaald wordt’.
     Indien Mayeur redeneert als Sabbe, wat kan, of als socialist, wat waarschijnlijk is, dan heeft hij eigenlijk niets verkeerds gedaan. Yvan Mayeur verdient minder dan een grote bankier, een zakenman, een nefroloog of een eerste minister. Hij denkt dat hij dat verschil mag bijpassen, want hij werkt even hard en heeft evenveel talent. Wat dondert het dat het geld uit de kas van de daklozen komt? En wat dondert het dat hij dat geld kreeg voor vergaderingen die niet plaats vonden? Was hij op die avonden dat hij niet vergaderde voor de daklozen niet op een andere manier druk in de weer voor het algemeen belang? Als hij maar krijgt waar hij recht op heeft.
     Toch hebben Mayeur en Sabbe het verkeerd voor. In een fatsoenlijke maatschappij verdien je je geld in afspraak met degene die je het geld bezorgt: de klant, de patiënt, de werkgever, de staat. Tot op zekere hoogte krijgt zelfs de politicus zijn centen in afspraak met zijn kiezer.* Maar met wie heeft Mayeur zijn vergoeding afgesproken? Met de kameraden onder elkaar? In elk geval niet met de daklozen.
     In Oom Vanja van Tsjechov is er een discussie tussen de plompe Serebrjakov, eigenaar van een landgoed, en de brave Ivan Petrovitsj – Vanja dus – die het landgoed beheert. Vanja klaagt dat hij in al die jaren geen loonopslag gekregen heeft. De plompe Serebrjakov zegt dat hij die loonsopslag zelf maar uit de kas had moeten nemen. Daarover is Vanja erg verontwaardigd. Dat zou diefstal geweest zijn. Misschien niet in de wettelijke betekenis van het woord, maar toch: diefstal.
     Vanja heeft gelijk. Ook geld nemen uit de kas van een plompe landheer als Serebrjakov is diefstal. Maar eigenmachtig geld nemen uit de kas van de daklozen is véél erger. Dat begrijpt iedereen, behalve Mayeur, de gewetenloze graaiers van de PS en onze eigen Hilde Sabbe.
 
* Kiezers die vinden dat burgemeesters, parlementairen en ministers te veel verdienen kunnen stemmen voor een partij die tegen die hoge vergoedingen is. De PVDA bijvoorbeeld. Zelf heb ik niks tegen politici die goed verdienen én goed werk leveren.

zaterdag 27 augustus 2016

De schildklier van mijn grootvader

Eén jaar na de succesvolle heelkundige ingreep
     Drie dagen voor Pasen, in het jaar 1937, werd mijn grootvader onwel. Hij had al geruime tijd last van versnelde hartslag, vermoeidheid en aanhoudende onrust, maar nu ging het helemaal niet meer. De arts schreef rust voor, kwam elke dag langs, maar beterschap bleef uit. Wat nu?
     Niet iedereen zou het in die tijd gedurfd hebben, maar mijn grootmoeder benaderde heimelijk een ándere arts, een jonge snuiter met moderne opvattingen. De jonge arts belde aan na het vallen van de avond – want de buren moesten onkundig blijven van de therapeutische ontrouw – en hij voerde een grondig onderzoek uit, waarbij hij mijn grootvader onder meer vroeg om zijn arm voor zich uit te strekken. Toen dat armstrekken met hevige trillingen gepaard ging, wist hij genoeg: overdreven activiteit van de schildklier. Een heelkundige ingreep was noodzakelijk. En dat zou geen eenvoudige zaak worden, want de zwelling was onzichtbaar, wat betekende dat ze zich áchter het borstbeen bevond. Dus opnieuw: wat nu?
         Nu was er in Doornik een chirurg die zich gespecialiseerd had in schildklieroperaties, een zekere dr. D. Hij was jarenlang chef de clinique geweest in Straatsburg, waar gezwollen schildklieren veelvuldig voorkwamen door de jodium in de lucht, en had dus veel ervaring. Dr. D. wou de operatie op mijn grootvader best wel uitvoeren, maar dan moest die eerst enkele maanden in het ziekenhuis verblijven, in welke periode hij door complete bedrust zijn hartslagritme naar beneden moest zien te krijgen. En de ingreep kostte 5 000 frank. 5 000 frank! Ik heb het mijn grootmoeder tientallen keren horen vertellen, en ze snoof daarbij met de neus en sperde de ogen, om het belang van het bedrag te onderstrepen.
     Zo’n bedrag zegt ons anders niet veel meer. Het jonge geslacht moet het eerst omrekenen naar euro en daarna moeten ook de iets ouderen voor ogen houden dat onze centen in 1937 twintig keer meer waard waren dan nu, en de lonen vijf keer lager waren. De eenvoudigste benadering om die 5000 frank te vatten is deze. Het gemiddelde maandloon moet in 1937 ongeveer 750 frank geweest zijn. De ingreep kostte dus ongeveer zeven maandlonen. Daarnaast is mijn grootvader ook nog eens, voor en na de ingreep, meer dan een jaar arbeidsongeschikt geweest, waarbij hij geen loon ontving. Alles samen kostte de ziekte aan mijn grootouders dus ongeveer twintig maandlonen, of naar hedendaagse maatstaven, 40 000 euro*. En dat moest allemaal uit eigen middelen worden betaald, want aan sociale zekerheid deed men toen niet.
    Zo’n financiële tegenvaller werd in die tijd op twee manieren gepareerd. Ten eerste had men de gewoonte om erg zuinig te leven en zo een appeltje voor de dorst bij elkaar te sparen. Bij mijn grootouders kwamen aardappelen, groenten en fruit alleen uit de eigen tuin,  brood werd gebakken van zelfgemalen graan, sokken werden gestopt, schoenen werden gelapt, kleren werden vakkundig hersteld en nieuwe truien werden gebreid van wol die gewonnen was door oude truien te ontrafelen. Ik heb mijn grootvader nooit anders weten schrijven dan met een vulpen waarvan het vulsysteem kapot was, zodat hij ze als een gewone pen in de inktpot moest dopen om ermee te kunnen schrijven. Daar kwam bij dat het lage loon dat hij zoals iedereen ontving, netto was. Er werd amper iets afgehouden voor belasting of sociale wetten. Daardoor was het ook makkelijker om zelf elke maand iets opzij te leggen.
     De tweede manier om een financieel malheur op te vangen was de vriendenlening. Mijn grootvader bijvoorbeeld kon een beroep doen op zijn schoonbroer die in vlas handelde en die, als het nodig was, vlot over de brug kwam**. In de bellettrie van de negentiende eeuw – Austen, Dickens, Balzac – vind je veel zulke voorbeelden. De econoom Frédéric Bastiat (1801-1850) stelt in één van zijn boeken een denkbeeldig gezinsbudget op en voorziet, geloof ik, vijfentwintig procent voor het helpen van vrienden in nood.
     Maar, zul je vragen, als men toch zó zuinig was, waarom wilde men dan met alle geweld een dure specialist uit Doornik onder de arm nemen? Over die kwestie had mijn grootmoeder zich uitgebreid laten voorlichten. In Gent was er, naar het scheen, ook een arts die wel eens in een schildklier opereerde, en wellicht werkte die goedkoper, maar, en daar was iedereen het over eens, ’t was een knoeier. Je wist nooit zeker of hij bij het snijden in de schildklier niet meteen ook de stembanden doorsneed***. En dát zou een drama geweest zijn, want mijn grootvader was koster en verdiende met orgelspelen en zingen zijn brood, en de invaliditeitsuitkeringen in die tijd stelden niets voor.
     Met mijn grootvader is het goed gekomen, zoals je op de foto van een jaar later kunt merken (zie hierboven). Wel moest hij gedurende enkele maanden bloederige lever eten om ‘aan te sterken’. Dat vond hij vreselijk, want hij was met zijn eten erg kieskeurig, zoals ik. Maar daarna zong hij weer als de beste, en speelde als voorheen  fuga’s en toccata’s van Bach met handen en voeten.

___________


*Voor België weet ik zo gauw niet hoe je de geldontwaarding moet berekenen, maar voor Nederland vond ik op het internet een programma (hier) dat alles voor mij deed. Een benaderende vergelijking van de lonen vroeger en nu, vond ik hier, en cijfers over het huidige gemiddelde nettoloon – ongeveer 2 000 euro - hier.
 
**Dr. Jan Van Duppen reageerde op mijn blogbericht door fijntjes op te merken dat de Doornikse specialist ‘zijn patiënten blijkbaar met grote vaardigheid wist te wegen’ en hun ‘draagkracht voor zijn renumeratie’ goed inschatte.
 
***Een dorpsgenote van mijn grootouders had zich aan haar schildklier laten opereren in Gent en had daar een schorre stem aan overgehouden, vandaar het stembandenverhaal dat de ronde deed. Maar vooral: Dr. D. zélf had tegen mijn grootvader kordaat gezegd: ‘Gij laat u opereren door mij, of gij laat u opereren in Leuven. Dat is mij gelijk. Maar gij gaat níet naar Gent!’