Posts tonen met het label Peter Mijlemans. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Peter Mijlemans. Alle posts tonen

zaterdag 6 augustus 2022

De mega-overwinsten van de oliebedrijven


      
Groot is mijn verontwaardiging als ik lees over de ‘mega-overwinsten’ van de oliebedrijven. Begrijp mij niet verkeerd, goede lezer, die enorme bedragen zelf kunnen mij niet veel schelen. Of het nu om 100 miljard gaat, of om 10 miljard of om een half miljard, het gaat altijd om veel geld, en ik zal mij altijd de bedenking maken dat het eigenlijk ook een beetje mijn geld is. Exxon heeft in de eerste helft van 2022 een winst geboekt van 23,3 miljard dollar. Mijn vrouw en ik hebben daartoe bijgedragen, want we tanken altijd Esso. Ik vind de hoge prijs aan de Esso-pomp pijnlijk, maar verontwaardigd, nee, daarvoor is meer nodig.
     Meer, zoals wanneer ik over zo’n ingewikkelde kwestie alleen slordige commentaar en slordige berichtgeving op mijn bord krijg. 
    Bij Het Nieuwsblad ben ik aan het juiste adres voor de twee. Neem het commentaarstuk van Peter Mijlemans op bladzijde 2. Hij loopt zich eerst warm. ‘Voor maximale winst gaan … daar is op zich weinig op tegen,’ schrijft hij. Wat is dat nu voor een zinnetje? Ben ik werkelijk zo achterdochtig als ik denk dat Mijlemans met veel gemak het tegenovergestelde zou kunnen schrijven?  Zou ik ver moeten zoeken in het archief voor ik een stukje vind waarin hij schrijft dat er heel veel ‘op tegen is’ als  de economie ‘in het teken staat’ van het streven naar ‘maximale winst’?
     Bij nader toezien is het allemaal eenvoudig. Mijlemans is niet tegen maximale winst ... behalve als ze … welja … maximaal is. Dan is het geen winst meer, maar overwinst of mega-overwinst. Kijk, die voorvoegsels ‘over’ en ‘mega’ veranderen natuurlijk alles. Er is een groot verschil tussen ‘maximale winst’, waar weinig op tegen is, en ‘mega-overwinst’ waar dringend iets aan moet worden gedaan. Zo is het toch?
     Mijlemans merkt verder op dat de huidige winst samenhangt met de oorlog in Oekraïne. Daardoor wordt die winst ‘macaber’ want, je begrijpt, oorlog is ‘macaber’ dus is de daarmee samenhangende winst dat ook. Maar valt uit dat woord ‘macaber’ nu ook een heus argument te puren? Ik betwijfel het. De oorlog in Oekraïne is het gevolg van een macabere beslissing van Poetin. Exxon en Total hebben daar weinig mee te maken.
    Ten slotte wijst Mijlemans op het gebrek aan een vrije oliemarkt. De olieproducerende landen spreken onder elkaar af om minder op te pompen dan ze kunnen, waardoor de prijs van de ruwe olie drie maal hoger is dan hij zou moeten zijn. Zeker is dat zo. Maar wat wil Mijlemans nu zeggen? Dat dat de schuld is van de oliemaatschappijen? Dat is niet zo. Of wil Mijlemans dat de olieproducerende landen méér zouden oppompen? Dat zou steek houden. Maar ik denk dat Mijlemans, als milieubewuste journalist, bij zo’n vermeerderd oppompen zich vooral druk zou maken over de ‘komende klimaatramp’.
     Over het verweer van de oliemensen is Mijlemans laconisch. Ze beweren dat de winststijging zo spectaculair uitvalt omdat men vergelijkt met de slechte cijfers van de coronajaren. Dat kan best, zegt Mijlemans, maar de sector maakte voor de coronajaren ook al veel winst. Dat is zeker waar. Ze maakten zelfs maximale winst. Ik dacht dat daar ‘op zich weinig op tegen was.’ De oliemensen zeggen ook dat ze hun winsten willen gebruiken voor investering in nieuwe energiebronnen. Dat klopt niet, zegt Mijlemans, die winst gaat naar uitkering van dividenden. Misschien. Maar moet ik Mijlemans op zijn woord geloven? Of zal ik de precieze cijfers over investering in nieuwe energie en dividenden vinden in de verdere berichtgeving van Het Nieuwsblad?
     Ik ga naar bladzijde 11 waar die berichtgeving zich bevindt en mijn verontwaardiging neemt alleen maar toe. Ik zie een tabel met de winsten van de Exxon, Total, Chevron, Shell en BP, telkens met vermelding van de stijging tegenover vorig jaar – een verdubbeling tot verdriedubbeling. Daar kan ik niet veel mee aanvangen. Ik krijg liever de cijfers van de laatste 20 jaar, zodat ik de trend op lange termijn kan beoordelen. Ook wil ik de verdeling kennen van die winst over dividenden en investering, en met name de investering in nieuwe energie. Dan weet ik ten minste of Mijlemans op bladzijde 2 uit zijn nek heeft gekletst of niet. Ten slotte wil ik een heldere uitleg over de economische mechanismen achter de cijfers. Op welke manier bijvoorbeeld zorgt een hogere prijs voor ruwe olie voor hogere winst? Waarom legt mijn krant zoiets niet uit, vraag ik mij verontwaardigd af.
     Het stuk op bladzijde 11 bevat, naast de recente winstcijfers, erg weinig feiten. Ik leer dat in Italië 10 procent extra belasting geheven wordt op meerwinsten van olie- en gasbedrijven en dat Tinne Vanderstraten ook zoiets wil invoeren: een extra belasting van 25 proent op zo’n stijging van de winsten. Maar verder krijg ik in plaats van feiten weer opinies, maar dan van derden, in de vorm van quotes.
     De belangrijkste derde die geciteerd wordt, is VN-baas Guterres. ‘Het is immoreel,’ zegt Guterres, ‘dat olie- en gasbedrijven recordwinsten maken op de kap van de armste mensen terwijl ze de planeet vernielen.’ ’t Is een uitspraak waar je niet te lang over mag doordenken. Want als de oliebedrijven recordwinsten maken ‘op de kap van de armsten’ betekent dat dat ze te hoge prijzen aanrekenen. Het meest logische zou dan zijn om de prijzen te verlagen – meer olie oppompen zoals Mijlemans halvelings suggereert. Maar dat kan de bedoeling niet zijn, want dan wordt de planeet nog meer vernield. Dus moeten die prijzen niet omlaag, maar moeten de oliemaatschappijen zwaarder belast worden. Ach zo, op die manier.
     En wat denkt een afgestudeerde econoom over zulke belastingen op mega-overwinsten? Het Nieuwsblad heeft het aan Paul De Grauwe gevraagd. Die verwoordt het zo. ‘Veel mensen zijn bereid te aanvaarden dat bedrijven veel winst maken door nieuwe producten of technologieën, maar in deze hebben de oliemaatschappijen niks gedaan. Als ze een beetje serieus waren, zouden ze kunnen zeggen: Dit behoort ons niet toe, we geven het terug aan de maatschappij in plaats van aan de aandeelhouders.’
     De Grauwe is ongetwijfeld een bekwaam econoom. Knoeiers en sufferds worden geen professor aan de London School of Economics. Maar hier spreekt hij als leek: ‘veel mensen vinden …’ Om zoiets te verzinnen moet je geen economie gestudeerd hebben. Het is een opinie, als vele andere. En veel meer dan opinies heb ik dus niet gevonden op een pagina die nochtans voorbehouden is aan berichtgeving, dat wil zeggen: feiten en analyse.
     Zoiets wekt mijn verontwaardiging.

     

dinsdag 10 mei 2022

Poetins dekentje


      Op de 9-meiparade liet Poetin zich fotograferen met een dekentje over zijn benen om zich tegen de kou te beschermen. Een aantal bejaarde generaals die naast hem zaten hadden van zo’n dekentje afgezien. Je denkt meteen aan de mantel die over de schouders van Franklin D. Roosevelt hing in Yalta. Of aan de zware overjas die Gorbatsjov droeg in Reykjavik, anders dan Reagan die alleen een colbertje aan had. Roosevelt en Gorbatsjov zagen er bij die gelegenheden wat zwakjes uit. Was dat de indruk die Poetin wou geven, hij, die zich anders graag laat fotograferen terwijl hij met ontblote borst op een paard zit? Ik dacht meteen aan Charles De Gaulle die zich in 1958 klaarmaakte om, na twaalf jaar in ‘de politieke wildernis’, weer aan de macht te komen. Als hij bezoekers had deed hij alsof hij ziek was, verscheen in kamerjas, en kuchte voortdurend. Zodra zijn bezoeker weg was, veerde hij recht en begon weer energiek zijn politieke ‘comeback’ voor te bereiden.
     De wat slappe verschijning van Poetin was min of meer in eenklank met zijn ‘gematigde’ Calimero toespraak over het stoute westen dat hem tot oorlog gedwongen had? Wou Poetin dan sympathie en medelijden opwekken? Bij mij is dat in elk geval een héél, héél klein beetje gelukt. Ik weet namelijk wat het betekent om kouwe benen te hebben. Ik heb jarenlang op voetbaltribunes gezeten om vanaf de zijlijn mijn zoon op het veld aan te moedigen. Wat heb ik toen in de herfst, winter en vroege lente kou geleden! Nochtans zaten naast mij tachtigjarigen die geen krimp gaven. Zelf beschermde ik mijn romp met een flanelletje, een overhemd, twee truien, een jas en een overjas. Maar mijn benen! Als ik rechtstond was het al erg, maar als ik zat was het nog veel erger, omdat de broek dan nauw aansluit op de huid en het isolerende luchtlaagje afwezig was. Ik heb enige tijd geprobeerd het ongemak te verhelpen door een lange onderbroek aan te doen, maar dat maakte nauwelijks verschil. Uiteindelijk heb ik een goede oplossing gevonden. Ik trok boven mijn broek een waterdichte regenbroek aan. Dat hielp. 
     Over de ‘gematigde’ toespraak van Poetin nog dit. De autocraat beweerde dat Oekraïne op het punt stond om Rusland aan te vallen, met hulp van het westen. Dat is een buitennissige uitspraak die het op de Russische staatszender misschien goed doet, maar ergens anders op ongeloof wordt onthaald. Misschien bedoelde hij wel dat Oekraïne plannen had om de Krim terug te veroveren. Ook dat is niet erg geloofwaardig, en het is in elk geval ver verwijderd van de ‘existentiële’ bedreiging, waar hij enige tijd geleden over sprak, een bedreiging die dus het voortbestaan zelf van zijn land in gevaar bracht.
     Laat ik echter niet moeilijk doen, de toespraak was, naar Poetins doen, inderdaad gematigd. Nu kun je de vraag stellen of het westen dat gematigd discours niet moet beantwoorden met een even gematigde versie. ’t Is in elk geval wat Peter Mijlemans voorstelt in Het Nieuwsblad. ‘Pas als de oorlogstaal stokt, kan er echt gepraat worden.’ Ik kan dat billijken. In een conflict waar het niet de bedoeling is om Moskou in te nemen – Napoleon heeft daar slechte ervaringen mee gehad – moet er vroeg of laat onderhandeld worden, en dan kan het goed zijn om, met het oog op het psychologische steekspel dat daarbij hoort, de ene keer ferme taal te spreken en de andere keer verzoenende woorden in de mond te nemen. De verzoenende taal biedt dan ten minste de schijn van een eerbare oplossing voor beide partijen.
     Ik weet niet of Mijlemans een uitgebreide strategische en diplomatieke achtergrond heeft. Ik heb die in elk geval niet. Ik weet dus niet wannéér het tijd is voor ferme, en wannéér voor verzoenende taal. Maar het principe van afwisseling lijkt mij gezond. Varietas delectat. Alleen, net zoals je je door je eigen oorlogstaal niet mag laten meeslepen, mag je evenmin de dupe worden van je verzoenende taal. Als Poetin wil dat het westen haar wapenleveringen vermindert, zal zijn gematigde taal niet volstaan, maar zal hij troepen moeten terugtrekken. ‘Speak softly and carry a big stick,’ zei Theodore Roosevelt. Wij zijn ondertussen helaas in het stadium dat van beide kanten met de stokken geslágen wordt. Zolang Poetin met zijn stok blijft slaan, zal het westen dat vermoedelijk ook blijven doen met de hare. Alle gematigde taal en Poetins dekentje ten spijt. 

woensdag 16 september 2020

Betere opvangkampen op Lesbos

   


 
Vluchtelingen en migranten uit het Midden-Oosten en Afghanistan die graag naar Europa willen, verkiezen de korte oversteek vanuit Turkije naar het vlakbije Griekse Lesbos boven de lange en gevaarlijker zeereis van Libië naar een Italiaans eiland. In 2015-2016 belandden een half miljoen van hen op Lesbos. Nu is het veel minder, maar de vluchtelingen en migranten blijven toekomen en de kampen zijn overvol. Het Moria-opvangkamp is officieel berekend voor 2. 800 mensen maar er verblijven er 12.500. En dat kamp is nu vernietigd door een grote brand.
     Het is mogelijk dat bewoners de brand zelf hebben aangestoken om te protesteren tegen de Corona-maatregelen, mogelijk dat ze Griekse huizen plunderen, mogelijk dat ze relletjes uitlokken met de politie, mogelijk dat ze daar illegaal zijn of geen kans maken om als ‘vluchteling’ te worden erkend.  Dat alles is best mogelijk. Maar er is ook iets dat zéker is: de toestand in de kampen is schrijnend en mensonterend, en dat op een stukje Europees grondgebied.
     Wat kan er gebeuren om verlichting te brengen?
     Er is de NGO-oplossing van open grenzen. Caroline Willemen van Artsen zonder Grenzen sympathiseert in Het Nieuwsblad van 15 september met de ‘vrouwen en kinderen die vragen om [na de brand] géén nieuw kamp op te richten, maar die hun vrijheid vragen.’ Dat is dan de vrijheid om naar het Europese vasteland te trekken. Die vrijheid is een mooi ideaal, maar aangezien ik in discussies met links altijd hoor dat ‘niemand voor open grenzen is’*, ga ik daar niet verder op in.
     De EU-oplossing is om quota af te spreken om de minderjarigen uit de kampen over verschillende landen te verdelen. België zou twaalf minderjarigen laten overvliegen. Groen en SP.A vinden dat het er meer moeten zijn, zonder daar een concreet getal aan te verbinden, en Maggie De Block belooft dat het niet bij die twaalf zal blijven**. Maar als de toestand in de Griekse kampen zo schrijnend is, zou men eigenlijk alle bewoners ervan over de verschillende Europese landen moeten verdelen, en ik vrees dat het niet lang zou duren voor de kampen weer vol zouden lopen met nieuwe vluchtelingen en migranten.
 
     De Theo Francken-oplossing is om financiële steun te geven zodat de toestand in de kampen kan worden verbeterd voor alle bewoners, zonder zelf nieuwe migranten op te nemen. Hij verwijst naar de Oostenrijkse regering van christendemocraten en groenen die de zaak zo wil aanpakken. Dat vind ik een redelijke, efficiënte, haalbare  maar verre van ideale  oplossing. De opvang van twaalf of vijftig of vijfhonderd kinderen, zou enig geld kosten. Goed, we verdubbelen die som, en die gaat rechtstreeks naar betere infrastructuur en voorzieningen. Wil Groen en S.PA het tienvoudige schenken, mij ook goed, als ze de grenzen maar dicht laten.
     Peter Mijlemans van Het Nieuwsblad is het niet met Francken eens. ‘Dan is het cynisch’, schrijft hij in het hoofdartikel van 16 september, dat er nog steeds stemmen opgaan – met op kop die van Theo Francken (N-VA) – dat financiële hulp beter is dan twaalf kinderen over te brengen.’ Waarom het voorstel van Francken cynisch is, wordt verder met geen enkel argument onderbouwd.
     Zou ik zelf zo’n argument kunnen verzinnen? Misschien dit. Geldelijke steun voor een grote groep heeft iets onpersoonlijks. Er is een heel verschil tussen aan de ene kant een bedelaar iets toestoppen, en aan de andere kant een bepaald bedrag storten in een fonds waarmee soep of alcohol voor alle bedelaars van de stad wordt aangekocht. Wie een bedelaar iets toestopt heeft een persoonlijk engagement aangegaan, heeft een mens in de ogen gekeken, en heeft een gêne moeten overwinnen. Men denkt vaak dat iets geven aan een behoeftige de gever  een goed gevoel bezorgt. In mijn ervaring is het omgekeerd: de persoonlijke gift zorgt voor een slecht gevoel en een slecht geweten, want je weet hoe weinig je hebt gedaan. Maar je hebt het toch gedaan, en dat was flink en misschien zelfs goed.
     Onpersoonlijke geldelijke steun daarentegen is geen daad van Goedheid, Liefde of Caritas. In de klas van meester Bernard lazen we het toneelstuk ‘L’annonce faite à Marie’ van Claudel. Het is een stuk over de middeleeuwen. Violaine Vercors ontmoet de lepralijder Pierre en geeft hem een kus. Het is een mooi voorbeeld van Caritas, een daad van onmiddellijke, onberedeneerde solidariteit, waarbij de laatste druppel eigenbelang verdwijnt in een oceaan van Liefde. Door de kus krijgt Violaine zelf ook lepra en is Pierre ondertussen geen stap verder. Dat wil zeggen, Pierre geneest, maar dat komt geloof ik niet door die kus maar door een miraculeuze tussenkomst van God  of van Maria, dat wil ik kwijt.
     Maar op mirakels zou ik niet rekenen als het om het migratie- en vluchtelingenprobleem gaat. Ook zijn de quotabeslissingen van Merkel, Macron, Michel en Maggie De Block ongeveer even onpersoonlijk als financiering van een betere infrastructuur. Het enige verschil is dat het opvangen van kampbewoners in Frankrijk, Duitsland, België enzovoort eigenlijk is wat die mensen zélf vragen. Die willen geen infrastructuur of voorzieningen. Die willen naar Europa***. En daarmee zijn we weer bij de open grenzen beland. Maar daar is niemand voor. Toch?

* In werkelijkheid is de toestand zo: links en een deel van het centrum is in principe voorstander van gecontroleerde grenzen ... die echter telkens weer onvoorwaardelijk moeten worden geopend als van één bepaalde groep de ellende in de actualiteit komt, zoals bij een grote brand.
** Het gaat ondertussen om 150 kampbewoners die naar ons land kunnen komen.
*** Alhoewel sommigen van hen die voorzieningen achteraf - begrijpelijkerwijs - weer missen. Zie 
hier.

dinsdag 8 september 2020

Denkfouten

 


  Het moet niet altijd Peter Mijlemans zijn. In Het Nieuwsblad van 7 september is het Matthias Vanderaspoilden die in een hoofdartikel N-VA en Bart De Wever de les spelt. Tegen de ‘hoofdstrekking’ van het stuk – zoals Multatuli dat noemt – heb ik niet onmiddellijk veel in te brengen. Daar zou ik eens over moeten nadenken. Over drie kleinigheden val ik wel.
     Vanderaspoilden – ik zal moeten oefenen op die naam – beschrijft de ‘passage van Bart De Wever in de tv-studio’s.’ Ik heb die ‘passage’ niet gezien, maar uit Matthias zijn stuk – dat is gemakkelijker, gewoon Matthias – heeft De Wever gezegd dat de paars-gele regering mislukt is door sabotage en gebrek aan loyaliteit. Dat kan. Misschien heeft De Wever daarvoor ook argumenten gegeven. Matthias weerlegt De Wever door het het tegenovergestelde te beweren: dat het eveneens de fout van De Wever zelf is dat hij ‘niet mee aan de knoppen zit’. Dat kan ook. Maar Matthias geeft er in elk geval géén argumenten voor. Dat vind ik wat gemakkelijk. Of bedoelt hij met die fout dat de N-VA onvoldoende stemmen behaald heeft in 2019? Ja, dat is waar. Ik heb uit het politiek spel van de laatste 15 maanden begrepen dat N-VA, hoeveel stemmen ze ook haalt, niet in een regering komt als ze niet incontournable is.
     Matthias schrijft ook over de boosheid van De Wever. ‘Gespeelde’ boosheid, voegt hij eraan toe. Maar hoe weet Matthias dat die boosheid gespeeld was? Ik weet wel dat politiek voor een flink stuk uit theater bestaat, maar zou het niet af en toe gebeuren dat een politicus ook echt boos is? Of dat nu het geval is, weet ik niet. Maar Matthias weet dat geloof ik ook niet.
     Verder had De Wever gezegd dat de Vlaamse regering nu een majeur probleem heeft omdat de federale regering en een andere samenstelling heeft dan zijzelf. Dat noemt Matthias een ‘denkfout’. Denkfout, denkfout ... Ik lees het woord de laatste tijd vaker in commentaren, en het wordt meestal verkeerd gebruikt. Dat is ook hier het geval.  De Wever zijn opmerking over het majeur probleem is misschien wel een fout, maar daarom nog geen dénkfout. ‘Een denkfout,’ schrijft Wikipedia, ‘is een foutieve gedachtegang waarbij er een fout in de logica van de redenering zit.’ Waar is hier de fout in de logica?
     Matthias veronderstelt dat een deelregering krachtig kan optreden, onafhankelijk van de federale regering. Dat is een feitelijke analyse, juist of fout.* De N-VA van haar kant schat de toestand anders in: veel bevoegdheden zijn niet voldoende gesplitst, zodat een deelregering op belangrijke gebieden niet krachtig kan optreden, en al zeker als ze niet op dezelfde golflengte zit als de federale. Ook dat is een feitelijke analyse, juist of fout. Het is echter geen dénkfout zolang De Wever consequent redeneert vanuit de analyse van zijn eigen partij, ook al kan die analyse zelf natuurlijk denkfouten bevatten.
     Matthias mag gerust het tegenovergestelde beweren van wat N-VA beweert: dat de huidige bevoegdheidsverdeling tussen deelregeringen en federale regering ideaal is, zodat er ook bij ongelijke samenstelling geen problemen rijzen. Ook die bewering is geen dénkfout, alhoewel ze, geloof ik, wel fout is. Natuurlijk kan een deelregering in bepaalde materies, waar de bevoegdheden wél duidelijk gesplitst zijn, zoals Onderwijs, beter of slechter functioneren. En natuurlijk kan een deelregering ook in ongunstige omstandigheden er het beste van proberen te maken. Maar wijzen op die ongunstige omstandigheden en ze een majeur probleem noemen is ondertussen geen dénkfout.
     Als toemaatje. Matthias schrijft: ‘Welke partijen federaal de lijnen uitzetten, zou voor een partij die dweept met Vlaamse onafhankelijkheid geen rol mogen spelen.’* Dat is een rare kronkel. Een partij die Vlaamse onafhankelijkheid nastreeft, zou zich volgens Matthias moeten gedragen alsof die onafhankelijkheid nu al een feit is. Is dát eigenlijk geen denkfout?

* Post scriptum. In Het Nieuwsblad van 14 september, schrijft Pieter Lesaffer in een hoofdartikel iets helemaal anders dan wat Mathias een week voordien beweerde: ons federalisme is kaduuk en onafgewerktDe bevoegdheden lopen zodanig door elkaar dat de verschillende regeringen geen andere keuze hebben dan op elkaar te leunen. 




Denkfouten van Bart en Matthias

  


   
Het moet niet altijd Peter Mijlemans zijn. In Het Nieuwsblad van 7 september is het Matthias Vanderaspoilden die in een hoofdartikel N-VA en Bart De Wever de les spelt. Tegen de ‘hoofdstrekking’ van het stuk – zoals Multatuli dat noemt – heb ik niet onmiddellijk veel in te brengen. Daar zou ik eens over moeten nadenken. Aan drie kleinigheden stoor ik mij wel.
     Vanderaspoilden – ik zal moeten oefenen op die naam – beschrijft de ‘passage van Bart De Wever in de tv-studio’s.’ Ik heb die ‘passage’ niet gezien, maar volgens Matthias – dat is makkelijker, gewoon Matthias – heeft De Wever gezegd dat de paars-gele regering mislukt is door sabotage en gebrek aan loyaliteit. Dat kan. Misschien heeft De Wever daarvoor ook argumenten gegeven. Matthias weerlegt De Wever door het het tegenovergestelde te beweren: dat het eveneens de fout van De Wever zelf is dat hij ‘niet mee aan de knoppen zit’. Dat kan ook. Maar Matthias geeft er in elk geval géén argumenten voor. Dat vind ik wat gemakkelijk. Of bedoelt hij met die fout dat de N-VA onvoldoende stemmen behaald heeft in 2019? Ja, dat is waar. Ik heb uit het politiek spel van de laatste 15 maanden begrepen dat N-VA, hoeveel stemmen ze ook haalt, niet in een regering komt als ze niet incontournable is.
     Matthias schrijft ook over de boosheid van De Wever. ‘Gespeelde’ boosheid, voegt hij eraan toe. Maar hoe weet Matthias dat die boosheid gespeeld was? Ik weet wel dat politiek voor een flink stuk uit theater bestaat, maar zou het niet af en toe gebeuren dat een politicus ook echt boos is? Of dat nú het geval is, weet ik niet. Maar Matthias weet dat geloof ik ook niet.
     Verder had De Wever gezegd dat er nu een majeur probleem ontstaat omdat de federale regering een andere samenstelling heeft dan de Vlaamse. Dat noemt Matthias een ‘denkfout’. Denkfout, denkfout ... Ik lees het woord de laatste tijd vaker in commentaren, en het wordt meestal verkeerd gebruikt. Dat is ook hier het geval.  De Wever zijn opmerking over het majeur probleem is misschien wel een fout, maar daarom nog geen dénkfout. ‘Een denkfout,’ schrijft Wikipedia, ‘is een foutieve gedachtegang waarbij er een fout in de logica van de redenering zit.’ Waar is hier de fout in de logica?
     Matthias veronderstelt dat een deelregering krachtig kan optreden, onafhankelijk van de federale regering. Dat is een feitelijke analyse, juist of fout. De N-VA van haar kant schat de toestand anders in: veel bevoegdheden zijn niet voldoende gesplitst*, zodat een deelregering op belangrijke gebieden niet krachtig kan optreden, en al zeker niet als ze op een andere golflengte uitzendt en ontvangt dan de federale. Ook dat is een feitelijke analyse, juist of fout. Het is echter geen dénkfout zolang De Wever consequent redeneert vanuit de analyse van zijn eigen partij, ook al kan die analyse zelf natuurlijk denkfouten bevatten.
     Matthias mag gerust het tegenovergestelde beweren van wat N-VA beweert: dat de huidige bevoegdheidsverdeling tussen deelregeringen en federale regering optimaal is bijvoorbeeld, zodat er ook bij ongelijke samenstelling geen problemen rijzen. Ook die bewering is geen dénkfout, alhoewel ze, geloof ik, toch fout is. Natuurlijk kan een deelregering in bepaalde materies, waar de bevoegdheden wél duidelijk gesplitst zijn, zoals Onderwijs, beter of slechter functioneren. En natuurlijk kan een deelregering ook in ongunstige omstandigheden er het beste van proberen te maken. Maar wijzen op die ongunstige omstandigheden en ze een majeur probleem noemen is ondertussen geen dénkfout.
     Als toemaatje. Matthias schrijft: ‘Welke partijen federaal de lijnen uitzetten, zou voor een partij die dweept met Vlaamse onafhankelijkheid geen rol mogen spelen.’ Dat is een rare kronkel. Een partij die Vlaamse onafhankelijkheid nastreeft, zou zich volgens Matthias moeten gedragen alsof die onafhankelijkheid nu al een feit is. Is dát eigenlijk geen denkfout?

* Post scriptum. In Het Nieuwsblad van 14 september, schrijft Pieter Lesaffer in een hoofdartikel iets helemaal anders dan wat Mathias een week voordien beweerde: ons federalisme is kaduuk en onafgewerktDe bevoegdheden lopen zodanig door elkaar dat de verschillende regeringen geen andere keuze hebben dan op elkaar te leunen. 


donderdag 12 december 2019

Fake News op Clericks Weblog

      We lezen allemaal wel eens iets anders dan wat er staat. Ik heb dat vaak met krantenkoppen en reclameboodschappen. Hoe groter de tekst, hoe groter de kans dat ik iets fout lees. Er verschijnt een stuk over toenemend moslimtoerisme, en dan heb ik moslimterrorisme gelezen. En nu is het mij overkomen met een stuk van Peter Mijlemans over de Britse verkiezingen. Ik las in een opschrift naast de foto dat de Britten moesten kiezen tussen het ‘ultra-liberalisme’ van Boris Johnson of het ‘democratisch socialisme’ van Jeremy Corbyn. Ik kon mijn ogen niet geloven en las het stuk enkele keren opnieuw.
     ‘Democratisch socialisme’, hoe kwam Mijlemans erbij. Dat was een woordcombinatie die na de jaren zeventig van de twintigste eeuw niet meer gebruikt wordt. Wou hij met alle geweld het adjectief ultra gebruiken voor het liberalisme van Johnson en had hij dan maar het eerste beste adjectief genomen om het socialisme van Corbyn daar niet zo moederziel alleen voor de leeuwen te gooien.
     Vaak laat ik een stukje een paar dagen, of weken, rijpen in mijn hoofd, maar hier moest ik snel zijn. Ik zag het meteen voor mij: een woord over Ed van Gasse en zijn kutkrantenkoppen, dan iets over citaatkoppen die je  op het verkeerde been zetten, en uiteraard iets over de adjectieven van Mijlemans die je gemakkelijk van plaats kon verwisselen, en die dus betekenisloos waren. Ik had meteen ook een idee voor een titel: ‘Onbetrouwbare koppen’ en daarbij dan de portretten van Johnson en Corbyn, wat een mooi double entendre zou opleveren.
    Ik heb het stukje snel geschreven, en op mijn blog en op facebook geplaatst.*
     Achteraf dacht ik: zou het niet fijn zijn om een foto van de gewraakte krantenpagina aan mijn tekst toe te voegen. Misschien geloven de lezers dat niet, van dat democratisch socialisme. Ik ga dus naar de digitale krantenkiosk en open het artikel. De adjectieven staan er nog. Goed. Die ga ik nu omcirkelen met een rode streep. En dan pas zie ik dat er staat ‘dogmatisch socialisme’.
     Hoe is het mogelijk? Die bedriegers van Het Nieuwsblad hebben hun fout gezien en hebben stilletjes, terwijl niemand aan het kijken was, snel even ‘democratisch’ in ‘dogmatisch’ veranderd. Dat zal ze zuur opbreken, want nu maak ik een foto van de papieren krant! Ik ga de krant zoeken, sla die open en, verdomd, daar staat ook ‘dogmatisch’. Ik had het al die keren verkeerd gelezen.
     Om kort te gaan, lieve lezers, ik was fout, en Mijlemans had minstens voor de helft gelijk. Het liberalisme van Johnson is dan misschien allesbehalve ‘ultra’, maar dat het socialisme van Corbyn dogmatisch is, daar kunnen we het over eens zijn.


* Dit is het stukje dat ik geplaatst had:

 Onbetrouwbare koppen

Mijn facebookvriend Ed Van Gasse stoort zich aan kranten die kutkoppen gebruiken. Dat zijn koppen boven een stuk die de inhoud van dat stuk slecht weergeven. Hij geeft daar op zijn pagina treffende voorbeelden van. 
     Nu is het maken van een kop een moeilijk werkje: hij moet kort zijn, snedig, een idee geven waar het artikel over gaat, en de lezer zin geven om het stuk ook te lézen. De kop mag niet te braaf zijn, maar moet ook niet te veel provoceren. Doe het maar eens.
     Zelf erger ik mij het meeste aan koppen die schijnbaar een feit vaststellen, maar in werkelijkheid de mening weergeven van een of andere geïnterviewde. Ik krijg die koppen dan binnen in mijn mailbox. ‘Scholen die een hoofddoek verbieden, verspillen enorm veel talent,’ dat soort dingen. Tiens, denk ik dan, zou daar onderzoek naar gedaan zijn? Wie heeft dat onderzocht? Hóe heeft men dat onderzocht? Wat zijn de cijfers? Maar als ik het stuk open, blijkt het om een interview te gaan met een of ander parlementslid van Groen, en, ja, die vindt dat, van dat talent en die hoofddoeken. Ik erger mij dan dood. Ik had beter op de aanhalingstekens moeten letten.
      Het probleem ligt trouwens niet alleen bij de koppen. Vandaag zag ik in Het Nieuwsblad een stuk van Peter Mijlemans over de Britse verkiezingen. ‘De minst populaire wordt premier,’ luidde de kop, met een foto van Boris Johnson en Jeremy Corbyn. Dat lijkt mij de stand van zaken in Groot-Brittannië goed weer te geven. Maar naast de foto van Johnson en Corbyn stond een kort fragment in een grotere, zwartere letter dan de rest van de tekst. Journalisten noemen dat een ‘streamer’. En in die ‘streamer’ las ik dat de Britten vandaag moesten kiezen ‘het ultra-liberalisme van Boris Johnson of het democratisch socialisme van Jeremy Corbyn’.
     Ja, als je het zo stelt, dan zijn de Britten wellicht beter gediend met dat democratische ding dan met dat ultra-ding. Maar we kunnen het voor hetzelfde geld natuurlijk omkeren en de Britten laten kiezen tussen het democratisch liberalisme van Johnson en het ultra socialisme van Corbyn. Daarmee doen we, geloof ik, de waarheid weinig geweld aan, of in elk geval neit meer dan Mijlemans deed. Zou die overigens lang nagedacht hebben over de plaats van zijn adjectieven? Zowel een positief als een negatief antwoord werpen een ongunstig licht op de zaak.

woensdag 27 november 2019

Meent Magnette dat nu?


     Met de maatregelen die Magnette in zijn nota opneemt kan hij een regering vormen met PS, SP.a,  Groen, Ecolo en misschien PVDA-PTB. Samen hebben ze dan 64 zetels op de 150. Dat is natuurlijk wat krap, maar de huidige regering heeft ook maar 52 zetels, dus, waarom niet?
     Maar ’t is een grapje natuurlijk. Die rood-groene regering komt er niet, en de meeste maatregelen die Magnette nu voorstelt ook niet. ’t Is een schertsnota.
     Neem het grote plan om het héle bedrijfswagenpark te vervangen door elektrische auto’s … tegen 2023 – binnen ongeveer drie jaar dus – dat is om zoveel redenen onmogelijk dat je niet weet waar je moet beginnen. Om het eerste het beste te nemen: weet de studiedienst van de PS hoeveel bedrijfswagens er in ons land rondrijden en hoeveel kilometers die afleggen? Zou dat niet zo zowat de helft van het totale aantal gereden kilometers zijn? En heeft die studiedienst uitgerekend hoeveel inkomsten de staat zou verliezen als de helft van de accijnzen op benzine wegvallen? Natuurlijk hebben die mensen dat uitgerekend. Als er iets is waar ik op betrouw, dan is het wel op het cijferwerk van de PS-studiedienst. Die weten tot op de cent na hoeveel elke maatregel zal opbrengen voor, of kosten, aan hun electoraat.
     Waarom doet Magnette dan zo’n onzinnig voorstel, dat nog onzinniger wordt als je het samen neemt met alle nieuwe uitgaven die hij voorstelt?
     Ik weet niets van wat zich achter de schermen afspeelt, maar ik denk er het mijne van. Magnette wil, geloof ik, in de eerste plaats N-VA weg van de onderhandelingstafel krijgen. Hij stelt dus een provocerende nota op die grote zekerheid biedt op de ‘belastingstsunami’ die N-VA zegt te willen vermijden. Hij voegt er nog de kernuitstap aan toe, de federale kieskring en de afschaffing van de gesloten asielcentra. En als de N-VA dan woedend de deur dichtslaat, kunnen de echte onderhandelingen beginnen om de liberalen erbij te krijgen. De helft van de voorgestelde economische maatregelen wordt dan in de prullenmand gegooid, en de andere helft wordt nog eens goed nagerekend door de studiedienst.
     Na die onderhandelingen leest Gwendolyn Rutten op televisie een lijstje voor van alle maatregelen die ‘ze heeft kunnen tegenhouden’. Magnette vertelt aan links Wallonië, dat twijfelt tussen PS, PTB en Ecolo, dat hij veel verder had willen gaan, maar 
de liberalen wilden niet mee. De elektrische bedrijfswagens voor 2023 komen er niet, maar de N-VA is toch maar mooi buiten de regering gehouden. Dat is een hele troost.
     Om die truc te laten slagen, vind ik, moeten de Vlaamse liberalen zich eerst een tijdje als een preutse maagd gedragen  dat moet Gwendolyn toch kunnen als ze erg haar best doet  een maagd die niet al te snel toegeeft aan de lusten van de Zuiderse minnaar. Ik begrijp dan ook niet waarom Bart Somers en Mathias De Clercq op voorhand zo te koop lopen met hun paarse geestdrift. Maar ze zullen wel andere afwegingen maken.
     Verder moet ook N-VA het spel willen meespelen, of liever, het spel willen verlaten. En als ze dat niet willen? Ik moet er niet aan denken. En ik ben de enige niet. Peter Mijlemans van Het Nieuwsblad siddert bij de gedachte. In zijn laatste hoofdartikeltje smeekt hij of N-VA alstublieft zou willen opstappen. De partij moet de ‘stekker eruit trekken’. Het zou de partij ‘sieren’.
     Kijk, als Mijlemans dat zo mooi vraagt …

zaterdag 16 november 2019

Nog meer bedenkingen bij de cultuursubsidies

** Als ik betogingen zie waar artiesten door een megafoon leuzen roepen, besluipt mij een gevoel van schaamte. Ik denk dan aan de tijd dat ík leuzen door een megafoon riep. Ik moet mijzelf dan streng toespreken. Het is niet omdat wat ik toen door de megafoon riep onzin was, dat alles wat door een megafoon geroepen wordt, onzin is. 

** Ik schreef het al in mijn vorige stukje (hier): in mijn ideale maatschappij zijn cultuursubsidies niet nodig. De mensen geven er geheel vrijwillig veel geld uit aan muziek, boeken, theater en schilderijen, liever dan aan dure restaurants of aan Zalando-schoenen. Maar om zover te komen zal er nog veel moeten veranderen. In het gemiddelde gezinsbudget gaat 7,2 procent naar restaurant, en slechts 8,6 procent naar vrije tijd en cultuur sàmen. 

** Als we die 8,6 procent  ‘cultuur en vrije tijd’ zouden opsplitsen, wat zou dan het aandeel van ‘cultuur zijn? Hoeveel geven we uit aan rockconcerten, opera, boeken, bioscoop, netflix, spotify, muziekschool, huur of aankoop van instrumenten, gesubsidieerd en ongesubsidieerd theater, museumbezoek, cultuurreizen van Davidsfonds en Doorbraak? 3 procent? 4 procent? In elk geval vele keren meer dan wat er aan subsidies in de sector omgaat. Zelfs als een bijzonder kwaadaardige regering álle cultuursubsidies zou afschaffen, zou het grootste deel van de cultuur nog altijd overeind blijven.

** Hoeveel subsidie gáát er eigenlijk in de sector om? We kennen het cijfer van 508 miljoen Vlaamse subsidies. Dat is 1,18 % van de Vlaamse begroting. ’t Is minder dan Onderwijs en Zorg (elk bijna 30 procent), maar ’t is ook niet weinig. Daar komen nog de federale, provinciale, gemeentelijke subsidies bij, het deeltijds kunstonderwijs, en wellicht nog hier een daar een onderdeel van een andere begrotingspost.  Zouden we in Vlaanderen aan één miljard komen?

** Terug naar de kleine cijfers. Het meeste protest betreft de daling van de ‘projectsubsidies’ van 8,47 miljoen naar 3,39 miljoen. Die subsidies, heb ik begrepen, gaan niet naar gevestigde instellingen, maar naar projecten van onbekende jonge artiesten die iets willen uitproberen. Ik heb mij lang afgevraagd waarom juist die subsidies worden teruggeschroefd. De mooiste verklaring is zoals zo vaak die van de PVDA: N-VA wil vooral jonge kunstenaars ‘de mond snoeren’ omdat ze zo kritisch zijn. Peter Mijlemans in Het Nieuwsblad heeft er een afgezwakte versie van: N-VA wil vernieuwing in de kunst tegenhouden. Zelf vermoed ik dat de projectsubsidies zijn uitgekozen omdat de weg van de minste weerstand altijd de aanlokkelijkste is. De projectsubsidies betreffen namelijk toekomstige projecten. Dan lijkt besparen gemakkelijker. Je bespaart op iets wat nog niet bestaat. Je neemt niet iets af van één of andere instelling of groep die wel al bestaat. Niemand moet boos zijn.

** Maar de sector wás boos. Allerlei grote namen – Tine Hembrechts, Wim Van Opbrouck, Michaël Pas – lieten verstaan dat ze nooit een grote naam zouden zijn geworden, als ze bij het begin van hun carrière niet een duwtje in de rug hadden gekregen in de vorm van een projectsubsidie. Daar twijfel ik aan. Als ik die mensen bekijk, hadden ze, geloof ik, wel het talent en de gedrevenheid om hoe dan ook de acteurs te worden die ze nu zijn. En verder zal er ook wel veel geld zijn gegaan naar projecten van beginners die uiteindelijk toch maar voor een baantje op kantoor kozen.

** Toch begrijp ik de boosheid. Die grote namen – Tine Hembrechts, Wim Van Opbrouck, Michaël Pas – denken met weemoed terug aan hun jonge jaren. Ze voelen zich verbonden met de studenten van conservatoria en kunstscholen die nú afstuderen en die, net als zij indertijd, met een hoofd vol dromen de podia wilden bestormen. Ze gunnen dat jonge geweld dezelfde projectsubsidies die zij indertijd gekregen hebben. Dat is mooi.

** Het is echter niet alleen een kwestie van geld. Mensen willen, meer nog dan geld, in de eerste plaats respect. Subsidies voor kunst verminderen, of voor onderwijs, treft de artiest, of de leraar, in zijn waardigheid. Het lijkt alsof er bezuinigd wordt omdat er in de sector te veel ‘geprofiteerd’ wordt. Nu ja, er zullen in gesubsidieerde sectoren als de kunstenwereld en het onderwijs wel profiteurs rondlopen, maar er zullen evengoed heel veel harde en gedreven werkers zijn, al krijgen ze dan subsidie of al hebben ze dan een ambtenarenstatuut.

** Ook voelen de cultuurmensen zich onbegrepen. Buitenstaanders, vinden ze, weten niet wat de gevólgen zijn van besparingen. Ook dat herken ik. Er was enige tijd geleden sprake van dat leraren met een masterdiploma 21 uur zouden moeten lesgeven, in plaats van 20 uur. De buitenwereld zal wel gedacht hebben, ach, één uurtje erbij, dat moet toch kunnen. Een terechte gedachte eigenlijk. Maar zelf was ik in paniek. Ik geef al enkele jaren vier uur Nederlands aan vijf klassen in ongeveer dezelfde studierichtingen. Voor mij is dat de ideale situatie die ik eindelijk op het einde van mijn loopbaan heb bereikt. Met 21 uur zou heel dat schema in de war geraken. Dan moest ik weer 4-uur-klassen met 3-uur-klassen gaan combineren en Engels met Nederlands. Dat is natuurlijk ook geen ramp, maar het zou voor mij véél, véél ingrijpender zijn dan alleen dat uurtje meer.

** Jambon heeft voorgesteld dat de cultuursector zelf maar besparingsvoorstellen moet formuleren. Dat gaan die cultuurmensen niet doen, want dan zouden ze onder elkaar ruzie moeten maken over wie wél en wie niet moet inleveren. Misschien zijn ze wel bereid om op kabinetten te konkelen voor een groter deel van de koek, ten nadele van hun concurrenten, maar dat gaan ze niet doen in het openbaar. Daarom doe ik hier een voorstel in hun plaats. Ik lees dat de werkingssubsidies 6 procent minder worden, behalve die van de zeven ‘erkende kunstinstellingen’, die 3 procent minder krijgen. Als al die instellingen nu allemaal één procent extra inleveren, kan men dan de projectsubsidies voor de jongeren weer op het oude peil brengen ? Of moet er meer dan één procent extra worden ingeleverd?

** Je leest vaak dat dan maar ergens anders dan in cultuur moet worden bespaard. Op defensie bijvoorbeeld waarvan het budget, omgerekend naar Vlaanderen, ongeveer het dubbele moet zijn als dat van cultuur, maar ook niet veel meer dan dat. Of misschien op de uittredingsvergoedingen voor politici, op de subsidies voor politieke partijen, op de dotaties voor het koningshuis, op overbodige fietspaden aan twee kanten van de weg … Over die redenering heb ik ooit een stukje geschreven (hier). Maar er is nog iets anders. Op veel andere sectoren wórdt in de huidige begroting al flink bespaard. Marc Ernst trok mijn aandacht op de ingreep in de Kmo-portefeuille die aan ondernemingen subsidies uitkeert voor opleiding, advies en coaching. Dat bedrag gaat van 61 miljoen naar 38 miljoen, een daling van 23 miljoen. Dat is bijna vijf keer zoveel als de ingreep in de projectsubsidies.

** Elk subsidiebeleid voor cultuur vertrekt van de gedachte dat bepaalde cultuurvormen beter zijn dan andere. Het gaat in tegen de populaire smaak. Grote groepen kinderen gaan naar Pukkelpop, en kleine groepjes volwassenen naar het opera. Die kinderen gaan geheel vrijwillig naar Pukkelpop en betalen 100 euro voor een dagticket. De volwassenen moeten naar het opera gelokt worden met een gesubsidieerd ticket van 17 euro.  Ergens heeft iemand beslist dat Cosi Fan Tutte meer de moeite waard is dan Billie Eilish. Je kunt het paternalisme noemen, of volksverheffing, of beschaving, al naargelang je voor of tegen bent.

** Ik begrijp dat voor podiumkunsten sterkere argumenten bestaan om subsidies toe te kennen, dan bijvoorbeeld voor romans of poëzie. Dat geldt vooral voor relatief kleine taalgebieden. Broadway overleeft geloof ik zonder al te veel subsidies. Soms denk ik dat de keuze voor bepaalde vormen van modernistisch theater (minimalistische decors, eenmanstheater …) bij ons meestal ingegeven is door de minder hoge financiële eisen die zulke producties stellen.

** ‘Herhalingen dreigen nu ook voor theater,’ luidde een kop in Het Nieuwsblad. Dat zou volgens Danielle Dierckx van De Roma het gevolg zijn van besparingen op de werkingssubsidies. Maar misschien zouden wat meer herhalingen niet zo heel erg zijn. Ik wil de theatermensen niet leren hoe ze hun stiel moeten doen, maar ik heb de stellige indruk dat mooie interessante stukken niet lang genoeg op het programma staan. Het is elk jaar een heel gedoe om een mooi repertoirestuk voor mijn leerlingen te vinden. De zalen zijn vaak uitverkocht, de tournees te kort, de data vallen niet goed.  Ik moet dan uitwijken naar Oostende of Turnhout of een naar andere verre stad. Misschien zou, met wat goede reclame, zo’n stuk enkele keren meer dan nu kunnen worden opgevoerd voor een volle zaal.

maandag 23 september 2019

Het spuitje van 1,9 miljoen


     Door de week volg ik de toestand in de wereld maar met een half oog. Ik weet alles een dag later dan mijn buren en twee dagen later dan mijn collega’s. Toen ik van de week bijvoorbeeld eindelijk begrepen had dat er een actie was voor baby Pia en wat die actie inhield, was het te laat om nog mee te doen. Het bedrag was al verzameld. ’t Was een geluk dat mijn zoon al een sms’je had verstuurd.
     Zaterdag of zondag probeer ik dan de schade in te halen door hier en daar wat te lezen over wat er gebeurd is, en wat mensen met een mening daarvan denken. Over de Pia-zaak las ik bijvoorbeeld veel verontwaardigde commentaren: dat het medicijn Zolgensma veel te duur is, dat het bedrijf Novartis het spuitje gratis ter beschikking had moeten stellen, dat Big Pharma verziekt is, dat een chantagespel gespeeld werd met het leven van een kind, en dat nog maar eens blijkt dat ‘een absoluut vrije markt niet goed is’. Op die laatste gedachte ben ik een paar dagen aan het kauwen geweest. 
     Zeker is dat het medicijn voor SMA-patiëntjes erg duur is: 1,9 miljoen voor een éénmalige spuitje dat mogelijk de gevolgen van de aandoening langdurig verzacht. De grote baas van Novartis kwam op televisie en híj vond 1,9 miljoen niet te duur. Hij vergeleek het bedrag met de kost van een andere behandeling voor dezelfde aandoening. Die loopt over tien jaar tegen de 3,6 miljoen euro aan; dat is dus nog veel meer. Maar als wij gewone mensen iets horen van 1,9 miljoen, maken wij een ándere vergelijking: wij vergelijken met het bedrag dat op ons spaarboekje staat, en dat is aanzienlijk lager.
     Is 1,9 miljoen te veel? Ik geloof het wel. Maar je moet mij niet vragen wat dan wel het juiste bedrag is. 1,7 miljoen, of 1,2 miljoen, of misschien maar 0,9 miljoen? Dat is allemaal mogelijk. Het zal in elk geval veel meer zijn dan ik ooit zal kunnen betalen als ik een medicijn nodig heb. Journalisten hebben de mening gevraagd van onderzoekster Martine Barkats, die mee de gentechnologie ontwikkelde waar Zolgensma op voortborduurt. Ze antwoordde dat de prijs ‘te hoog’ ligt, maar ‘over wat een een redelijke prijs is, wil ze zich niet uitspreken’ 
(hier). Dat is heel voorzichtig van de onderzoekster.
     Minder voorzichtig is Peter Mijlemans in Het Nieuwsblad (hier). De journalist werd er zelfs ‘lichtjes ziek’ van.  ‘De Zwitserse farmareus, schrijft hij, verdedigt zich, zoals alle farmabedrijven, met het verhaal dat onderzoek en ontwikkeling jaren arbeid en investering kosten. Het is een excuus om lichtjes ziek van te worden. Alleen al de miljardenwinst – meer dan tien miljard – toont aan dat de waarheid hier beentje wordt gelicht.’ Dat is weer echt Mijlemans.* Hoe, vraag je je af, kan een miljardenwinst ‘aantonen’ dat het jarenlange onderzoek en de zware investeringen niet meer dan een excuus zijn? Kun je van excuus spreken als het gaat om een feit ? De gemiddelde kostprijs om in Europa een medicijn te ontwikkelen is ongeveer 1,25 miljard (hier). Als 1,25 miljard investering een excuus is voor hoge prijzen, dan is het toch minstens een geldig excuus, zoals dat van een leerling die te laat komt door het openbaar vervoer. Zo’n hoog bedrag leidt overigens niet altijd tot problemen. Als het miljardenmedicijn aan miljoenen patiënten wordt verkocht, wordt de prijs per patiënt overzichtelijk. Als het daarentegen om zeldzame ziekten gaat, wordt de deler veel kleiner, het quotiënt veel groter en het probleem veel prangender.
    Ondanks die overwegingen geloof ik nog altijd dat 1,9 miljoen voor een Zolgensmaspuitje te veel is. Dat komt dan niet door een teveel aan vrije markt, maar door het omgekeerde, een gebrek aan vrije markt. Zolgensma wordt aangeboden door één verkoper, door één bedrijf, dat de technologie ontwikkeld of gekocht heeft. Dat bedrijf heeft het patent op die technologie voor 20 jaar, wat niet helemaal onredelijk is. Maar daardoor heeft het bedrijf een feitelijk monopolie. Het kan voor haar product hogere prijzen vragen dan het zou kunnen als het product ook door andere bedrijven werd gemaakt. De winst stijgt, het geld stroomt binnen.
     Waar gaat dat geld naartoe? Een deel komt bij de aandeelhouders terecht. Ik heb uit het boekje van Hans Rosling (hier) begrepen dat dat vaak gepensioneerden zijn omdat pensioenfondsen vaak investeren in soliede farmabedrijven. Ik gun die gepensioneerden een goed pensioen, te meer omdat het verwachte rendement van die farma-aandelen gemiddeld niet hoger ligt dan dat van andere aandelen. Als dat niet zo was hadden we De Tijd, Paul D’Hoore en het nieuwe schoolvak ‘Financiële Vaardigheden’ niet nodig. Dan moesten we gewoon met ons allen al onze centen in farma investeren en werden we allemaal zo rijk als Croesus.
     Zo’n monopoliebedrijf zou wel gek zijn om zijn aandeelhouders gemiddeld meer uit te keren dan een ander bedrijf. Maar dat extra geld is wel leuk meegenomen. Je moet dan niet meer zo op de kleintjes letten. Het zou mij niet verwonderen als in de farmawereld de kantoren ruimer zijn, de zakenlunches rijkelijker en de brochures mooier gedrukt. Misschien krijgen de onderzoekers een bovenmatige loon, de juristen een overdreven vergoeding en de reizende verkopers een buitensporige premie. Misschien worden er te veel marketingmensen en HR-mensen in dienst genomen. Misschien wordt er te veel zinloos vergaderd. Monopolie leidt tot hoge prijzen, tot hoge inkomsten én tot verspilling.**
     De gevolgen van monopolie – een markt met één verkoper – worden in zekere mate tegengewerkt door monopsonie – een markt met één koper. Dat is in de gezondheidswereld het geval. Veel medicijnen en behandelingen zijn te duur voor afzonderlijke patiënten. De betaling gebeurt door grote verzekeringsinstellingen die in Europa door de staat zijn ingericht. Die instellingen zijn in zekere zin de enige kopers; zij bepalen mee de prijs.  Als zij weigeren een medicijn terug te betalen, heeft de producent weinig verhaal. Er moet dan worden onderhandeld.
     Omdat die onderhandelingen de levenskwaliteit en soms zelfs het leven van de patiënten als inzet hebben, heeft de buitenstaander de indruk dat de partijen allebei een chantagespel spelen. Die indruk is terecht. De farmareus zegt: als je niet betaalt wat ik vraag, moeten de patiënten zelf maar zien hoe ze genezen. En verzekeringsinstelling antwoordt: als je het medicijn niet verkoopt aan de prijs die wij voorstellen, dan blijven onze verzekerden maar ziek. Uiteindelijk wordt een prijs overeengekomen die ergens in het midden ligt. ’t Is cynische bedoening, maar ik betwijfel of er een betere oplossing bestaat.
     Het spel van onderhandelingen beïnvloedt ook wat in de pers verschijnt. Ik las in Het Laatste Nieuws (hier) een interview met  Maggie De Block. De minister van Volksgezondheid is hard voor Novartis. Ze is ‘boos’. Het gevraagde bedrag is ‘absurd’. Ze weigert de Novartismensen op haar kabinet te ontvangen. Ze suggereert dat het bedrijf geen ‘geweten’ heeft. Ik vind dat allemaal slimme uitspraken van Maggie. Een goede manier om onderhandelingen voor te bereiden is om de publieke opinie aan je kant te krijgen. Meer zoek ik er niet achter.
    Het is dus waarschijnlijk dat monopsonie en harde onderhandelingen de prijs van medicijnen naar beneden kan brengen. Toch geloof ik dat de onvermijdelijke monopolies in de farmasector zullen blijven leiden tot hoge prijzen, tot hoge inkomsten en tot een zekere mate van verspilling. Maar die verspilling heeft lang niet alleen slechte kanten. Waarschijnlijk bestaat de grootste verspilling uit – achteraf gezien – mislukt onderzoek. Ik las ergens (hier) dat in de eerste onderzoeksfase  ongeveer 64 procent van het onderzoek tot niets leidt. In de tweede fase is dat 89 procent en in de derde fase 88 procent. Dat mislukte onderzoek kost miljarden, maar met de monopolieprijzen die de firma’s kunnen vragen, wordt dat verlies weer goedgemaakt.
     Als men erin zou slagen, door concurrentie,  door staatsinmenging, of door onderhandelingen, om die prijzen te verminderen, dan zouden besparingen zich opdringen en zou het aandeel van het mislukte onderzoek verminderen. De bedrijven zouden minder lichtzinnig beginnen aan een investering en minder koppig volhouden als de resultaten uitbleven. Er zou minder geld verspild worden, de geneesmiddelen zouden gemiddeld minder duur zijn, maar … er zouden er ook minder worden ontwikkeld.** Door een voorzichtig besparingsbeleid zou het totale aantal onderzoeken verminderen, het aantal mislukkingen zou dalen,  maar ook het aantal onverhoopte successen zou afnemen.  In zulke omstandigheden was het Zolgensma-spuitje misschien nooit op de markt was gekomen. Het zou niet te duur geweest zijn. Er zouden geen harde onderhandelingen nodig zijn geweest. Er zouden geen miljoen sms’jes verstuurd zijn. Het zou niet hebben bestaan.
     Ook de farmamedaille heeft twee kanten.
     En de lichtjes zieke Peter Mijlemans wens ik een spoedig herstel.

* En vandaag doet Mijlemans het weer (hier). De farmasector had voorgesteld om geen cent meer aan te rekenen voor nieuwe geneesmiddelen die een patiënt niet helpen. Daarmee ‘geeft de farma-industrie eigenlijk toe dat de prijzen verre van realistisch zijn.’ Dat is niet zo. De economische logica is helemaal anders. Als de firma geen geld ontvangt voor niet-werkende medicijnen – een redelijke voorstel – , wordt hun productiekost gedragen door de een nog hogere kostprijs voor de medicijnen die wel werken.

** Men begrijpt waarom Maggie De Block aan de farma-industrie een besparing heeft opgelegd van 1,1 miljard euro. 

*** Sommige deskundigen zoals professor De Nys (hier) stellen voor om dure medicijnen als Zolgensma niet meer te ontwikkelen. We kunnen het niet ontkennen: dan is het probleem van de dure medicijnen inderdaad van de baan. Er bestaat geloof ik een fabel van Aesopos die dat soort oplossing als onderwerp heeft, maar ik ben vergeten welke.

dinsdag 6 augustus 2019

De moeizame Vlaamse regeringsformatie

    In Het Nieuwsblad  vraagt Peter Mijlemans zich af waarom Bart De Wever treuzelt met de Vlaamse regeringsformatie. Is het omdat hij eerst ‘het eigen partijhuishouden op orde wil krijgen’? Of wil hij de andere partijen zenuwachtig maken om ze tot meer toegevingen over te halen?
     Mijlemans denkt dat het laatste het geval is. Hij waarschuwt De Wever ervoor om zo’n aanpak niet te ver te drijven, want partijen die bij het opstellen van het regeringsprogramma of bij de samenstelling van de regering te veel moeten toegeven, gaan achteraf uit wraak het regeringswerk ondermijnen. Mijlemans formuleert het met allerlei metaforen, maar daar komt het op neer, geloof ik. Misschien denkt Mijlemans aan het gedrag van Kris Peeters in de vorige regering.
     Het is in elk geval allemaal wáár wat Mijlemans schrijft.
     Maar laten we de zaak wat breder bekijken. Bart heeft de keuze tussen vijf mogelijke Vlaamse regeringen.*
       
              1.    N-VA + VB + ? (Vlaamse coalitie)
      2.     N-VA + CD&V + Open Vld (Zweedse coalitie)

      3.       N-VA + CD&V + SP.A (Slecht-weer coalitie)®** 
             4.       N-VA + Open Vld + SP.A (Bourgondische coalitie)
      5.       N-VA + CD&V + Open Vld + SP.A (Regenboog coalitie)

     Die eerste mogelijkheid is wat moeilijk vanwege dat vraagteken. Sommigen die VB goed gezind zijn, menen dat achter dat vraagteken een echte partij schuil gaat, maar wélke dat is weten zij niet. Er zal wel één partij ‘overstag gaan’, lees ik soms. Misschien. Misschien ook niet. En dan blijft de vraag welke invloed zo’n coalitie met VB zou hebben op de federale formatie.
Laten we de zaak alweer wat breder bekijken. Met welke coalitie kan Bart best zijn doelstellingen bereiken? Onder die doelstellingen treffen we wellicht zaken aan als:

1.       een stabiele meerderheid
2.       min of meer loyale regeringspartners
3.       een ernstige kans om in de federale regering te komen
4.       de realisatie van een gedeelte van zijn partijprogramma
5.       een publieke opinie die in de toekomst  zijn partij gunstig gezind is ***.

  Ik wil Bart, als hij dat op prijs stelt, best een aantal wenken meegeven. Een coalitie met één stem op overschot is voldoende, maar een ruime meerderheid is beter. CD&V is niet erg betrouwbaar, maar Open Vld en SP.A zijn dat ook niet. In de SP.A zitten veel ‘sossen’, maar in andere partijen vind je er ook. Voor Vlaanderen is een Zweedse coalitie iets te rechts, een Slecht-weer coalitie iets te links, een Bourgondische coalitie iets te vrijzinnig, een Regenboog coalitie iets te vermoeiend een een Vlaamse coalitie iets te Vlaams.
     En verder. Een federale regering met N-VA én PS is moeilijk, maar ze is niet onmogelijk. De partij mag haar liberale kiezers niet afstoten door onverantwoorde staatsuitgaven en belastingverhogingen, maar ze mag ook haar sociale kiezers niet verliezen door strikte besparingen. Ze moet elke coalitiegenoot laten scoren, maar het mag ook niet te veel geld kosten. Meer Vlaamse autonomie dwing je niet af met dreigementen, maar je moet de Walen ook niet te veel hun zin geven. Voor een strikt immigratiebeleid moet je niet op Europa wachten, maar helemaal zónder Europa zal het ook niet gaan. Het onderwijs moet worden hervormd, maar ook zinnige hervormingen zullen op weerstand stuiten van leraren en ouders.    
         Voilà. Dat alles op de weegschaal – zo moeilijk kan dat allemaal niet zijn. En nog eentje om het af te leren. Bart moet met de regeringsformatie niet te lang treuzelen. Maar hij moet zich ook weer niet overhaasten. En als hij nog meer goede raad nodig heeft, weet hij waar hij mij kan vinden. Ik sta aan wal.






* En dan heb ik Groen niet eens meegeteld. Björn Rzoska vindt dat toch ‘één van de winnaars’ van de laatste verkiezingen in de regering zou moeten komen. 

** Geïnspireerd op de weercodes. Geel: gevaarlijk. Oranje: extreem. Rood: alarm.  


*** En minder gunstig gezind tegenover zijn concurrenten binnen en buiten de regering.