Posts tonen met het label Alexandre Dumas. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Alexandre Dumas. Alle posts tonen

zondag 19 januari 2020

De man die nooit een maagd deed blozen

     Omdat ik volgend jaar 65 word, en op pensioen ga, is elke les die ik nu over een onderwerp geef meteen de laatste die ik over dat onderwerp geef. Vorige week heb ik dus voor de laatste keer les gegeven over Hendrik Conscience en Blinde Roza. Ik geef die les al 15 jaar aan gemiddeld drie klassen van het zesde jaar en mijn draaiboek verandert niet veel. De pathetische uitroepen van Lange Jan declameer ik altijd op dezelfde manier. Ik leg uit dat latere realisten die pathetiek in hún boeken afzwakten door het gebruik van de vrije indirecte rede. Bij het stukje over de jonge reizigers die uit de koets springen en daarbij ‘hunne armen bewogen als ontsnapte vogelen die hunne vlerken weer in volle vrijheid beproeven’ maak ik een sprongetje en beweeg ik mijn armen op een zo’n manier dat de ongelukkige keuze van de beeldspraak duidelijk wordt. Verder leg ik Rousseaus begrip van ‘noble sauvage’ uit. James Fenimore Cooper, zeg ik dan, vond zijn wilden in de bossen en de prairies van de Frontier. Maar waar moest Conscience die vandaan halen? Wij hier in Vlaanderen hadden daarvoor alleen Limburg, en bij uitbreiding de Kempen. Als ik alleen ‘de Kempen’ zeg, zonder Limburg, komt er geen gelach. Dat Limburg moet erbij, al is het als we over Conscience spreken niet helemaal correct.
     Ook zeg ik een woord over de kritiek van Louis-Paul Boon. Die vond dat Conscience de armoede had geromantiseerd. De Kempense landlui zoals Conscience ze tekende, waren ‘arm maar proper’. Ik ga daar in de klas niet dieper op in, terwijl er wel iets over zeggen valt. Boon maakt het verwijt dat Conscience niet schrijft over ‘de bittere strijd om ontvoogding … en de eerste manifesterende arbeidersrangen waarop geschoten wordt.’ Dat is flauw. Een schrijver schrijft waarover hij kán schrijven. Je verwijt Van Gogh niet dat hij zonnebloemen schilderde, en Proust niet dat hij over koekjes schreef, om twee van Boons eigen helden aan te halen. In werkelijkheid gaat het Boon niet om de onderwerpen die Conscience koos, maar om de brave en tevreden toon waarop hij ze behandelt. Elsschot schreef ook niet over de mijnstakingen in de Borinage, en toch ziet Boon in hem een verwante ziel. De reden is dat je in bijna elke zin van Elsschot de ontevredenheid voelt over de stand van zaken, over welke stand van zaken het ook gaat. Om één of andere reden vindt Boon die ontevredenheid en opstandigheid merkelijk superieur aan braafheid en berusting. Ik vond dat vroeger ook. Nu zie ik voordelen in allebei de houdingen.
     Omdat het afscheid van de vertrouwde Conscience-les mij zwaar viel, heb ik zojuist nog een biografie over de man gelezen. Hij was, zo blijkt, in zijn tijd een hele meneer. Er werd van hem gezegd dat hij zijn volk leerde lezen en nooit een maagd heeft doen blozen. Je weet niet wat het meeste lof verdient, want het analfabetisme in Vlaanderen was wijdverspreid en de maagden bloosden er gemakkelijk. Maar Conscience speelde het klaar. Hij werd gelezen in het buitenland, vertaald in het Duits en het Frans, en geplagieerd door Alexandre Dumas. In zijn geboortestad Antwerpen kreeg hij bij zijn leven een standbeeld. Een straat en een plein werden naar hem genoemd. Jammer dat hij niet zelf in die straat woonde, want dan had men hem brieven kunnen sturen naar ‘Henri Conscience, en sa rue, à Anvers’, zoals men brieven stuurde naar ‘Victor Hugo, en son avenue, à Paris.’
     Hier en daar heb ik in de rand van mijn biografie in potlood een kruisje gezet. Op bladzijde 89 staat iets over de cholera-epidemie die in 1866 heel West-Vlaanderen teisterde. Ik geloof dat de grootmoeder van mijn grootmoeder in de epidemie is omgekomen. Op bladzijde 104 wordt verteld dat Cyriel Buysse in 1912 een kleine steekproef deed naar de populariteit van Conscience: ‘De ouden van dagen kenden hem, de jeugd had op school van hem gehoord en de jonge volwassenen lazen hem niet meer.’
     Zulke kleine steekproeven doe ik ook soms onder mijn leerlingen, en ze bevestigen mij altijd in mijn mening. Misschien is het met Buysse ook zo gegaan. Maar het kan ook de zuivere waarheid zijn geweest. Dat de jeugd van 1912 op school van Conscience had gehoord, klopt in elk geval. Mijn grootmoeder had van hem gehoord en ze zat op school rond 1912. Over de jonge volwassenen van 1912 weet ik niets, dus misschien lazen die wel liever iets van Buysse. Dat kan.
     Waar ik wél iets over weet, dat is de jeugd van 1966. Ik zat toen in het zesde leerjaar en we hadden een kleine bibliotheek in de klas. Die bevatte sciencefictionverhalen voor de jeugd, De Witte van Ernest Claes en een vijftal boeken van Conscience in gele banden. Sommige van mijn vriendjes kwamen uit een flamingant gezin, en ze raadden mij aan om De leeuw van Vlaanderen te lezen. Ik kwam niet uit een flamingant gezin, maar heb het boek toch gelezen. Ik herinner mij nog de uitroep van de maagd Machteld: ‘Is mijn lieve moei dood? O God wat droefheid!’ Ook herinner ik mij nog dat het om een misverstand ging. De lieve moei was niet dood. Ik wist overigens niet wat een ‘moei’ precies was, en dat weet ik nog altijd niet. Verder herinner ik mij nog het historisch nawoord waarin het Vlaanderen minder goed verging dan op het Groeningeveld. Dat was een hele ontgoocheling.
     Het is mogelijk dat ik in dat zesde leerjaar ook de Kerels van Vlaanderen en Jacob van Artevelde gelezen heb. Ik denk het, maar ik kan er mij niets meer van voor de geest halen. Misschien kwam er in die boeken geen moei voor. Wel herinner ik mij dat ik het jaar daarna, ik zat toen al in de Latijnse klas, nog twee deeltjes Conscience gelezen heb. Het ene was De Boerenkrijg. Daarvan herinner ik mij een jonge idealistische revolutionair die met de Fransen sympathiseerde. Het andere deeltje was een verzameling van langere en kortere verhalen: Baas Ganzendonck, De loteling, De arme edelman, Een 0 te veel en Blinde Roza.
     Blinde Roza vond ik het mooiste.



Ik weet niet zeker of ik dit boek gelezen heb. Zo ja, dan was het in deze uitgave.

zaterdag 21 december 2019

Examens verbeteren

     Laatst vroeg de kassierster in de supermarkt mij of ik nog veel examens te verbeteren had. Dat viel eigenlijk mee. Collega’s van biologie of aardrijkskunde moeten soms tweehonderd of driehonderd examens verbeteren, maar ik geef Nederlands, wat een vieruursvak is. Daardoor heb ik nooit veel meer dan honderd leerlingen en dus ook nooit veel meer dan honderd examens.
      Ook heb ik in de loop der jaren veel meerkeuzevragen bedacht die ik telkens opnieuw gebruik. De helft van mijn verbeterwerk bestaat erin om lange lijsten letters te overlopen die ik dan vergelijk met mijn eigen lijst. Ik moet alleen een beetje opletten dat ik een M niet lees als een H, of een U als een V.
     Als dat klaar is, kan ik aan de zogenaamde ‘open vragen’ beginnen, waar de leerlingen in korte opstelletjes moeten weergeven wat ze van de leerstof begrepen hebben. Soms staat daar iets grappigs bij, maar meestal niet. Dit jaar heb ik twee keer gelachen. Een leerling van het zesde jaar had bij een vraag over de Drie Musketiers iets geschreven over de Franse ‘Hunegoten’. ’t Is een leuk woord als je het uitspreekt. Bij een andere vraag mocht men zelf een auteur uitkiezen om te bespreken. Een leerling had de auteur van Oliver Twist uitgekozen en schreef: ‘Charles Dickens was een Engelsman die boeken schreef en heel rijk werd.’ Dat was de zuivere waarheid.
     Het lastige aan verbeteren, zoals aan veel lerarenwerk, is dat het mij vooral veel inspanning kost om eraan te beginnen. Ik geloof zelfs dat díe inspanning groter is dan die van het verbeteren zelf.* Ik leg de examens in stapels in mijn werkkamer, op de vloer, klas per klas, en ga dan in de woonkamer een appeltje schillen, mijn lesje op de piano spelen of wat tv kijken. Ik zou eigenlijk een stukje willen schrijven, maar dat kan niet, want dan moet ik in de werkkamer komen en van die kamer ben ik bang geworden, meer dan van de examens die er liggen. Meestal los ik mijn probleem op door mijn examens naar de woonkamer te verhuizen en het verbeterwerk daar te doen.
     Wat ook helpt is, als je jezelf beloont tijdens het werk. Ik zou, als ik wilde, een muziekje kunnen opzetten, af en toe van een glaasje wijn nippen, of om de zoveel bladen een chocolaatje te eten. Ik doe niets van dat alles. Wel heb ik mij jarenlang beloond door mijn verbeterinstrument met zorg uit te kiezen. Ik had een Scheaffer vulpen – Connoisseur 1920 – die ik vulde met een mengsel van rode en bruine inkt. Die lag goed in de hand en ik voelde mij een beetje alsof ik de beroemde advocaat Thierry Claeys was, mijn vroegere baas, die ook zo’n pen en zo’n inkt gebruikte. Toen ik die pen wat beu was, ben ik overgeschakeld op dikke rode potloden met een vettige schrijfpunt. Ik moet dan wat harder drukken, maar ik kan er mooi, dikke strepen mee trekken. Dan voel ik mij een beetje alsof ik Stalin ben die op namenlijsten met strepen en kruisen aanduidt wie er moet worden doodgeschoten.
     Een van de beloningen die ik mij gun, is wat eigenaardig. De open vragen, moet je weten, verbeter je niet examen per examen, maar vraag per vraag, zodat je beter onthoudt hoeveel punten je voor welke stommiteit precies aftrekt. Dat betekent dat dezelfde examens, met dezelfde namen van leerlingen, verschillende keren terugkomen. Sommige van die namen – niet allemaal – zeg ik dan als beloning luidop. Het eerste jaar dat ik les gaf, had ik een leerlinge die Carolien de Caboter heette. ‘Carolien de Caboter’, zei ik dan luid, telkens als ik een toets van haar verbeterde. Mijn vrouw werd dan boos.
     Ik heb ondertussen mijn systeem verfijnd en bij de meeste namen heb ik iets toegevoegd: een Philippe wordt ‘Philippe le Bon’; een Hannah wordt ‘Hannah and her sisters’, een Saartje wordt ‘Saartje en haar kaartje’ en een Zita wordt ‘de mooie Zita’, omdat mijn gedachten dan uitgaan naar de laatste keizerin van Oostenrijk. Bij Franse namen, Jacqueline of Pénélope bijvoorbeeld, gebeurt het dat ik een stuk van een liedje zing: ‘Jacqueline, jolie Jacqueline, belle fille’ of ‘Combien de Pénélopes passeront illico pour des fieffées salopes’. Soms doe ik alleen iets met de uitspraak van een naam. Alexander spreek ik op zijn Engels uit: ‘àlikgzànder’; en Willem wordt ‘wullum’.
     Het stelt allemaal niet veel voor, maar je wordt er niet dik van, zoals van chocolaatjes. 



* Ik had hier graag geschreven dat zoiets een klassiek geval van ‘egodepletie’ was, maar die theorie schijnt voort te bouwen op niet-redupliceerbare experimenten.  Jammer eigenlijk.


De Schaeffer Connoisseur 1920 met bijhorende balpen

zaterdag 30 december 2017

De Vlaming als n***r in Wallonië, of omgekeerd

Een typische Vlaamse kop
    In 1838 was de Franse schrijver Alexandre Dumas op doorreis in ons land, en na Brussel deed hij ook Luik aan. Eerst een stukje eten, dacht de schrijver, want dat dacht hij altijd. Toen hij in juni 1830 deelnam aan de revolutie, verliet hij herhaaldelijk de barricaden om een stukje te gaan eten in nabijgelegen restaurants.
     Zijn zoektocht naar voedsel leidde hem dit keer naar het Hôtel d’Albion. Het was al erg laat. Het hotel geleek van binnen op een gewoon burgerhuis en Dumas vroeg verlegen aan de vrouw in de keuken of hij iets te eten kon krijgen, en daarna een bed om in te slapen.
     ‘Monsieur est Belge?’ Of meneer een Belg was, wou de vrouw weten.
     De vraag was begrijpelijk. Dumas zag er met zijn donkere huid, kroeshaar en dikke lippen uit als een neger. Zijn grootmoeder was dan ook een zwarte slavin geweest. Hij sprak ook een beetje anders en … hij was wat verlegen geweest.
     Nee, meneer was geen Belg. Meneer was een Fransman.

     Aha, dat was in orde. Een Fransman was oké, zei de vrouw, maar een Vlaming, dat was iets anders. Daar moesten zij in Wallonië niets van hebben.
     Als dat het enige probleem is, dacht Dumas en hij begon te informeren naar het menu. Helaas, alles was op. Geen kip, geen eend, geen patrijs. Gisteren wel, maar vandaag niets meer … Misschien een stukje rosbief, probeerde Dumas, of wat kalfsvlees. Nee hoor, gisteren was dat er nog geweest, maar een Vlaming had alles opgegeten. Meneer was toch geen Vlaming?
     Nee, meneer was een Fransman.
     Uitstekend, want Vlamingen, daar hielden ze in Wallonië niet van.

     ’t Was inderdaad een triestig volkje, gaf Dumas diplomatisch toe, maar je kon er wel altijd boter en eieren krijgen, op om het even welk uur van de dag.
     Boter? Dat was nu eens jammer. Wallonië was het land van de goede boter. Maar de boter werd op vrijdag gemaakt en nu was het woensdag en was er niets meer over. En die eieren die daar lagen, die waren leeggezogen. Valentin, die deugniet, prikte met een speld twee gaatjes in zo’n ei, aan de twee kanten één, en zoog het daarna leeg. En dat had hij met al die eieren gedaan. Ja, ’t was een deugniet, Valentin.
     Maar een bed? Ja, een bed kon meneer krijgen. De waardin riep het dienstmeisje en vroeg of ze meneer de Vlaming zijn kamer kon wijzen. Dumas en het meisje gingen naar boven. Aan de kamer gekomen vroeg Dumas of hij misschien een stuk brood kon krijgen. Ja, ze zou het beneden vragen. Wat later hoorde Dumas de waardin uitroepen: ‘Wat nu weer? Brood? Wat kunnen die Vlamingen lastig zijn. Sont-ils difficiles ces Flamands.’
     Je kunt het allemaal nalezen in Dumas’ Impressions de voyages, maar veel uitgebreider, want Dumas werd per woord betaald.

woensdag 15 november 2017

#MeToo en koningin Victoria


     Mannen zijn snel verongelijkt en vrouwen voelen zich snel aangevallen. ’t Omgekeerde geldt even goed. Een zekere bitterheid tussen de twee geslachten heeft altijd bestaan. ‘Ongebonden best, weeldig wijf zonder man,’ dichtte Anna Bijns*,  en de onbekende maar vermoedelijk mannelijke auteur van Karel ende Elegast  had daarvoor al geschreven “Vrouwenlist es menechfout, sijn si jonc oft sijn si out.’ De vijandelijkheden gaan dus al minstens terug tot de middeleeuwen. En zoals dat bij andere confrontaties het geval is, ontwikkelt zich in de oorlogvoerende kampen een solidariteit onder de strijders, een ‘esprit de corps’. Je merkt het aan de gekste dingen.
     Lees je bijvoorbeeld een levensbeschrijving van een Franse schrijver – Hugo, Dumas –, geschreven door een Franse biograaf** – Decaux, Troyat –, dan valt het op hoe die biograaf vanaf de zijlijn zijn held staat aan te moedigen bij elke amoureuze onderneming. Overspel wordt toegejuicht, bedrogen echtgenoten zijn dom, en veroverde vrouwen moeten achteraf niet zeuren als de literaire minnaar hen beu wordt en laat zitten. ‘Dumas had grote behoefte aan afwisseling,’ lezen we dan. Ook maken die biografen zich grote zorgen als de vrouwen of minnaressen na enige tijd in gewicht aankomen. De biograaf neemt zoiets persoonlijk en schrijft dan dingen als ‘de vrouw van Hugo werd belachelijk dik.’ Dus …
     Franse biografieën zijn vaak in de ‘vie romancée’ stijl geschreven - veel vraagtekens, veel uitroeptekens, en een lezer die persoonlijk wordt aangesproken. Daar hoort ook de fameuze ‘style indirect libre’ bij.  ‘Belle en Dumas,’ schrijft Troyat, ‘zijn al té lang samen! De gewoonte der lichamen ontmoedigt de begeerte. Alleen een nieuw lichaam, een nieuwe ziel, een nieuwe liefkozing belet dat een man vastroest.’ Wat moeten we nu aan met zo’n commentaar over de vastroestende man? Is dat nu wat Troyat ervan denkt, of wat Troyat zich inbeeldt dat Dumas ervan denkt? Of heeft Troyat die woorden misschien in een dagboek of een brief aangetroffen? Er heerst een flou artistique, maar in elk geval krijg je de sterke indruk dat Troyat en Dumas het over veel dingen eens zijn.
     De medeplichtigheid van de biografen gaat ver. Tijdens een Italiëreis ontmoet Dumas de mooie operazangeres Caroline Ungher. Hij probeert zich aan haar op te dringen in haar kleedkamer, maar wordt op een afstand gehouden. Caroline is verloofd, staat op het punt te trouwen en wil niets van de Franse schrijver weten. Wat later echter zijn door omstandigheden Dumas, Caroline en haar verloofde samen aan boord van een schip. Er steekt een storm op en de drie schuilen onder een tent. De verloofde wordt zeeziek en begeeft zich naar buiten. Over wat volgt is de biograaf erg enthousiast: ‘Dumas drukt Caroline tegen zijn krachtige mannenborst … en bewijst haar, snel maar hevig, welke hartstocht zij in hem opwekt.’ In dezelfde bouquetreeksstijl, maar uitgebreider, beschrijft Decaux hoe Victor Hugo ‘de weerstand overwint’ van de getrouwde bergbeklimster  Leonie d’Aunet.
     Hugo en Dumas waren natuurlijk roofdieren, en Decaux en Troyat waren académiciens, wat bij mij het beeld oproept van oude snoepers. Maar neem nu de Franse schrijver Julien Benda. Dat was een groot pleitbezorger van rationaliteit en ascetisme. En wat schrijft de halve académicien Etiemble over hem? Ja, hij geeft toe dat de strenge filosoof weinig aandacht had voor lekker eten. ‘Maar,’ vervolgt hij, ‘zijn kleine gestalte belette hem niet succes te hebben bij de vrouwen. Kent u iemand die gedurende twee jaar slaapt met een dame zonder haar naam te kennen.’ Nu ben ik ook slecht in het onthouden van namen, maar ik vind dat niets om over op te scheppen. Waarom is Etiemble dan zo opgetogen?

Caroline Ungher
     Die geestdrift voor andermans seksuele successen illustreert heel fraai de ‘esprit de corps’ van mannen onder elkaar. Je ziet die trouwens ook bij sommige mannelijke reacties op de recente #MeToo-beweging. ‘Vrouwen zijn ook niet altijd heilige boontjes.’ ‘Vrouwen lokken het zelf uit.’ ‘Vrouwen moeten maar leren van zich af te bijten.’*** Dat zijn allemaal giftige pijlen afgeschoten naar de overkant.
     Maar bij die reacties is vaak ook een andere beweegreden te onderscheiden: de angst voor een nieuwe Victoriaanse tijd. Die tijd had, geloof ik, twee gezichten. De preutse zeden tijdens het bewind van Victoria hebben er ongetwijfeld toe bijgedragen dat meisjes en vrouwen uit alle klassen met meer respect werden behandeld. Dat was de aangename kant van die tijd. Types als Dumas en Hugo moesten zich in Engeland een beetje gedragen. Het mannelijke roofdier werd aan banden gelegd. Mr. Hyde werd onder strikte supervisie geplaatst en de goede Dr. Jekyll deed beleefd zijn hoed af voor de dames. Anderzijds weten we dankzij statistisch onderzoek en dankzij The French Lieutenant’s Woman dat ‘your Victorian gentleman could look forward to 2.4 fucks a week’, weliswaar niet met ‘dames’ maar met prostituees. Die laatsten profiteerden heel wat minder van de Victoriaanse zelfbeheersing.
     Bij nader inzien geloof ik eigenlijk niet dat we ons zorgen moeten maken over een nieuwe Victoriaanse tijd. De slingerbeweging van losbandigheid naar preutsheid en omgekeerd, wordt door diepere krachten aangedreven dan door een twittercampagne. #MeToo heeft diepe wortels in de links-progressieve beweging – niet alleen daar natuurlijk, maar toch. Die links-progressieven zullen de ‘verworvenheden van mei ’68’ en van de ‘seksuele revolutie’ niet zó snel opgeven. Ik herinner mij een affiche van een Zweedse progressieve  partij met het opschrift: Nee aan pornografie! Ja aan naaktheid en seks! ’t Is een beetje aandoenlijk en humorloos, maar écht Victoriaans kunnen we het niet noemen.
     Wat we wél zullen krijgen door #MeToo – wat we altijd krijgen – is: meer bureaucratie. Meer vertrouwenspersonen, meer reglementen, meer afspraken, meer opleidingen, meer studies, meer statistieken. Daar zullen miskleunen bij zijn zoals die ‘gedragscode’ voor Amerikaanse studenten die bij elke nieuwe stap van een vrijpartij toestemming moeten vragen aan hun partner. Maar ach, wie zal het controleren of zo’n student of studentin zich daaraan houdt? En ja, sommige hitsige mannen zullen zich wat kalmer gedragen in woord en daad. Hoeveel dat er zullen zijn, weten we niet en hoeveel kalmer ze zich zullen gedragen, weten we ook niet. Maar alle beetjes helpen.
 
­­­­­_______________

 
* Zij dichtte overigens ook: ‘Ongebonden best, weeldig man zonder wijf’.
** Die geestdrift voor andermans seksuele successen vind ik minder terug in Engelse biografieën. Een nawerking van de Victoriaanse terughoudendheid?

*** Die laatste reactie hoor je ook bij sommige vrouwen. Ze is perfect verklaarbaar vanuit de vrouwelijke ‘esprit de corps’. Vrouwen die niet ‘van zich afbijten’ zijn in die gedachtegang een soort deserteurs. Daar kun je geen oorlog mee voeren.


Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.

zaterdag 11 november 2017

Flirterig gedrag jegens actrices


     Flirterig gedrag jegens actrices heeft velerlei nadelen. Voor je het weet gaat de actrice in op je avances, heb je een minnares op je schoot en waar sta je dan? ’t Kost in elk geval veel geld, zoals Alexandre Dumas ondervonden heeft.
     Als jongen had Dumas altijd geldnood gekend. Vader vroeg gestorven, moeder een tabakswinkeltje, hijzelf een slecht betaald baantje als notarisklerk. Ten slotte kon hij een betrekking versieren als kopiist en dan nog wel aan het hof van de hertog van Orléans. Voor een zuinige jongeman met bescheiden behoeftes had dat kunnen volstaan. Maar ‘zuinig’ en ‘bescheiden’ zijn twee woorden die niet zo goed aansluiten bij de persoonlijkheid van Dumas.
     Dumas had van jongs af aan literaire ambities. Op zijn zevenentwintigste schreef hij het succesvolle toneelstuk Henri III et sa cour. Zo kon hij eindelijk écht geld verdienen. Maar daarmee waren de financiële problemen niet van de baan. Hij trad nu immers ook binnen in de wereld van kunst en literatuur, en vooral ook in de ‘demi-monde’, de libertijnse ‘halve-wereld’ die met kunst en literatuur, en vooral met theater verbonden was. Als je je met de ‘demi-monde’ inliet, dat was bekend, en flirterig gedrag vertoonde jegens de  mooie ‘demi-mondaines’, dan mocht je waarlijk geen duitenkliever zijn, of je moest Victor Hugo heten.
     Vóór zijn literaire succes had Dumas met zijn moeder een appartementje betrokken, terwijl hij tegelijk de huisvesting van zijn afgedankte minnares Laure Labay en hun beider zoontje ook Alexandre, bekostigde. Maar ná zijn literaire doorbraak werd Dumas meteen een belangrijke speler op de huurmarkt. Samengevat kwam zijn huisvestingssituatie rond 1830 hierop neer:

        • Alexandre Dumas – rue de l’Université, 25
        • Laure Labay en Alexandre Dumas fils, op veilige afstand – een huurhuisje in het dorpje Passy
        • Marie-Louise Dumas (moeder) – rue Madame, 7
        • Mélanie Waldor (minnares) – rue Madame, 11
        • Belle Krelsamer (minnares) – rue de l’Université, 7
        • Diversen (minnaressen van de korte termijn) – een ‘garçonnière’ in Sèvres.
             Dat is heel wat. En dan kwam het nog goed uit dat een andere minnares, Virginie Bourbier, naar Rusland verhuisde om voor het Théatre Français de Petersbourg te gaan spelen. Dat was toch al één appartement minder.

             Men heeft Dumas vaak zijn spilzucht verweten. Maar we kunnen ons de vraag stellen: is dat verwijt terecht? We overlopen het lijstje. De auteur zelf – daar kunnen we niet om heen – heeft een woning nodig waar hij zijn literaire vrienden kan ontvangen. Dat is het minste. Dan zijn zoontje. Die heeft net zo’n krullenbol als zijn vader. Die kan hij niet op straat zetten. Verder zijn goede, half verlamde moeder – die moet ook echt wel een dak boven het hoofd hebben. Je kunt van Dumas veel zeggen, maar niet dat hij een ondankbare zoon is.  Wat vervolgens Mélanie Waldor betreft, over haar moeten we ons niet te veel zorgen maken. Die is nog getrouwd, met een vaak afwezige militair, waardoor de huurprijs geloof ik niet alleen ten laste valt van Dumas.
             Dan hebben we dus nog Belle Krelsamer, door iedereen Mélanie genoemd, maar niet door Dumas, want hij heeft al een Mélanie. Dat is een moeilijk geval. Door haar relatie met directeur Isidore Taylor heeft ze zich binnengewurmd in het Theatre-National. Maar door haar ontoereikende talent, krijgt ze geen rollen in Parijs. Haar nieuwe minnaar, Dumas, belooft dat in orde te brengen … maar mislukt. Dan is een appartementje als troostprijs wel het minste wat hij kan doen.
             Blijft de ‘garçonnière’ voor de vluchtige amourettes. Daar was misschien wel een besparing mogelijk geweest. Dumas had bijvoorbeeld met andere overspelige vrienden zoals Victor Hugo, Alfred deVigny of Isidore Taylor samen een groot appartement – misschien een soort loft – kunnen huren of kopen waar ze per toerbeurt een minnares konden ontvangen. Dat zou een mooie besparing geweest zijn. Maar zoiets kan dan weer fout aflopen zoals uit een recente film is gebleken.
             Je kunt je natuurlijk ook afvragen of Dumas wel zoveel minnaressen tegelijk nodig had. Op die vraag heeft de gulzige man – één brok natuur eigenlijk – zelf een antwoord gegeven: ‘Si je n’en avais qu’une, elle serait morte avant huit jours.’ 

        * Het portret is van Mélanie Waldor, die geen actrice was, maar later wel toneelstukken schreef.

        woensdag 28 juni 2017

        Hugo, Dumas en Zoonvan

             Victor Hugo (1802-1885) was goed bevriend met Alexandre Dumas (1802-1870). De twee hadden heel wat met elkaar gemeen: wegbereiders van de romantische beweging, onverzettelijke werkkracht, veel vrouwen. Hugo was gierig als de pest en Dumas gooide het geld door ramen en deuren, maar dat was een detail. Dat deed niet ter zake. Soms hadden ze ook ruzie als hun minnaressen belust waren op dezelfde theaterrol, maar die ruzie werd dan bijgelegd want Hugo was de kwaadste niet en Dumas al zeker niet. ‘L’excellent Dumas’, noemt Alain Decaux hem.
             Als schrijver hadden ze allebei veel succes. Toch werd Hugo meer au sérieux genomen. Hij nam zichzelf ook heel erg au sérieux en dat helpt. Uiteindelijk werd hij in 1841 verkozen tot lid van de Académie française. Hij kreeg een groen uniform en een degen, en mocht plaats nemen te midden van de veertig ‘onsterfelijken’ om mee de belangen van de Franse taal en literatuur te  behartigen over de hele wereld. Alexandre Dumas daarentegen  geraakte nooit binnen in dat voorname clubje en moest ook na zijn dood wachten tot 2002 voor hij werd begraven in het Panthéon – waar Hugo al onmiddellijk na zijn verscheiden was bijgezet.
             Lid worden van de Académie was niet gemakkelijk geweest, zelfs niet voor een groot man als Hugo. Hij moest wachten tot een ander academielid stierf en zich dan kandidaat stellen, naar mondaine feestjes gaan, zoete broodjes bakken met de andere leden, of, als die vis niet wilde braden, met hun vrienden, hun verloofdes, hun vrouwen of hun minnaressen. Omgekeerd kon je het eens verworven lidmaatschap ook niet meer kwijtraken. Hugo leefde twintig jaar in ballingsschap omdat hij ruzie had met Napoleon III en al die tijd bleef zijn stoel – nr. 14 – onbezet. Toen Napoleon III verdreven was, keerde Victor Hugo terug en kon hij zijn plaats weer innemen. Dat was in 1870, het jaar ook van de dood van Alexandre Dumas.
             Welnu, die Alexandre Dumas had een zoon en die heette ook Alexandre Dumas. Omdat hij net als zijn vader toneelstukken en boeken schreef, was het noodzakelijk dat de namen van elkaar onderscheiden werden. De ouwe, dikke Dumas werd Dumas père genoemd, en zijn zoon Dumas fils. Maar dan ontstond zoetjes aan de gewoonte om dat ‘Dumas fils’ uit te spreken zonder pauze tussen de twee woorden en met een klemtoon op de laatste lettergreep. Je moet het eens proberen – Dumasfils - en je zult het lichte misprijzen voelen van zo’n uitspraakwijze die verder ook haar eigen schrijfwijze meebracht: Dumafice. Les voilà: Dumas et Dumafice. Dat is zoiets als: kijk, daar heb je ze, Dumas en Zoonvan.
             Tussen de jonge Dumas en Hugo vlotte het niet zo goed. Hugo was een man van links, de jonge Dumas was een man van rechts, ‘un homme de l’ordre’*. Hugo was geschokt toen de arbeidersopstand van 1871 op gruwelijke wijze werd onderdrukt, met veel executies, lange gevangenisstraffen, dwangarbeid en verbanning naar onherbergzame eilanden aan de andere kant van de wereld. De jonge Dumas van zijn kant juichte de onderdrukking toe. Hugo zag een blinde wraakoefening, de jonge Dumas een noodzakelijke maatregel om de beschaving veilig te stellen.
             Welnu, in 1874 wou de jonge Dumas zich laten verkiezen voor de Académie. Elke stem was van belang. Langs tussenpersonen probeerde hij te vernemen of hij de stem van Hugo kon krijgen, maar de grote man zweeg grimmig. Op de dag van de verkiezing nam de jonge Dumas plaats op een bankje in de buurt van de Académie en wachtte angstig af. Zou hij voldoende stemmen behalen? Zou Victor Hugo een kruisje plaatsen naast de naam Dumas? Toen kwam Hugo naar buiten, zag de nerveuze kandidaat-académicien en stapte naar hem toe. Zonder hem de hand te schudden, zei hij: ‘J’ai voté pour votre père,’ en ging weg. 
              Zoonvan was verkozen. Stoel nr. 40.

        *Un homme de l’ordre - mooie uitdrukking. Advocaat de Callatay zei mij ooit: ‘Philippe, vous ne comprenez pas cela. Vous n’êtes pas un homme de l’ordre.’

        zondag 5 maart 2017

        Heerlijke fouten

        Johann Christoph Friedrich von Schiller (1759-1805)
             Mijn vader heeft altijd veel plezier beleefd aan het herkennen van andermans fouten. Als hij in Humo iets leest over het ‘eiland Belize’, of als hij merkt dat Karel van het Reve de schrijfsters George Sand en Mme de Staël door elkaar haalt, maakt hij daar een kleine notitie van die hij dan later niet meer terugvindt.
             Ik heb dat ook. Ik heb jammer genoeg dat NOS-journaal niet gezien waarin de verslaggeefster sprak over de Duitse dichters Goethe en Schilling. Erover lezen in de krant is hetzelfde niet. Maar het blijft heerlijk. Friedrich von Shilling, auteur van Don Carlos – ik had bijna Don Juan geschreven – Friedrich von Schilling, auteur van onze Europese hymne,  Friedrich von Shilling, Grote Vriend en Rivaal van Goethe. Ik weet niet of ik ooit weer het ordinaire Schiller gewoon word.
             Wat fouten betreft, zit ik als leraar natuurlijk gebeiteld. Als mijn leerlingen van het zesde jaar iets moeten presenteren, maken ze de wonderlijkste fouten. Sommige van die fouten wekken mijn ergernis, zoals een verkeerd uitgesproken eigennaam – Víctor Húgo met de klemtoon op de eerste lettergrepen bijvoorbeeld –, of het citeren van boektitels in het Engels als het helemaal niet om Engelse boeken gaat– Tolstoj als auteur van War and Peace bijvoorbeeld. Maar de meeste fouten zijn een bron van grote vreugde, vooral als je wat vertrouwd bent met de Wikipedia-pagina waar mijn leerlingen hun wijsheid vandaan halen.
             Ik heb in de loop der jaren een kleine verzameling van die fouten aangelegd. Elk jaar hoor ik er wel twee of drie van.
        1. Victor Hugo droeg het vaandel in de Romantische beweging.
        2. Robert Louis Stevenson studeerde aan de universiteit van Bohemen.
        3. De ouders van Thackeray waren Indianen. (Daar hoort een dia bij van twee Irokezen).
        4. Alexandre Dumas stierf tijdens Frans-Punische oorlog.
        5. Hawthorne veranderde zijn naam om aan de heksenvervolging te ontsnappen.
        6. Tom Lannoye reist dagelijks heen en weer tussen Antwerpen en Kaapstad.
        7. Charles Dickens werkte in een fabriek als schoenenpoetser.
        8. Emily Brontë werd erg katholiek opgevoed door haar vader die dominee was.
        9. Zola beschrijft tot in de details het rijk van Napoleon tussen 1852 en 1870.
        10. Herman Melville ging naar de Academie in Albanië.
        11. Flaubert was goed bevriend met de Chinese leider Mao Zedong.
             Die laatste fout heb ik maar één keer gehoord. Dat was in het jaar toen de Wikipedia-pagina over Flaubert tijdelijk gehackt was. Er stond geloof ik ook in dat de schrijver van Madame Bovary uit een gezin met zeventien kinderen kwam en dat die ook allemaal boeken schreven. En dat hun literaire productie drie vierde van het bruto nationaal product van Frankrijk uitmaakte.


        1. Vaandeldrager van de romantische beweging - 2. At the University, he was a pillar of Bohemia - 3 Of Anglo-Indian descent - 4. Frans-Pruissisch - 5. To dissociate himself from the witch hunting by his ancestor - 6. Pendelt tussen - 7. Worked in a shoe-blacking factory - 8. A religious education - 9.  Napoleon III - 10. The Albany Academy.

        woensdag 9 november 2016

        Trump en ik en Napoleon

              Ik ben vannacht niet, zoals sommigen, opgebleven om de Amerikaanse verkiezingsuitslagen te volgen, want ik kende de winnaar al met wiskundige zekerheid. Het zou iemand worden waar ik niet veel om gaf. Trump of Hillary, het maakte mij niet veel uit. Ik ben op tijd gaan slapen en had een vage voorspellende droom dat Hillary de verkiezingen won. Ook Kennedy kwam er om een of andere reden in voor.
              Bij het ontbijt bekeek ik de voorpagina van Het Nieuwsblad: ‘Mevrouw de president’. Op bladzijde twee en drie stond een andere kop, voor het geval dat ‘het ondenkbare gebeurde’. En wat later zag ik op mijn mobieltje dat het ondenkbare gebeurd was.

             Tijdens de voorverkiezingen heb ik op elk moment geloofd dat Trump op het punt stond om te verliezen. Ik las naarstig de stukken van de Never Trump-Republikeinen: Charles Krauthammer, Jonah Goldberg, George Will, Thomas Sowell, Charles Murray – al zullen die twee laatsten zich wel niet als Republikeinen omschrijven. En nu heeft Trump niet alleen de voorverkiezingen gewonnen, maar zelfs de échte verkiezingen, waar ook zwarten en latino’s aan meededen.
             Ik heb op de televisie beelden gezien van de winnaar en zijn gezin. Ik voelde dat ik mijn best begon te doen om hem sympathiek te vinden en het hielp dat hij dit keer geen vuile taal uitsloeg, niet agressief werd, en zijn woorden over internationale handel zo algemeen hield dat ze niet noodzakelijk als protectionisme moesten worden opgevat.
             Een van de programmapunten van Trump die ik altijd verachtelijk heb gevonden, was zijn belofte om 20 miljard extra te investeren in het onderwijs. Waar haalt hij het? Het Amerikaanse onderwijs kost nu al, geloof ik, 50 % meer per leerling dan het Vlaamse, en de resultaten zijn heel wat slechter. Er is dus met dat onderwijs wel wat anders mis dan geldtekort. Domme Trump.
             Maar nu hij toch president wordt, heb ik eens opgezocht wat Trump écht over het onderwijs zegt – en dat is heel wat anders. Hij wil geen 20 miljard extra aan het onderwijs geven, hij wil 20 miljard van de centrale overheid verplaatsen naar de plaatselijke overheden. Hij wil de ouders en de leerlingen meer kansen geven om zelf hun school te kiezen. Dat is in Vlaanderen de normaalste zaak ter wereld, maar in veel andere landen, zoals de Verenigde Staten, ligt dat anders. En Trump zegt over het onderwijs wel meer dingen die mij bevallen.
             Ben ik aan het omgaan?
             Er bestaat een leuk verhaal* over de fameuze ‘Honderd Dagen’ van Napoleon.  De keizer was uit zijn verbanningsoord op Elba ontsnapt en was geland op Franse bodem. Hij rukt met een klein legertje op naar Parijs. Er worden troepen op dat legertje afgestuurd maar die weigeren op de Keizer te schieten en sluiten zich liever bij hem aan. Napoleons legertje groeit op enkele dagen tijd uit tot een vervaarlijke krijgsmacht. Die groei valt af te lezen aan de opeenvolgende krantenkoppen van de Moniteur universel.

        (1)      De menseneter is uit zijn hol gekropen.
        (2)      De wildeman van Corsica is geland in de golf van Juan.
        (3)      De tijger is in Gap aangekomen.
        (4)      Het monster heeft overnacht in Grenoble.
        (5)      De tyran heeft Lyon doorkruist.
        (6)      De usurpator is gezien op zestig mijl van de hoofdstad.
        (7)      Bonaparte nadert met rasse schreden, maar hij zal Parijs nooit binnenkomen.
        (8)     Napoleon zal morgen in ons midden zijn.
        (9)      De keizer is aangekomen in Fontainebleau.
        (10)  Zijne Keizerlijke Majesteit heeft gisteren zijn intrede gedaan in het Kasteel der
                 Tuilerieën, temidden van zijn trouwe onderdanen.

        Ik ben ongeveer aanbeland bij puntje (7): ‘Bonaparte nadert met rasse schreden.’

        _____________ 

        * Met dank aan Luc van Braekel die mij vandaag het verhaal in herinnering bracht op zijn facebookpagina. Het verhaal van de krantenkoppen wordt verteld door Alexandre Dumas in Une année en Florence. Of het waar is, heb ik niet kunnen achterhalen, want Dumas was een schrijver met een grote fantasie, ook als hij over geschiedenis schreef.