Posts tonen met het label Jozef Stalin. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jozef Stalin. Alle posts tonen

maandag 24 mei 2021

Conings en de moslimterreur


     Ik hoop zoals iedereen dat het goed afloopt met Jürgen Conings. Dat hij niet ergens opduikt en zijn wapen leegschiet op een menigte, dat hij niet omkomt bij een vuurgevecht met de politie, dat hij zich overgeeft en netjes gekleed voor de rechtbank verschijnt. Daar kan hij voor ‘diefstal van wapens’ en ‘verboden wapendracht’  en nog wat dubbelzinnige uitlatingen misschien 5 jaar gevangenisstraf krijgen*, en met een goede advocaat nog wat minder.
     Ook heb ik een zeker begrip voor zijn beweegredenen. Hij is naar het schijnt in het leger gesanctioneerd voor extreemrechtse uitspraken en misschien waren die sancties onrechtvaardig, ongepast, vernederend of disproportioneel. Hij is boos op politici en virologen die ‘beslissen hoe hij moet leven’. Een flinke minderheid van onze landgenoten deelt die boosheid. Je vindt die mensen vooral onder degenen die geloven – terecht of ten onrechte – dat de vrijheidsberovende maatregelen overbodig waren.
     Maar mijn begrip is ook niet meer dan dat. Bij mij is ‘tout comprendre’ nooit gelijk aan ‘tout pardonner’. Als Jürgen morgen zijn wapen neerschiet op een menigte, zal ik dat ook ‘begrijpen’. Zo ‘begrijp’ ik ook dat een moslim zich dodelijk beledigd voelt als hij hoort van spottende afbeeldingen van de profeet Mohammed. Als die moslim daarna een aanslag pleegt op de tekenaar ‘begrijp’ ik dat ook. En als de politie daarna bij een gewelddadige confrontatie die moslim, of die Conings, neerschiet, ‘begrijp’ ik dat alweer. Als het op ‘begrijpen’ aankomt, ben ik ruim.
    Wat ik dan weer niet ‘begrijp’, is de gewoonte om, als terrorisme of mogelijk terrorisme in het geding is, een en ander te minimaliseren. Professor Coolsaet wekte indertijd de lachlust op toen hij ons probeerde duidelijk te maken dat terreuraanslagen minder doden veroorzaakten dan ongelukken met overstekend wild. Dat betrof toen de moslimterreur. Over Jürgen Conings postte Tom Van Grieken vier dagen geleden het volgende:
 
‘Antwerpen – Drugsoorlog met bommen en granaten: gebrek aan politie om op te treden. 
Anderlecht – Gewelddadige migrantenprotesten: gebrek aan politie om op te treden. 
Limburg – Eén militair schrijft afscheidsbrief: honderden politiemannen en soldaten gemobiliseerd. 
Het kan dus toch?’

     Ik wil niet zeuren over het simplisme van de boodschap. Dat hoort bij dat soort propaganda. Je vindt het bij alle partijen**. Maar de affaire Conings samenvatten als ‘één militair die een afscheidsbrief schrijft’, dat is minimalisering en vergoelijking van wat de man tot nu toe dééd –diefstal van meerdere wapens – én van de  intenties die kunnen worden afgeleid uit zijn afscheidsbrief: ‘Ik ga in het verzet. Het maakt mij niet uit of ik sterf of niet.’ Mijn indruk bij die zinnetjes is niet dat Conings van plan is zichzelf van kant te maken, zonder verder iemand schade te berokkenen. Als dát zijn doel was geweest, dan had hij alleen dat ene pistool moeten stelen uit de kazerne. Van Grieken zou zo’n verhullende commentaar nooit schrijven als Conings een geradicaliseerde moslim was die met enkele wapens op stap ging en een vage maar verontrustende brief achterliet.
     Dan is er nog een gelijkenis – bij alle verschillen – tussen de moslimterreur en de affaire Conings. Na een islamistische aanslag zie je in de ruwere regionen van de sociale media reacties verschijnen als zou de héle moslimwereld mee verantwoordelijk zijn voor de aanslag. Nu zie je reacties die daar symmetrisch aan zijn – maar dit keer helaas niet alleen op de sociale media. Minister van Defensie Ludivine De Donder – de politiek verantwoordelijke van het debacle*** – lijkt alles wat zij als extreemrechts beschouwt mee verantwoordelijk stellen voor de acties van die ene militair. Ze wil het leger zuiveren van ‘extremisten, fascisten, racisten en seksisten’. Ik zou, als ik haar was, ook nog de ‘populisten’ en de ‘haatzaaiers’**** erbij nemen. Dan hebben we, in haar definitie, de helft van de Vlaamse bevolking, en naar we mogen aannemen, de helft van de Vlaamse militairen in het vizier. Dat wordt een hele zuivering.
      Zo’n geplande zuivering doet mij, met mijn verleden, aan kameraad Stalin denken. Eind de jaren ’30 heeft de Geniale Leider zijn leger, op de vooravond van de tweede wereldoorlog, gezuiverd van ‘trotskisten’. Die term gebruikte hij toen ongeveer even ruim als De Donder nu die van ‘rechtsextremisten’ gebruikt. Hopelijk houdt de vergelijking tussen de Vader van de Volkeren en de Moeder van onze Defensie daar op.

    
* Het Nieuwsblad sprak van vier mogelijke misdrijven: diefstal van wapens, verboden wapendracht, bedreiging met criminele feiten en dreiging met terroristisch misdrijf. Elk van die misdaden kan 5 jaar cel opleveren. Maar als de rechtbank ze samen neemt onder ‘eenheid van opzet’ is het 5 jaar voor de hele zwik.

** Zie bijvoorbeeld hier.

*** Zie daarover het stuk van Mark Elchardus in De Morgen (hier).

**** Haar karakterisering van N-VA in het kamerdebat.

maandag 5 augustus 2019

Leuke gedichtjes over Stalin


Toen ik twijfels kreeg over mijn communistische geloof, begon ik een aantal boeken te lezen die ik tot dan toe gemeden had. Twee daarvan waren Karel van het Reves Geloof der kameraden en Robert Conquests Great Terror. Een voordeel van die boeken was dat ze beter geschreven waren dan dan het soort dat ik daarvóór las. Ik heb zojuist nog eens gebladerd in dat Ludo Martensboek over Stalin. ‘De officiële woordvoerders van de Amerikaanse oorlogsmachine, Kissinger en Brzezinksi, hebben niets dan lof voor de werken van Solzjenitsijn en Conquest, die als bij toeval ook twee favoriete auteurs zijn van de sociaal-democraten, de trotskisten en de anarchisten.’ * Nou, nou. En zo gaat dat verder, zin, na zin, alinea na alinea, bladzijde na bladzijde, hoofdstuk na hoofdstuk.
    Wat Conquest en Reve schreven lag minder zwaar op de hand. En de twee schrijvers hadden nog meer gemeen. Het waren allebei grappenmakers. Reve schreef op de achterflap van zijn boeken lovende of kritische teksten die hij ondertekende met de naam van bestaande journalisten die hij  niet kon luchten. Conquest stuurde aan een vriend, de bekende dichter Philippe Larkin, een brief op briefpapier van de Zedenpolitie, waarin gemeld werd dat Larkins naam was aangetroffen op een adressenlijst van een in pornografie gespecialiseerde uitgeverij. Larkin, die net als Conquest een groot liefhebber was van pornografie, vreesde toen dat hij zijn baan zou verliezen als universiteitsbibliothecaris.
     Ook hebben Conquest en Reve allebei ooit hun mening over het communisme in dichtvorm gegoten.** Reve deed dat in 1948, in een sonnet dat hij opdroeg aan een fabriekseigenaar waarmee hij samen de Sovjet-Unie bereisde. De schrijver was toen zelf nog een halve communist, maar ironie had duidelijk al een eerste bresje geslagen. 

Gewend om links en rechts te commanderen 
En iedereen te zetten naar uw hand 
Waart gij te gast in ’t Rode Vaderland, 
Gij, Kind der Bourgeoisie, maar ’t kan verkeren
  
Gij zaagt met eigen ogen hoe de heren 
Van Stalins bent aan lieden van uw stand 
Schijt hebben tot en met. Tot aan de rand 
Vult u de weerzin tegen hun begeren
  
Om allen in het arm Moscovisch Rijk 
Te doen geloven dat het Koninkrijk 
Der Hemelen daar is. Zou dit hun wens 

Of ook de waarheid zijn? Wie zal het zeggen? 
Wij weten weinig. Is er soms één mens 
Die het Geheim der Schepping uit kan leggen?

       Conquest leverde zijn dichterlijke bijdrage in een limerick, een genre dat hij goed in de vingers had, vooral als het schunnige materie betrof. Die schunnige durf ik hier niet afdrukken, maar déze moet kunnen.  

“There was an old bastard named Lenin 
Who did two or three million men in. 
That’s a lot to have done in 
But where he did one in 
That old bastard Stalin did ten in.”

       Let erop dat niet alleen het metrum en het aabba-schema correct zijn, met dat ‘Lenin’ waar je moeilijk een rijmwoord op vindt, maar ook de aangehaalde cijfers, die Conquest zelf, als historicus, voor het eerst op een betrouwbare manier berekend heeft.


* Dat Ludo Martens hier de liberalen en conservatieven onvermeld laat, kan ik begrijpen. Hún gedachtegoed hield hem niet zo bezig. Maar waarom hij hier niets over de ‘fascisten’ zegt, dat vind ik vreemd. 

** Deze proeven van light verse staan natuurlijk niet op dezelfde hoogte als het beroemde gedicht van Mandelstam. (hier). Maar Reve en Conquest hebben dan weer niet, zoals Mandelstam, hun gedicht met hun leven moeten bekopen

zondag 28 april 2019

En, Peter, had Marx altíjd gelijk?

      ‘Als de mens geen klimaatactie onderneemt, is de Apocalyps dan onvermijdelijk?’ vroeg de journalist van De Zondag aan Peter Mertens (PVDA). ‘Ja’, antwoordde Peter resoluut. ‘Marx was daar trouwens ook al mee bezig.’
    
Marx bezig met het klimaat? De lezer is geneigd bij zo’n mededeling even te glimlachen. Waarom zou een Duitse filosoof-econoom uit de negentiende eeuw zich zorgen hebben gemaakt over een klimaatopwarming die men pas op het einde van de twintigste eeuw zou ontdekken? Dat is niet erg waarschijnlijk. Wellicht, denkt de lezer, haalt Mertens hier twee zaken door elkaar: de nieuwe kwestie van het klimaat dat opwarmt, en de oude kwestie van de mooie landschappen, de zuivere lucht, het heldere water en de fluitende vogels die door een verstedelijkte beschaving worden bedreigd. Marx, denkt de lezer dan, kan moeilijk een klimaatactivist geweest zijn zoals Anuna Dewever, maar misschien was hij wel een groene jongen avant la lettre, iemand die de natuur wou beschermen tegen de ‘oprukkende industrialisering’.
     Zulke groene jongens avant la lettre hebben bestaan. De Russissche schrijver Tsjechov bijvoorbeeld was op zijn landgoed in Melikhovo druk in de weer met het planten van bomen. In een van zijn toneelstukken komt een mooie lofzang op de natuur. ‘Bossen zijn een sieraad voor de aarde,’ zegt Astrov, of was het Sonja.  ‘Bossen leren de mens het schone te begrijpen. Ze verzachten een ruw klimaat en door een zacht klimaat worden de mensen milder en mooier en leniger en inniger van aard. Hun taal klinkt sierlijk, ze bewegen zich gracieus, hun wereldbeschouwing is niet somber, hun gedrag tegen vrouwen is hoffelijk.’ Je weet bij Tsjechov nooit of wat hij dénkt samenvalt met wat hij zégt, of wat hij zijn personages laat zeggen, maar het is duidelijk dat de schrijver op zijn manier ‘bezig was’ met natuurbehoud en zelfs met klimaat – of althans met wat we vandaag ‘microklimaat’ zouden noemen.
     Marx van zijn kant was daar helemaal niet mee bezig.  Om dat na te trekken hoeft de lezer niet eens de veertig delen van de Marx-Engels-Gesamtausgave door te nemen. Het volstaat vandaag om op Google de zoekterm ‘Marx and the Environment’ in te tikken. Zeker, je krijgt 2.560.000 resultaten op je zoekopdracht, maar je moet maar enkele van die resultaten aanklikken om te zien dat het allemaal artikels zijn over datzelfde ene zinnetje uit Het Kapitaal.  Marx zegt daarin dat de grond uitgeput raakt door de ‘kapitalistische landbouw’. Die uitputting van de grond was inderdaad een erg actuele kwestie in de 19de eeuw, maar heeft ondertussen veel aan actualiteit ingeboet door de ontdekking van kunstmest, verbeterde gewassen en genetische manipulatie. De groene revolutie heeft hier meer goeds gedaan dan de rode.
     Met je zoekterm op Google vind je ook artikels die gaan over de zogenaamde ‘Jonge Marx’ en wat die schreef over de Verhouding tussen Mens en Natuur. Een gepensioneerde sociologieprofessor is dan heel enthousiast over het diepe inzicht van Marx dat ‘de Mens zelf deel uitmaakt van de Natuur’. Maar hoe die professor ook trekt en wringt aan een of andere duistere passages, je hebt al snel door dat Marx bij het begrip ‘Natuur’ niet dacht aan mooie landschappen, zuivere lucht, helder water of zingende vogels die bedreigd worden door kernafval, maar aan de materiële wereld in zijn geheel, waar de mens dus deel van uitmaakte. Jawel, de mens was ook een brok materie. Dat wist Lucretius al, over wie Marx zijn doctoraatsthesis had geschreven.
     Communisten hadden vroeger de rare gewoonte om bij gelijk welke discussie enkele uitspraken van Marx aan te halen. Ze zochten in alle hoeken en kanten en vonden zo’n uitspraken over gelijk welk onderwerp. Ze stelden er zelfs brochures over samen: ‘Marx over het onderwijs’, ‘Marx over de klassieke oudheid’, ‘Marx over China’, ‘Marx over de geestelijke muziek’, ‘Marx over het seksuele vraagstuk’. In mijn opleiding germanistiek moest ik een opstel lezen van zekere Georg Lukacs. ‘Inleiding tot de esthetische werken van Marx en Engels’ heette het stuk. In de tweede zin moet die Lukács al toegeven dat Marx en Engels eigenlijk ‘nooit een samenhangend boek en nauwelijks een studie’ over esthetische problemen hadden geschreven*. En op dat niet-bestaande boek en die nauwelijks-bestaande studies had hij dan toch maar een flinke inleiding geschreven.
     Ook was er niet alleen Marx die je kon aanhalen. Als je zocht vond je wat je nodig evengoed had bij de andere ‘grondleggers’: bij Engels over goedkoop wonen,  bij Lenin over alcoholisme, bij Stalin over taalkunde en bij Mao over journalistieke stijl. Ook daar werden brochures van gemaakt. En in al die brochures ging men ervan uit dat die Marx enzovoort over onderwijs, goedkoop wonen, alcoholisme, taalkunde en journalistieke stijl altijd gelijk hadden gehad, dat was ze schreven altijd waar was.
     Voor dat dogmatische geloof zijn de communisten vaak uitgelachen. ’t Is ook is iets eigenaardigs. Zelf heb ik in een bepaalde periode van mijn leven veel gelezen van Schopenhauer, Popper en George Orwell. Die schreven ook over van alles en nog wat, en ik vond, na de taaie marxistische geschriften van mijn jeugd, alles wat die auteurs schreven bijzonder boeiend. Maar de gedachte kwam niet meer bij mij op dat dat allemaal ook waar was. Schopenhauer schreef bijvoorbeeld dat mannenlichamen mooier zijn dan vrouwenlichamen, en dat alleen de geslachtsdrift ervoor zorgt dat we dat anders zien. Ik vond dat een boeiende opmerking, maar was ze ook waar? Een vriendin wees mij erop dat de meeste vrouwen op een rustig moment ook de voorkeur geven aan een schilderij met een naakte vrouw erop boven dat met een naakte man.
     De uitspraak van Peter Mertens over Marx die ‘bezig was met het klimaat’ is, geloof ik, een restant van de communistische traditie. Meer is het niet. Ik zie de PVDA geen brochures meer uitgeven over ‘Marx en de transgenders’ of ‘Marx en de digitale maatschappij’. ‘Niet alles wat Marx neerschreef,’ zegt Peter, ‘is vandaag nog toepasbaar.’ Daarmee heeft Peter niet gezegd dat Marx zich over welke kwestie ook vergist zou kunnen hebben, maar de toegeving dat zijn ideeën niet allemaal meer ‘toepasbaar’ zijn, is een grote vooruitgang vergeleken met de PVDA die ik gekend heb.
    
* Dat opstel stond in de bundel Tekstboek algemene literatuurwetenschap van Bronzwaer, Fokkema en Ibsch. Daar kwam ook een opstel in voor van Karl Popper ‘De logica van de sociale wetenschappen’. Ik had van die Popper nog nooit gehoord, maar zijn stuk vond ik, toen nog marxist zijnde, veel interessanter dan het gejengel van Lukács.

zaterdag 23 maart 2019

Dandy Baudet

     Over Thierry Baudet heb ik niet veel te melden, maar ’t blijft een rare kerel. Ik ben blij dat ik in België woon en niet voor hem hoef te stemmen – wat ik anders misschien wel had gedaan.  Ik heb die twee essays gelezen waar hij de bundels ‘Conservatieve vooruitgang’ en ‘Revolutionair verval’ mee inleidt. Die waren best interessant. Ik las in Het Nieuwsblad dat hij er ‘economisch donkerblauwe ideeën’ op nahoudt. Dat doe ik ook. Maar kan je die mensen van Het Nieuwblad vertrouwen over zo’n kwestie? Wat verstaan zij onder ‘donkerblauw’? En eigenlijk vertrouw ik alle berichtgeving over het buitenland maar half. Het is voor zo’n krant al moeilijk om iets van het bínnenland te begrijpen en juist te rapporteren.
     Af en toe lees ik een stuk waarin gezegd wordt dat Baudet ‘vrouwonvriendelijk’ is. Soms wordt dat ondersteund door uittreksels uit een roman die hij geschreven heeft. Daarin doet een van de personages vrouwonvriendelijke uitspraken. Als argument tegen Baudet vind ik dat flauw. Als ík een roman zou schrijven die zich afspeelt in het maoïstische milieu van de jaren zeventig, en een van mijn personages betoogt daarin vol vuur dat de fouten van kameraad Stalin niet opwegen tegen zijn verdiensten, dan zou dat van mij als auteur geen stalinist maken.
     In alle krantenstukken lees ik dat Baudet zich keurig kleedt. Dát is in elk geval de zuivere waarheid, want je kunt het nagaan op talrijke foto’s. Er is er ook een waarop hij géén kleren aan heeft, maar áls hij kleren aan heeft, zijn die onberispelijk en voornaam. Die twee eigenschappen van kleren – onberispelijk en voornaam – tref je samen aan bij zo verscheiden mensen als ‘Beau’ Brummell, Marcel Proust, James Bond en mijn goede vader. Maar ze vallen niet altíjd samen. Zelf draag ik bijvoorbeeld altijd –  winter of zomer, werkdag of feestdag – een voornaam wit overhemd. Ik heb het eens een jaar met ruitjeshemden geprobeerd, maar dat werkte niet. Welnu, die witte overhemden, die ik dus op werkdag en feestdag draag, zijn niet altijd smetteloos. Ik durf wel eens – vertel het niet verder – twee dagen na elkaar hetzelfde overhemd aantrekken. Als je dat in een Amerikaans bedrijf doet, word je daarop aangesproken door je afdelingshoofd geloof ik.
     Mijn grootvader schijnt dat ook gehad te hebben. Hij straalde graag waardigheid en chic uit. Toen strooien hoeden in de mode kwamen, was hij een van de eersten om zo’n hoed te kopen. Hoewel hij in zijn jonge mannenjaren goed uit beide ogen zag, droeg hij een lorgnet wanneer hij zich onder de mensen begaf. Zo’n ding op je neus straalde klasse uit, vond hij. Als hij boodschappen deed voor mijn grootmoeder, droeg hij de boodschappentas onder de arm, in plaats van die naast zich te laten slingeren, zoals een vrouw dat zou doen. Maar hij maakte zich niet druk over een kreuk in zijn jas of een kleine spat op zijn broek.
     Mijn grootvader en ik zijn in goed gezelschap. De Russische auteur Tsjechov droeg ook graag voorname kleren – en een lorgnet. Hij was verzot op dassen, en als hij in het buitenland kwam, kocht hij er een grote voorraad van. Kreeg hij bezoekers over de vloer die er een losse kledingstijl op nahielden, dan verkrampte hij. De boerenkiel van Tolstoj verdroeg hij alleen omdat Tolstoj nu eenmaal Tolstoj was, maar zelf was hij altijd tip top gekleed … althans naar Russische normen. Toen hij evenwel met de actrice Olga Knipper trouwde, viel hij door de mand. Olga was van Duitse afkomst en was, zoals wel meer van haar landgenoten, erg gesteld op hygiëne en Grundlichkeit. Tsjechov werd duchtig de les gespeld. Dat hij wat vaker van overhemd moest wisselen.

dinsdag 6 maart 2018

Hoe bekeer je iemand tot het stalinisme?

     Gisteren 65 jaar geleden overleed Jozef Stalin. Dat was geen aardige man, want hij had vele, vele miljoenen Russen laten vermoorden. Ik moet dat geweten hebben toen ik voor het eerst, op zestien- of zeventienjarige leeftijd, het krantje kocht dat Alle Macht aan de Arbeiders heette. Op de eerste pagina van dat krantje prijkte een afbeelding van de ‘vijf koppen’. De vijf koppen,  dat waren die van vijf bekende communistische leiders: Marx, Engels, Lenin, Stalin en Mao. Thuis nam ik een rode stift en trok een kruis over de vierde kop. Nà. Daar had die wrede dictator niet van terug.
     Hoe wist ik eigenlijk dat die Stalin niet deugde? Onze geschiedenisleraar, Danny Desseyn, had ons weinig over de Russische leider verteld, en dat weinige was nog positief geweest ook: de wilskracht waarmee hij het hoofd had geboden aan de Duitse inval, de succesvolle vijfjarenplannen. Toch wist ik, of liever voelde ik, dat werkelijk iederéén, behalve die jongens van Alle Macht, het erover eens was dat Stalin een heel slecht mens was geweest. Er hing een soort eenstemmigheid in de lucht, en daar had ik ongetwijfeld iets van opgesnoven. Misschien ook had ik ergens een kritisch opstel van Boris Souvarine gelezen. ’t Is lang geleden.
     Ik was dus, toen ik zestien-zeventien was, antistalinist, zoals iedereen. Toch hadden handige bliksems als PdB, WM en sommige anderen van wie ik mij slechts één initiaal herinner, niet al te veel moeite om me in geen tijd in een klein stalinistje om te turnen. Enkele trucjes hielpen daarbij. De terreur van Stalin erkennen (‘hij heeft dertig procent fouten gemaakt’), ontkennen (‘leugens van de burgerlijke pers’), en minimaliseren (‘veel minder erg dan de miljoenen slachtoffers van het kolonialisme en de kapitalistische wereldoorlogen’). Een ander foefje bestond erin de aandacht af te leiden van de daden van de man naar de woorden van de schrijver. Want Stalin schrééf ook, net als de vier andere koppen. ‘Lees eens een boek van Stalin zelf,’ zei men mij, ‘in plaats van alleen maar negatieve dingen over hem te lezen.’ En ik kreeg iets in handen gestopt over het ‘dialectisch en historisch materialisme’ of over ‘het nationaliteitenvraagstuk’. En ja, het klonk allemaal behoorlijk marxistisch wat daarin stond, en ook dat marxisme hing in de lucht en daar had ik meer dan mijn deel van opgesnoven.
     Nauw in verband met de truc van de boeken, was de sterkste handgreep van allemaal: het begraven van de stalinistische moordpartijen onder een menigte ideologische haarkloverijen. Zo werd er eindeloos geargumenteerd waarom in het Rusland van de jaren 30, de ene keer meer middelen naar de landbouw en de andere keer meer middelen naar de industrie moesten gaan. Zulke discussies hadden geen wetenschappelijke basis omdat, zoals Ludwig von Mises al in 1920 had aangetoond, de socialistische economie geen wetenschappelijke basis heeft. Het socialisme vervangt een aanpak van gissen, missen en leren van je fouten, door een blindemanspelletje waarbij je niet eens wéét wanneer je raak of mis slaat. Maar het zijn natuurlijk net de discussies zónder wetenschappelijke basis die met de grootste passie worden gevoerd. En na een ideologisch seminarie van drie dagen waren we het er allemaal over eens dat Stalins landbouwpolitiek de enige juiste was, terwijl die van Trotski door links opportunisme, en die van Boecharin door rechts opportunisme was gekenmerkt. Dat die landbouwpolitiek uitmondde in de Oekraïense Hongersnood van 1932-1933 – drie tot zes miljoen slachtoffers* –, was een aspect dat op zo’n seminarie minder uitvoerig werd besproken.
     Die ideologische seminaries werden dan aangevuld door vlijtige zelfstudie van communistische of half-communistische boeken. Uit die boeken bleek dat het allemaal best meeviel met de stalinistische moordpartijen. Hier en daar was wel eens een klassenvijand naar een kamp gestuurd of een spion doodgeschoten, maar er was vooral veel goeds gerealiseerd: genoeg te eten, goedkope condooms, scholen, rusthuizen, de metro van Moskou, autowegen, en op tijd rijdende treinen. De boeken waarin dat goeds werd bezongen, waren vaak geschreven door figuren van het tweede garnituur:  Anna Louise Strong, Kostas Mavrakis, Nils Holmberg, Sayers & Kahn. Soms waren het ‘neutrale’ boeken zoals de memoires van Joseph E. Davis, de Amerikaanse ambassadeur in Rusland, of een reisverslag van Hewlett Johnson, de deken van Canterbury. En af en toe vond je boek van een auteur met een grote naam, waar je dus niet beschaamd over moest zijn, zoals dat van de Franse communist Louis Aragon, die, zoals iedereen moest toegeven, voor zijn vrouw mooie gedichten had geschreven. Als je dan tien of twintig van zulke boeken had gelezen, dan wist je over Stalin meer dan 99 procent van de bevolking, en meer dan 90 procent van de niet ter zake gespecialiseerde historici. Zoals een beetje holocaustontkenner ook meer weet over Hitler dan u en ik en de doorsnee geschiedenisleraar.
     Als zo’n holocaustontkenner of zo’n Stalinnegationist in gesprek raakt met een leek in de materie, doet zich een raar verschijnsel voor. De ontkenner haalt tientallen argumenten aan, sleept er de kolen- en staalproductie bij, bespreekt partijdagen en congressen, citeert uit rapporten van geheime diensten, wijst op tegenstrijdige en onmogelijke cijfers … en de leek haalt zijn schouders op. De ontkenner wordt wanhopig. Hij brengt de graanproductie, de alfabetisering en de nationaliteitenpolitiek ter sprake. De leek blijft onverstoorbaar. De ontkenner wordt nu emotioneel, barst in tranen uit, wijst op de heldhaftigheid van het Duitse of Russische volk en op de lage maneuvers van de vijand. Maar de leek geeft geen kik. Die Hitler of die Stalin was een massamoordenaar, punt. De leek weet dat zeker, zonder ook maar één boek gelezen te hebben.
     Razend werd ik ervan.

* Ik schreef oorspronkelijk 6 miljoen slachtoffers. Nl.Wikipedia spreekt van 2,5 tot 7,5 miljoen slachtoffers. En.Wikipedia heeft uitgebreid toelichting bij de verschillende schattingen.

vrijdag 26 januari 2018

Gedichten uit het hoofd kennen, in Calais en in Moskou

Links Vanfraechem - rechts: Gerd Wiesler
     Marc Vanfraechem stel ik mij voor als die Stasi-agent Gerd Wiesler uit Das Leben der Anderen. Die had opdracht zijn mogelijk subversieve buurman uren na elkaar af te luisteren. Marc, beeld ik mij in, laat zijn buurman met rust. Maar met een hoofdtelefoon om de oren  beluistert hij urenlang, zonder zich een ogenblik rust te gunnen, de Franse radiostations, daarbij om de paar minuten van golflengte veranderend, om een Française te betrappen op een schrandere uitspraak, of een Parijse bobo op een bêtise. Dankzij Marc weet ik nu ook wat Yann Moix, de beroemde schrijver, cineast en televisiepresentator, deze week op France Inter heeft gezegd. Marc heeft alles geregistreerd, getranscribeerd en vertaald. ‘Onder de Afghanen [die illegaal kamperen in Calais],’ zei Moix, ‘zijn er mensen die Victor Hugo kennen, die Victor Hugo in het Farsi gelezen hebben en hem op hun duimpje kennen, en die dáárom naar Frankrijk zijn gekomen. En dan komen ze hier, en men klopt erop.’ Die Fransen zijn dus naar Calais gekomen vanwege Victor Hugo! Nou, nou.
     Marc heeft daar allerlei vragen bij, en ik ook. Heeft Moix met die Afghanen gesproken?, is zo’n vraag. En was dat in het Farsi? En heeft hij die Afghanen dan verteld dat Hugo al lang overleden is en dat ze hem niet meer kunnen bezoeken. En waarom willen ze eigenlijk vooral naar Engeland, terwijl ze toch moeten weten dat de schrijver allesbehalve een anglofiel was? Het enige Engelse woordje dat hij kende was geloof ik ‘look-out’, en hij sprak het uit als ‘loekoet’. En waarom vragen onze Afghanen niet meteen een verblijfsvergunning aan voor het eiland Guernsey waar de grote man zo lang gedicht, geschilderd en bemind heeft? Dat zijn allemaal vragen die we aan de Afghanen zelf zouden moeten stellen, op een moment dat ze zich niet in de laadbak van een vrachtwagen hebben verstopt.
     Ik zou hun nog iets anders willen vragen. Hoe doen ze dat, om ál die gedichten van Hugo uit het hoofd te leren? Ik ken geen enkel gedicht van Hugo uit het hoofd. Soms probeer ik wel een gedicht uit het hoofd te leren, van Heine of van Yates, maar dat ben ik dan na enkele dagen weer vergeten. Is het een kwestie van volgehouden oefening? Of zijn andere mensen daar zoveel beter in dan ik? Ik zou het haast denken.

     Het begint al bij Alexander de Grote. Die kon de héle Ilias uit het hoofd opzeggen – alle zestienduizend verzen. Hitler kon héle hoofdstukken van Schopenhauer voordragen als hij iemand vond die wou luisteren. Fénélon kon álle poëzie van de Ouden uit zijn mouw schudden. Ik vind dat allemaal heel sterk. Zelf ken ik alleen iemand die een kwartiertje lang schunnige limericks kan afvuren.
     Het sterkste voorbeeld van dat uit het hoofd opzeggen vond ik bij de Engelse literatuurprofessor George Steiner. ’t Was in 1937, vertelt Steiner, het jaar van de grote zuiveringen in communistisch Rusland. Er was een grote bijeenkomst van de Bond van Sovjetschrijvers. Er waren tweeduizend genodigden. Twee dagen na elkaar komt de ene na de andere schrijver het podium op om met knikkende knieën kameraad Stalin te prijzen als de beste vriend van alle schrijvers en kunstenaars over de hele wereld. Vanuit de coulissen wordt alles gadegeslagen door Stalins gevreesde handlanger Andrej Zjdanov. Op de derde dag dan, na de zoveelste kruiperige rede van een literaire kontlikker, staat de half-dissidente schrijver Pasternak op en gaat naar voren. Pasternak is een boomlange kerel en ziet eruit – dixit Karel van het Reve – als een bronstige hengst. Een volkomen stilte daalt neer over Rusland – dixit Steiner. Dan roept Pasternak: ‘Nummer zesenzestig!’ De hele zaal veert recht en begint, met donderende cadans en zonder haperen, het zesenzestigste sonnet van Shakespeare voor te dragen:

                ‘… Hoe kunst door het gezag de mond gesnoerd
                Door dwaasheid die het hoge woord nu voert …’

’t Zijn woorden die in het Rusland van 1937 alleen kunnen worden geduid als een bijzonder dappere aanklacht tegen de rode dictatuur in het algemeen en tegen haar kunstpolitiek in het bijzonder.
     Je kunt nu zeggen: ’t is maar één sonnetje, dat nummer zesenzestig, veertien regeltjes – dat is niet veel. ’t Is waar.  Maar Steiner vertelde zijn verhaal ook wel eens met nummer dertig in de glansrol, als hij toevallig iets kwijt wou over ‘herinnering’ en ‘gemis’. Misschien werden die sonnetten wel allebei voorgedragen bij die unieke gelegenheid. Dat zijn dan al achtentwintig regels. En het aardigste is natuurlijk dat elk aanwezig lid van de schrijversbond toevallig nummer zesenzestig of nummer dertig of nummer zesenzestig én nummer dertig uit het hoofd kende, en wel allemaal in de vertaling van Pasternak zelf.
     In elk geval, ik blijf het sterk vinden, van die Afghanen, van Alexander, van Hitler, van Fénélon en vooral van die tweeduizend Russen in 1937. Als het allemaal waar is tenminste. Als ik bijvoorbeeld op dat congres van 1937 was geweest, had ik de sonnetten niet meegedreund. Omdat ik geen Russisch ken, omdat ik moeilijk gedichten onthoud, en omdat ik doodsbang zou zijn geweest van Zjdanov in de coulissen, en van het vuurpeloton om de hoek.

zaterdag 16 september 2017

Grote oren

     Ik las van de week – ik weet niet meer waar – iets over de beroemde televisiejournalist Maurice De Wilde (1923-1998). Dat hij in zijn interviews achteraf vragen monteerde die hij tijdens het gesprek zelf niet had gesteld. Een beetje zoals die gladde William Hurt deed in de film Broadcast News. Dat is niet helemaal netjes. Door zo’n montage achteraf krijgen de antwoorden van de geïnterviewde misschien een kleur die ze eerst niet hadden. Mijn leerlingen mogen dat wel eens doen in een geschreven interview – een vraag toevoegen ter verduidelijking, of om een heel lang antwoord te onderbreken – maar dan moeten ze hun tekst achteraf – mét toegevoegde vragen – eerst laten goedkeuren door hun slachtoffer. Dat moeten ze trouwens altijd doen.
     Oudere televisiekijkers zullen zich herinneren dat Maurice De Wilde een groot talent had om boos te kijken. Hij is nog een poosje onderwijzer geweest, en ik ben blij dat ik nooit van hem les heb gekregen. Zijn truc was, geloof ik, om niet zomaar een boos gezicht op te zetten, zoals ik soms doe, maar om de naakte woede in zijn diepste binnenste op te sporen, aan te wakkeren en daarna los te laten op zijn gesprekspartner. De ergste uitbarstingen werden daarna weer weggemonteerd want een grondige postproductie werkt, net zoals de antieke retorica, zowel met toevoeging als met weglating.
     In de jaren tachtig ondervroeg De Wilde, voor de nationale televisie, allerlei nazicollaborateurs. Eerst ondervroeg hij hen van man tot man, en als ze dan hun mond voorbij hadden gepraat, moesten ze voor de camera hun bekentenissen woord voor woord herhalen. Deden ze daar moeilijk over, dan bleef De Wilde woest doorvragen tot ze toegaven dat ze landverraders waren, dat ze dat altijd waren geweest, en dat ze dat in de toekomst weer zouden zijn mocht de gelegenheid zich voordoen. En dat ze op 24 september 1942 om dertien voor tien, en niet om half tien, zoals ze nu leugenachtig beweerden, in het ‘Vlaamsch Huis’ een borrel hadden aangenomen van
Obersturmbannführer Hans Totenkopf. Je zag in de ogen van die collaborateurs het wanhopige verlangen om voor heel even weer te vertoeven in de veilige geborgenheid van een zonnige winterdag aan het Oostfront.
     Ik vond die interviews van De Wilde machtig interessant, vooral omdat ze voor mij weinig nieuws bevatten. Wat die  bejaarden aan De Wilde vertelden, sloot mooi aan bij de verhalen over de witten en de zwarten die ik van mijn vader, mijn moeder en mijn grootmoeder had gehoord. Een ding viel mij wel op. Al die oud-collaborateurs hadden enorm grote oren. Nu wist ik wel dat het Arische ras volgens sommigen te onderscheiden is van de andere door hun loshangende oorlellen. Toen Von Ribbentrop een diplomatiek bezoekje bracht aan Stalin, had Hitler hem opgedragen om de oorlellen van zijn rode ambtgenoot te inspecteren – zij hingen los. Maar dat Arische oren ook groter waren, had ik nog nooit gehoord.
     Ondertussen is het raadsel opgelost. In 1995, dus kort na het afsluiten van De Wildes televisiereeks, publiceerde Dr. James Heathcote een onderzoeksrapport waaruit blijkt dat menselijke oren na het dertigste levensjaar met 0,22 millimeter per jaar blijven groeien. Het heeft iets met het kraakbeen te maken. Heathcote onderzocht ook waarom het vooral mannenoren zijn die blijven groeien. Het antwoord is eenvoudig. Het is niet zo. Vrouwenoren blijven ook groeien. Maar bij mannen valt het meer op omdat ze gemiddeld korter haar hebben en vaker kaal zijn.
     Het is onbegrijpelijk dat het tot eergisteren heeft geduurd voor  het onderzoek van Heathcote de fameuze Ig Nobel prijs* voor bezopen onderzoek kreeg toegekend. De prijs bedraagt tien biljoen Zimbabwaanse dollar, maar dat is heel wat minder dan je zou denken. Eén keer, in 1999, werd de prijs toegekend voor sociologie. Men is daarmee gestopt. Het moest een beetje eerlijk blijven.
* Ig Nobel – ignoble, nu snap ik het.

zaterdag 7 januari 2017

De grove mond van voorzitter Mao

    
     Voorzitter Mao (1893-1976) was vaak grof in de mond en dat heeft minstens één keer geleid tot een grappige uitspraak. Dat was bij de campagne ‘Laat Honderd Bloemen Bloeien’ in 1957.
     Mao regeerde niet met wetten maar met ‘campagnes’. Die kwamen er meestal op neer dat in het hele land mensen in grote vergaderingen werden bijeengebracht waar ze vijanden of verraders moesten aanklagen en die vijanden of verraders werden vervolgens op een wrede manier gefolterd en gedood. Op het einde van zo’n campagne telde China dan een paar miljoen inwoners minder.
    Maar in 1957 was de tijd niet gunstig voor rode terreur. Stalin was dood en de Russische leiders drongen erop aan om met die moordpartijen op te houden. Mao moest voorzichtig zijn. Hij moest iets verzinnen. En hij verzon de ‘Honderd Bloemen’. Hij hield een lange toespraak waarin hij zei dat China meer pluralisme nodig had. Niet één soort bloem, maar honderd verschillende soorten bloemen. Dan konden ze er de mooiste uit kiezen. Iedereen werd uitgenodigd om vrank en vrij zijn mening te zeggen en kritiek te geven op de communistische partij.
     De respons kwam onmiddellijk. Vooral in de steden begonnen de hoger opgeleiden boze brieven te schrijven, en zelfgeschreven affiches op te hangen met kritiek op het regime. Mao liet gedurende vier maanden begaan en sloeg dan toe. Iedereen die kritiek gegeven had, werd een ‘rechts element’ genoemd en moest worden ‘onderdrukt’. 
     Aangezien het alleen om hoger opgeleiden ging, was de terreur dit keer beperkt. Mao werkte graag met quota en bepaalde dat slechts tien procent van de hoger opgeleiden moest worden onderdrukt en dan nog met mate. ‘Honderdduizend mensen aanklagen, tienduizend arresteren, duizend doden,’ zei hij. Die uitspraak betrof weliswaar maar één provincie, dus dat moet je vermenigvuldigen met vijf of met tien, maar er blijkt toch uit dat de terreur na de Honderd Bloemen, van omvang en wreedheid, een van de minste is geweest onder Mao’s regime.
      Achteraf legde de Grote Roerganger aan zijn vrienden uit dat hij de Honderd Bloemen altijd als valstrik bedoeld had. ‘Hoe konden we slangen vangen als ze niet uit hun holen kwamen? We wilden dat die hoerenzonen naar buiten kwamen en lachten en zongen en scheten lieten.’
     Ik heb hierboven twee woorden gebruikt die ik niet snel een tweede keer zal neerschrijven.
 

zondag 27 november 2016

De opgeheven vinger van Fidel Castro

     Hoewel ik niet op zijn graf zal dansen, spuwen of pissen, wil ik toch even kwijt dat ik Fidel Castro nooit erg gemogen heb.* Lenin kon een scherp polemiekje voeren, Stalin maakte graag cynische grapjes en Mao liet zich interviewen in zijn onderbroek en noemde zichzelf een ‘monnik onder een lekke paraplu’ wat, geloof ik, iets als ‘brutale vlerk’ betekent.  Maar Fidel leek altijd over zijn schouder te kijken om te zien wat de Geschiedenis van zijn optreden vond. Hij viel nooit uit zijn rol van moraliserende vader des vaderlands. Hij was geen communist van de gebalde vuist, maar van de opgeheven vinger.
     Later daagde bij mij het inzicht dat er niet alleen met Fidel maar met de hele toestand op Cuba iets niet pluis was.
     Ik ben maar één keer op Cuba geweest begin de jaren negentig. Ik heb er niet, zoals de vrienden van Cuba, diepe gesprekken gehad met arbeiders, boeren en welzijnswerkers. De enige diepe gesprekken die ik heb gehad waren met de gids van onze groepsreis. Ze heette, laten we zeggen Camila, want we kunnen niet voorzichtig genoeg zijn.
     Ze was de dochter van een revolutionaire strijder van het eerste uur, en kinderen van revolutionaire strijders van het eerste uur genieten op Cuba allerlei voorrechten. Ook kreeg ze als gids fooien in dollars waardoor ze af en toe wat kopen kon in een echte winkel. De andere winkels, waar je met Cubaanse pesos terecht kon, boden niets aan wat je echt wou. In het buitenland doet mijn vrouw niets liever dan de sfeer opsnuiven van voedingswinkels en supermarkten en op Cuba was die sfeer … euh … bevreemdend. Een Cubaanse pesowinkels deed denken aan een vervallen privé-museumpje in een achterafstraatje. In haar officiële rol legde Camila uit dat die winkels zo slecht voorzien waren vanwege de economische blokkade door de Verenigde Staten. Die ‘blokkade’ kwam erop neer dat de Cubanen vanuit bijna alle landen, behalve de VS, alles konden invoeren als ze de wereldmarktprijs betaalden en dat ze ook alles konden uitvoeren naar bijna alle landen, behalve de VS, maar alweer aan de wereldmarktprijs. De tijd dat ze boven de prijs verkochten en onder de prijs invoerden, vanuit het communistische Oostblok, was juist afgelopen en dat was, geloof ik, de echte reden van de economische crisis. Ondanks die crisis heb ik op Cuba geen bedelaars gezien. Wel nette, oude heren die op rommelmarkten boeken uit hun bibliotheek te koop aanboden. Daar zaten exemplaren bij die ik niet graag weg zou moeten doen.
     Wat vond Camila nu eigenlijk van Fidel? Moeilijk om te zeggen. Haar houding leek mij een beetje op die van een adolescent tegenover zijn vader of moeder. Trots, want Fidel was tenslotte een Cubaan. He may be a bastard, but he is our bastard, moet ze gedacht hebben. Maar ook schaamte. In het museum van de revolutie sprak ze zo weinig mogelijk over Fidel Castro en Che Guevara en zoveel mogelijk over Camilo Cienfuegos, die andere revolutionaire leider die op tijd overleed zodat hij niets met de communistische misère van na 1960 te maken heeft gehad. In een of ander kustdorpje vertelde Camila ons, in haar officiële rol, over een landelijke viswedstrijd die daar had plaatsgevonden. Fidel Castro en Ernest Hemingway hadden eraan deelgenomen en natuurlijk had hij gewonnen**. Wie was ‘hij’, wou ik weten. Ze mompelde zo stil mogelijk de naam van de líder máximo en ik zonk in de grond van schaamte omdat ik haar met mijn vraag in verlegenheid had gebracht.
     Verfrissend was dat Camila in persoonlijke gesprekken op geen enkel moment de líder máximo ernstig nam. Ik vroeg haar wat ze ervan vond dat hij mensen die wilden emigreren voor ‘gusanos’ – wormen – uitschold. ‘Och,’ zei ze, ‘hij houdt zo van dat woordje.’ Ik vroeg haar wat ze vond van de Cubaanse militairen in Angola. Camila keek mij vragend aan. Zoiets moest toch dagelijks op het nieuws geweest zijn, zei ik. Dat wel, maar Camila was ervan uitgegaan dat er helemaal geen Cubanen in Angola waren en dat het om de zoveelste opschepperij van Fidel ging.
     Er waren drie dingen die Camila erg vond in haar land. Het eerste was dat er ‘geen toekomst’ was. Je kon er niet ‘vooruit’ komen. Cuba was het land van de vlakke loopbaan. Nu zijn er overal ter wereld mensen die een vlakke loopbaan hebben en zich daar niet aan storen. Ik bijvoorbeeld sta in het onderwijs. Maar onder het communisme heb je de indruk dat die vlakke loopbaan van de wieg tot aan het graf wettelijk bindend is vastgelegd. Er is niet eens plaats voor de illusie dat men hogerop zou kunnen komen, als men hard zijn best deed. Sommige mensen storen zich daaraan.
     De tweede ergernis van Camila betrof de politieke toeristen in haar land. Je zag overal bussen met Mexicanen en Bolivianen van een of andere vakbond van onderwijzers of gezondheidswerkers. Die kwamen op Cuba ‘het socialistisch systeem bestuderen’, de dwaze halzen. Bovendien waren die vakbondsmensen vaak erg dik en van Indiaanse afkomst, zei Camila. In Cuba zag je weinig zwaarlijvigheid en, al was er weinig of geen discriminatie van de zwarte minderheid, met Indianen liepen ze daar niet hoog op.
    De derde reden tot kribbigheid was de corruptie. Wij kennen corruptie van de krant en het tv-nieuws maar zelf heb ik nog nooit iemand moeten omkopen. Ik heb ooit eens een bloemetje geschonken, achteraf, aan een loketbediende die een reispas vóór een moeilijke deadline georganiseerd kreeg en dat is alles. Op Cuba is dat anders. Voor alles moest je een abogado omkopen, vertelde Camila. Ik dacht eerst dat Cuba vergeven was van advocaten, zoals er in het land ook twee keer zoveel artsen zijn als bij ons***. Maar abogado’s bleken gewoon ambtenaren met een rechtendiploma. En daar waren er inderdaad veel van. In zekere zin leek Cuba op ons land. Voor alles had je een vergunning nodig en voor alles kwam je op een wachtlijst. Alleen, die vergunning kwam er nooit en je naam bleef voor eeuwig op de wachtlijst als je de juiste abogado geen geld toestopte. Sommige Cubanen renoveerden hun huis ’s nachts, en alleen aan de binnenkant, om de vergunningsplicht te ontlopen.
     Gunstig bij dit alles is dat Camila dat allemaal zomaar vertelde aan een buitenlandse toerist die ze van haar noch pluimen kende. Het bewijst dat de Castrodictatuur in dat opzicht meer op het hitleriaanse dan op het stalinistische regime leek. Onder Stalin was je zelfs niet veilig als je kritiek op het regime had in het bijzin van je zoon of dochter en ook je beste vriend en je eigen vrouw kon je maar beter niet vertrouwen. In het Duitse gastgezin waar mijn vader logeerde gedurende de laatste jaren van de oorlog had aan tafel iedereen kritiek op het regime. Alleen Frau Sacksenröder, die lid was van de nazipartij, zweeg. Niemand was bang dat ze zou klikken. In het kerkkoor van mijn grootvader werd bij elke repetitie de politieke en militaire toestand onder de loep genomen. Mijn grootvader was anglofiel en werd door een koorlid verraden. Hij kreeg van de autoriteiten een vermaning. Wellicht was dat ook de ergste straf die Camila kon krijgen voor haar indiscreties – een vermaning. In het Duitsland van Hitler moest je een openlijke opposant, een jood, een zigeuner of een homoseksueel zijn om vervolgd te worden. Of je moest je op het verkeerde moment op de verkeerde plaats bevinden. In het Cuba van Castro werd je alleen vervolgd als openlijke opposant. En als homoseksueel natuurlijk. Maar over dat laatste heeft Castro later zijn spijt betuigd.
    

Zie over Castro ook hier en hier.
** Fidel Castro was niet alleen een groot visser, maar ook een formidabele basketbalspeler. De Nederlandse auteur Harry Mulisch beschreef in zijn enthousiaste boek Het woord bij de daad hoe Fidel aan een stelletje zwarte spelers liet zien hoe het moest. ‘Soepel omspeeld door de snelle zwarte jongens, wier benen ergens bij hun oksel schenen te beginnen, maakte hij [Fidel] persoonlijk 24 punten, zonder dat hem speciaal de bal werd toegespeeld, want daar heb ik op gelet.’ Zonder dat hem speciaal de bal werd toegespeeld! Wat een kerel! 

*** Sp.a-volksvertegenwoordiger Kurt de Loor haalt in zijn lyrisch afscheid van Fidel de overvloed aan artsen aan als argument voor Cuba. Terwijl je juist van dat soort mensen vaak hoort dat het kapitalisme de mensen ziek maakt. Schreef Harry Mulisch niet dat op Cuba de ziekte was ‘afgeschaft’? Maar misschien brengt het socialisme zijn eigen kwaaltjes voort. Dan mogen we hopen dat de Cubaanse artsen niet alleen dubbel zo talrijk maar ook dubbel zo kundig zijn als de onze.

woensdag 14 oktober 2015

Stalin in 'Game of Thrones'

     Wie niet bang is om zijn computer te vervuilen met virussen, overbodige taakbalken en flikkerende pop-ups, kan binnenkort de eerste episodes van Game of Thrones - Seizoen 5 illegaal gaan downloaden. Leuke reeks.
     Een van mijn favoriete personages is de zeerover Davos Seaworth, de rondborstige vazal van kroonpretendent Stannis. Bij het begin van het tweede seizoen maakt Davos er zich zorgen over
dat veel plaatselijke heersers zich keren tegen zijn vorst. De raadsvrouw van Stannis vindt dat geen probleem. “De God van het Licht staat achter onze koning,” zegt ze. Ik wist al wat Davos zou antwoorden: “En hoeveel schepen heeft de God van het Licht?”
     Natuurlijk! In de film Troy komt ook een oorlogsraad waar Hector zich ongerust maakt over de Griekse overmacht. “Apollo waakt over ons,” zegt een hogepriester, waarop Hector antwoordt: “En hoeveel bataljons heeft Apollo?”
     De woorden van Davos  en Hector gaan terug op een bon mot van
 de Russische leider Jozef Stalin dat ons is overgeleverd in de memoires van Churchill. Een Franse politicus probeerde in 1935 Stalin ertoe over te halen om zich verdraagzamer op te stellen jegens de Russische katholieken. Misschien kon men zo de paus in een coalitie tegen Nazi-Duitsland betrekken, dacht hij. “En hoeveel bataljons heeft de paus?” zou Stalin geantwoord hebben.
     Davos Seaworth, Hector en Stalin krijgen hier de mooie rol. Zíj zijn de praktische jongens die de godsdienstige dwepers en wereldvreemde diplomaten even op hun nummer zetten. Geen woorden, maar daden!  Er is echter ook een andere kant aan de zaak. Met Troje liep het inderdaad slecht af, en op een goede uitkomst voor Stannis durf ik slechts een heel bescheiden bedrag in te zetten. Maar met de Paus en Rusland is het anders gelopen. Toen het communisme in de jaren 80 aan zijn steile neergang begon, kwam dat in niet geringe mate doordat Johannes Paulus II zijn geestelijk gezag in de weegschaal gooide. Divisies, bataljons of schepen had hij ook toen niet.

  Oorspronkelijk geplaatst op 11 april 2015