Posts tonen met het label Bismarck. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bismarck. Alle posts tonen

dinsdag 15 mei 2018

Staken voor het lerarenpensioen?

           Op onze school heeft een derde van het personeel beslist om morgen te staken.  Sommigen van hen gaan ook betogen in Brussel. Die collega’s maken zich zorgen om hun pensioen. ’t Is vooral de verhoging van de pensioenleeftijd die voor hen moeilijk te slikken valt. ‘Zie je mij op mijn 67ste nog voor de klas staan?’ hoor ik bij collega’s van middelbare leeftijd.
     Die smartelijke uitlatingen begrijp ik. Die collega’s hebben allemaal nog andere collega’s uitgewuifd die op hun 52ste, hun 55ste of hun 58ste vertrokken zijn. Daar bestonden allerlei ‘stelsels’ voor. Onbewust ga je die leeftijden dan als norm nemen. Je denkt dat jijzelf op die leeftijd ook bloemen zult krijgen en dat de directie je alle goeds zal toewensen voor een ‘actieve toekomst’ – fietsen, kokkerellen, zorgen voor de kleinkinderen, een danscursus voor bejaarden. Veel reizen ook, want leraren verkennen graag de wereld en op pensioen kunnen ze eindelijk profiteren van de lagere prijzen buiten de vakantieperiodes. Dan is het pijnlijk om horen dat die bloemen, die danscursus en die goedkope reizen moeten worden uitgesteld tot je 67ste.
     Ik heb nooit iets gehad met die 52, die 55 of die 58. Dat komt omdat ik pas laat aan mijn lerarenloopbaan begonnen ben, op mijn 42ste. Pensioen was het laatste waar ik aan dacht. Ik was eindelijk waar ik zijn wou. Maar íets wist ik wel: om nog een beetje profijt te halen uit het voordelige ambtenarenpensioen, moest ik in elk geval zoveel mogelijk dienstjaren verzamelen. Het stond voor mij dus altijd vast dat ik tot mijn 65ste zou doorwerken.
     Dat vond ik goed. 65 was de leeftijd die door God en Bismarck was gewild.  Pensioen op 65 voelt even natuurlijk aan als de achturendag en de vijfdagenweek. Ik heb nooit een andere wettelijke pensioenleeftijd gekend. Mijn twee grootvaders zijn op hun 65ste gegaan, net als mijn schoonvader – hoewel die laatste, als zelfstandige tuinder, nooit iets gemerkt had van de achturendag of van de vijfdagenweek.
     65 is goed. En het moet ook niet meer zijn. Misschien krijg ik 100 euro meer pensioen als ik tot mijn 67ste werk, maar ik wil niet ingaan tegen de natuurlijke orde der dingen. Veel van mijn jongere collega’s zullen, als het erop aan komt, dezelfde keuze maken. Daar ben ik zeker van. Ze zullen niet tot hun 67ste voor de klas staan, als ze voor 100 euro minder twee jaar vroeger kunnen gaan dansen of gaan reizen. Misschien vertrekken sommigen wel op hun 62ste, voor 250 euro minder. Ik hoop dat het nieuwe pensioen met punten dat allemaal vlotjes mogelijk maakt, naar het voorbeeld van Zweden, waar men zelf zijn pensioenleeftijd kiest tussen zijn 61ste en zijn 67ste. De meesten gaan er geloof ik op 63. Dat vind ik haalbaar. Ik ben zelf 63.
     Maar dát de pensioenleeftijd omhoog moest, daar ben ik het mee eens, volgens de eenvoudige regel: langer leven, langer werken. Toen ik dat tegen een collega zei, protesteerde die. Dat langer leven, zei ze, dat was niet iets van de laatste jaren. Tja, daar zou ik toch mee oppassen. Toen ik school liep, in de jaren ’70, was de levenverwachting in ons land tien jaar lager dan nu. Toen die collega haar loopbaan begon in de jaren ’80, was de levensverwachting nog altijd vijf jaar lager dan nu. Dat is allemaal vrij snel gegaan.
     Belgen gaan gemiddeld op hun 59ste op pensioen. Dat is erg vroeg, vergeleken met andere landen. Het gevolg is dat we, met werkloosheid, ziekteperiodes, verlofstelsels en langdurige studies ingebegrepen, gemiddeld 33 jaar werken en 23 jaar op pensioen zijn.* Dat is een rare verhouding, want het is van dat werken dat pensioen, ziekte-uitkering, werkloosheidssteun en studies moeten worden betaald. Die rare verhouding is meteen ook de reden waarom veel werknemerspensioenen bij ons zo onaanvaardbaar laag zijn.
     De onderwijsvakbonden zouden graag het lesgeven als zwaar beroep laten erkennen, zodat er voor hun sector een uitzondering op de pensioenleeftijd komt. Nu ís lesgeven op zijn manier een zwaar beroep. Als je voor een klas adolescenten staat, stroomt een zekere hoeveelheid adrenaline door je bloed, waardoor je uitgeput raakt. Dat is bij de ene klas meer dan bij de andere en ook de leeftijd speelt hier een rol. Maar al te veel uitzonderingen voor zware beroepen zijn de oplossing niet. Hoe meer uitzonderingen op de algemene regel, hoe groter de druk wordt om de algeméne pensioenleeftijd verder te verhogen.
     Als er dan toch budgettaire middelen zouden zijn, dan is er daarvoor een betere bestemming denkbaar dan een vervroegd lerarenpensioen. Gebruik dat geld voor hogere werknemerspensioenen in het algemeen. Verhoog de beginweddes in het onderwijs**, zodat je jonge, bekwame lesgevers aantrekt en houdt. Investeer in het bijzonder onderwijs en schaf dat onnozele M-decreet af. En als het moet, heb ik nog wel wat voorstellen achter de hand die géén geld kosten, maar die de hoeveelheid stresshormonen in het bloed van de leraar gevoelig kunnen doen dalen, en waarmee hij best een paar jaartjes langer voor de klas kan blijven.
     Nu ik hier zo mee bezig ben, overvalt mij de gedachte: zou ik toch niet op mijn 64ste stoppen? Ik moet eens laten narekenen hoeveel pensioen ik dan verlies per maand en hoeveel ik dan nog overhoud. Ik zal er mijn vakbondsafgevaardigde eens over aanspreken, als hij terug is van de betoging.



* Zie hier en hier.
** In ruil daarvoor kan de anciënniteitsverhoging wat rustiger verlopen.

zaterdag 10 maart 2018

Bedorven vlees en de toekomst van het vegetarisme

     Ik heb altijd een lichte huiver gevoeld voor zoogdiervlees*, en ik eet het maar af en toe, en in bescheiden hoeveelheden. De Franse filosoof Sartre had dat ook, geloof ik, en als hij dan toch vlees at, dan koos hij voor een bereiding die niet deed denken aan spierweefsel van een beest, of aan herkenbare organen. Gehakt, een hamburger, worst, fijne vleeswaren, dat kon er nog mee door. Ik herken dat.
     Mensen als Sartre en ik zitten met een probleem, want juist in dat bewerkte vlees zit veel viezigheid. Gewetenloze kerels uit de sector gooien er rottend afval in**, vol microben en bacteriën, strooien er handvollen scherpe kruiden en kleurstoffen over, malen alles fijn, en verpakken het in een zwart schaaltje uit kunststof. Een wit schaaltje kan ook, maar dat vind ik er minder smakelijk uitzien.

     Je gaat er niet makkelijk dood aan gaat, geloof ik, aan dat bedorven vlees. Wel kun je er ziek van worden, maar dat kun je ook van beschimmeld brood of ranzige kaas. Daarom moet je oppassen als je ’s morgens, maar half wakker, je boterhammendoos vult, en ’s middags die boterhammen opeet in een halfduister café. Ik weet dat uit ervaring. Maar op één of andere manier lijkt ranzige kaas en beschimmeld brood minder erg dan rottend vlees. Het was door het rotte vlees dat de Russische matrozen van 1905 in opstand kwamen, hun officieren over boord gooiden en koers zetten naar Odessa met de rode vlag in de mast. Zouden ze dat ook gedaan hebben voor beschimmeld brood en ranzige kaas? Ik betwijfel het.
     Gisteren waren op de televisie beelden te zien uit de vleesverwerkingsindustrie. Arbeiders in witte pakken waren opgehangen karkassen aan het uitbenen met grote messen. ’t Is een werk dat ik niet graag zou doen. Er werd vreselijk snel gewerkt, je wist dat het in die werkplaats erg koud was, en die opgehangen kadavers wekken mijn weerzin op. Elke keer dat zulke beelden worden getoond, vermoed ik, neemt het aantal vegetariërs, semi-vegetariërs en flexitariërs toe.
     In 1906 bracht Upton Sinclair zijn boek uit The Jungle. De auteur wou zijn lezers overtuigen van de noodzaak om het kapitalistische systeem te vervangen door het socialistische. Hij rapporteerde hoe arbeiders hun huizen niet konden afbetalen. Hij beschreef bijeenkomsten van ontevreden werklieden. Hij liet revolutionaire redenaars aan het woord. Maar wat bleef hangen was de beschrijving van de vleesfabrieken. De afbetalingen, de ontevredenheid en de redenaars bleven spoken in het hoofd van de lezer. De verwerking van de karkassen daarentegen ging rechtstreeks naar zijn onderbuik. Er rolde een golf van protest over het land, met boze stukken in de krant en verontwaardigde tussenkomsten in het Huis van Afgevaardigden. Maar de uitkomst was niet dat het socialisme werd ingevoerd, zoals Sinclair gewild had, of dat er een uitgebreider sociale wetgeving kwam. In plaats daarvan werden wetten goedgekeurd om de hygiëne in de slachthuizen en de vleesverwerking te verbeteren.

    De eeuwwisseling – mensen van mijn generatie bedoelen daarmee die van 1901 – was een tijd van grote hervormingsbewegingen: feminisme, nudisme***, esperantisme, pacifisme, vegetarisme. Die eerste beweging heeft haar doelstellingen ondertussen bereikt. Van die vier laatste zie ik de beste kansen weggelegd voor het vegetarisme. Dat wil zeggen op middellange termijn**** en in het westen. En op voorwaarde dat de televisie nog vaak beelden uitzendt van de vleesindustrie.

* In de straat van mijn jeugd, woonden we op tweehonderd meter afstand van een slachterij. Als je je neus even buiten de deur stak en de wind zat slecht, rook je de flauwe geur van bloed. Heeft dat er iets mee te maken?

 ** In een reactie op Facebook bracht Luc Van Braekel mij het mooie woord van Otto von Bismarck in herinnering: ‘Gesetze sind wie Würste, man soltte besser nicht dabei sein, wenn sie gemacht werden.’  

*** Met uitlopers in de nazi-gezinde Kampfring für völkische Freikörperkultur in de jaren dertig.

**** Als de vegetariërs eenmaal in de meerderheid zijn, bestaat altijd de kans dat ze hun eetvoorkeuren wettelijk opleggen aan de onverbeterlijke vleeseters. Maar misschien leven we op middellange termijn wel in een verdraagzame, leven-en-laten-levenmaatschappij. Dat zou fijn zijn.

maandag 24 augustus 2015

De Emser Dépêche

Met hoge hoed: Wilhelm
Met modieuze strooien hoed: Benedetti
   Een collega van mij haar man – zo mogen mijn leerlingen niet schrijven – een collega van mij haar man dus, is een bolleboos in geschiedenis. Elke keer als ik hem zie vraag ik hem om mij de Emser Depêche opnieuw uit te leggen. Ik kan maar niet onthouden hoe dat telegram, verzonden vanuit Ems, de vonk was voor de Frans-Pruisische oorlog (1870).
   Ik heb het zopas weer opgezocht. De Pruisische koning Wilhelm I verbleef in Ems voor een gezondheidskuur. Op 13 juli werd hij tijdens zijn ochtendwandeling lastiggevallen door de Franse ambassadeur. Of Zijne Majesteit kon verzekeren dat Pruissen zich nooit ofte nimmer zou inlaten met … Spanje? Dat was de koning helemaal niet van plan – Spanje, stel je voor – maar hij was van het principe dat je in de politiek nooit ‘nooit’ mag zeggen. De Franse ambassadeur werd wandelen gestuurd. Er werd van het gesprek een slordig verslagje opgemaakt en dat verslagje werd per telegram verstuurd naar Minister-President Otto von Bismarck. Dat was de Emser Depêche.
   Bismarck, dat is bekend, was een uitstekend stilist. Hij herschreef het slordige verslag in glashelder Duits, zonder iets aan de inhoud te veranderen, maar wel zó dat iedereen nu kon begrijpen wat erin stond, en gaf het door aan de pers. Gevolg: de Pruisen waren razend omdat hun koning was lastiggevallen en de Fransen waren woest omdat hun ambassadeur was wandelen gestuurd. Een oorlog was onvermijdelijk en dat was waar Bismarck op gerekend had. Was Bismarck een minder goede stilist geweest, dan was die oorlog er misschien nooit gekomen. Ik hoop dat ik dát tenminste kan onthouden.
  

Oorspronkelijk geplaatst op 21 november 2014