Posts tonen met het label hoofddoek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hoofddoek. Alle posts tonen

zondag 4 december 2022

Mark Elchardus en de hoofddoek op school


      Ik ben het over de hoofddoek niet eens met Mark Elchardus in De Morgen van 3 december, niet met zijn standpunt en niet met zijn redenering. Zijn standpunt is al veertig jaar hetzelfde zegt hij: die hoofddoek moet worden toegelaten voor leraressen op school. Wel is dat standpunt geëvolueerd. Naar het einde van zijn column vraagt Elchardus zich af : ‘Is mijn standpunt vandaag nog houdbaar?’ Hij is op een punt gekomen waar hij vindt dat de hoofddoek op school eigenlijk geen probleem zou mógen zijn. Dát vind ik in zekere zin ook. Mocht ooit een tolerante, liberale, geïntegreerde, ‘Westerse’ variant van de Islam ondubbelzinnig dominant worden onder onze moslims, dan zou ik de hoofddoek ook niet als een groot probleem zien. Maar de kans is groot, denk ik, dat zo’n variant – als die er komt – er een is zonder veel hoofddoeken. Dan is het probleem opgelost als een klontje suiker in een glas water.
      Ik vind het in het algemeen nogal moeilijk om met Elchardus  te polemiseren, zonder eerst op te sommen waarover ik het allemaal wel met hem eens ben. Bijvoorbeeld:

  1. Dat de immigratie allerlei problemen meebrengt, zoals verhoogd jongerenvandalisme
  2. Dat de moslimse godsdienstbeleving slecht aansluit bij onze cultuur
  3. Dat men daarom de immigratie moet beperken door illegale immigratie te bestrijden en gezinshereniging veel strenger te regelen
  4. Dat men anderzijds een godsdienstbeleving moet tolereren die men eerst zelf langs open grenzen heeft binnengelaten*
  5. Dat men het dragen van de hoofddoek niet tot één motief mag herleiden
  6. Dat men niet te veel veronderstellingen nopens de intentie van de hoofddoek in het debat moet brengen, zoals daar zijn: onderwerping van de vrouw, bekeringsdrang, provocatie**
  7. Dat anderzijds het dragen van een hoofddoek hoe dan ook verbonden is met de moslimse godsdienstbeleving
  8. Dat men de hoofddoek enkel kan verbieden daar waar hij aanwijsbaar tot grote nadelen leidt
  9. Dat het verbieden van de hoofddoek tot averechtse resultaten kan leiden
  10. Dat de taak van leraren erin bestaat om kennis door te geven, onbeïnvloed door persoonlijke kenmerken als huidskleur, geslacht, aangenomen gender, ideologie, geloof en seksuele oriëntatie.

     Het eigenaardige voor mij is nu dat Elchardus juist uit het tiende punt, waar ik het ongeveer eens mee ben, een argument puurt om hoofddoeken voor leraressen toe te laten. Ik citeer: ‘Ik wil geen man die als man voor de klas staat, geen vrouw die als vrouw voor de klas staat, geen blanke die als blanke voor de klas staat, geen zwarte die als zwarte voor de klas staat, geen katholiek die als katholiek voor de klas staat. Ik wil een leraar die als leraar voor de klas staat.’ 
     ’t Is misschien wat scherp gezegd, maar ik ga hier, min of meer, in grote lijnen, op mijn manier, mee akkoord. Natuurlijk, je kunt je mannelijkheid of vrouwelijkheid niet afleggen als je de klas binnenkomt. Misschien geef je als man wel wat anders les dan vrouwelijke collega’s. Maar je geeft in elk geval geen mannelijke natuurkunde of vrouwelijke geschiedenis en je komt geen propaganda maken voor het masculinisme of het feminisme. Alleen is de opsomming van Elchardus opvallend onvolledig. ‘Geen katholiek die als katholiek voor de klas staat’. Hij had daar gemakkelijk aan toe kunnen voegen: ‘En geen moslimse die als moslimse voor de klas staat.’ Daarmee was het probleem waar hij mee worstelt scherper gesteld: kan dat dan, niet als moslimse voor de klas, met die hoofddoek op? Zou Elchardus zelf niet veel geruster zijn met in de klas een moslimse zónder hoofddoek, of een moslimse die althans in bepaalde omstandigheden bereid is om die hoofddoek af te leggen?
      De rare gedachtesprong van Elchardus wordt nog duidelijker in de zin die erop volgt: ‘Als het lukt doen huidskleur, seksuele geaardheid, ideologische overtuiging er niet toe, en een hoofddoek ook niet.’ We krijgen hier naar mijn smaak een heterogene opsomming: drie persoonlijke kenmerken en een symbool***. Dat zijn toch heel verschillende zaken. Een zwarte of blanke leraar voor de klas is inderdaad geen probleem, maar een speldje ‘Black and Proud’ of ‘White Pride’ is dat wel; een homo sportleraar is inderdaad geen probleem, maar een regenboogarmband boven zijn trainingspak is dat wel; een communist of een fascist voor de klas om wiskunde te doceren is misschien ook geen probleem, maar dan toch liefst een zonder hamer en sikkel of runeteken op zijn revers. En een bondage-adept is ook geen probleem, maar dan kan hij toch beter zijn latexpak thuislaten, al voelt dat pak voor hem aan als ‘een deel van zijn persoonlijkheid’. Zo is ook een moslimse voor de klas geen probleem, maar dan zonder dat specifieke ‘deel van haar persoonlijkheid’****.
     Aangezien Elchardus een man van nuances en pragmatiek is, wil ik er nog twee bedenkingen bovenop gooien. De eerste is deze. Zelfs als we niet te veel speculeren over de reden waarom een bepaalde moslimse een hoofddoek draagt, weten we dat er een verschil kan bestaan in het respect dat ze van moslimmannen krijgt. Zou dat geen gevolgen kunnen hebben in een school? Dat leraressen met een hoofddoek meer respect krijgen van de jongens in de klas dan andere leraressen zonder hoofddoek? En zou dat geen grote druk meebrengen voor álle moslimse leraressen om die hoofddoek toch te dragen, ook als ze die zelf niet zo belangrijk vinden in hun godsdienstbeleving?
     Mijn tweede bedenking betreft de kinderen. Het lijkt mij geen slecht idee om kinderen op school te beschermen tegen sociale druk in verband met kledij. Zelf gaf ik les op een uniformschool en ik vond dat prima. De leerlingen konden een keer per trimester hun eigen kleren kiezen, of het uniform van hun jeugdbeweging dragen. Van mij zouden moslimmeisjes op die dag ook hun hoofddoek mogen aanhouden, al getuigt het van een bedenkelijk fanatisme om daar op die leeftijd al mee te beginnen. Maar op andere dagen moeten ze die thuis laten, in het kader van algemene kledijvoorschriften. Zo’n verbod lijkt mij in alle opzichten verstandig, maar het zal moeilijk te handhaven zijn als hoofddoeken voor leraressen wel zijn toegelaten. 

 

 

* De vraag is wie die ‘men’ is in zo’n geval. De burgers? De politici die verantwoordelijk zijn voor het open-grenzenbeleid? Ik denk dat Elchardus hier vanuit zijn ideologie geen probleem in ziet. 

** Ondertussen is het onvermijdelijk dat we de veronderstellingen nopens de betekenis van de hoofddoek in het achterhoofd houden.
*** Je kunt je afvragen of baarden en dassen voor leraren en hoge hakken voor vrouwen ook niet tot de categorie van de symbolen behoren, al zijn ze heel algemeen en is de symboolwaarde door de traditie wat afgesleten ’t Is een delicate materie. Ik zou mij in deze niet verzet hebben tegen kledingvoorschriften voor leraren zoals die vroeger bestaan hebben: stofjas verplicht, stofjas verboden, kousen verplicht, kousen verboden, enzovoort. 

**** Ik ben de uitdrukking ‘deel van mijn persoonlijkheid’ al enkele keren tegengekomen. Het is, ondanks de aanhalingstekens, geen citaat van Elchardus.

zondag 20 november 2022

Joël de Ceulaer en de hoofddoek


     Ik heb onlangs nog een stuk over de moslimhoofddoek geschreven*, en ik was niet van plan om daar zo snel een vervolg aan te breien in de trant van  ‘De hoofddoek, deel 2’, ‘De terugkeer van de hoofddoek’, ‘De wraak van de hoofddoek’ en ‘De zoon van de hoofddoek’. Maar nu heeft Joël de Ceulaer er een van zijn ‘satires’ aan gewijd en daarom wil ik voor één keer een uitzondering maken. Bij zo’n stuk van Joël voel ik mij vaak als een kind in een snoepwinkel waar alles gratis is: in bijna elke zin zit iets lekkers om op te sabbelen. Ik weet niet waar ik eerst naar moet grijpen.
     Neem de eerste alinea. Daarin vergelijkt Joël de harde houding hier ten lande tegenover hoofddoekdraagsters met de milde beoordeling van misstanden in de crèches. Als peuters worden ‘geslagen, vastgekleefd en met het hoofdje in de toiletpot geduwd’, dan wordt dat, schrijft Joël, ‘op alle niveaus gedoogd dan wel genegeerd of door de vingers gezien.’ Als ik zoiets lees, is mijn eerste reactie om in de lach te schieten. Joël doet hier denken aan een tooghanger die bralt dat de politie veel te snel boetes uitschrijft voor snelheidsovertredingen, maar moorden en verkrachtingen ‘door de vingers ziet’. ’t Is waar, die tooghanger stemt waarschijnlijk voor een andere politieke partij dan  Joël. 
     In de volgende alinea maakt Joël een vergelijking tussen Iran, waar de hoofddoek verplicht is, met het gemeenschapsonderwijs (GO!), waar de hoofddoek verboden is. ‘Ik hoop dat het ooit doordringt,’ schrijft hij, ‘dat een verbod hetzelfde is als een verplichting.’ ’t Is waar, je kunt met enig trekken en duwen elke bepaling zowel als verplichting (hoofdoek!) of als verbod (niet bloothoofds!)  formuleren. Dat maakt niet veel verschil. Wat wel een verschil maakt, is de partijdigheid of onpartijdigheid van een bepaling. In Iran bijvoorbeeld is er geen algemeen verbod om bloothoofds rond te lopen**. Er is in Iran juist een heel precieze verplichting dat alleen het vrouwelijke deel van de bevolking treft.
     Er zijn andere, dwingender redenen om de vergelijking tussen Iran en het GO! te verwerpen. De verplichting van de ayatollahs en het verbod van het GO! komen voort uit een andere motivatie en worden opgelegd met een ander doel. De hoofddoek in Iran is een onderdeel van de onderhorige rol die de vrouw in de fundamentalistische Islam krijgt toebedeeld. Het hoofddoekenverbod in het GO! daarentegen sluit aan bij de twee eeuwen oude idee van een neutrale lekenstaat die neutraal onderwijs organiseert. Ik ga daar verder niet op in, want Joël weet dat ook allemaal. Alleen vergeet hij het te schrijven.
    Ik wil mij hier beperken tot een evidentie. Het verbod van het GO! wordt in ruimte en tijd begrensd door de schoolmuren en de schooluren; de verplichting van de Iraanse overheid daarentegen omvat de hele openbare ruimte. Mocht de Iraanse overheid een hoofddoek op scholen verplichten, als onderdeel van het meisjesuniform, zou ik daar niet half zoveel problemen mee hebben, zolang de meisjes en de leraressen die hoofddoek weer mogen afdoen als ze de school verlaten. Dan is het dragelijk. En zo is het eveneens dragelijk dat de meisjes en leraressen in het GO! hun hoofddoek moeten afdoen bij het betreden van de school, zolang ze hem weer mogen aandoen – als ze dat per se willen – bij het verlaten ervan. Joël haalt het geval aan van die ‘sympathieke, gemotiveerde en welbespraakte’ Chaïmae Bentouhami die op de televisie haar wens kenbaar maakte om lerares-met-hoofddoek te worden. Goed, dan wil ik nog een stap verdergaan: de welbespraakte mag van mij haar hoofddoek ook dragen in de lerarenkamer, zolang ze hem maar afdoet in de klas.
     Joël verwijt het GO! dat het inconsequent is. Het onderwijsnet streeft zogezegd neutraliteit na, maar organiseert zelf de gesegregeerde lessen voor ‘islamitische, katholieke, joodse en vrijzinnige kindjes’***. ’t Heeft er weinig mee te maken maar ik moet het toegeven: die twee uurtjes per week zijn niet ‘neutraal’. Ze maken onderdeel uit van een historisch compromis dat de liberale founding fathers afsloten met hun katholieke tegenstanders. En van een compromis kun je geen uiterste consequentie verwachten. Trouwens, is  die kleine inbreuk op de neutraliteit gedurende twee uur per week een goed argument om nog meer neutraliteit prijs te geven?
     We komen zoetjesaan bij de kern van Joëls betoog, dat ook in de titel is vervat: ‘Het hoofddoekenverbod heeft niets te maken met neutraliteit, maar alles met islamofobie.’ Die Joël toch! Eerst wordt bij de vergelijking tussen het GO! en Iran elke verwijzing naar doel en motivatie ontweken, en nu wordt die de kern van het betoog. Joël weet dat degenen die de neutraliteit inroepen eigenlijk door islamofobie gedreven worden. Goed, als Joël dat weet, dan weet ik iets anders. Ik weet dat niet bij iederéén neutraliteit een excuus is voor islamofobie.
     Maar ik wil het Joël gemakkelijk maken. Ik zal het alleen over mezelf hebben en dan wil ik schuchter bekennen dat islamofobie bij mij wel een rol speelt. Ik weet dat het niet mag, en dat landen als Qatar en andere voorbeeldnaties internationale conferenties houden om tegen islamofobie te waarschuwen, maar ik geef het toe: ik ben bang. Bang dat het fundamentalisme binnen de islam verder opgang maakt, bang dat die opgang bij moslims de aanpassing aan hun nieuwe land bemoeilijkt, bang dat verschillende godsdienstbeleving van oud- en nieuwkomers tot spanningen leidt, bang van het hellend vlak dat leidt tot aparte sharia-rechtbanken voor bepaalde materies. Of om bij mijn onderwerp te blijven: bang dat moslimmeisjes die de hoofddoek liever niet dragen het in de toekomst nog moeilijker zullen krijgen om dat vol te houden. Mocht ik daar allemaal niet bang voor zijn, mocht ik met andere woorden minder islamofoob zijn, dan dacht ik misschien anders over hoofddoek en lekenstaat.
     Joël geeft een andere invulling aan het begrip islamofobie. Hij ziet er het onvermogen in ‘om onder elke hoofddoek gewoon de mens te zien in plaats van de vermeende ideologie.’ Joël heeft hier een kruimel van gelijk. Bij het beoordelen van mensen die we niet kennen gaan we al te snel af op uiterlijke kenmerken: op die ongepoetste schoenen, op die tatoeages, op dat roze geverfd haar, op die kaalgeschoren linkerslaap die het gezicht van een mooi meisje ontsiert. Vooroordelen zijn des mensen. In de school waar ik les gaf, was een godsdienstleraar die in hetzelfde jaar als ik begon les te geven. We lieten elkaar de eerste drie jaar links liggen. Ik was bang van hem omdat hij zo groot was, en hij van zijn kant was vooringenomen tegen mij omdat ik een das droeg. Nadat we toevallig in een discussie over Kant en Rawls verzeild raakten, veranderde dat, werden we onafscheidelijk en kon je ons elke middag in het café tegenover de school aantreffen, ook al was hij nog altijd zo groot en droeg ik nog altijd een das.
     Maar stel nu dat Joël hier gelijk zou hebben – dat islamofobie een kwestie is van vooringenomen reflexen – dan nog gaat het niet aan om die islamofobie af te wegen tegen iets als neutraliteit. Het gaat om twee verschillende sferen. Islamofobie is, als je wil, een deel van het probleem, en neutraliteit is een deel van de oplossing. Het is juist omdat we als mensen behept zijn met vooroordelen en fanatisme dat het goed is dat we die in sommige contexten minstens symbolisch afleggen. En dat moet gebeuren volgens neutrale spelregels waarbij de verschillende godsdiensten minstens formeel gelijk worden behandeld****. Dat is het hele eiereneten van de neutraliteit. De Franse lekenstaat heeft ongetwijfeld zijn wortels in antikatholieke vooroordelen en christianofobie. Dat neemt niet weg dat hij alles samen een redelijk kader geboden heeft om de conflicten tussen katholieken en antikatholieken te temperen.
    Naar het einde van zijn stuk komt Joël goed op dreef. ‘Menig Vlaams-nationalist wordt razend als men zijn zwart-gele leeuwenvendel een collaboratievlag noemt in plaats van een strijdvlag. Terecht. Tegelijk prediken diezelfde lieden dat iedere hoofddoek een teken van onderdrukking is - terwijl dat overduidelijk helemaal niet het geval is.’
   Ook hier wil ik een heel klein stukje met Joël meegaan. Een uitspraak over ‘iedere hoofddoek’ is een veralgemening, en een veralgemening in het maatschappelijke debat is gevaarlijk. Een moslimse die een hoofddoek draagt wordt niet noodzakelijk, altijd, en zonder uitzondering, meer onderdrukt dan een moslimse of een oud-Vlaamse die zo’n hoofddoek niet draagt. Maar zoals men zich terecht kan bezinnen over de algemene symboolwaarde van de zwart-gele vlag in de middeleeuwen, tijdens de oorlog, in de jaren vijftig en nu, zo kan men zich ook bezinnen over de algemene symboolwaarde van de hoofddoek sinds de Iraanse ayatollah-revolutie.
     Ik wil hier ook iets kwijt over de rol van het katholiek onderwijs in de hoofddoekenkwestie, al zegt Joël daar niets over.  Zoals geweten kunnen katholieke scholen vrij beslissen om de hoofddoek toe te laten of te verbieden. Boeve geeft de indruk dat hij die toelating gunstig gezind is, misschien onder het motto ‘godsdienst is godsdienst’, of om pluralistisch te zijn, of eigentijds, of om op die manier zijn eigen onderwijsnet een concurrentieel voordeel te bieden tegenover het GO!
     Ik heb daar iets van meegemaakt op de katholieke school waar ik les gaf. 15 jaar geleden, lang vóór Boeve, was daar een vacature voor een leerkracht economie. De toenmalige directie, die dolgraag eigentijds wou zijn, had een hoofddoekdraagster op het oog. De directeur kwam ons in de lerarenkamer geruststellen. Bij het sollicitatiegesprek had men gevraagd of de vrouw in kwestie haar hoofddoek als een symbool van fundamentalistische propaganda beschouwde. De vrouw had ‘nee’ geantwoord. De geruststelling door de directe was trouwens overbodig geweest want bij het begin van het schooljaar was hoofddoekdragende lerares, op aandringen van de raad van bestuur, vervangen door een andere lerares.
     Aangezien ik geen gedachten kan lezen, weet ik niet of onze hoofddoekdragende econome fundamentalistische opvattingen had of niet. Ik weet alleen dat ze erg vriendelijk was, want ze stond naast mij op de personeelsfoto die genomen werd tijdens de laatste dagen van de vakantie. Ik vermoed niet dat ze van plan was haar lessen economie te doorspekken met islampropaganda. Maar ik hoop dat ze nu les geeft in een andere school en het gezond verstand heeft gehad om daar de hoofddoek weg te laten. Dán weet ik bijna zeker dat ze niet van de fundamentele soort is. Ik denk hetzelfde van de moslimse poetsvrouw van mijn ouders. Die draagt geen hoofddoek, maar een sjaal. Als ze binnenkomt legt ze die af. Ze heeft wel een traditionele hoofddoek, zegt ze, maar die is om te dragen bij feestelijke gelegenheden. Ook van haar neem ik aan dat ze niet van de fundamentele soort is. Ik voel mij daar geruster bij.
    Ik keer terug naar Joël. Die spreekt, om te besluiten, zijn hoop uit dat de hoofddoekendiscussie niet in een eeuwige loop blijft vastzitten. Dat hoop ik ook. De discussie mag voor mij zelfs onmiddellijk worden stopgezet. Ik ben voorstander van het status-quo. De hoofddoeken moeten op straat niet verboden worden, zoals CD&V’er Hendrik Bogaert ooit voorstelde, ze moeten geen aanleiding geven tot een extra belasting, zoals Filip De Winter ooit voorstelde, en ze moeten niet in het GO! worden toegelaten, zoals Joël de Ceulaer nu voorstelt. Alles mag reglementsgewijs***** blijven zoals het was. Je suis demandeur de rien. 

 

* Voor mijn vorige stukje over de hoofddoek: zie hier.

** De Engelse koningin Elizabeth I verbood wel dat haar onderdanen ouder dan zeven jaar bloothoofs op straat rondliepen. Ze wou geloof ik met die maatregel de hoedenindustrie steunen.
*** Joël vergeet nog de protestantse kindjes. Ik heb minstens twee mensen gekend die als enige van de school les konden volgen in de protestantse godsdienst.

**** Dus ook geen andere religieuze symbolen op school. Wel kan formele gelijkheid volgens neutrale regels een zekere ongelijkheid in de praktijk inhouden. Daar is niets aan te doen. Als de staat bijvoorbeeld maatregelen neemt tegen extremisme binnen godsdiensten, dan wordt de godsdienst die het meeste extremisme in zich draagt in zekere zin het zwaarste getroffen. Ook zijn er een aantal gevallen waar kan worden betwijfeld worden of de neutraliteit per se moet worden doorgevoerd, zoals bij nieuwe benamingen als ‘winterfeest’ voor ‘kerstfeest’. Er zijn redelijke argumenten voor en tegen.
***** Hier en daar mag een gemeentereglement worden aangepast zodat hoofddoekdracht aan loketten, in het kader van de lekenstaat, verboden wordt. 

zaterdag 8 december 2018

De foute N-VA-campagne

Iemand op N-VA moet gedacht hebben: die telefoneren met hun achtergebleven gezin
 Om hun kritiek op het Marrakesh-akkoord te ondersteunen, heeft N-VA gedurende enkele uren met zes advertenties de sociale media bestookt. Het goede aan die campagne was dat ze zo kort was. Dat was ook het enige. Voor de rest ben ik het eens met Charles Michel, Filip Dewinter en Bart De Wever. De eerste zei dat de campagne ‘onwaardig’ en ‘onaanvaardbaar’ was. Dat was ze. De tweede zei dat de campagne thuishoorde bij het Vlaams Belang strekking 70-puntenprogramma. Spijker op de kop. En de laatste zei: ‘Dit was fout.’ Inderdaad.
     Die fout laat zich echter niet gemakkelijk onder woorden brengen. Neem nu de tekst van de advertenties. Die begint zes keer met “VN-migratiepact’ en gaat verder met
1.       = focus op behoud van eigen cultuur van de migrant
2.       = verbod op terugsturen van illegale gezinnen
3.       = opsluiten van illegalen moeilijker maken
4.       = toegang tot sociale rechten, ook voor illegalen.
5.       = versoepeling procedures gezinshereniging
6.       = illegaal verblijf niet langer strafbaar.

    Dat zijn inderdaad allemaal dingen die zo ongeveer in dat pact staan. 2°, 4° en 6° zijn te stellig geformuleerd, 1°, 3° en 5° zijn te knullig geformuleerd*, en bij alle punten kun je het voorbehoud maken dat het pact ‘niet-wettelijk bindend’ is. Maar de zes slagzinnen geven aardig de algemene richting van het pact aan, evenals de redenen waarom N-VA er zoveel bezwaren tegen heeft.
     In De Morgen verscheen een ‘Fact check’-artikel waarin professor Coolsaet van Gent beweert dat vijf van de zes stellingen ‘onwaar’ zijn. Dat was een bedenkelijk stuk. Er bestaat inderdaad discussie over de interpretatie van al die punten tussen migratie-voorstanders en migratie-tegenstanders. We konden in de kranten discussies volgen tussen analisten en experts die het niet met elkaar eens waren. Tussen Mark Elchardus en Bogdan Vanden Berghe. Tussen Paul Scheffer en Leo Lucassen. Maar één expert ondervragen – Coolsaet dan nog! – en die zijn interpretatie als ‘feit’ voorstellen, is een ontwaarding van het nobele woord factchecking. Op de Amerikaanse site PolitiFact hebben ze zes beoordelingen voor politieke uitspraken: True, Mostly True, Half True, Mostly False, Full Flop en Pants on Fire. Met die labels zou ik de N-VA-simplificaties ‘Mostly true’ noemen en de Coolsaet-simplificaties ‘Mostly False’.* Iemand die het Marrakesh-pact kan lezen – zoals professor Coolsaet – en niet ziet dat het immigratie makkelijker maakt, zo iemand noem ik blind aan zijn twee bevooroordeelde ogen. Maar ik zal mijn oordeel hierover niet als factchecking verkopen.
     Het gaat echter allemaal niet zozeer om de teksten, maar om de beelden bij die teksten. Iedereen is het erover eens dat daar van alles fout mee was, maar wát er precies fout was, heb ik nergens gehoord of gelezen. Ja, Dirk Vandermaelen (SP.a) … Die vond dat de N-VA-beelden geleken op de campagnes van de nazi’s tegen de Joden … En grote woorden over ‘angst zaaien’ en ‘haat aanwakkeren’ … Maar eventjes ernstig, wát was er fout met die beelden? De beelden bestonden uit:
1.       vier vrouwen met niqaabs op straat
2.       een vliegtuig op een militair aandoend vliegveld
3.       een nachtelijke samenscholing van jonge (wellicht illegale) vreemdelingen
4.       een rij wachtende jongeren waarin een jonge vreemdeling duidelijk in beeld is
5.       drie jonge vreemdelingen die op een bankje met hun gsm bezig zijn
6.       een rubberboot met jonge vreemdelingen op de Middellandse Zee.

Die beelden geven allemaal een stukje Europese werkelijkheid weer. Niqaabs zie je niet zo vaak meer sinds men in veel landen wetten goedkeurde die ze verbieden, maar het is niet denkbeeldig dat die wetten in de toekomst worden aangevochten op grond van het VN-migratiepact. En die militaire vliegtuigen, samenscholingen, wachtrijen, zitbankjes, gsm’s en rubberboten bestaan ook allemaal echt.
     Beelden van immigranten, samen met een tekst tegen de immigratie, zorgt echter onvermijdelijk voor een giftig mengsel. De boodschap van de tekst geeft een kleur af op het beeld dat erbij hoort, en op wie en wat er op dat beeld staat afgebeeld. Protest tegen immigratie wordt zo vanzelf een boodschap van ‘wrok tegenover immigranten’, zoals De Wever het verwoordde. En N-VA mag daar niet aan meedoen, vond hij.
     Eén probleem met beelden is dat ze veralgemenen. Vier vrouwen met niqaabs geven de indruk dat álle moslimvrouwen ongeduldig staan te wachten om zo’n ding aan te trekken. Eén allochtone jongere die op een of andere uitkering wacht, geeft de indruk dat álle jonge allochtonen van uitkeringen leven. Maar een groter probleem met beelden is dat ze emotioneel suggestief zijn. Een vliegtuig op een grimmig plein omringd door prikkeldraad doet aan oorlog denken. Een groepje vreemdelingen dat ’s nachts samendromt, geeft de indruk dat er op criminele daden wordt gebroed. En zo’n rubberboot op de Middellandse Zee zorgt voor emotionele polarisatie. Een goede ziel denkt ‘Och arme’ en een harde tante denkt: ‘Zelf gezocht’.
     Er is één foto waar de beeld-tekstcombinatie helemaal absurd is, die van de drie jongens op een bankje met hun gsm. De tekst keert zich tegen de versoepeling van gezinshereniging, maar op de foto zie je … ja, dus, drie jongens op een bankje met hun gsm. Ze doen wat alle jongens doen als ze op een bankje zitten, niet dagdromen, niet mediteren, geen boek lezen, maar naar hun gsm-scherm staren, naar hun gsm-muziek luisteren, op hun gsm-klavier tokkelen. Wie het beeld ziet, in het kader van een campagne tégen iets, denkt: Wat doen die jongens nu fout? Is het misschien omdat het Marokkanen zijn? Als dat geen racisme is!
     Bij politieke tegenstanders in de politieke wereld en in de pers lees je dat de campagne het ‘ware gelaat’ van N-VA getoond heeft. De Maskers Zijn Afgevallen. Ik vraag me af hoe ik mij dat moet voorstellen. Een vergadering waar Bart De Wever zijn vertrouwelingen aldus toespreekt: ‘Vrienden! Vlamingen! Gij allen weet dat wij hier de enige échte racisten zijn. We hebben dat altijd verborgen moeten houden, maar het is nu of nooit. Met het Marrakesh-pact gooien we de kaarten op tafel. Wij zullen die flauweriken van Vlaams Belang een keer laten zien hoe men een échte extreemrechtse campagne voert.’ En als er dan tegen alle verwachting in reactie komt van de andere partijen en, stel je voor, van de pers, dan is er een nieuwe vergadering, waarop De Wever alweer het woord neemt: ‘Vrienden! Vlamingen! Wij hebben ons misrekend. We hadden nooit verwacht dat we van alle kanten zouden worden aangevallen. De pers is ons niet gevolgd. Iedereen zet zijn masker weer op. Klaar?’
    Ik denk niet dat het zo gegaan is. En misschien was het ook niet één vergadering, en één leider, maar een reeks vergaderingen, gesprekken in de wandelgang, e-mails en telefoontjes, waarin zinnen vielen waren als deze:

-    Mannekens, we zijn nu al een week aan het inpraten op onze regeringspartners en ze luisteren niet. Zouden we niet eens uitleggen aan de bevolking waarover het gaat?
-      Zeg vriend, vat dat pact een keer samen in zes korte zinnen.
-    Wie heeft er een plaatje over de gezinshereniging? Nee, we kunnen geen cartoons gebruiken. Misschien iets met vreemdelingen die aan het telefoneren zijn met hun achtergebleven gezin.
-    Ge vindt geen foto’s met boerka’s? Zoek eens op Duitse sites. Daar is dat langer toegelaten geweest. Google eens op ‘die Burka, b-u-r-k-a’ of misschien ‘der Nikab, n-i-k-a-b.’
-    Aha, dat zijn ze … mja … mja … ’t is niet ideaal, maar zet ze er maar op. Beter iets dan niets.***
En ten slotte:
-    Wááát? Zijt ge daar allemaal zot geworden? Ziet ge dan niet dat dat een Vlaams Blok-campagne is?

     Dat laatste is in elk geval wat een klein kind van op afstand kon ruiken en zien. Maar de communicatiemedewerkers en -verantwoordelijken wáren geen kleine kinderen, en, veel erger, ze roken of keken niet vanop afstand, ze zaten er met hun neus op. Ze waren gehaast. Ze waren zo gefocust op de boodschap die ze wílden overbrengen, dat ze vergaten wélke boodschap er nu ook echt overkwám.**** Mijn zoon Jan begrijpt niet hoe specialisten die dag en nacht met iets bezig zijn, fouten maken waar de eerste de beste leek voor zou passen. Hij begrijpt niet dat dat komt juist omdát die specialisten dag en nacht ergens mee bezig zijn en dat ze juist daardoor gevangen raken in hun eigen kronkels en redeneringen.
     Wat zullen de gevolgen zijn van de afgevoerde campagne? Voorstanders van soepeler immigratie zullen de blunder aangrijpen om immigratie-critici te jennen. Hoe zou ik zelf zijn? Genuanceerde N-VA-kiezers zullen met argwaan kijken naar de verdere communicatie van de partij. Ze hebben gelijk. Radicalen zullen boos zijn omdat de campagne weer werd ingetrokken. Radicalen zijn snel boos. En binnen de partij zal er wat geduw en getrek zijn. Dat hoort erbij. Voor verkiezingscijfers zal dat allemaal niet veel verschil maken.
     Het belangrijkste in de hele affaire is of N-VA er iets uit zal leren. Er zijn een paar eenvoudige regels. Slaap er een nachtje over voor je een campagne lanceert. Probeer geen analyse te brengen in slagzinnen. Gebruik geen prentjes van migranten, behalve als rolmodel – jonge moslima’s zónder hoofddoek bijvoorbeeld. Dat is allemaal eenvoudig. Een moeilijker regel is deze: hoe meer je aandringt op het stopzetten van ongewenste immigratie, hoe meer je nadruk moet leggen op de integratie van hen die al geïmmigreerd zijn. Dát is allesbehalve eenvoudig. Het is een dubbele boodschap en een dubbele boodschap is moeilijk om overtuigend over te brengen. Brutus probeerde het na de moord op Caesar. ‘Caesar was slecht want hij wou koning worden, maar hij was ook goed want hij heeft veel voor Rome gedaan.’ Brutus heeft het met die boodschap moeten afleggen tegen de populist Antonius. Die had een veel eenvoudiger boodschap: ‘Brutus is een rijke stinkerd en we gaan hier alles kapotslaan.’
     Zó ‘laagdrempelig’ mag de boodschap van een fatsoenlijke partij nooit worden. Dan maar een dubbele. Maar hóe je dat moet doen, dat moet je aan specialisten vragen. En je moet hen daar enkele nachtjes over laten slapen.*****


* Slagzinnen zijn geschikt om eisen te stellen, maar zijn een onhandige manier om feiten of analyses weer te geven. Lenin heeft zijn revolutie niet gewonnen met slagzinnen als ‘Regering schiet te kort in de broodvoorziening’ of ‘Nieuw besluit schuift landbouwhervorming op lange baan’ of ‘Buitenlandse beleid laat kansen op vrede onbenut’. Zo werkt het niet. ‘Brood’, ‘Land’, ‘Vrede’, zo werk het. Enkele woorden, geen zinnen.

** Op Doorbraak verscheen een uitgebreid artikel over die bedenkelijke factchecking.

*** In dit scenario kan nog altijd sprake zijn van onbewust racisme – een racisme dat ervoor zorgt dat de racist het racisme van zijn fotokeuze niet opmerkt. Allemaal mogelijk hoor. Maar dat dat de foto van de drie jongens met hun gsm uitlegt, dat geloof ik niet.

**** Uit Mad Men heb ik geleerd dat reclamebureaus hun campagne eerst uittesten bij een steekproef uit de doelgroep. Dat is een manier om het verschil te zien tussen wat je wíl dat er overkomt en wat er écht overkomt.
***** Ik heb ondertussen de nieuwe campagne van N-VA gezien. Ze hebben op mijn goede raad niet gewacht. Geen prentjes van migranten. Enkele woorden, geen zinnen. Net wat ik zei.