Posts tonen met het label film. Alle posts tonen
Posts tonen met het label film. Alle posts tonen

maandag 16 januari 2023

Is winstzucht slecht?

 


    Een ervaren krantenlezer weet het antwoord al dat ik op de hierboven gestelde vraag zal geven. Hij kent intuïtief de ‘wet van Betteridge’ die stelt dat elke kop die eindigt met een vraagteken beantwoord wordt met het woord ‘nee’. Dat is dan ook mijn antwoord: nee, winstzicht – die ik in de rest van mijn stuk ‘winststreven’ noem – is niet slecht. In de film Wall Street is Gordon Gekko een schurk en een oplichter en hij vertelt baarlijke nonsens over politiek en economie, maar in zijn ‘Greed is good’-speech kan ik redelijk goed inkomen, ondanks de karikatuur die van de grondgedachte wordt gemaakt*.
     Op Facebook raak ik soms in discussie met mijn oude klasgenoot Filip D., die, in tegenstelling tot mijzelf, zijn marxistisch geloof trouw is gebleven. Hij stelt de vraag liefst in de volgende termen: ‘Ofwel heb je een economie in dienst van de winst, ofwel heb je een economie in dienst van de mensen.’ Ik voel een zekere weerzin om de verwoording in dienst van over te nemen, maar ik doe het hier voor de duidelijkheid toch, en dan beweer ik ferm: de beste manier om de economie in dienst van de mensen te stellen is om de bedrijven te laten werken in dienst van de winst. Er is geen tegenstelling tussen die twee.**
     Dat valt het makkelijkst te begrijpen als we over ‘de mensen’ als consumenten spreken. Er kunnen heel wat omwegen zijn, maar uiteindelijk kan er slechts winst worden gemaakt als er een klant is die voor een eindproduct of dienst wil betalen. Die klant moeten dus tevreden worden gehouden met goede kwaliteit en lage prijzen, anders gaat hij bij een concurrent zoeken wat hij denkt nodig te hebben. Tevreden klanten betekent winst, ontevreden klanten verlies. Meer zelfs: een ondernemer kan aan zijn winst ongeveer aflezen hoe tevreden zijn klant is. De winst doet dienst als barometer.
     Moeilijker wordt het als we ‘de mensen’ als producenten, en meer bepaald als werknemers, bekijken. Natuurlijk zijn die werknemers ook consument, en profiteren zij mee van het winststreven zoals ik dat hierboven heb geschetst. Maar als werknemer is er voor hen ook een andere kant. Hoe minder de eigenaar betaalt aan de werknemers – van arbeiders tot CEO – hoe groter de potentiële winst voor de eigenaar. Het winststreven kan dus, aan zichzelf overgelaten, leiden tot lagere lonen en slechtere arbeidsvoorwaarden. De werknemers moeten daar op een of andere manier tegen worden beschermd.
     Er zijn veel vormen van bescherming voorgesteld. De staat kan lonen en arbeidsomstandigheden reglementeren, de werknemers kunnen druk uitoefenen door vakbondsacties en stakingen, de economische wetenschap kan de werkgevers bijbrengen meer loon betalen zodat de werknemers in staat zijn om de producten van het eigen bedrijf te kopen. Die laatste ‘bescherming’ is de meest absurde, want een autofabrikant weet natuurlijk nooit of zijn werknemer zijn hoge loon wel aan een auto zal besteden, en niet aan een fiets en verre vliegtuigreizen. Maar ook de andere beschermingen lijken mij zwak. Wetten doen vaak niet meer dan de gewijzigde toestand vastleggen. Als er bijna geen kinderen meer werken, wordt kinderarbeid afgeschaft. En vakbondsacties zijn vooral succesvol als ze drijven op een sterke grondstroom***.
     Die grondstroom – die tegelijk de beste bescherming vormt – is het bestaan van een vrije arbeidsmarkt. Als een arbeider in de 19de eeuw door een ‘werkmansboekje’ niet de vrijheid had om van werk te veranderen, dan moest hij zich de laagst mogelijke lonen laten welgevallen. Maar als hij wel die vrijheid heeft, kan hij altijd op zoek gaan naar een werk waar de voorwaarden beter zijn, en doet hij zijn voordeel met een concurrentie tussen werkgevers. Vandaag zie je werkgevers grossieren in ‘extralegale voordelen’ om afgestudeerde IT-architecten aan te trekken, maar hetzelfde mechanisme geldt voor metselaars, monteurs en kelners****.
    Als je het een beetje anders bekijkt, is het eigenlijk weer het winststreven dat de lonen in de hoogte duwt. Die werkgevers die hogere lonen aanbieden aan IT-architecten, metselaars, monteurs en kelners doen dat alweer niet uit menslievendheid, maar omdat ze uitgerekend hebben dat die werknemers, zelfs met die hogere lonen, meer winst zullen opbrengen dan als ze die werknemers zouden moeten missen door een gierig loonbeleid. 
     Ik had tot nu toe niets dan goede dingen te melden over het winststreven als grondslag voor het welzijn van ‘de mensen’. Er zijn in de loop der tijden ook een aantal nadelen geformuleerd. Marxisten en keynesianen beweren dat ‘ongebreideld’ winststreven tot economische crisissen leidt. Ethici als Antoon Vande Velde wijzen erop dat het winststreven een ongelijke verdeling van welvaart teweegbrengt. En Jan-met-de-pet vindt dat er geen ‘overdreven’ winsten mogen worden gemaakt.
    Met marxisten, keynesianen en Anton Vande Velde durf ik hier op deze plek geen discussie aangaan. Jan-met-de-pet zou ik kunnen antwoorden dat ‘overdreven’ winsten uitzonderingen zijn, snel verdwijnen en niet kunnen worden voorspeld. Anders hadden we Paul D’Hoore niet nodig om ons geld te beleggen en om in één jaar stinkend rijk te worden.
      Maar je kunt het bezwaar van Jan-met-de-pet ook anders lezen: als een sentimenteel bezwaar tegen winst als énige motief, zonder andere warme, menselijke overwegingen, een bezwaar tegen het beenharde, hardvochtige kapitalisme: prijsonderhandelingen op het scherp van de snee, afdanken van wie niet productief is, verloning naar verdienste – terwijl we allemaal graag iets meer willen krijgen dan we eigenlijk verdienen. Om Oscar Wilde te parafraseren: ‘Als we alleen krijgen wat we verdienen, dan zijn we er slecht aan toe.’
       Dát sentimenteel bezwaar is ook het mijne. Maar als ik eerlijk moet zijn, ben ik in die zaken niet erg rechtlijnig. Ik heb graag de voordelen van een menselijke, warme aanpak maar dan met het lage prijskaartje van het beenharde kapitalisme. In de televisiereeks Olive Kitteridge is er een heel menselijke, warme apotheker die op pensioen gaat. In de plaats komt een supermarkt-apotheek. De mensen in het dorp klagen dat menselijkheid en warmte verdwenen zijn. ‘Ja,’ zegt de apotheker, ‘maar ze zijn wel goedkoper.’ En voorzover ik kon zien was de bediende in de nieuwe supermarkt-apotheek ook niet onvriendelijk.
     Zou ik nu mijn oude vriend Filip D. overtuigd hebben om zich met mij achter het zwarte vaandel met het gouden dollarteken te scharen? Ik betwijfel het. Ik denk dat hij schamper zal lachen met het lage prijskaartje van het beenharde kapitalisme*. ‘Ja, de energieprijzen zeker?’ hoor ik hem al sneren. ‘Met dank aan de vrije markt!’ Ja, dát wordt een moeilijke discussie. Als je, zoals wij in Europa, een gemengde economie hebt, met een onontwarbaar kluwen van vrije markt en staatsinterventie, is het niet makkelijk om de oorzaak van allerlei euvels terug te vinden: is het de markt, is het de staatsinterventie, of is het mengsel zelf? Het is geloof ik niet het winststreven, of ik moet hierboven ergens een redeneerfout hebben gemaakt.

 

* Dit is de inhoud van die nogal klassiek-liberale speech, die haaks staat op het gedraag van Gordon Gekko zelf in de film. Let ook op de aanval op de hoge lonen van de CEO’s. 

Well, I appreciate the opportunity you’re giving me Mr. Cromwell as the single largest shareholder in Teldar Paper, to speak. Well, ladies and gentlemen we’re not here to indulge in fantasy but in political and economic reality. America, America has become a second-rate power. Its trade deficit and its fiscal deficit are at nightmare proportions. Now, in the days of the free market when our country was a top industrial power, there was accountability to the stockholder. The Carnegies, the Mellons, the men that built this great industrial empire, made sure of it because it was their money at stake. Today, management has no stake in the company! All together, these men sitting up here own less than three percent of the company. And where does Mr. Cromwell put his million-dollar salary? Not in Teldar stock; he owns less than one percent. You own the company. That’s right, you, the stockholder. And you are all being royally screwed over by these, these bureaucrats, with their luncheons, their hunting and fishing trips, their corporate jets and golden parachutes.

Teldar Paper has 33 different vice presidents each earning over 200 thousand dollars a year. Now, I have spent the last two months analyzing what all these guys do, and I still can’t figure it out. One thing I do know is that our paper company lost 110 million dollars last year, and I'll bet that half of that was spent in all the paperwork going back and forth between all these vice presidents. The new law of evolution in corporate America seems to be survival of the unfittest. Well, in my book you either do it right or you get eliminated. In the last seven deals that I’ve been involved with, there were 2.5 million stockholders who have made a pretax profit of 12 billion dollars. Thank you. I am not a destroyer of companies. I am a liberator of them! The point is, ladies and gentleman, that greed, for lack of a better word, is good. Greed is right, greed works. Greed clarifies, cuts through, and captures the essence of the evolutionary spirit. Greed, in all of its forms; greed for life, for money, for love, knowledge has marked the upward surge of mankind. And greed, you mark my words, will not only save Teldar Paper, but that other malfunctioning corporation called the USA. Thank you very much.


** Er is een lichte tegenstelling in de zin dat winsten kunnen leiden tot het ontstaan van superrijken die extravagante consumptie-uitgaven doen, terwijl dat geld misschien ook naar ‘de mensen’ had kunnen gaan, voor hún consumptie-uitgaven. Maar in het geheel van de economie zijn de extravagante consumptie-uitgaven van de superrijken verwaarloosbaar.


*** Als het economisch goed gaat kunnen vakbondsacties loonsverhogingen versnellen, als het economisch slecht gaat kunnen vakbondsacties loonsverlagingen afremmen, maar dan ten koste van grotere werkloosheid.


**** Iedereen die zich de opkomst van de computers herinnert, zal begrijpen wat ik bedoel met ‘laag prijskaartje’. Ik heb indertijd voor een extra set lettertekens voor mijn printer evenveel betaald als ik nu betaal voor een hele printer. Om verder de gestaag stijgende prijzen juist te interpreteren, moeten we ‘door de geldsluier heen kijken’, zoals een decaan aan de Economische faculteit van de KUL mij ooit toebeet.  


woensdag 21 april 2021

De actieve gepensioneerde


       Sinds ik met pensioen ben, vecht ik tegen de illusie dat ik nu minder tijd heb dan vroeger. Ik breng minder tijd door aan de piano, lees minder, schrijf minder stukjes, doe minder aan boekbinden, en dát naast alle andere dingen die ik wegens corona helemaal niet meer doe. Ik zou die illusie misschien kunnen verdrijven door de tijd aan de piano doorgebracht bij te houden, door mijn stukjes te tellen, door een lijstje aan te leggen van de gelezen boeken (alleen al de 22 delen De Goncourt) en door alle boeken die ik inbind mooi naast elkaar op één plankje te plaatsen.
     Nog beter zou zijn het advies van consulent Ivy Lee (1877-1934) te volgen en een dagelijks takenlijstje op te stellen. Tenslotte kreeg Lee 25 000 dollar* betaald voor dat advies, en als het goed genoeg was voor de managers van Betlehem Steel Company, dan is het goed genoeg voor mij. Je riskeert dan wel een aanzienlijk deel van je tijd door te brengen met het opstellen van je lijstjes, maar het loont de moeite: het afvinken van een volbrachte taak is, naast het knippen in zilverpapier en het kapotdrukken van de noppen in verpakkingsplastiek, een van de leukste dingen die je kunt doen. Verder is het opstellen van een takenlijstje op zich ook al een taak die je dagelijks kunt afvinken.
     Ik weet echter nu al dat ik zulke takenlijstjes niet zal opstellen. Ik hou zoiets niet vol, het is weinig zinvol voor activiteiten die elke dag herhaald worden, en ik zou bovenaan het item ‘opruimen bureau’ moeten plaatsen en daar heb ik geen zin in. Deshalb habe ich mir etwas anderes ausgedacht, zoals de moffen zeggen. Als ik nu eens een lijstje aanlegde van de films die ik zie. Ik kan moeilijk ontkennen dat ik nu veel meer films zie dan toen ik nog les gaf. Film kijken was toen iets voor de vakanties, en voor vrijdagavond, soms zaterdagavond. Zondagavond al zeker niet, want dan was er altijd nog iets dat dringend verbeterd of voorbereid moest worden. Voor een leraar betekent het pensioen dat hij zijn zondagavonden terugkrijgt.
     Dat is allemaal veranderd. Nu zie ik bijna elke dag een film. Alleen, zo’n film op televisie verdampt na een paar dagen. Aan het einde van de week blijft er niets over, en je vraagt je af wat je die hele week hebt gedaan. Met mijn filmlijstje is dat opgelost. Gewoon elke dag een film kijken, de naam noteren, en dan ik heb de indruk dat ik productief bezig ben. Heerlijk. Ik zou ook telkens een kleine recensie kunnen schrijven, maar dan keten ik mij weer vast aan de tredmolen. En alles wat ik kan bedenken voor zo’n recensie is toch al bedacht door de critici die men kan consulteren op Rotten Tomatoes.
      Misschien zou ik na elke film een korte commentaar kunnen noteren, van het soort dat men  uitwisselt bij het verlaten van de zaal? Eens kijken.

Di.

Hidden Figures (2016). Die naïeve acteerstijl, daar moet je doorhéén kunnen kijken.

Ma.

Mr. Jones (2019). Walter Duranty die in Moskou orgieën organiseerde voor de persjongens, dat wist ik niet.

Zo.

1922 (2017). Zie hier.

Za.

The Old Guard (2020). Hoe cool is Charlize Theron!

Vr.

Long Day’s Journey into the Night (1962). Die vader, die ken ik. Speelt dr. Rand in Doll’s House. Logisch … Ibsen, O’Neil. De opening is wat zwaar. ‘Thank heavens the fog is gone. I do feel out of sorts this morning. I wasn’t able to get much sleep with that awful foghorn going all night long.’ Na zo’n inleiding weet je het: hier zal nogal geteut worden. 

Do.

Love in the Afternoon (1957). Grappig lijstje van de ex-minnaars van Audrey Hepburn. Zie hier.

Wo.

Uncut Gems (2019). Zou Sandler daar moeite moeten voor doen, om zo’n irritant personage te spelen?

Di.

Charade (1963). Jan ziet in de eerste seconde dat zo’n film óud is. De Zwitserse bergen zien er niet uit. Geen digitale postproductie.

Ma.

Camus (2010). Tiens, Camus zat niet alleen in die auto. Zie hier.

Di.

Velvet Buzzsaw (2019). Kent iemand een slechte film met Jake Gyllenhaal?

Wo.

Dreamland (2019). Is dat nu mijn inbeelding, of heeft Margot Robbie negroïde trekjes?

Do.

Milada (2017). Waarom die trein die door de bossen rijdt? Je ziet dat beeld zes, zeven keer, zonder de minste aanleiding. Hilarisch!

Wo.

The Meyerowitz stories (2017). Candice Bergen ziet er patent uit. Maar in Vivre pour vivre heb ik gesupporterd voor Annie Girardot.

Di.

The Nice Guys. (2016) Vrij uniek geloof ik, die mengeling van noir, ernst, komedie, slapstick en actie. Erg grappige dialogen. De praatzieke actrice die tegen het dochtertje van Ryan Gosling zegt: ‘He told me this chick was his sister, right, and the next day I walk in on them and they’re doing anal and stuff.’ Waarop het welopgevoede meisje antwoordt: ‘Don’t say and stuff. Just say: they’re doing anal.’

      Ja, met pensioen zijn, je moet van aanpakken weten. 


* Omgerekend naar 2016: 400 000 dollar.  

zondag 18 april 2021

Positief denken


      Voor ik naar een film kijk, zoek ik even op welke beoordelingsscore de Amerikaanse critici eraan gegeven hebben*. Je vindt die kritieken op Rotten Tomatoes of zelfs op de Metacric Reviews van IMDB, onder het tabblad More.  De Stephen King-verfilming 1922 kreeg op de vermelde sites respectievelijk 91 % en 70 %. We hebben het erop gewaagd, mijn vrouw en ik, maar het viel wat tegen. ‘Weinig verrassende wendingen,’ zei ik achteraf. ‘Ik kan maar best zelf voor een verrassende wending zorgen en een bad nemen.’ Dat was een grapje, want ik neem elke avond een bad.
     Zo’n film die wat tegenvalt, biedt anders uitstekend oefenmateriaal in positief denken. Wat was er wél goed aan 1922. Even kijken:
  • alle oude voertuigen: auto’s, vrachtwagens, een tractor met zwadmaaier
  • de moeder (Molly Parker) die net irritant genoeg is om te vermoorden, maar niet irritant genoeg om dat zonder schuldgevoel te doen
  • de leugens van de vader, die slecht liegt, maar net overtuigend genoeg om de sheriff te laten geloven wat die graag gelooft
  • de advocaat en de bankier als ‘comic relief’
  • de haat van fatsoenlijke boeren voor varkensboeren
  • de eerste rat
  • een koe op het deksel van de waterput
  • een koe in de eetkamer
  • de sheriff die zegt: ‘Nice room.’ (Je moet de slaapkamer tegelijk zíen).
  • de zoon die zegt: ‘You couldn’t even slice Mama’s throat without making a mess.’
  • de boer die in zijn armstoel zit en een boek leest

     Ben ik iets vergeten?

 

* Een bekentenis die ik ook hier en hier al aflegde.

zaterdag 27 maart 2021

Pretentieuze filmkritiek


      De jonge Karel van het Reve dacht dat Hemingway een échte man was, tot een meisje hem duidelijk maakte dat je het ook anders kon bekijken. Misschien deed die Hemingway er alles aan om zich als een echte man te gedragen omdat hij deep down nogal onzeker was. Goed, hij bokste, nam het op tegen stieren, liep tussen fluitende kogels, zocht ruzie in bars, jaagde op heel groot wild, ving heel grote vissen, waste zich niet, dronk veel, deed hoekige uitspraken en bedreef seks zoals hij dat in het bordeel had geleerd. Maar misschien was hij in zijn diepste binnenste wel een watje. Wie zal het zeggen?
     In de film Hemingway & Gellhorn (2012) – een TV-film, maar ambitieus van opzet – wordt op de dubbelzinnigheid van de übermacho enkele keren gealludeerd, en verder krijgt de kijker het gedetailleerde relaas van zijn relatie met oorlogsjournaliste Martha Gelhorn. De film duurt bijna drie uur. Dat komt omdat regisseur Philip Kaufman – de reden waarom ik naar de film keek – àlles wil tonen: Hemingways typische manier van schrijven, zijn huwelijk met de katholieke Pauline Pfeiffer, het geslijm van zijn uitgever, de Spaanse burgeroorlog met revolutionairen die ‘Ay Carmela’ zingen, de rol van de kerk en de communisten in die burgeroorlog, de ontmoeting met de Roosevelts, de villa op Cuba, de landing in Normandië, de ontmoeting met Chiang Kai-shek en diens vrouw Soon Mei-ling, en wat later met de communistische charmeur Chou En-lai.
     Eigenlijk hou ik wel van zo’n systematische, episodische films. Het is een midbrow formule. Je wordt bevestigd in  ongeveer alles wat je weet of hoort te weten over een Beroemd Persoon. Het hele bovenstaande rijtje van boksen, stieren, fluitende kogels en heel groot wild komt aan bod. En omdat er altijd zaken zijn die je níet weet doet de regisseur enige moeite om alles goed uit te leggen. Gaat Hemingway op de vuist met een criticus die hem een slechte recensie gegeven had, dan wordt er voor gezorgd dat we de naam van die criticus te weten komen: eerst ‘Max’ en dan ‘Eastman’. Dat vind ik fijn. Ha, Max Eastman. Je ziet Hemingway optrekken met collega-auteur John Dos Passos die voortdurend communistische praatjes verkoopt. Als ik met Jan naar die film had gekeken, zou ik hem op dat moment hebben uitgelegd dat Dos Passos later voor politiek rechts zou kiezen, en waarom. Het ware overbodig geweest, want het komt mooi in de film. En als er iets níet kan worden getoond – zoals Hemingway en Scott Fitzgerald die hun geslachtsdeel met elkaar vergelijken – dan wordt het in de film verteld als anekdote.
    Je kunt natuurlijk elke formule verknoeien, maar dat is hier niet gebeurd. Mooie locaties, prachtige  archiefbeelden waar de personages in gemonteerd zijn, Clive Owen en Nicole Kidman in de hoofdrollen, en beroemde acteurs in allerlei bijrollen – ik heb mij geen seconde verveeld.
     Achteraf las ik uit nieuwsgierigheid een aantal kritieken en ik vond er eentje van een zekere Maureen Ryan op de Huffington Post-site. Maureen had zich wél verveeld. Ze vond de film ‘stupid, stupid’, ‘artistic crap’, ‘a crime against TV’, kortom: het slechtste kijkvoer sinds vele maanden. ‘Loving or even liking this expensive misfire is simply not possible.’ Tja, kijk, Maureen, dat is een beetje persoonlijk, weet je. De film baadt in pretentie*, zegt ze. Mogelijk, maar vaak is ‘pretentie’ een lelijk woord voor ‘ambitie’, een woord dat je gebruikt als je wat chagrijnig bent opgestaan – of zo geboren bent. De film bevat geen spanning, zegt Maureen, want als highbrow wist ze op voorhand dat Hemingway zou trouwen met en scheiden van Gellhorn, en dat de fascisten de Spaanse burgeroorlog zouden winnen. Flink hoor, Maureen, maar dat is een beperkte opvatting over spanning, hoor.
     Op één punt heeft Maureen gelijk. De acteurs spreken soms in clichés en doen uitspraken die zwaar op de hand liggen**. En ze somt er een aantal op, zoals Hemingway die tegen zijn geliefde zegt: ‘There’s no writing, Gellhorn. All you do is sit down at your typewriter and bleed.’*** Ja, dat is wat nadrukkelijk, maar is dat nu echt zo’n slechte zin?  Als een slecht acteur zo’n zin zegt, schiet je natuurlijk in de lach, maar Owen ís geen slecht acteur. En clichés hebben allerlei voordelen. Aan een toog in een hotel zegt één van de journalisten over de burgeroorlog: ‘There are atrocities on both sides. The important thing is to report with objectivity.’ En Gelhorn antwoordt: ‘Objectivity! Fuck all your objectivity shit!’. Maureen haalt dat aan als voorbeeld van een slechte dialoog. Zelf vind ik dat een ernstig probleem hier goed wordt samengevat. ’t Is misschien in clichés, maar aan de toog wordt al eens een cliché gedebiteerd.
     Een leuk nevenpersonage in de film is de Nederlandse cineast Joris Ivens die samen met Hemingway een film maakt over de Spaanse burgeroorlog. Net als Hemingway is hij bereid om zijn eigen film te censureren om de Russische communisten ter wille te zijn****. ‘He wears a baret,’ zegt Maureen sarcastisch. Je hoort haar denken: een regisseur met een baret, wat een cliché. Maar had ze even de naam ‘Joris Ivens’ gegoogled, dan had ze al snel enkele foto’s gevonden van Joris mét een baret. Had ze liever een hoge hoed gezien? En beseft Maureen eigenlijk niet dat de werkelijkheid zelf volgestouwd is met clichés?



* Het vergelijkbare Henry and June van Kaufman vond ik destijds wél enigszins pretentieus. Dat komt geloof ik omdat ik van die film toen veel had verwacht. Van déze had ik dat niet.

** De kwestie van onnatuurlijke filmdialogen heb ik hier en hier al even aangeraakt. 

*** Toegegeven: er kómen flauwe zinnen in de film, zoals wanneer Gellhorn zegt: ‘I do not see myself as a footnote to someone else’s life.’ Of wanneer Hemingway zegt: ‘Love is more infinitely durable than hate.’ Het zijn niet de zinnen die Maureen noteert, maar ze zijn er. So what? Mamet speak is niet de enige mogelijke dialoogvorm in film. Heeft iemand Casablanca gezien? Of Gone With The Wind? 

**** Ivens handelt, mogen we aannemen, uit revolutionair pragmatisme, Hemingway, wordt gesuggereerd, uit een soort opportunistisch fatalisme. Fysieke en intellectuele moed vallen niet altijd samen.

maandag 8 maart 2021

Oude genres in nieuw kostuumpje

 


     Het zou gemakkelijk zijn als vooruitgangsoptimisten - ik ben in Deirdre McCloskey aan het lezen - toegaven dat er vroeger ook wel eens iets beter was dan nu, niet voor iedereen, en niet in de ogen van iedereen, maar voor sommigen, en in de ogen van sommigen. Er moet toch een réden zijn waarom men af en toe een film of televisieserie maakt die zich in het verléden afspeelt, in een tijd waarin althans de kostuums de moeite waard waren. Waarom noemen we ze anders kostuumfilms?
     Vandaag zijn de decennia na de tweede wereldoorlog in de mode, geloof ik, met series als
The Queen’s Gambit, Rachet, Hollywood en het verrukkelijke The Marvellous Mrs. Maisel (zie ook hier). De vooruitgangsoptimist zal riposteren dat de series óver die tijd beter zijn dan de series ván die tijd. En weer heeft hij een punt. The Golden Age of Television is now.
     Voor films is het moeilijker. Jongere filmliefhebbers hebben de grootste moeite om een film van vóór 1980 uit te kijken, en oudere filmliefhebbers herinneren zich vooral de hoogtepunten van vroeger, de meesterwerken van Lubtisch, Wilder, Capra, Cukor … Maar dat geeft een vertekend beeld. Ik zag vorige week Heaven Can Wait, een film uit 1943 die indertijd veel ophef maakte. Ik vond hem bijzonder flauw, ook al was hij van Lubitsch.
     Een ding is zeker: de films vroeger waren ánders, wat je nog het best ziet aan de typische genres van die tijd: de komedie, het melodrama en de musical. Die zijn heel moeilijk na te bootsen. Een moderne romantische komedie gelijkt amper op de screwball zoals die tachtig jaar geleden werd gemaakt. Woody Allen komt soms in de buurt. Ik zag laatst She’s Funny That Way van Peter Bogdanovich. Ook dat kwam in de buurt. Voor musicals hebben we La La Land dat het oude model  in een fris zomerjurkje presenteerde*, maar daar staan nogal wat mislukte pogingen tegenover, en anders musicals die een heel andere richting uitgaan.
     Waar je helemáál vruchteloos naar zoekt, zijn de helden en heldinnen van het naïeve melodrama van vroeger (zie ook hier): de ideale geliefden die door het noodlot of liever nog door de schurk van dienst gescheiden worden, de nobele heldin of held die zich opoffert voor geliefde, kind of vaderland … het is heel moeilijk om vandaag zo’n verhaal in de juiste toonaard te zetten. Wij houden meer van de tragikomedie. Camille en Armand, kunnen we nog appreciëren, maar dan het liefst in hun oorspronkelijk milieu.**
     Toch doet men soms een poging om ook dat soort personages en plot nieuw leven in te blazen. In het weekend hebben we gekeken naar Sylvie’s Love (2020) van Eugene Ashe: Harlem, de fifties, jazz, technicolor. Sylvie en Robert zijn de ideale geliefden. Elk om beurt offeren ze hun eigen geluk op om, denken ze, het geluk van de ander veilig te stellen. Ook verzwijgen ze de waarheid, zoals dat in een melodrama hoort, zodat de ander van hun nobele beweegredenen onkundig blijft***. Hoe kan dit ooit  goed komen?
     De film is goed geacteerd en mooi in beeld gebracht, maar hij komt traag op gang, de keerpunten vallen op de verkeerde momenten en de eindscène biedt niet de emotie die je van een melodrama verwacht. Ik geloof dat de oude melodrama’s die fouten minder maakten.

    

* Je kunt onmogelijk aan La La Land denken, zonder ook aan frisse zomerjurkjes te denken.

** De op hen geïnspireerde helden Violetta en Alfredo, en Christian en Satine tellen niet mee. Als er muziek in het spel is, wordt het immers een ander verhaal. 

*** Dat trucje wordt ook gebruikt in de Taiwanese film A Sun (zie hier), maar daar wordt het tragisch en niet melodramatisch uitgewerkt.

dinsdag 2 maart 2021

Epiloog


      20th Century Woman* gaat over een een vijftienjarige jongen die opgroeit in Californië in 1979. De film bevat veel van wat mij niet zo aanspreekt: een puber, Californië, Jimmy Carter, dancings, punkmuziek, Billy Crudup in een van de hoofdrollen  …
     Andere zaken bevallen mij wel: een nostalgische sfeer, een moeder die vrolijk blijft ook als ze niet erg gelukkig is, een groot maar enigszins vervallen huis, gezellige maaltijden met veel gasten, een stelletje bohémiens zonder de gebruikelijke pretentie …  Er is zelfs een radicale feministe zonder een zweempje mannenhaat. ‘Féministe, mais pas coupe-couilles,’ zoals mijn vriendin M-X pleegt te zeggen.
     De film evolueert een beetje voorspelbaar, maar niet helemaal. Hij gaat niet ergens naartoe. Aan het einde van de film hebben de moeder, de zoon, het buurmeisje, de fotografe, de automonteur allemaal iets meegemaakt, maar ’t is niet veel, en ze hebben allemaal iets bijgeleerd, maar ook dat is niet veel. En dan volgt iets eigenaardigs: een epiloog waarin droogjes verteld wordt, wat er verder met de personages gebeurt. Zulke epilogen zie je vaak, bijna altijd zelfs, in het biografische, ‘waargebeurde’ genre, maar niet vaak in fictiefilms**.
     In die fictiefilms heb je wel eens een coda, waarin snel even een andere richting wordt ingeslagen. Atonement eindigt met een tijdssprong van enkele decennia en een verandering van toon. In Titanic komt Jack weer tot leven, samen met de bemanning en de passagiers van het schip. In Lalaland krijg je een alternatief einde. Maar dat is niet wat ik onder epiloog versta. Ik bedoel eerder het soort naschrift dat je soms in 19de-eeuwse romans aantreft, met een korte, wat teleurstellende samenvatting van de verdere, meestal banale, gebeurtenissen – wat Walter Scott omschreef als ‘veel suiker en weinig thee’ en Thomas Macaulay als ‘klappen die geen pijn doen en geld waar je niets voor kunt kopen.’
       In de epiloog van 20th Century Woman krijg je klappen noch geld, maar je krijgt ook geen verandering van toon of een alternatief einde. Het verhaal loopt gewoon nog heel even door, in dezelfde stijl, maar versneld. De thee is noch te bitter, noch te zoet.    

* Voor wie terugkijk TV heeft: de film was op 27 september te zien op Canvas.

 ** Ik las achteraf in de recensie van Simon Gelten (hier) dat de regisseur zijn film als een semi-autobiografie ziet. Ik had verkeerdelijk gedacht dat het zuivere fictie was die het autobiografische genre pasticheerde, tot en met de epiloog. Een heel rechtlijnig voorbeeld van dat laatste werd onder mijn aandacht gebracht door Mark De Mey. Fargo van de Coens eindigt met de boodschap dat de film gebaseerd is op waargebeurde feiten, terwijl dat niet zo is.

woensdag 24 februari 2021

De niet gestelde vraag


       In toneel en film spelen revelatiescènes een grotere rol dan in romans of andere verhalende genres. Wie de Ilias wil verfilmen kan bijvoorbeeld beginnen met een gespierde man te tonen die driftig rondstapt voor zijn tent. De kijker stelt zich dan allerlei vragen. Wie is die man? Hoe heet hij? Waarom stapt zij zo driftig in het rond? Het is allemaal erg onduidelijk. Slechts stap voor stap, komt de kijker die informatie te weten, als bijvoorbeeld een bode langskomt die zegt: ‘Gegroet Achilles, zoon van Peleus. Koning Agamemnon nodigt u uit om de vete te begraven die tussen hem en u heerst en die de Achaeërs zoveel nadeel berokkent.’ Wie dat alles in  verhaalvorm neerschrijft, kan onmiddellijk de onduidelijkheid wegnemen, de naam van de held en van diens vader vermelden, en uitleg verstrekken over de vete met Agamemnon. 

       Toneel- en filmmakers hebben de gewoonte om de handicap van onduidelijkheid uit te spelen en zo spanning op te wekken. Er waart een spook rond in de buurt van Elsinor. Waar komt dat spook vandaan? Is het de geest van een overledene? Van wie dan? Een waarom komt het spoken? De kijker zit met een heleboel vragen en krijgt daar op het gepaste moment een antwoord op.
     In de aangrijpende film A Sun pakt de Taiwanese cineast Mong-Hong Chung het anders aan*. De kijker wordt af en toe met onduidelijke toestand opgezadeld, maar die wordt zó ingekaderd door montage en toon dat hij er zich geen vragen bij stelt. De hand van een kok wordt afgehakt. Waarom? Je wilt het eigenlijk niet weten. Iemand krijgt de opdracht om een pistool leeg te schieten op een advocatenkantoor. Voert hij die opdracht uit? Je stelt je de vraag niet. Een gangster is afwezig op de plaats van afspraak. Waar is hij naartoe? Ach wat. De kijker wil bij die scène vooral weten hoe je met doorweekte kleren in een auto kunt plaatsnemen zonder die onherroepelijk smerig te maken.
     En het mooie is: op al die vragen die de kijker zich niet gesteld hebt, krijg hij uiteindelijk toch een antwoord. 
 

 

* De film is op Netflix te bekijken.

zondag 20 december 2020

Wie is de echte Anne Boleyn?

 

     Channel 5 bereidt een nieuwe reeks voor over Anne Boleyn, waarin het personage zal worden gespeeld door de zwarte actrice Jodie Turner-Smith. Je denkt nu misschien: dat is dwaas. Dat kan, maar ik zou toch eerst even om mij heen kijken voor ik zo iets zeg. In The Guardian (hier) las ik een column met het venijnige zinnetje: ‘Predictably, racists are losing their head over it.’ De ‘pun’ neem ik aan is ‘intented’, en de inhoud is waarschijnlijk correct. Het zou inderdaad heel raar zijn als blanke racisten géén aanstoot namen aan een zwarte Anne Boleyn. Maar zoals het er staat, lijkt het wel of iedereen die daar aanstoot aan neemt zonder meer een racist is.
     Zelf ben ik nogal ruim in die dingen. Als een klein theatergezelschap een mooi repertoirestuk wil brengen, dan moeten ze roeien met de riemen die ze hebben. Dan kan Romeo best door een Pakistaan van middelbare leeftijd worden gespeeld, en Blanche, Nora, Martha of Medea door een pas aan Herman Teirlinck afgestudeerd actricetje. Een vriend van mij regisseerde schooltoneel en het waren heel vaak meisjes die in die stukken de mannelijke rollen speelden. Ik heb mij daar nooit aan gestoord: het gaf soms een pikante charme aan een rol. Als dat toneel verfilmd wordt, moet je wat beter uitkijken, maar ik had geen grote bezwaren toen Richard II door een vrouw werd gespeeld, Don Pedro door een zwarte, net zo min als als toen Hamlet verplaatst werd naar de 19de eeuw, en As You Like It naar feodaal Korea. Het is allemaal wat alternatief, maar dat hoort vandaag de dag bij toneel.
     Anders is het bij historische films. Daar moet het een beetje redelijk blijven, vind ik. Het is een pluspunt als Daniel Day Lewis echt op Lincoln gelijkt. Die laatste heeft dan wel de zwarte slaven bevrijd, ik zou hem toch niet door een zwarte laten spelen. Dat heb ik ook met Anne Boleyn: ze moet blank zijn, zwart haar hebben, af en toe een renaisscancekapje opzetten, en ze moet wat op Geneviève Bujold lijken*, anders voel ik mij bekocht.
     De Guardian-columniste is nog niet uitgepraat. Om haar standpunt meer gewicht te geven, haalt ze er Jezus Christus bij. Dat is altijd een sterk argument. ‘Many of the same people who think a black woman shouldn’t play a white historical figure have zero issues with Jesus being routinely portrayed as a white guy.’ Daar zit iets in. Het westerse Jezus-beeld is tot stand gekomen in een naïeve tijd met weinig historische kennis van antieke etnografie, klederdracht, haartooi en gewoontes. In de renaissance kreeg het zijn stereotype vorm in het Laatste Avondmaal van Da Vinci. Het beeld bleef doorschemeren in de 19de-eeuwse kitscherige Christus-van-het-Heilig-Hart, die ook mee model stond bij de verfilmingen van Griffith, Zeffirelli, Gibson en anderen. Maar de speeltijd is voorbij, zoals men zegt. ’t Is een werkpuntje voor een volgende verfilming: laat Jezus wat meer lijken op Sadam Hoessein zoals die eruit zag toen hij uit zijn schuilplaats werd gehaald.
     Wat onze columniste ondertussen niet vermeldt, is de gewoonte die Hollywood vroeger had om Indianen en Chinezen door bijgekleurde blanken te laten spelen. Zelfs Orson Welles liet zich bijkleuren om Othello te spelen. Hij zal gedacht hebben dat geen enkele andere acteur, blank of zwart, dat zo goed kon als hijzelf. En in Lawrence of Arabia werd de handlanger van Lawrence gespeeld door Antonio Rudolfo Quinn, wiens naam laat vermoeden dat hij geen Arabier was, en ook geen Griek. Men deed dat niet uit kwade wil, men dacht er niet bij na.
     Maar dat was vroeger. Iemand die vandaag een Apache-opperhoofd laat spelen door een Fransman, Othello door een blanke Amerikaan, en Auda Abu Tayi door een half Ier half Mexicaan, die doet dat met opzet. Het is een provocatie. De Apaches, de Moren en de Arabieren zouden dat niet meer nemen. De meest beschaafden onder hen zouden zeggen: waar is dat voor nodig? En dat is precies wat ik denk van die zwarte Anne Boleyn. Waar is dat voor nodig?** Die vrouw heeft het al zo zwaar gehad. En nu moet ze ook nog eens als statement dienen om een of andere politiek correcte boodschap uit te dragen.
     De Guardian-columniste is overigens niet eens geestdriftig over de zwarte Anne Boleyn. ’t Is goed bedoeld, zeker, maar het kan beter. Een zwarte Anne Boleyn is, om klare taal te spreken, als project ‘not particularly progressive’, vindt ze. De columniste zou liever films zien maken over Arwa, koningin van Yemen van 1067 tot 1138 en Ranavalona I, koningin van Madagascar tussen 1828 en 1861. Ze voegt eraan toe dat die sterke vrouwen veel mensen hebben vermoord, wat bewijst dat ze hun mannetje konden staan, en wat op een of andere manier moet bijdragen tot de bijzonder progressieve boodschap.
     Als die films over Arwa en Ranavalona goede kritieken krijgen op Rotten Tomatoes, wil ik die best ooit eens zien. De progressieve boodschap echter kan mij daarbij gestolen worden. Ik deel de mening van Louis B. Mayer die ooit moet hebben gezegd: ‘If you have a message, send it by Western Union.’ Daar had Mayer groot gelijk in, al worden er nu nog weinig telegrammen verzonden en al was hij verder een schurk en een hypocriet. Althans volgens de film Mank. Waarin Herman Mankiewicz gespeeld wordt door Gary Oldman, een blanke, en Marion Davies door Amanda Seyfried, ook een blanke. Zelfs Joseph Mankiewizs, Randolf Hearst,  Irving Thalberg, Ben Hecht, Charles MacArthur, Orson Welles en Louis B. Mayer worden door blanken gespeeld.  Tja, zo win je tegenwoordig geen Oscars meer***.

 

* Voor Henry VIII aanvaard ik een gelijkenis met Richard Burton, Robert Shaw of Charles Laughton. Zie hier.
** Ik geloof dat ik weet waar dat voor nodig is. Een ideologie zoals politieke correctheid moet op een fanatieke kern kunnen terugvallen, en daarvoor moet de ideologie een aantal absurditeiten omvatten. Anders kan iedereen politiek correct zijn en is er geen verdienste aan. Het oude credo quia absurdum.
*** De richtlijnen voor het minimum percentage acteurs uit minderheidsgroepen in een Oscar-film vind je hier.

vrijdag 18 december 2020

Niet mijn genre


      Wie graag films kijkt, heeft vaak een voorkeur voor bepaalde genres en een afkeer voor andere. Het is, zoals altijd, niet makkelijk om die voorkeur of afkeer te verklaren. Het heeft niet rechtstreeks met kwaliteit te maken, want in elk genre worden goede en slechte dingen gemaakt. Ikzelf hou bijvoorbeeld van komedie en niet van melodrama. Maar veel hedendaagse komedies zijn gruwelijk flauw, en er zijn aan de andere kant heel mooie melodrama’s gemaakt en Casablanca blijft geweldig, hoe vaak je die ook bekijkt. Ik zal altijd een mooi melodrama verkiezen boven een gruwelijk flauwe komedie. 
     Zo bekeken wordt het een kwestie van hoe hoog je de kwaliteitslat legt. Voor je lievelingsgenres leg je de lat wat lager, en bij andere genres leg je die wat hoger. Dat kan op verschillende manieren gebeuren. Je kunt, voor een verhaal dat je niet lust, bijkomende eisen stellen. De acteurs moeten beter zijn, de decors mooier, de muziek leuker, het camerawerk meeslepender. De film moet iets méér bevatten, en dan neem je de rest erbij.
    Het omgekeerde gebeurt ook. Je aanvaardt de film, die niet je genre is, omdat hij iets minder bevat. Ik heb dat al eens geïllustreerd met de film All The Pretty Horses, een verhaal over een jonge, arme cowboy die verliefd wordt op de dochter van de rijke Mexicaanse landeigenaar. Dat is een melodramatisch gegeven, maar de film werd voor mij gered omdat wat ik noemde de ‘gebruikelijke scènes’ min of meer afwezig waren (zie hier). 
     Nu heb ik onlangs weer zo’n melodrama gezien: Beautiful Boy. Mijn zoon had mij gewaarschuwd dat het een weenverhaal was over een ideale vader en een ideale zoon, en die laatste raakt aan de drugs. Ik zag alle clichés al voor mij: de herinnering aan de gelukkige kinderjaren, de geleidelijke revelatie van de verslaving, de ontwenningskuren, het hervallen, het liegen, het stelen, de ruzie tussen de vader en de moeder, alles, alles. Toch wou ik de film een kans geven, vooral omdat mijn vrouw, heel slim, verzweeg dat hij gemaakt was door Felix Van Groeningen.
     En zie, alweer viel de film best mee. Alle clichés kwamen in de film voor – dat kon ook moeilijk anders – maar ‘en sourdine’ en vooral kort, kort, kort. De ruzie tussen de vader en de moeder duurde enkele seconden, en er werd niet geroepen. Slim bedacht van Felix.

dinsdag 23 juli 2019

Dankbaarheid

Moeten nieuwkomers ‘dankbaar’ zijn tegenover het land dat hun nieuwe thuis is geworden? ’t Is geen gemakkelijke vraag. Ik heb daar enkele maanden geleden een stuk over geschreven, dat vooral ging over de Amerikaanse politica Ilhan Omar. Nu heeft de Vlaamse politica Nadia Sminate (N-VA) iets gezegd waardoor ik mijn oude stukje weer eens bovenhaal.  ‘Mensen,’ zei Sminate, ‘ zoals meester Lahlali en ik, met buitenlandse roots, moeten dankbaar zijn voor de kansen die we gekregen hebben hier in Vlaanderen.’
    
     In zijn twitterbericht van vorige week week (juli 2019) zei Trump enkele onvriendelijke dingen over  niet nader genoemde ‘Congresswomen who originally came from countries whose governments are a complete and total catastrophe … and [who are] viciously telling the people of the United States, how our government is to be run.’ Dat Congresswomen is meervoud, maar het is eigenlijk het beste toepasbaar op één Congresswoman in het bijzonder, namelijk Ilhan Omar, die geboren is in Somalië en op twaalfjarige leeftijd als vluchtelinge met haar familie in de VS terechtkwam.
     Nu is Ilhan Omar sinds 2000 Amerikaans staatsburger en behoort ze dus zelf tot ‘the people of the United States’. Ze heeft dus, in weerwil van wat Trump suggereert, het recht om mee te bepalen hoe haar eigen ‘government is to be run’, zonder dat ze eerst even als ingangsexamen orde op zaken moet gaan stellen in haar geboorteland. Ze zou dat niet kunnen, geloof ik, maar ik zou het ook niet kunnen en Trump evenmin. Ilhan Omar heeft het recht, als elke Amerikaanse burger, om, zonder bijkomende voorwaarden, scherpe kritiek te hebben op haar nieuwe land, zijn leiders, zijn instellingen en zijn tradities. Geen vooruitgang zonder kritiek. Daarmee is alles gezegd.
     Of toch bijna.
     Als ik Omar bezig zie, of over haar lees, vormt zich bij mij onweerstaanbaar de gedachte: wat is er mis met een beetje dankbaarheid? Dat kind komt uit een van de armste en onveiligste landen van de wereld. Ze heeft vier jaar overleefd in een vluchtelingenkamp in Kenia. Als zo iemand aankomt in een van de rijkste landen ter wereld, dan waant die zich toch in een soort paradijs, zou je denken. Maar zo is het niet. Van bij haar aankomst loopt alles fout. De brief van George W. Bush waarmee hij de familie welkom heet, staat vol belachelijke formele taal en is wellicht niet eens door hemzelf geschreven. Het appartementsblok waar ze gaat wonen is vervallen, de straten zijn vuil, op school voelt ze zich gepest om haar hoofddoek, en overal waar ze om zich heen kijkt ziet ze extreem onrecht en racisme. En hoe ouder ze wordt, hoe meer onrecht en racisme ze ziet.
    Later gaat ze over dat onrecht vertellen op scholen. Ooit zag ze in een rechtszaal in Minneapolis een ‘lieve Afrikaans-Amerikaanse dame die in de cel terechtkwam omdat ze een brood had gestolen om haar vijf jaar oude kleindochter van de hongerdood te redden.’ Omar had zich in de rechtszaal niet kunnen bedwingen en had haar verontwaardiging luidkeels uitgeschreeuwd. Het is een verhaal dat zo uit een negentiende-eeuwse roman zou kunnen komen. Of beter: het verhaal kómt uit een negentiende-eeuwse roman. In Les misérables van Victor Hugo is het Jean Valjean die na het stelen van een brood in de gevangenis komt. De plotwending moet toen al een cliché  zijn geweest. Achteraf heeft Omar toegegeven dat ze zich sommige details misschien niet correct herinnerd had. De politie van Minneapolis, zo bleek, mag geen mensen arresteren voor  een winkeldiefstal waarbij geen geweld werd gebruikt, en de typische straf voor zo’n diefstal is het bijwonen van een cursus van drie uur. Ik neem aan dat in die cursus wordt uitgelegd hoe je in de VS legaal aan gratis voedsel kunt komen met food stamps.
     Op National Review las ik een lange discussie tussen Charles C.W. Cooke en David French over de dankbaarheid die immigranten en asielzoekers zouden moeten voelen. De twee heren hebben allebei goede redenen voor hun standpunt, maar na lang aarzelen, ga ik eerder akkoord met Cooke. Migranten zijn géén speciale dankbaarheid verschuldigd voor wat vorige generaties in hun nieuwe land met vallen en opstaan hebben opgebouwd. Dat soort dankbaarheid mag je verwachten van álle burgers, autochtoon of allochtoon.  Natuurlijk mogen die burgers ook kritiek hebben op wat hun voorgangers fout hebben gedaan en op de hedendaagse gevolgen ervan, maar het is zoveel gemakkelijker voor iedereen als die kritiek gematigd is, opbouwend, en de goede kanten niet uit het oog verliest. En als je toch een radicale verandering noodzakelijk acht, dan is het wenselijk om Friedrich Hayeks raad te volgen en dat radicalisme te beperken tot één welomschreven terrein. Zo deden de mensenrechtenactivisten dat bijvoorbeeld in de Sovjet-Unie.
     Het probleem van veel migranten, besef ik nu, is niet dat van de wenselijke dankbaarheid, maar dat van feitelijke ondankbaarheid. De dankbaarheid of loyaliteit tegenover de gemeenschap is bij een groot deel van de autochtone bevolking zo vanzelfsprekend dat ze niet eens wordt aangevoeld. Migranten moeten die dankbaarheid en loyaliteit verwerven in een strijd met zichzelf. Er is immers een werktuigelijke loyaliteit met het land van herkomst die de nieuwe loyaliteit bemoeilijkt.
     Die dubbele loyaliteit moet natuurlijk niet altijd tot problemen leiden. Als het gaat om een beschaafd uitgedrukte sympathie voor een vreemde voetbalploeg die het tegen ónze jongens opneemt, ach, vooruit dan maar. Amerikanen van Duitse afkomst hadden rond de voorlaatste eeuwwisseling in hun huis wel ergens een boek liggen met fraaie illustraties over ‘Germany’s Iron Chancellor’. Ik heb dat boek ook, uitgegeven in Akron, Ohio, 1897. Amerikanen van Italiaanse afkomst hadden een klein borstbeeldje van Mussolini op hun bureau. Zoiets moest niet noodzakelijk tot grote moeilijkheden leiden.
     Het wordt allemaal wat ingewikkelder als het land van herkomst volgens bepaalde maatstaven inferieur is aan het nieuwe gastland. Zoiets geef je niet graag toe. In de alleraardigste komedie Ninotchka (Lubitsch, 1939) komt een Russische communiste, gespeeld door Greta Garbo, in het mondaine leven van Parijs terecht. Het duurt even, maar na enige tijd valt ze voor de decadente charme van het kapitalisme. Als ze dan op een feest verschijnt in een dure baljurk wordt ze daar door een aartshertogin op aangesproken. ‘Madame Yakushova,’ zegt de aartshertogin, ‘Is that what they’re wearing in Moscow this year?’ – ‘No, last year, Madame,’ luidt het antwoord. Dat is heel leuk gezegd, maar het is ook een leugen, en uit die leugen blijkt dat onze communiste, zelfs na haar bekering, de achterstand van haar land van oorsprong moeilijk kan toegeven.*
     Bij de hedendaagse derde-wereld-immigratie speelt nog een andere kwestie.** Die derde-wereldlanden zijn gewezen kolonies. Hun inwoners hebben zich vernederd gevoeld door buitenlandse superieuren. Ze hadden gehoopt dat met de nieuwe onafhankelijkheid alles anders zou worden. Zonder koloniale uitbuiting zou de welvaart toenemen, de cultuur bloeien, en iedereen zou gelukkig zijn. Toen dat niet gebeurde was de verleiding groot om de moeilijke zoektocht naar oplossingen op te geven en op zoek te gaan naar wie nu eigenlijk schuld had aan het debacle. En die schuldigen waren snel gevonden: dat waren de vroegere koloniserende landen. De tijd heelt alle wonden zegt men, maar na de dekolonisatie gebeurde het tegenovergestelde. De begrijpelijke rancune tegenover het Westen werd in veel landen niet stilletjes aan minder en minder maar werd juist groter en groter. Het Westen kreeg de schuld voor alle problemen van het verleden, het heden en de toekomst. En in het Westen stonden geleerden en activisten klaar, mensen als Jean-Paul Sartre en Ludo Martens, om die rancune te prijzen.
     Het is die anti-Westerse rancune die veel derde-wereldimmigranten, zoals Ilhan Omar, meebrengen naar hun nieuwe gastland waar ze de gedaante aanneemt van slachtofferdenken – slachtofferdenken dat dan mooi past bij het autochtone politiek correcte discours op campussen, in kranten en op televisiezenders. Zo’n rancune kan in sommige gevallen leiden tot terechte kritiek op de Westerse samenlevingen maar evengoed tot overdrijvingen, verdraaiingen en leugens. Bovendien, en daar is het mij hier om te doen, staat ze een natuurlijk gevoel van dankbaarheid en loyaliteit tegenover het nieuwe land in de weg.
     Nu, ondankbaar of niet, enig politiek talent kun je Ilhan Omar ondertussen niet ontzeggen. Ze leert bij. Indertijd noemde ze de aanslag op de Twin Towers ‘something some people did’. Trump heeft die uitspraak tegen haar gebruikt en ik geloof niet dat ze dat ongelukkige eufemisme in de toekomst nog zal gebruiken. Ze heeft ooit de Amerikaanse Israël-politiek afgedaan als een zaak van corrupte Joodse financiers. ‘It’s all about the benjamins,’ had ze geschreven, daarmee verwijzend naar briefjes van honderd dollar met het portret van Benjamin Franklin. Ze heeft geleerd dat zoiets ook in linkse kringen slecht aankomt, en ze spreekt nu, gemeend of niet, kwaad van het antisemitisme. Ze heeft in 2016 acties ondersteund om mildere, alternatieve straffen te krijgen voor jihadisten die op het punt stonden naar Syrië te vertrekken. Sindsdien houdt ze zich ver van dat soort acties. Ze heeft geleerd dat ze nog het meeste succes behaalt als ze haar aanhangers gewoon vertelt dat Trump elke niet-blanke uit de VS wil deporteren. Er is altijd een publiek dat zoiets wil geloven, in de VS en in Europa.
     Eén raad zou ik Omar nog willen geven, en die betreft haar kledij. Je ziet haar op foto’s zowel met een traditionele moslimse hijab als met een gestileerde afro tulband. Ik zou haar aanraden om resoluut voor dat laatste te kiezen. Theologisch zal het niet veel verschil maken, want de haren zijn in de twee gevallen bedekt, maar de afro tulband doet minder denken aan islamitisch fundamentalisme en meer aan seculier zwart activisme à la Maya Angelou. Veel linkse kiezers in de VS zullen nog altijd dat laatste verkiezen boven dat eerste.




* Een soortgelijke scène komt voor in de prachtige Poolse film Zimna wojna (Cold War). Een arrogante Parisienne vraagt aan de Poolse emigrante Zula of ze niet onder de indruk is van de luxueuze Franse winkels. Dat is Zula helemaal niet. De winkels in Polen zijn veel luxueuzer, vindt ze. 

** En nog veel andere kwesties. Ik ga in dit stukje niet in op het onvermijdelijke ongemak die immigranten in hun nieuwe land meemaken: vreemde taal, vreemde omgeving, racisme. Een speciaal probleem is de vaak optredende declassering. Omars vader was in Somalië docent aan een instituut voor lerarenopleiding. In de VS moest hij aan de kost komen als taxichauffeur en later als postbeambte. Misschien verdiende hij in de laatste betrekkingen wel meer dan vroeger als docent, maar zo’n daling in sociale status moet bijna zeker een bittere smaak in de mond nalaten.