Posts tonen met het label Von Scheffel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Von Scheffel. Alle posts tonen

zondag 12 februari 2017

Bij zijn 94ste verjaardag - Mijn vader als lezer


Was George Washington een pompeuze domoor?
     Ik heb mijn vader altijd een rare lezer gevonden. Het begon met de krant. Wij hadden er geen. Maar elke week kreeg hij een stapeltje exemplaren van La Libre Belgique die eerst door mijn oudoom, dan door mijn oudtantes en ten slotte door mijn grootmoeder waren uitgespeld. Mijn vader nam die op zaterdagmiddag mee naar bed, en na een paar uur was hij weer op de hoogte van wat die ‘playboy Kennedy’ of die ‘saloncommunist Sartre’ gezegd of gedaan hadden.
     Ook met boeken was het een rare zaak. Ik heb hem nooit een boek weten kopen. Ik heb hem nooit een bibliotheek weten bezoeken, ook niet toen er een kwam aan de overkant van de straat. Wat hij aan boeken bezit, moet hij gekocht hebben in een grijs verleden, toen hij nog vrijgezel was en naar de opera in Rijsel ging. Hij heeft, toen hij trouwde, een zitmeubel overgenomen van een kennis die moest verhuizen, en in dat zitmeubel was een boekenkastje verwerkt. De leren bandjes die dat kastje vulden zijn toen meegeleverd en vormen nog altijd het zwaartepunt van zijn collectie. Verder kreeg mijn vader elk jaar een boek toegestuurd vanuit Duitsland, van het gastgezin waar hij de oorlogsjaren had doorgebracht.
     Toch maakt hij een belezen indruk. Dat komt deels omdat hij zo goed onthoudt wat hij gelezen heeft. En daarbij kwamen boeken hem altijd aangewaaid. Zo las hij alles wat zijn zonen het huis binnenbrachten: detectives, horrorverhalen, sciencefictionomnibussen, P.G. Wodehouse, Saki, het Verzameld Werk van Vladimir Iljitsj Lenin. Dat laatste heeft hij, toegegeven, niet helemaal uitgelezen want het bestond uit vijfenveertig delen.
     In de belletrie gaat zijn voorkeur uit naar het romantische – Fenimore Cooper, Hawthorne, Emily Brontë, Von Scheffel, (en hier), Lagerlöf, barones d’Orczy, Kipling, Margaret Mitchel. Anderzijds mag het het ook niet té sentimenteel worden. Hij verkiest dus Thackeray boven Dickens. Dickens schreef voor het volk – Thackeray schreef de waarheid. Die naïeve Amerikanen wilden het liever niet weten, maar George Washington was een pompeuze domoor geweest en Thackeray had hen dat in The Virginians eens goed duidelijk gemaakt. Ook Flaubert schreef de waarheid.  Als je echt iets wilde weten over de wreedheid van de Noord-Afrikanen, moest je Salambô maar eens lezen.
     Mijn vader is daarnaast altijd een erg snelle lezer geweest. Als ik een dik boek aansleepte, Oorlog en vrede bijvoorbeeld, dan was ik daar een maand mee zoet. Hij van zijn kant had het in enkele dagen uit. ‘Als het te langdradig wordt,’ zo verklaarde hij zijn geheim, ‘sla ik een paar bladzijden over.’ Hij volgde dus wel de avonturen van Andrej en Natasja, maar als Pierre op een diner van wal stak over de grote problemen der maatschappij, of als de oude Tolstoj zelf begon uit te weiden over de grondstromen der geschiedenis, dan werd snel verdergebladerd totdat het weer over vriendschap, ruzie, liefde of geld ging. Bij Gibbon, zo stel ik mij voor, sloeg hij de veldslagen, de economie, het recht, de theologie en een groot deel van de Byzantijnse Keizers over, vooral als ze Manuel, Michael of Alexios heetten. Maar hij had wel alle zes delen uit in drie weken. Ik deed er acht maanden over.

donderdag 5 mei 2016

Een polemiek moet kort zijn

Karel van het Reve, meester van de korte polemiek
      Een goede polemiek is scherp, grappig, kort - en wordt best niet ingegeven door rancune. Zelfs uitmuntende schrijvers laten hier soms een steek vallen. Daar is bijvoorbeeld Schopenhauer. Ik wil niet beweren dat zijn zeventig bladzijden tellend schotschrift tegen de ‘universiteitsfilosofie’ langdradig is – dat zal ik nooit beweren – maar ’t is wel erg lang.
     Karel van het Reve heeft het goed aangepakt in zijn polemiekje ‘Wat waren ze kwaad’.  Karel had in een kerk iets onwelwillends over de literatuurwetenschap gezegd en niet minder dan zeven literatuurwetenschappers hadden daarop lange, taaie stukken gepubliceerd als antwoord. Karel nam een potlood, nummerde de argumenten, en wijdde aan elk van zijn tegenstanders een paar vrolijke alinea’s.
     Hoe het niet moet leren we uit de ‘Epistola ad Augienses’ van Gunzo van Novara (hier). Gunzo was een Italiaanse geleerde die in januari 964 op uitnodiging van Otto I naar Duitsland trok. Daar logeerde hij in het klooster van Sankt-Gallen. De gesprekken tussen Gunzo en de Duitse monikken verliepen vanzelfsprekend in het Latijn en tijdens zo’n gesprek maakte de Italiaan een klein grammaticaal foutje – een accusativus in plaats van een ablativus. Een jonge monnik maakte daarover een spottende opmerking. Gunzo trok wit weg van woede – of misschien liep hij wel rood aan – verhuisde naar een ander klooster en schreef de rest van het jaar aan een omstandig verweerschrift waarmee hij de monniken van Sant-Gallen aan de hoon van het nageslacht overleverde.
     Ja, hij had een accusativus gebruikt waar een ablativus gebruikelijk was. Dat kwam omdat zijn Italiaanse moedertaal zo dicht bij het Latijn lag; daardoor was enige verwarring bij wijlen onvermijdelijk en zeker vergeeflijk. Maar zo’n foutje had niets met geleerdheid of gebrek daaraan te maken. De spottende opmerking van de jonge monnik bewees dat het jonkie niets van echte geleerdheid begrepen had en wellicht niet eens wist dat dezelfde foute accusativus, als die al fout was, enkele keren gebruikt was geweest door Vergilius, Horatius en Cicero. En wat echte geleerdheid wel was, kwam je te weten bij Servius, Donatus, Priscianus, Boethius, Martianus Capella, Hieronymus en vele, vele anderen … 
     ...
die door Gunzo allemaal uitgebreid werden geciteerd en becommentarieerd. Gunzo stond erom bekend dat hij honderd boeken bezat en voor elk boek vond hij wel een gelegenheid om er lang en breed uit te citeren. Tenslotte bewees Gunzo zijn grondige kennis van het Latijn door aan zijn polemiek een gedicht in hexameters toe te voegen waarin hij God vroeg om de monniken van Sankt-Gallen te verlossen van hun bekrompenheid.
     In deze tijden van internet is het niet moeilijk om een geannoteerde uitgave van Gunzo’s boek thuis te laten bestellen, maar zulke uitgaven bestaan, vrees ik, alleen in het Latijn. Gelukkig vinden we een smakelijke samenvatting ‘in eigen woorden’ in het zeventiende hoofdstuk van Von Scheffels Ekkehard (hier). Von Scheffel schrijft: ‘De geschiedenis heeft haar luimen die zij toont zowel in het bewaren als in het vernietigen van feiten en zaken. De Duitse zangen en heldensagen die door de zorg van Karel de Grote werden opgetekend, moesten in de loop der tijden verloren gaan. Gunzo’s werk, dat nog aan niemand die het las enige vreugde verschafte, is voor het nageslacht bewaard gebleven.’
     Toch heb ikzelf wel enige vreugde, of althans een zekere genoegdoening, beleefd aan Gunzo’s woordenstrijd.  Dat zit zo. Ik sprak onlangs met mijn vader over Ekkehard. ‘Comparing notes’ heet dat in het Engels. Ik had het boek een paar weken voordien gelezen, hij meer dan zeventig jaar voordien. Zoals te verwachten was, had mijn vader het boek uit zijn jeugd veel helderder voor ogen dan ik. Hij wist nog precies wie Praxedis, Wiboroda, Moëngal, Audifax en Hadumoth waren terwijl ik bij wijze van spreken al blij was dat ik mij de naam Ekkehard herinnerde, en Hadwig. Het hielp natuurlijk dat mijn vader enkele jaren in Singen-am-Hohentwiel had gewoond, waar de straten namen hebben als Hadwigstrasse, Praxedisstrasse, Audifaxstrasse en Hadumothstrasse.
     Listig bracht ik het gesprek toen op Gunzo. Ik gokte erop dat het hoofdstuk over een wrokkige man van letteren geen diepe indruk zou hebben nagelaten op een romantische ziel. Het was een juiste gok. Van die hele Gunzo wist mijn vader niets meer. Terwijl ik mij dat hoofdstuk, alweer bij wijze van spreken, binnen zeventig jaar nog zal herinneren.



 

zaterdag 16 april 2016

Ekkehard en Karel de Dikke

     Dit stukje neemt je mee naar de tiende eeuw.
     In die tijd leefde monnik Ekkehard, van het klooster van Sankt-Gallen. Hij was heel geleerd en werd daarom door hertogin Hadwig van Zwaben uitgenodigd om haar Latijnse les te komen geven op haar kasteel. Hij schreef het Waltariuslied dat, zoals het Nibellungenlied, vertelt van de Germanen en de Hunnen, maar dan in het Latijn. Tenslotte werd hij raadgever van keizer Otto de Grote, zoon van Hendrik de Vogelaar. Sommige geleerden beweren dat er drie verschillende Ekkehards waren, waarvan er één Latijnse les gaf, één het Waltariuslied schreef, en één raadgever werd van Otto. ’t Is allemaal erg lang geleden.
    Iemand die niets moest hebben van die drie verschillende Ekkehards, was de Duitse schrijver Victor von Sheffel (1826-1886), die een roman schreef over de monnik. Von Sheffels Ekkehard is wel degelijk leraar, dichter en raadgever tegelijk. En minnaar, want Von Sheffel was een romantisch schrijver. In het tweede hoofdstuk al ontvlamt de tragische liefde tussen Ekkehard en de beweduwde Hadwig van Zwaben. De trotse hertogin wil een bezoek brengen aan het klooster van Sankt-Gallen, maar de regel van Benedictus verbiedt een vrouw – en een hertogin is ook een vrouw –  over de drempel van het klooster te stappen. Er is maar één mogelijkheid: iemand moet de edele vrouwe over de drempel dragen. Dat moet Ekkehard doen, die verantwoordelijk is voor de poort – Ekkehard die de blos der jeugd op de wangen draagt –  Ekkehard met zijn diepzinnige gelaatstrekken en zijn golvend blonde haar, ondanks de tonsuur. Hij neemt de hertogin in zijn sterke armen, zij vleit haar hoofd tegen zijn krachtige borst ... ja, het boek is nogal oubollig.
     Von Sheffels Ekkehard was voor de moffen, wat De leeuw van Vlaanderen was voor ons: een kloeke oproep om de grootse daden van weleer te gedenken. In het boek worden het klooster van Sankt-Gallen en Hadwigs kasteel op de Hogentwiel bedreigd door de Hunnen. Monniken en ridders trekken ten strijde en de veldslag verloopt wisselvallig. Dan, op het hoogtepunt van de strijd, verschijnt, een onbekende, machtige ridder die het tij doet keren.
     Conscience had dezelfde kunstgreep al toegepast toen hij Robrecht van Bethune liet verschijnen op de Groeningekouter. Het is dus best mogelijk dat Von Scheffel daar zijn reddende ridder vandaan heeft, want Consciences werk was in Franse vertaling bekend in heel beschaafd Europa. In de veldslag tegen de Hunnen is het Karel de Dikke, gewezen keizer en achterkleinzoon van Karel de Grote, die de zaken recht komt zetten. Geschiedkundigen halen hun schouders op bij zulke verzinsels. Robrecht van Bethune zat in gevangenschap toen de Guldensporenslag plaatsvond en Karel de Dikke, de ongelukkige keizer die zijn hele leven last had van hoofdpijn, overleed kort nadat hij was afgezet.
    De naam van Karel de Dikke wordt trouwens niet vermeld in het boek. Maar de bijzonderheden die de schrijver prijsgeeft, zijn voldoende om, met behulp van Wikipedia, de identiteit van de geheimzinnige ridder te achterhalen. Laatst sprak ik met mijn vader over het boek. Ook hij was erachter gekomen dat de geheimzinnige ridder niemand anders dan Karel de Dikke kon zijn. Hij had dat gevonden zonder Wikipedia. Maar hij leest dan ook al bijna dertig jaar dagelijks in de Encyclopedia Britannica die hij bij zijn pensionering, op zijn vijfenzestigste, cadeau kreeg.