Posts tonen met het label Frank Vandenbroucke. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Frank Vandenbroucke. Alle posts tonen

donderdag 12 januari 2023

De artsenlonen - waar bemoeit Frank Vandenbroucke zich mee?

 


   Laatst was er een kleine ruzie tussen Frank Vandenbroucke en de artsen over de zogenaamde ereloonsupplementen. Dat zit zo. In een liberaal of ‘neoliberaal’ systeem is het ereloon een kwestie tussen arts en patiënt. In een socialistisch systeem wordt het ereloon vastgelegd door de staat. In België hebben we een compromis à la Belge: er wordt een vrijwillige richtprijs afgesproken. Een arts die zich daaraan houdt, is ‘geconventioneerd’. 87 procent van de artsen – huisartsen iets meer, specialisten iets minder –  zijn in dat geval*. De anderen, een minderheid, zijn geheel of gedeeltelijk ‘gedeconventioneerd’ en vragen, bovenop de richtprijs, een supplement, dat niet terug wordt betaald door de sociale zekerheid, en waar Vandenbroucke als minister van Sociale Zaken dus eigenlijk niets mee te maken heeft.
     Maar ja, een vrijwillige regeling! Daar krijg je een autoritair man als Vandenbroucke niet warm voor. En zo’n socialist vindt natuurlijk dat de erelonen van artsen nu al meer dan hoog genoeg zijn. Je hoort het hem zeggen: ‘Natuurlijk mogen de artsen van mij een goede boterham verdienden, maar …’ En na die ‘maar’ gaat hij op zoek naar redenen om in te grijpen als de boterham te goed wordt: de verschillen in erelonen tussen huisartsen en specialisten, tussen de verschillende specialisaties, tussen de specialisten binnen dezelfde specialisatie, tussen de geconventioneerden en gedegeconventioneerden.
     Wat moet ik daar nu van denken – ik die noch socialist ben, noch arts, en weliswaar liberaal, maar altijd bereid om mijn principes af te wegen tegen de realiteit? Verdienen artsen te veel? Tja, wat is te veel? Huisartsen worden, geloof ik, vandaag niet meer beschouwd als echte grootverdieners. Velen van hen sluiten zich aan bij groepspraktijken waar ze kiezen om minder uren te werken, minder patiënten te behandelen, en minder te verdienen dan hun collega’s vroeger. Als het mediaan (bruto!) inkomen van de Vlaming rond de 40.000 euro schommelt, zal dat van de nieuwe generatie huisartsen, schat ik, ongeveer het dubbele zijn. Of vergis ik mij?
     Specialisten worden meestal wel nog beschouwd als grootverdieners. Volgens een onderzoek van 2018 door de krant De Morgen verdienen specialisten gemiddeld rond de 230.000 euro**. Ik liet de tabel van De Morgen zien aan mijn zoon, die hoopt binnen enkele jaren zelf specialist te zijn. Hij keek sip, want hij begrijpt al een tijdje dat je zulke brutobedragen minstens al door twee moest delen. Ik probeerde hem te troosten met de boodschap dat die cijfers alleen betrekking hebben op wat men in de ziekenhuizen verdient, zonder de privépraktijken erbij te rekenen, en dat de gemiddelde specialist nog altijd netto 5 keer zoveel verdient als de gemiddelde Vlaming en meer dan 8 keer zoveel als het minimumloon. Ja, nee, dat begreep hij ook wel. Klagen was niet aan de orde. 
     Er zijn verschillende redenen waarom de erelonen van artsen en specialisten vrij hoog zijn. Maar déze reden lijkt mij de belangrijkste en ze weerspiegelt bovendien een gezonde marktwerking: wij als patiënt zijn bereid om veel geld uit te geven om bij gezondheidsproblemen een zo goed mogelijke dokter of specialist te krijgen. We willen ook een goede loodgieter, een goede schilder en een goede schoonmaakster, maar we vinden onze gezondheid belangrijker dan een lekkende kraan, een frisse muur of een nette woonkamer. 
    Als een slechte loodgieter een leiding verknoeit, neem ik een andere die de schade herstelt. Bij een diagnose of een operatie heb ik echter liever dat er niets wordt verknoeid, en ik ben bereid daar extra voor te betalen. Stel: mijn vrouw moet haar ogen laten opereren en gaat op consultatie bij een topdokter. Die laat haar de keuze tussen een operatie die hij zelf uitvoert, of een die uitgevoerd wordt door een assistent in opleiding. Als hij de operatie zelf uitvoert, verdubbelt de factuur. Ik zou, na controle van onze bankrekening, mijn vrouw aanraden om de operatie toch maar door de dure topdokter zelf te laten uitvoeren.
     Eigenlijk werkt het zo: met het vooruitzicht van hoge erelonen lokken we de knapste koppen van een generatie naar een beroep dat wijzelf erg belangrijk vinden. Dat betekent niet dat artsen meer door geldzucht gedreven worden dan beoefenaars van andere beroepen. De meeste artsen werken én voor het geld, én voor het prestige, én voor het welzijn van hun patiënten, én voor de voldoening van een moeilijke taak tot een goed einde te hebben gebracht. Al naargelang de arts, weegt de ene motivatie wat zwaarder door dan de andere, maar als ik naar mijn zoon kijk, is het duidelijk dat de zogenaamde ‘intrinsieke’ motivatie heel hoog is, zij het dan weer niet hoog genoeg om alle geldelijke overwegingen aan de kant te schuiven. 
     Een tweede reden voor de hoge erelonen van artsen is ons ziekteverzekeringsysteem. We kunnen ons geen moderne geneeskunde voorstellen zonder een verzekeringssysteem, hetzij met privé-stelsels, hetzij met een door de staat georganiseerde verzekering. Die verzekering is in de eerste plaats nodig bij kleine en grote catastrofen: longontsteking, gebroken been, gesprongen appendicitis, kanker. Hier is weinig ‘prijselasticiteit’. Je wilt als patiënt dat de behandeling plaatsvindt, wat ook de prijs ervan is. En om zeker te zijn dat je de behandeling kunt betalen, neem je een verzekering. De prijs van de behandeling zal door die verzekering niet gevoelig stijgen: die zou zonder verzekering ook hoog geweest, aangezien je die ook dan had willen betalen, desnoods met een lening of met crowd funding.
     Anders ligt het bij het onze RIZIV-regeling, die een soort omnium verzekering is, die ook minder noodzakelijke behandelingen dekt. Bij zo’n omnium krijg je een stijging van zowel de vraag als van de prijzen. Veronderstel dat ik last heb van een frozen shoulder. Dat ongemak kan meer dan een jaar duren, maar gaat daarna over. Ik kan mij laten behandelen door een orthopedist – die kan bijvoorbeeld het het schouderkapsel scheuren – maar zo’n ingreep kost misschien 500 euro. 500 euro, denk ik dan, dat is meer iets voor rijke mensen. Daar begin ik niet aan. Ik ben hoogstens bereid om voor een enigszins versnelde genezing 200 euro te betalen, en dan moet de orthopedist zich tevreden stellen met een heel wat lager ereloon. Maar wacht! Ik ben omnium verzekerd. De behandeling is voor mij bijna gratis. Voor een symbolisch remgeld laat ik mijn schouderkapsel graag scheuren en de orthopodist mag aanrekenen wat hij wil. Zo krijg je rijke orthopedisten***.
     Een derde reden waarom erelonen hoog zijn, is de monopoliepositie van artsen. Het aantal artsen wordt kunstmatig laag gehouden door ingangsexamens, diplomavereisten en begrenzing van het aantal RIZIV-vergunningen dat jaarlijks wordt toegekend. Het aantal artsen dat wordt toegelaten tot specialisaties wordt door de universiteiten beperkt, en het aantal dat in ziekenhuizen aan de slag kan, wordt laag gehouden, zodat de bestaande specialisten geen vermindering van hun inkomen moeten vrezen. Kortom, er wordt een tekort aan artsen georganiseerd waardoor die laatsten in een goede onderhandelingspositie komen tegenover de patiënten en tegenover de verzekeraar.
    Er zijn dus minstens drie redenen voor de hoge erelonen van artsen****: de relatieve schaarste aan artsen, het ‘omnium’ verzekeringssysteem, en de hoge prijs die wij als patiënt willen betalen voor de allerbeste gezondheidszorg. Die redenen maken ook duidelijk dat je die erelonen niet naar beneden krijgt zonder grote nadelen. Wil je minder betalen voor goede artsen, dan krijg je ook minder goede artsen. Wil je de omnium verzekering afschaffen en vervangen door een basisverzekering die alleen bijschiet bij kleine en grote catastrofen, dan krijg je een geneeskunde met twee kwaliteitsniveaus. De bescheiden inkomens gaan dan minder snel en minder vaak geneeskundige hulp zoeken, ook als ze die eigenlijk nodig hebben.
     En tegen de schaarste aan artsen kun je ook niet veel beginnen, want door meer artsen toe te laten zou het inkomen per arts misschien dalen, maar zou de algemene kost van de gezondheidszorg stijgen. Artsen en specialisten zouden zich voor hun verminderde inkomen proberen schadeloos te stellen door patiënten nutteloze onderzoeken, behandelingen en ingrepen aan te smeren, waarvan de patiënt nut of nutteloosheid niet kan evalueren. Gezondheidszorg is nu eenmaal een domein met een ernstige informatiekloof: de arts weet veel beter dan de patiënt wat die laatste nodig heeft en kan hem, als hij dat wil, zelfs in tijden van dr. Google, alles wijsmaken.
     Het meeste van wat ik hier schrijf, weet Vandenbroucke even goed als ik. Ik verwacht dus niet dat hij, om de hoge erelonen te drukken, iets aan de onderliggende oorzaken zal doen. Hij zal de omnium verzekering niet afschaffen. Hij zal het aantal artsen en specialisten niet merkelijk verhogen. Hij zal ons niet opvoeden om wat minder waarde aan gezondheid en geneeskunde toe te kennen*****. Wel zal hij, zoals laatst, proberen in te grijpen op het vlak van de gevolgen, en kibbelen over tarieven, supplementen en betalingsmechanismen, met als vermoedelijke gevolg iets minder hoge erelonen, iets minder gemiddelde kwaliteit en, zoals dat vaak gaat, een flink stuk meer controle, administratie en bureaucratie. 

 

* Vandenbroucke wil de gedeconventioneerde tarieven onmogelijk maken bij patiënten met lage inkomens, een ‘sociaal’ argument waarmee hij in de huidige tijdsgeest de discussie moeilijk kan verliezen. Ik las her en der in de pers dat het aantal geconventioneerde artsen zou dalen, maar ik vind daar nergens cijfers over. Toegegeven: in sommige sectoren is de volledige conventionering lager: 36 procent bij dermatologen en 51 procent bij oogartsen.


** Uit de studie van De Morgen blijkt dat er grote verschillen zijn tussen de verschillende specialisaties: met nefrologen, neurochirurgen en radiologen die meer dan 300.000 euro verdienen, en met psychiaters, pediaters en plastisch chrirurgen die eerder rond 150.000 euro blijven hangen. Daar kunnen allerlei oorzaken voor zijn: moeilijkheidsgraad, investering in apparatuur, regelmatige of onregelmatige werkuren, mogelijkheid tot time management, dringende aard van de medische problematiek. Uiteraard zijn er nog grote verschillen binnen de specialisaties zelf, van arts tot arts. Ik zou het niet anders willen. Als de beste artsen het meest verdienen, zullen de meeste artsen proberen bij de besten te horen.


*** Ook onrechtstreeks zorgt omnium verzekering voor een opwaartse druk op erelonen door de verhoogde vraag naar ingrepen. Mochten implantaten door de ziekteverzekering gedekt zijn, dan maakte ik morgen al afspraak met de tandarts. Omgekeerd, als we bij gebroken benen geen terugbetaling mogen verwachten, zouden we met zijn allen misschien minder snel op skivakantie gaan.


**** De lange opleiding kan hoogstens een indirecte reden zijn voor hoge erelonen. Door hoge verdiensten in het vooruitzicht te stellen, kun je twijfelaars overhalen een langere opleiding voor lief te nemen.


***** Misschien kan de overheid de vraag naar geneeskunde – en dus indirect ook de hoogte van de erelonen – doen dalen door een betere gezondheidspreventie.

zondag 11 december 2022

Pretentieuze betweters


     Ik las deze week enkele vermakelijke aanvallen op pretentie en betweterij. De eerste aanval was die van Tom Hereman die achtereenvolgens Johan Sanctorum, Stefan Hertmans, Geert Noels en de zangeres Natalia onder handen nam. De aanval op Hertmans vond ik de mooiste, die op Johan Sanctorum de minste. Ik geef toe dat ik met Sanctorum wel eens aan dezelfde vergadertafel heb gezeten en wel eens een stuk van hem met instemming heb gelezen. Maar dat is niet de reden waarom ik mij lichtjes aan de aanval ergerde. Ik heb ook menig stuk van Sanctorum met óntstemming gelezen, en aan die vergadertafel moest hij maar A zeggen om mij direct op het denkspoor -A te zetten. 
     Sanctorum heeft een boekje uit waarin hij, volgens Hereman, de leiders van dit land voorstelt als een bende lapzwansen. Dat is inderdaad een eenzijdige en betweterige kijk op onze politici. Maar ’t is een kijk die eigen is aan het beroep van editorialist, een beroep dat Sanctorum als zelfstandige beoefent. Sturtewagen, Brinckman en Verhoeven, die in loondienst de editorialen in Heremans’ krant schrijven, zijn op dat punt niet veel beter. Misschien doen ze wat meer aan enerzijds en anderzijds, maar dat is vaak niet meer dan een laf trucje. Ik kan het weten want het is ook mijn manier van werken.
     Enkele dagen na Heremans’ stuk in De Standaard, was er de briljante aanval van Jan Segers in Het Laatste Nieuws op de grootste betweter van de vaderlandse naoorlogse politiek, Frank Vandenbroucke. Ik geef alweer toe dat ik een verleden heb met Vandenbroucke. Toen hij nog trotskist was, en ik maoist, heb ik bij een sociale gelegenheid ooit zijn uitgestoken hand genegeerd. Ik ben daar nu beschaamd over en zou het goed willen maken. Maar dat is alweer de reden niet dat ik het dit keer, per uitzondering, een heel klein beetje voor Vandenbroucke wil opnemen. In de tijd dat hij de coronaregels dicteerde, is hij de verlichte despoot geweest; nu echter is hij in een populair televisieprogramma pijnlijk afgegaan. ’t Is daarover dat Segers schrijft echter, met een leedvermaak dat velen van ons met hem delen maar met een pen die velen van ons hem benijden.
     Segers begint met zich een kabinetsvergadering voor te stellen waar Vandenbroucke aan het woord is: ‘een monoloog van drieëntwintig minuten waartijdens hij door de verzamelde lichtgewichten in de regering niet van repliek wenst te worden gediend.’ Segers heeft zo’n kabinetsvergadering niet bijgewoond, maar er zijn genoeg collega’s van Vandenbroucke die off the record er hun hand in het vuur voor willen steken dat het er op kabinetsvergaderingen inderdaad zo toegaat. Als dat zo is, dan gaat mijn sympathie twee richtingen uit. Naar Vandenbroucke die iedereen denkt te verpletteren met zijn dossierkennnis, zijn cijfers, zijn logica en zijn grote gelijk, én naar de andere ministers die minder goed met dossiers en logica om kunnen, maar beter met gevoeligheden, haalbaarheid, buikgevoel en compromissen. Zelden zijn er politici die de twee domeinen evengoed beheersen.  
     De hoofdbrok van Segers’ stukje gaat echter niet over besloten kabinetsvergaderingen, maar over een amusementsprogramma op de televisie – De tafel van vier, gemodereerd door Gert Verhulst – waarin Vandenbroucke een smadelijke nederlaag leed tegen de welbespraakte huisarts Sofie Lemmens. Die betoogde dat huisartsen te toegankelijk waren. Zijzelf kreeg te veel patiënten over de vloer – wel dertig per dag – waarvan er velen eigenlijk niets te zoeken hadden in een huisartsenpraktijk. Vandenbroucke had daarop kunnen antwoorden met allerlei venijnige vragen. Of de huisarts dan liever vijftien patiënten per dag had, met een halvering van haar inkomen? Of het probleem van de overbelasting van artsen werd opgelost door psychologen en diëtisten te overbelasten? Of ouders misschien zelf de medische attesten voor hun kinderen moesten schrijven? Of hij het remgeld voor patiënten misschien moest verhogen? Al die vragen had hij kúnnen stellen, en als het moest met cijfers en statistieken omkleed. Maar zelfs een robot met een middelmatig geprogrammeerde artificiële intelligentie begrijpt dat zo’n aanpak slecht zou vallen bij het volkse publiek dat naar De tafel van vier kijkt. Een politicus die venijnig reageert tegen een burger, ’t is zelfmoord!
      Vandenbroucke probeerde het op een andere manier. In plaats van de problemen in een breder kader te plaatsen, gaf hij ze toe. ‘Maar we doen er al iets aan.’ Waarop de arts antwoordde: ‘Ja? We voelen daar niets van.’ Et toc. Tegen zo’n agressief antwoord kun je niets beginnen zonder zelf ook agressief te worden en Vandenbroucke is veel, maar niet politiek-suicidaal. Hij probeerde een ander trucje: spelen op het gevoel van al die patiënten die volgens de arts nodeloos haar deur en die van haar collega’s platliepen. ‘Ik kan mij niet inbeelden,’ zei hij, ‘dat mensen voor hun plezier bij u in de wachtkamer komen zitten.’ Daar zat iets in, dacht ik. Ik zit ook niet graag in de wachtkamer, vooral niet aan het einde van de avond als de afspraken beginnen uit te lopen.
     Maar de arts stond scherp. Kon de minister zich dat niet inbeelden? ‘In dat geval lijdt de minister aan een gebrek aan verbeelding ... Ik sta in het veld, u niet. Ik zal het toch wel weten, zeker?’ Nu had de dokter meteen een dubbel voordeel, als burger én als vrouw van de praktijk, en ze was niet te beroerd om zich op dat voordeel te beroepen.
      Daar kan geen enkele politicus tegenop. Het enige wat Vandenbroucke kon doen was glimlachen, glimlachen en nog eens glimlachen. En hier nijpt het schoentje. Glimlachen is iets waar Vandenbroucke heel slecht in is. Hij kan daar niet veel aan doen. Vandenbroucke is een soort omgekeerde Jay Gatsby. Gatsby trok iedereen aan met zijn glimlach, Vandebroucke stoot iedereen af met zijn grijns. Ik herinner mij zijn grijns nog toen hij in de coronatijd de sluiting van de cafés aankondigde. ‘We drinken allemaal graag een pintje. Dat is plezant. Maar …’ 
     Ik verdenk Jan Segers ervan dat hij zich toen, net als ik, aan die grijns heeft geërgerd. Nu heeft hij wraak genomen door zijn stukje aan die grijns op te hangen.  

donderdag 13 mei 2021

Festival-angst

  


   Ikzelf heb met die zomerfestivals niets te maken. Het is een kwestie tussen de regering, de organisatoren van dat soort evenementen, en de liefhebbers van dat soort muziek. Maar ook mij slaat de angst om het hart als ik op televisie grote groepen mensen zie. Ik ben door veertien maanden lockdown zo geconditioneerd. Als ik in een oude film twee mannen zie die elkaar de hand schudden, wil ik roepen: ‘Doe dat niet!’ Als ik voetbalspelers of trainers zie die elkaar na een doelpunt omhelzen, moet ik een lichte neiging onderdrukken om de politie op te bellen. Nu, dat had ik vroeger ook. Als ik die omhelzingen zie vanop de tribune, heb ik er geen probleem mee, maar zo maar op televisie, heeft het iets obsceens.
    Om maar te zeggen dat plaatsvervangende smetvrees en ochlofobie zich ook in mijn ziel hebben ingevreten. Ik word angstig bij de gedachte aan festivals, aan juichende voetbalsupporters verzameld op een plein, en aan donkere zalen waar massa’s jongeren bijeenkomen om op het ritme van ophitsende muziek te springen, te zwieren en vooral te zweten. Bij zo’n angst is het geloof ik best om even een stapje achteruit te zetten, zoals men doet als men een pointillistisch schilderij bekijkt, en de feiten kalmpjes op een rij te zetten. Een eerste feit is dat het coronavirus zich niet verspreidt langs menselijk zweet.
     Toen Jambon en De Croo, en later de federale regering, aangaven dat ze de zomerfestivals zouden toelaten, was ik heel even verbijsterd. Was dat niet te vroeg? In veel gemeenten moet je op straat nog met een mondkapje rondlopen, winkelen is aan allerlei restricties onderworpen, we mogen haast niemand in huis ontvangen, we moeten thuiswerken, kinderen mogen maar één hobby hebben, en dan plots … festivals. 
     Mijn verbijstering had, zoals wel vaker, veel te maken met mijn gebrek aan voorstellingsvermogen. Als ik aan de rand van een zwembad sta, kan ik mij nauwelijks voorstellen hoe het is om mij na een duiksprong ín dat zwembad te bevinden. Nochtans ben ik dan maar enkele seconden van die duiksprong verwijderd. Die festivals zoals Pukkelpop en Tomorrowland daarentegen, die zijn nog meer dan drie maanden verwijderd. Omdat de aankondiging nú komt, stellen we ons die massafeesten voor in de omstandigheden van mei, terwijl ze plaats zullen vinden in de omstandigheden van eind augustus.
     Psychologisch bekeken was het misschien niet slim van Jambon en De Croo, en later van  Conner Rousseau die ‘achter de schermen voor de festivals geijverd had’, om de spectaculaire festivals zo in de verf te zetten. Daar winnen ze de sympathie mee van de tienduizenden festivalgangers, maar het is wrang voor de honderdduizenden anderen die een tuinfeest willen organiseren en dat nog niet mogen. Eigenlijk had men duidelijk moeten zeggen dat in augustus ook grote tuinfeesten mogelijk worden. Die aankondiging was niet zo dringend als die over de festivals, want voor een tuinfeest heb je geen drie maanden voorbereiding nodig, maar het had voor meer evenwicht gezorgd.
      Welbeschouwd is het groene licht voor de festivals in augustus een blijk van vertrouwen in de vaccinatie. Je verwacht eigenlijk dat de virologen en Frank Vandenbroucke luid mee zouden zingen in het koor van Jambon en De Croo. Dat ze de boodschap zouden uitdragen: laat je vaccineren, en dan mag je naar de festivalweide, het tuinfeest, het restaurant, de bioscoop, het fitnesscentrum en het bordeel, al naar gelang je eigen voorkeur. In de plaats daarvan preken ze voorzichtigheid: de festivalweide, het tuinfeest en het bordeel, het is allemaal goed en wel, maar we moeten eerst de cijfers afwachten? Vertrouwen ze er dan niet op dat die cijfers naar beneden zúllen gaan door de vaccinatie?
     Mijn vrouw en mijn zoon vinden dat de regering te optimistisch is in de hele kwestie. Ze wijzen mij erop dat ik ook al een paar keer te optimistisch ben geweest over corona. Ze vinden dat de regering een risico neemt met die festivals. Ze hebben natuurlijk gelijk dat er risico’s zijn. Een storm kan opsteken op Pukkelpop waardoor de grote tent instort. Het is nog gebeurd. Brokstukken van een kaduuk Chinees ruimtetuig kunnen terechtkomen op de weide van Tomorrowland. Maar die risico’s zijn tamelijk klein. Waar men écht aan denkt is het risico dat de vaccins niet zijn wat ‘they are cracked up to be.’*
     Omdat ik er af en toe iets over lees, heb ik begrepen dat men door een vaccin beschermd is tegen ernstige covid, maar dat ook een dubbele vaccinatie de besmetting door, en de verspreiding van, het coronavirus niet tegenhoudt**. De verspreiding vermindert misschien met 80 procent, maar die 20 procent die overblijft, dat is niet niets. Goed, dan is dat maar zo. Op een festival van 66 000 bezoekers per dag zullen er dus heel wat virussen verspreid worden door gevaccineerden en door vals negatief getesten. De vraag is alleen of die vespreiding erg is. De jonge mensen óp de weide lopen amper kans op ernstige covid, of ze nu besmet worden of niet, en de oudere mensen náást de weide zijn gevaccineerd, waardoor ook zij amper kans maken op ernstige covid als ze in contact komen met jongeren die op de weide werden besmet.
     De festivals, de tuinfeesten, de restaurants, de bioscopen enzovoort zullen dus voor vele tienduizenden besmettingen zorgen, voor honderden ziekenhuisopnames, voor tientallen opnames op intensieve zorgen, en voor enkele doden. Dat is aanvaardbaar. Of vergis ik mij? Is het een andere ordegrootte die we kunnen verwachten op grond van wat we nu weten over het virus en de vaccins? Op díe vraag moet een beetje viroloog of epidemioloog het antwoord ondertussen toch kennen. Er moet toch al een en ander geweten zijn na de massale vaccinaties in Israël, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Men kan zich toch niet blijven verschuilen achter onzekerheid.
     Waar ik de onzekerheid van de virologen wel aanvaard, dat is over alles wat te maken heeft met nieuwe virusvarianten in de toekomst. Alleen de aller-aller-allerknapste astrologen kunnen voorspellen of er al dan niet varianten zullen ontstaan waar onze vaccins geheel of gedeeltelijk machteloos tegenover staan. Dat is vervelend want je weet niet of de astroloog die je raadpleegt tot de aller-aller-allerknapste behoort. Gewone astrologen, virologen en wijzelf kunnen de toekomst van het virus en zijn varianten, of van iets anders, nooit met zekerheid voorspellen.
      Maar díe onzekerheid strekt zich niet alleen uit tot augustus van dit jaar. Ze strekt zich ook uit tot  augustus 2022. Als we met het risico op toekomstige resistente varianten rekening willen houden, dan kunnen de festivals in 2022 ook geen toestemming krijgen drie maanden op voorhand. En evenmin in 2023, 2024 en 2025. Dat gaat mij te ver en ik grijp dus terug naar een oude wijsheid van Jean-Luc Dehaene: de problemen oplossen als ze zich stellen.
     En als het probleem zich nu eens stelt vóór augustus 2021? Als een resistent supervirus nu eens opduikt in een van de maanden die ons van de festivals scheiden? Ja, dan zal Frank Vandenbroucke ongetwijfeld hard op tafel slaan, zijn gelijk halen, en alle weiden weer voor gesloten verklaren. Niets aan te doen. Vreselijk vervelend voor iedereen. Hopelijk kan hij dan een triomfantelijk lachje bedwingen. Of zit het verborgen achter een supermondkapje.

* Of dat de vaccinbevoorrading begint te haperen.
** Nog een reden waarom echte 
groepsimmuniteit onbereikbaar is geworden. Zie hier.

zaterdag 10 april 2021

Corona: vrijheid, veiligheid en privileges



 ** Verschillende mensen hechten een verschillend belang aan veiligheid en vrijheid. Een eenvoudig gedachte-experiment kan dat verduidelijken. Veronderstel dat een ongehinderde verspreiding van het coronavirus in ons land zou leiden tot 75 000 doden, gelijkelijk verspreid over de verschillende leeftijden. Iedereen loopt dan een kans van 0,75 procent om te overlijden. Wie zou een jaar lockdown aanvaarden, samen met de 0,75 procent kans op overlijden (en een heel wat hogere kans op een onprettig ziekteverloop) ? En twee jaar? En drie jaar? Een deel van de bevolking zou het risico aanvaarden en een ander deel niet. Hoe groot die delen zijn, weet ik niet. Maar het verschil in basisattitude speelt ongetwijfeld een rol in elke coronadiscussie. Hoe groot die rol is, weet ik niet.

** De situatie is in werkelijkheid veel complexer. De kansen zíjn niet gelijkelijk verdeeld op de bevolking. Die 0,75 procent is een plausibele schatting, maar het blijft een schatting. Het effect van een lockdown op de sterftecijfers is moeilijk te berekenen. En door te kiezen voor vrijheid of veiligheid maak je niet alleen een keuze voor jezelf maar ook voor de anderen.

** Ik schreef hierboven losjes uit de pols over één jaar, twee jaar, drie jaar lockdown. Maar het ene jaar is het andere niet. Jo Komkommer beschrijft in zijn laatste boek onder andere een jaar dat hij doorbracht in een halve commune in San Francisco (zie hier). Veronderstel eens dat hij juist dát jaar uit zijn had moeten missen. 

** Filosofische discussies rond het begrijp ‘vrijheid’ hebben mij nooit erg geïnteresseerd. Voor mij betekende vrijheid altijd: lekker doen waar je zin in hebt en bereid zijn de gevolgen van je gedrag te aanvaarden. Zoals P.J. O’Rourke het uitdrukt: ‘There is only one basic human right, the right to do as you damn well please.’ Daar staat tegenover dat je je medemens met je gedrag geen schade mag toebrengen. Het ‘neminem laede’ van Schopenhauer en het Non Agression Principle van de libertariërs.

** Alleen, wat is ‘agressie’? Moeten we de micro-agressions van de snowflakes erbij tellen? De beledigingen aan het adres van de Profeet of van de Moeder-Maagd? Het geven van een slecht voorbeeld door alcohol te drinken in een family restaurant? Die discussie kunnen we oplossen door alleen fysieke agressie mee te tellen. ‘Bricks and stones will break my bones, but words can’t hurt me.’

**Van heel veel gedrag kan worden beweerd dat het indirect fysieke (of financiële) schade toebrengt. Roken in gezelschap, autorijden waar geen fietspaden zijn,  een haardvuur aansteken … het is allemaal op een of andere manier schadelijk voor je medemens. Kinderen verwekken is slecht voor het milieu. Geen kinderen verwekken is slecht voor het pensioenstelsel. Zonder brommerhelm rondsnorren is slecht voor de budgetten van volksgezondheid. En uitademen als er een kans bestaat dat je aerosolen virusmateriaal meedragen is op zijn manier ook een vorm van mogelijke schade toebrengen. Het is het soort discussie dat eindigt met de wanhopige vraag: ‘Waar trek je de grens?’

** Omdat die waar-trek-je-de-grens-discussie zo moeilijk is, zoekt men een uitvlucht in feitelijke argumenten. Men gaat de cijfers maximaliseren of minimaliseren, men gaat causale verbanden in twijfel trekken of verabsoluteren, men haalt er de economie bij en het psychisch welzijn. Men wijst op de slechte aanpak van de contact tracing. Dat is allemaal interessant, maar of díe discussies zoveel makkelijker zijn dan de waar-trek-je-de-grens-discussie, daar ben in nog zo zeker niet van.

** Ik stel mij, zoals ik elders al een paar keer geschreven heb, neutraal op tussen de versoepelbrigade en de lockdownbrigade. In de praktijk sloot ik mij dus aan bij de laatste, want wie zwijgt stemt toe. Maar daar kan verandering in komen. Ik twijfel amper aan een verregaande versoepeling in de zomer. Maar als men in het najaar weer de lockdowmodus bovenhaalt, is het voor mij genoeg geweest. Vandenbroucke is bij deze gewaarschuwd: dan loop ik over naar het kamp van Tegnell. Die voorspelde bij het begin dat de pandemie jaren zou aanslepen, waardoor een strenge lockdown geen adequaat lange-termijn antwoord kon zijn. Ik ga er voorlopig nog van uit dat de vaccinatie voldoende zal zijn om op vrij korte termijn de schade toegebracht door corona terug te brengen tot ongeveer die van een griepepidemie. Dan is vrijheidsbeperking niet meer nodig en kan de discussie stoppen.

** Bij de lockdownbrigadisten hoort Erika Vlieghe met haar T-shirt ‘nie neute, nie pleuje’. Dat is een mooie slagzin en een goede raad. Zoals Elly Nieman indertijd zong: ‘Kind, zet je eroverheen, heus want klagen klagen hellept er geen een’.

**Achter het niet-klagen argument schuilt echter een ander argument, namelijk dat het ‘allemaal zó erg niet is.’ Mensen die de oorlog hebben meegemaakt, dàt was erg. Nu behoort het, vind ik, tot de gewetensvrijheid van elk mens om zélf te beslissen wat hij zélf erg vindt. Hoe erg is het om in de supermarkt geen menselijke gezichten te zien, compleet met mond en neus? Hoe erg is het om op een regenachtige dag niet te kunnen schuilen in een café en daar een koffie met pannenkoek te bestellen? Hoe erg is het om geen film te kunnen zien op groot scherm? Hoe erg is het om geen opera te kunnen bezoeken? Hoe erg is het om geen vrienden of familie te kunnen uitnodigen aan een met fijn linnen gedekte feesttafel? Hoe erg is het om maanden niet uit dansen te gaan? Hoe erg is het om een weekje zon te missen op Gran Canaria? Hoe erg is het om ’s nachts niet met je hond te kunnen gaan wandelen? Hoe erg is het om om je eerste festival te missen? Hoe erg is het om niet te kunnen feesten in Ter Kamerenbos? Hoe erg is het om niet elke dag gewoon les te kunnen krijgen of geven? Hoe erg is het om een jaar niet te voetballen of te zwemmen? Hoe erg is het om je collegas op anderhalve meter afstand te houden? Hoe erg is het om er met een verwaarloosd of ongeverfd kapsel bij te lopen? Ik zou het niet prettig vinden als ik dat voor iemand anders moest beslissen. En ik zou het nog minder prettig vinden als een regering dat voor mij zou beslissen. Zelfs Frank Vandenbroucke beseft dat want hij beweert met een brede lach dat hij het ook allemaal heel erg vindt en dat hijzelf ook graag met zijn vrienden een pintje zou willen drinken, wat niemand gelooft. 

** Alles wat hierboven is opgesomd, van de nachtelijke wandeling met hond tot het operabezoek en de reis naar Gran Canaria, zijn eenvoudige basisvrijheden. De Grondwet beschermt ons tegen een regering die zulke vrijheden wil beperken. Elke beperking, als die dan toch noodzakelijk is, moet begrensd zijn in de tijd, proportioneel, gemotiveerd en onderworpen aan gerechtelijke en democratische controle. Wat Frank Vandenbroucke zei over de corona-uitspraak van een Brusselse rechtbank was daarom erg ongepast. Hij moet van mij niet met die rechtbank akkoord gaan. Hij mag van mij zeggen dat hij van één rechtbank ‘niet direct onder de indruk is’. Maar als hij zegt: ‘We moeten die maatregelen handhaven, punt aan de lijn,’ dan is de grens overschreden (1). ‘Punt aan de lijn’ wil zeggen: ‘wat ook de uiteindelijke gerechtelijke uitspraak is’. Zo’n mentaliteit is een bedreiging van onze vrijheid op langere termijn.

** Natuurlijk moet een afweging worden gemaakt tussen efficiëntie, legale procedure en democratische controle. Toen ons land af te rekenen kreeg met terroristische aanslagen, heb ik niet geprotesteerd tegen para’s op straat, fouillages in de vliegvelden en razzia’s in Molenbeek. Ik heb die maatregelen zelfs een paar keer onderschreven op mijn blog (2). Misschien doe ik dat de volgende keer weer. Maar ik zal toch iets voorzichtiger zijn.



**Verder wordt de vrijheid bedreigd als meningsverschillen rond corona niet rustig en openbaar kunnen worden uitgediscussieerd. Zou het waar zijn dat Sam Brokken zijn betrekking van onderzoekshoofd Gezondheidswetenschappen aan de PXL Hogeschool kwijtraakte vanwege zijn kritische vragen bij het lockdown- en vaccinatiebeleid? Ik volg in elk geval de argumentatie van enkele artsen en wetenschappers die pleiten voor een vrij, publiek debat rond de coronakwestie. Zie hier.

** Ik hoor somsdat een steeds groter deel van de burgers zich niet meer aan de regels houdt. Ook dat is niet goed voor de de vrijheid. Vrijheid gedijt best als de meeste mensen zich vrijwillig onderwerpen aan redelijke regels. Als een van de elementen ontbreekt – meeste mensen, vrijwillig, redelijke regels – wordt het gevaarlijk.

** Sinds een deel van de bevolking gevaccineerd is, lees ik verontwaardigde stukken over ‘privileges’ die zouden worden toegekend aan gevaccineerden. Bejaarden die gevaccineerd zijn zouden bijvoorbeeld, zonder mondkapje op, kunnen samenkomen om een glas wijn te drinken of een stuk taart te eten, terwijl jongeren dat niet mogen. Ik zou daar geen bezwaar tegen hebben. Dat is om te beginnen geen privilege maar een elementaire vrijheid die wordt hersteld, zij het voor de ene wat sneller dan voor de andere. En ten tweede ondervinden de jongeren daar geen extra nadeel van. Met of zonder die bejaarden mogen ze hoe dan ook niet mogen samenkomen om wijn te drinken of taart te eten, wegens gevaar van virusverspreiding. Die jongeren hebben dat niet gevraagd, zul je zeggen, om later gevaccineerd te worden. Dat is waar, maar de bejaarden hebben het niet gevraagd om bejaard en kwetsbaar te zijn. (3)

** Als je het woord ‘privilege’ wilt misbruiken, zou je dat ook kunnen doen bij de discussie over de ‘omgekeerde lockdown’. Je zou dan kunnen zeggen dat jongeren in zon geval het ‘privilege’ hebben om vrij rond te lopen terwijl bejaarden worden ‘opgesloten’. Maar ook dat zou niet terecht zijn vanwege bovenstaande redenen. En daar komt nog een reden bij. Een ‘omgekeerde lockdown’ zou grotendeels een vrijwillige lockdown zijn van kwetsbare mensen die zichzelf beschermen. Doorbreken van zo’n lockdown zou niet bestraft worden met geldboetes, maar met verhoogd risico op besmetting, ziekte en dood (4).

 

(1) Men heeft de woorden van Frank Vandenbroucke vergeleken met die van Theo Francken en Bart De Wever die respectievelijk spraken van ‘wereldvreemde’ en ‘activistische’ rechters. Dat ‘wereldvreemde’ zou hier inderdaad ook van toepassing kunnen zijn, dat ‘activistische’ allerminst – eerder het tegenovergestelde. Maar daar gaat het niet om. Noch Theo Francken, noch Bart De Wever hebben toen gezegd: ‘Wij gaan die asielzoekers uitwijzen, punt aan de lijn.’ Zie mijn vorig stukje daarover hier.

(2) Een van mijn stukjes over anti-terreurmaatregelen vind je hier.

(2) Natuurlijk kunnen er ándere redenen zijn waarom de vrijheden van de gevaccineerden pas later kunnen hersteld worden, bijvoorbeeld als ze door hun gedrag zouden bijdragen aan de algemene verspreiding van het virus.

(3) Of zo’n omgekeerde lockdown in de praktijk haalbaar is en voldoende bescherming oplevert, dat is weer iets anders.

zondag 7 maart 2021

Politiek asiel


      Moet een asielzoeker als Puigdemont worden uitgeleverd aan Spanje? Dat is een politieke, diplomatieke, juridische en morele kwestie in één. De beschuldigingen tegen de Catalaan wegen licht, namelijk het gebruik van staatsgeld voor het organiseren van iets wat niet in de Spaanse grondwet is voorzien: een referendum. Ik neem aan dat onze regeringen het laatste jaar ook allerlei zaken hebben georganiseerd die niet in de grondwet zijn voorzien en dat ze daarvoor staatsgeld hebben gebruikt. Moeten Wilmès, Decroo en Vandenbroucke daarom in de gevangenis? Ik vind van niet, al zijn sommigen van mijn Facebookvrienden een andere mening toegedaan.
     Uitlevering van asielzoekers is altijd een ontvlambare materie geweest. We kunnen denken aan de Afghaanse regering die weigerde om Osama bin Laden uit te leveren en zo een oorlog veroorzaakte die al 20 jaar duurt. Of we kunnen verder teruggaan in het verleden, naar 1848, toen in heel wat landen op het Europese continent republikeinse revoluties uitbraken en mislukten. De verslagen opstandelingen vluchten naar België of andere veilige landen. Alexis de Tocqueville was toen minister van Buitenlandse zaken in Frankrijk, en vertelt er onderhoudend over in zijn Souvenirs.
     Neem Zwitserland. Het land kreeg in die tijd tussen de tien- en twaalfduizend asielzoekers te slikken, uit Duitsland, Frankrijk en Italië. De uitlevering van de leiders, die nog altijd bezig waren snode republikeinse plannen te smeden, die uitlevering dus werd geëist door Pruisen en Oostenrijk, en door Rusland, dat verder nergens mee te maken maar zich overal mee moeide. Die drie landen dreigden dat ze Zwitserland zouden binnenvallen. Tocqueville probeerde te onderhandelen en hield de Zwitsers voor dat ze best enkele revolutionaire konden uitleveren om een oorlog te vermijden. Het hielp niet. ‘Elke Zwitserse boer was ervan overtuigd,’ schrijft hij, ‘dat zijn land perfect in staat was om alle koninkrijken van de wereld in de pan te hakken.’
    Tocqueville pakte het toen anders aan. Hij sloot de grens met Zwitserland en stelde voor dat de andere buurlanden hetzelfde zouden doen. Daardoor zaten de Zwitsers permanent opgescheept, niet alleen met enkele gevaarlijke leiders, maar met een heel leger van duizenden vluchtelingen, waarvan de meesten alleen nog naar de Verenigde Staten wilden emigreren. Zwitserland moest ze allemaal huisvesten, voeden en geld toestoppen. Zoiets kon niet blijven duren. ‘Het waren de meest republikeinse kantons,’ schrijft Tocqueville, die het eerst eisten dat de republikeinse leiders uit het land werden gezet … Men begreep in een klap de nadelen van het asielrecht.’ Welja, de Zwisters hielden van hun republikeinse idealen, van hun vrijheid, van hun onafhankelijkheid, maar nog het meest van hun centen.
     Rond dezelfde tijd waren de Hongaren in het geweer gekomen tegen hun Oostenrijkse meesters. Die konden het  niet alleen aan en riepen de hulp in van de Russische moeial. De opstand werd neergeslagen en de leiders, waaronder Dembinski en Kossuth vluchtten naar … Turkije. Weer werd de uitlevering geëist. De Turkse regering weigerde, tot grote woede vooral van de Russen. Rusland had een dure oorlog gevoerd waar alleen bondgenoot Oostenrijk voordeel bij had gehad.  Dat was oneerlijk, vonden ze. De oorlog moest toch iets opbrengen voor de henzelf, al was het maar wraak op de verslagen vijanden, vooral omdat sommigen onder die lui ook Polen waren, erfvijanden dus, zoals Dembinski, die de Hongaarse opstandelingen hadden geholpen. De Tsaar stond onder grote druk van de publieke opinie om Turkije de oorlog te verklaren. De Franse ambassadeur in Rusland schreef aan Tocqueville: ‘Onder de soldaten en het volk leeft een woest, geëxalteerd gevoel van nationale eigenliefde. De tsaar moet rekening houden met de wil van de massa.’
     Tocqueville begreep dat het gekwetste trots van de Russen evengoed een grote oorlog kon ontketenen als gelijk welk geostrategisch belang. Hij wou zich gematigd opstellen, maar werd tegen zijn zin meegesleept in een spel van ultimatums waarmee Engeland en Frankrijk het tegen Rusland opnamen. Uiteindelijk werd de situatie gered door de Turkse diplomatie die zowel principieel als nederig was, en die de Oostenrijkers en de Russen de kans bood om zonder gezichtsverlies hun dreigementen in te trekken. De sultan zei dat hij afkeurde wat de Hongaarse rebellen hadden gedaan, maar dat hij in hen nu niets anders kon zien dan ongelukkige stakkers die aan de dood probeerden te ontsnappen. Hij wou niet discussiëren over de juridische kant van de zaak en over de verdragen, maar hij vertrouwde erop dat de tsaar er begrip voor zou opbrengen als de Turkse regering geen maatregelen naam die haar goede naam in de wereld zouden ruïneren.’ ‘Dat was gesproken als beschaafd mens en christen, schrijft Tocqueville, terwijl de ambassadeurs van de overzijde antwoordden als Turken.’ De Fransman was dit keer tégen uitlevering.
     Het zou ongepast zijn om in een stukje waarin Tocqueville ter sprake komt, veel lessen te trekken uit het verleden. Dat is iets waar de Franse staatsman streng voor waarschuwde. Elke omstandigheid, hield hij voor, is nieuw en gelijkt hoogstens oppervlakkig op een die zich vroeger heeft voorgedaan. Nu bijvoorbeeld bestaat een Europees uitleveringsverdrag dat in 1848 niet bestond. En Spanje dreigt niet met oorlog als we Puigdemont niet uitleveren, wat het scherpe kantje eraf haalt.
     Wat wel gelijk blijft zijn de motieven die meespelen in de beoordeling van asielkwesties. Het zijn dezelfde die altijd meespelen als het over internationale betrekkingen gaat: politieke sympathie en antipathie, eigen idealen, geostrategische evenwichten, publieke opinie, berekening, huichelarij, eergevoel, principes, waardenhiërarchie, persoonlijke en collectieve trots, en materieel belang. Aangezien echter de verhoudingen tussen die ingrediënten kunnen verschillen, en alleen het uiteindelijke standpunt goed zichtbaar is, ontstaat vaak de indruk dat met twee maten en twee gewichten wordt gewerkt. Dat is een beetje onrechtvaardig. In werkelijkheid worden er veel meer maten en gewichten gebruikt dan alleen maar twee. Voor mij wordt het dan meestal te moeilijk. Of ik moet mijn buikgevoel laten spreken. Ik doe dat niet graag, maar voor één keer kan het geen kwaad: die Puigdemont hoort niet in de gevangenis thuis. Hij moet niet worden uitgeleverd.


dinsdag 2 februari 2021

Het loon van een arts*


      De Christelijke Mutualiteiten willen dat er iets gedaan wordt aan de lonen van de artsen.  Die zijn nu te ongelijk. In een interview met De Morgen licht voorzitter Luc Van Gorp het CM-voorstel toe: “De CM adviseren een maximale loonspanning van 1 op 2. De ene arts mag dus maximaal het dubbele verdienen van een andere. Artsen zouden dan niet meer mogen verdienen dan de premier, 290.000 euro per jaar. Alle artsenlonen zouden dus liggen tussen de 145.000 en 290 000 euro, afhankelijk van onder meer opleidingsduur, zwaarte van het werk en de hoeveelheid weekend- en nachtwerk.”
    Dat is mooi, maar het roept een aantal vragen op. Waarom de ongelijkheid verder laten woekeren onder een andere vorm? Er blijft immers een verschil bestaan van 145 000 euro. Dat is geen kattenpis. Zou dat niet kunnen worden vermeden door alle opleidingen even lang te maken en het nachtwerk en weekendwerk eerlijk te verdelen? De zwaarte van het werk laat je evalueren in een puntensysteem. Het volstaat dan een structuur van werkgroepen en commissies op te richten die per ziekenhuis en artsenpraktijk wat gaat schuiven en te herschikken zodat iedere arts uiteindelijk even zwaar wordt belast en even hard moet werken. Dan kan elke arts 290 000 euro verdienen! En artsen die naar het buitenland willen vertrekken om daar meer te verdienen kunnen een uitreisverbod krijgen van de minister van Volksgezondheid. Daar moet Vandenbroucke aan denken als hij zijn sanitaire noodwet opstelt (zie hier). De grenzen kunnen sluiten om de uitvoer van schaarse geneesmiddelen te beletten is niet genoeg
    Mooi aan het CM-voorstel is in elk geval de zogenaamde premier-norm. 290 000 euro is precies wat ik ook per jaar wou verdienen. Waarom kan die norm eigenlijk niet worden uitgebreid tot alle beroepen? Waarom moet die regeling beperkt blijven tot de artsen? Laat iederéén hetzelfde verdienen als de premier. Niet meer en niet minder. Iedereen 290 000 euro per jaar. Zou dat niet fijn zijn? Laten we het bedrag voor het gemak afronden op 300 000 euro per jaar. En de premier krijgt 300 001 euro, de Kamervoorzitter 300 002 euro en de voorzitter van de CM 300 003 euro – want die heeft het systeem toch maar bedacht. Ten slotte zijn wij geen communisten, zoals die gangster in The Godfather zegt.
     Is dat financieel haalbaar? Ik denk het wel. Een snelle berekening leert mij dat een algemene belastingaanslag van 93 % voldoende is. Dan hebben we meteen ook een vlaktaks.

* Over het inkomen van artsen: zie ook hier en hier. Over het inkomen van loodsen: hier.

vrijdag 22 januari 2021

De socialisten en hun Marx


      Kennen de socialisten van vandaag hun Marx nog? Misschien beter dan we denken. Frank Vandenbroucke zei onlangs dat we dankzij de vaccins het ‘Rijk der Vrijheid’ zouden binnentreden.  Dat verwijst naar een uitspraak van Karl Marx in deel III van Het Kapitaal. Onder het kapitalisme is de arbeider ‘vervreemd van zijn arbeid. In de eerste fase van het socialisme wordt dat opgelost. De kapitalisten worden onteigend en de bedrijven worden overgenomen door de ‘gemeenschap’, waardoor de arbeider zich bevrijd weet van de maatschappelijke uitbuiting. Maar helemaal vrij is hij nog niet. Hij is vrij van de kapitalist, maar nog niet vrij van de wrede natuur die oplegt dat hij eet en drinkt en zich verwarmt om niet om te komen van honger, dorst of kou. Daarom is het noodzakelijk dat hij blijft werken.
    Als ideaal is dat minnetjes. Maar na het socialisme komt het communisme, en dan is de mens écht vrij. Hij eet en drinkt nog wel, en verwarmt zich, en werkt, maar hij doet dat niet uit noodzaak, maar uit vrije keuze. Onder het communisme ‘beginnt […] das wahre Reich der Freiheit’ dat opbloeit op de fundamenten van het oude ‘Reich der Notwendigheit’ (Kapital III, MEW 25, 828).
     De lezer denkt nu: ja, dat is Frank Vandenbroucke, een bolleboos, een studax, een oud-Trotskist, natuurlijk kent die de communisme-theorie van Marx. Goed. Dan nemen we Conner Rousseau van wie niemand gelooft dat hij een bolleboos of een studax is, of weet wie Trotski was. Een jaar geleden schreef hij op zijn Facebookpagina het volgende: ‘Solidariteit, dat is uw deel doen, maar ook uw deel krijgen. Dat is bijdragen naar vermogen, maar ook krijgen naar noden. Die slagzin komt van een van de grondleggers van het communisme: Louis Blanc: ‘De chacun selon ses capacités, à chacun selon ses besoins.’ Marx nam die formule over. Loon naar werken vond hij burgerlijk. In het ‘Rijk der Vrijheid’ zou het anders toegaan: ‘Von jedem nach seinen Fähigkeiten, zu jedem nach seinen Bedürfnissen,’ scheef hij in zijn bekende Kritik des Gothaer Programms.
      Zelf ben ik voorstander van een universeel basisinkomen, als vervanging van de sociale zekerheid. Dat basisinkomen moet laag zijn, en moet een ziekteverzekering inhouden. De kapitalistische automatisering en robotisering maken zoiets in de toekomst misschien mogelijk. Zo’n basisinkomen kun je evengoed zien als een soort ‘Rijk der Vrijheid’. Charles Murray geeft een voorbeeld (hier). Vier vrienden die alleen in golfsurfen geïnteresseerd zijn, kunnen samen een goedkoop appartementje huren en de rest van hun dagen doorbrengen op de plank, zonder zich verder om iets druk te maken. Ze kunnen naar het woord van Jezus leven als de vogelen in de lucht en de leliën des velds.
     Maar als ideaal blijft het minnetjes. Willen de vrienden een extraatje, een breedbeeldscherm en een abonnement op Netflix bijvoorbeeld, dan zullen ze een bijbaantje moeten nemen, waarmee ze toch weer terecht komen in het ‘Rijk der Noodzaak’. Ook vrees ik dat ze zelfs met die bijbaantjes niet aan ál hun ‘Bedürfnisse’ zullen kunnen voldoen. Maar ’t stelsel is tenminste concreter dan de utopie van Marx. En er is een mooie film over gemaakt met Keanu Reeves en Patrick Swayze. Al ging die meer over het bijbaantje van de vrienden-surfers.

zaterdag 28 november 2020

De SP.A bestrijdt nepnieuws

 


     Af en toe lees je ook goed nieuws in de krant. ‘SP.A wil leden van het Vlaams Parlement die nepnieuws verspreiden, een sanctie kunnen opleggen.’ (zie hier) De partij wil daarvoor de deontologische commissie inschakelen. Het voorstel krijgt kritiek van iedereen: van Groen, van N-VA, van CD&V, maar zo gaat dat altijd als je aan komt dragen met gedurfde, vernieuwende voorstellen. De tijd is wellicht nog niet rijp. Maar wat niet is, kan nog komen. En ondertussen kunnen we ons al over de volgende stappen beraden.
     Ik lees dat Benjamin Dalle, de Vlaamse minister van Media 29 miljoen wil investeren in een factcheckplatform om politiek nepnieuws aan te pakken. In 2018 al had Alexander De Croo als federale minister van Digitale Agenda beslist om de strijd tegen nepnieuws aan te binden, en het ‘evenwicht tussen vrijheid van meningsuiting enerzijds en maatregelen tegen desinformatie anderzijds’ te bewaken (zie hier). Alexander had gelijk wat de grond van de zaak betreft. Als het om vrijheid van meningsuiting gaat, moet vooral het ‘evenwicht’ in het oog worden gehouden, want straks zegt iedereen waar hij zin in heeft.  En daar kunnen Schadelijke Dingen bij zijn. Maar … Vlaams, federaal, Media, Digitale Agenda …  wordt het geen tijd om iets te doen aan de versnipperde bevoegdheden? Waarom geen eengemaakt ministerie van Waarheid opgericht? Federaal natuurlijk. Het is beter op te komen vóór iets – de waarheid – dan tégen iets – nepnieuws. Er moet nog ergens een blauwdruk liggen voor zo’n ministerie. Eens kijken onder de O van Orwell of de B van Blair. 
     En dan kunnen we nóg een vraag stellen. Waarom die strijd beperken tot nepnieuws, met andere woorden tot de nep van nu? Zijn er dan geen problemen met het verleden? Bestaan er geen schoolboeken en historische werken waarin de misdaden van Leopold II onvoldoende aandacht krijgen? Nepgeschiedenis, zou je kunnen zeggen. Kunnen die boeken zomaar op de planken van openbare bibliotheken blijven liggen, waar iedereen ze mee kan nemen. En wat met de toekomst? Ook hier ligt een onontgonnen terrein. Wat doe je met mensen die beweren dat het binnen vijftig jaar met de migratie wel mee zal vallen maar dat Vlaanderen overstroomd zal zijn wegens de klimaatverandering? Of omgekeerd – want ik ben even vergeten welke toekomstige feiten hier juist nep zijn. Maar je begrijpt waar ik naartoe wil.
     Helaas zijn dat allemaal nog toekomstdromen. Ondertussen moeten we het doen met het voorstel van SP.A. dat dus parlementsleden wil controleren en sanctioneren. En zelfs met dat voorstel moet ervoor worden gezorgd dat er geen misverstanden ontstaan. Frank Vandenbroucke bijvoorbeeld kwam gisteren op de televisie vertellen dat de sluiting van de niet-essentiële winkels ‘eigenlijk’ een ‘psychologische’ maatregel was en dat winkelen op zich niet riskant is.* Een maand geleden liet hij ongeveer het tegenovergestelde verstaan.
    Heeft Vandenbroucke nu minstens één keer nepnieuws verspreid over de veiligheid van het winkelen, hetzij gisteren, hetzij een maand geleden? Daar kun je van mening over verschillen. Dezelfde discussie had je over de communicatiebocht rond de mondkapjes. Ik citeer hier graag Jean-Pierre Rawie, de enige hedendaagse dichter uit ons taalgebied, samen met Koenraad Goudeseune, die ik ongeveer begrijp. ‘Over die mombakkesen,’ schrijft Rawie, ‘wil ik nog één keer iets zeggen, waarna ik er voor eeuwig over zwijgen zal. Iets kan niet de ene dag zinloos, en daags nadien van levensbelang zijn, dus ofwel, de over ons gestelden hebben ons gedurende meer dan een half jaar op ten hemel schreiende wijze misleid, of we worden nú belazerd; tertium non datur. Zo dat is eruit.’ (Zie hier)** 
     Maar Rawie ziet in zijn simpelheid een zaak over het hoofd. Er is niet alleen waarheid en leugen, er is ook nog de Goede Zaak. Nepnieuws is niet echt nep als het de Goede Zaak dient. Dat wist men al in de Oostenrijkse dubbelmonarchie. Joseph Roth beschrijft in De Radetzkymars hoe luitenant Trotta tijdens een veldslag keizer-koning Frans-Jozef op de grond gooit, en hem zo redt van een vijandelijke kogel. Dat verhaal wordt later in de schoolboekjes weergegeven als een heldhaftig gevecht waarin de keizer en de luitenant met blanke sabel tientallen vijanden over de kling jagen. Als de luitenant, ondertussen von Trotta, protesteert tegen die nepnieuws versie, wordt erop gewezen dat het boek bestemd is voor kleine kinderen, en die hebben niets aan een in alle details correct verhaal. Zolang de boodschap maar duidelijk is. En zou dat laatste ook niet gelden, moet Frank gedacht hebben, voor die grote kleine kinderen die we volwassenen noemen?
     Ik heb mij, zie ik achteraf, overigens zorgen gemaakt om niets. Nu ik het voorstel van SP.A opnieuw bekijk: ze hebben aan álles gedacht. Hun Frank blijft natúúrlijk buiten schot. Het voorstel geldt alleen verkózen parlementsleden. Ministers die geen parlementslid zijn en die niet verkozen zijn, moeten zich geen zorgen maken. Oef.

* Zie hier. Ik transcribeer een stukje uit het Terzake-interview:

-   Goeienavond meneer Vandenbroucke. Dank om bij ons te zijn.
-    Goeienavond.
-   Ja, er zijn een aantal heel voorzichtige versoepelingen aangekondigd, zullen we het zeggen, we hebben er al een aantal besproken in de uitzending. Bent u zeker dat met wat vandaag bepaald is, dat we niet opnieuw richting een derde golf gaan, dat het niet opnieuw omhoog zou gaan.
-    Je bent alleen maar zeker als natuurlijk voldoende mensen blijven al deze maatregelen opvolgen, wat ze eigenlijk vandaag ook doen. Dus we versoepelen niet, hè. We worden strenger met betrekking tot het buitenland. Buitenlandse reizen worden absoluut afgeraden. Wie het toch wil doen: quarantaine en de politie zal het controleren.
-   Maar wat winkelen betreft …
-   Winkelen is eigenlijk geen groot risico als dat gebeurt op een heel goed gecontroleerde manier …
-    Waarom zijn ze dan een tijdje geleden gesloten eigenlijk?
-    Omdat je op een bepaald moment eigenlijk een beetje een schokbeslissing moet nemen. Je moet echt een schokeffect krijgen en daar hoort bij dat je zegt: niet-essentiële winkels ook onmiddellijk dicht. 
-   Het was meer psychologisch …
-    Ja …
-     … dan een reële nood, of dan een reëel veiligheidsgevaar?
-  Wel, nee. Ik denk dat dat echt een goeie beslissing was. Op een bepaald moment moet je eigenlijk zeggen: den blok erop, zodanig dat het duidelijk is. En dan, als je dan terug een beetje perspectief krijgt, kan je zeggen, ja, wat eigenlijk niet riskant is, namelijk één iemand die alleen naar een winkel gaat en daar snel iets koopt en terugkomt, dat kan je dan wel doen. 

** Met dank aan Geraard Goossens die mij opmerkzaam maakte op het stuk van Rawie.

zondag 20 januari 2019

De humanitaire visa van Theo Francken

     Je kunt van de politieke vijanden van Francken en N-VA niet verwachten dat ze nu zwijgen over de humanitaire visa-zaak. Die visa werden uitgereikt door zijn kabinet en, naar het zich laat aanzien, door een Syrische christen, tevens N-VA-lid, verkocht aan andere Syrische christenen die bloot stonden aan vervolging door fanatieke moslims. Francken had met andere woorden goede bedoelingen maar is naïef geweest en heeft zich laten misbruiken door een gewetenloze schurk met een partijkaart. Naïviteit is een fout, in de politiek is het een zware fout, en voor een staatssecretaris is het een heel zware fout.
     De goede kant van de zaak, dat zal iedereen toegeven, is dat die Syrische christenen gered zijn; de slechte kant is dat die redding gepaard ging met misdadige corruptie. Die is nu gelukkig aan het licht gekomen. Hopelijk wordt de dader, indien schuldig bevonden, streng gestraft en kunnen de slachtoffers nog enigszins schadeloos gesteld worden. Francken en N-VA moeten nu even de ‘‘walk of shame’ lopen, maar we weten uit Game of Thrones dat daarmee het spel niet is uitgespeeld.

     Zelf til ik niet zwaar aan onbedoelde fouten van anderen of van mezelf. Ik ben van het principe dat we ervan moeten leren. Het mag een geluk heten dat ik leraar ben, en geen chirurg. Ik kan een dt-fout op het bord schrijven en als een leerling mij daarop betrapt, zeg ik dat ik mij diep schaam, maar in werkelijkheid is dat niet zo. Over fouten van naïviteit kan ik mij al helemaal niet druk maken, hoeveel details men er ook bijsleurt. Zo’n Frank Van den Broucke die als SP-voorzitter illegaal verworven geld in de partijkas aantreft, en dat laat verbranden … Zo’n Kris Peeters die een niet helemaal koosjere Jood op zijn kieslijst plaatst … ik word er niet warm of koud van. Ook ben ik niet fanatiek als het over de ‘ministeriële verantwoordelijkheid’ gaat. Toen Dutroux ontsnapte, of toen het Heizelstadion instortte, hoorde ik bij degenen die níet vonden dat de minister van Justitie of van Binnenlandse Zaken ontslag moest nemen. Het verbaasde mij dat anderen daar oprecht anders over dachten.
     Wat mij dan weer niet verbaast, is dat gemaakte fouten rijkelijk worden benut om een politieke vijand te schaden. De partijen van centrumlinks (Groen en Sp.a) en centrumcentrum (CD&V, Open Vld) weten ook wel dat ze bij het N-VA-publiek weinig stemmen kunnen terugwinnen, visa of geen visa. Maar als zo’n zaak een paar procenten van de centrumrechtse N-VA-kiezers kan doen verschuiven naar het radicaalrechtse Vlaams Belang is dat prima voor hen. Als N-VA wat kleiner wordt, worden zij relatief gesproken wat groter. Ook hier zit ik anders in elkaar. Ik hou noch van de Sp.a noch van de PS, en ik zie die partijen graag zo klein mogelijk. Maar ik zou nooit inzetten op een strategie om kiezers van die centrumlinkse partijen te laten overlopen naar het radicaallinkse PVDA-PTB.
     Waar ik eigenlijk het meeste bang voor ben, is dat de zaak zal worden aangegrepen om de huidige visum-procedure en visum-filosofie in vraag te stellen.* In het verrassend leesbare boek Continent zonder grens van Theo Francken en Joren Vermeersch, staat een interessant stuk over de rol van het visum bij de asielkwestie. Francken ziet het zo: je kunt maar Europees asiel aanvragen als je met een humanitair visum naar Europa reist, en dat visum wordt uitgereikt als ‘een niet afdwingbare gunst’**. De regering reikt een visum uit in de stijl van de Franse koningen: ‘car tel est son bon plaisir’. Ik ben het daar helemaal mee eens. Maar een nadeel van een gunsten-systeem is dat je ook een mogelijkheid schept om gunsten te verkópen. Het gevaar van corruptie loert om de hoek. Voor mij is dat een reden om iedereen die bij het uitreiken van visa betrokken is, goed in de gaten te houden. Dat is van toepassing op ambtenaren, maar nog meer op bereidwillige medewerkers ter plaatse. Francken zal die les nu ook wel geleerd hebben.
    Zoals ik het zie moet Europees asiel in de toekomst weer een uitzondering worden, bedoeld voor heel specifieke individuen of groepen die om ideologische of etnische redenen gevangengenomen of gedood kunnen worden in de landen waar ze wonen.*** Ik denk hierbij aan de Russische anarchisten van de negentiende eeuw, de Joden van de jaren 30, de Chileense communisten van de jaren 70, de Iraanse dissidenten van de jaren 90, en in het algemeen ‘verbrande’ opposanten in dictatoriale landen. Nu is er in de wereld veel dictatuur, maar veel minder oppositie, en een groot deel van die oppositie wil ter plaatse blijven om … euh … oppositie te voeren. Toch kan iedereen die vanuit een arm Afrikaans, Arabisch of Centraal-Aziatisch gebied naar Europa wil emigreren zich voor een opposant uitgeven.**** In zo’n situatie zal slechts één op de duizend asielaanvragers behoren tot de specifieke individuen of groepen die ik hierboven aanhaalde, maar het zal ook bijzonder moeilijk zijn om die ene te onderscheiden van die 999 andere.
     Sommigen denken dat je dan vooral moet zoeken naar een sluitende, transparante procedure met objectieve criteria die zullen toelaten om dat onderscheid wel te maken. Maar dat zal nooit werken. Als je de criteria zo streng maakt dat je de meerderheid van de schijnopposanten tegenhoudt, is de kans groot dat je ook die ene échte opposant niet binnenlaat. En als je criteria zo toeschietelijk zijn dat die ene echte opposant níet wordt tegengehouden – wat geloof ik vooral de Groenen willen – moet je er ook tientallen of honderden andere erbij nemen. Een zekere willekeur is dan nog het beste. Je zoekt actief uit welke individuen of groepen de grootste kans op vervolging lopen, en je stelt die discreet in de mogelijkheid om een visum en asiel aan te vragen.  Dat af en toe een schurk van die werkwijze misbruik maakt, is geen reden om de werkwijze zelf te verwerpen.
     Willekeur bij beslissingen roept vanzelfsprekend ook weerstand op, want ze schept, zoals gezegd, mogelijkheden voor corruptie. We hebben daarom openbare aanbestedingen bedacht, en vergelijkende examens om promotie te maken binnen de ambtenarij, en eindeloze wetteksten onderverdeeld in artikels, leden en paragrafen. En zo hoort het. Maar we kunnen die mate van objectieve en voorspelbare criteria, bedoeld om de burgers van een land te beschermen tegen willekeur van de staat niet toepassen op elk domein en op elke schaal.***** Ik geloof dat je er op dit moment niet ver mee komt in de migratieproblematiek.

       In het Marrakesh-pact wordt nochtans op zulke objectieve en transparante criteria aangedrongen. In punt 23 (‘Objective 7’) lezen we dat irreguliere immigranten individueel geëvalueerd moeten worden om een reguliere status te verkrijgen, en dat op basis van ‘clear and transparent criteria’. Het is een van de passages die ik driftig onderstreept heb. Maar als de regels dan toch ‘clear and transparent’ moeten zijn, dan zou ik er één voorstellen, namelijk dat er in Europa géén asielzoekers meer worden toegelaten. Géén. De tweede regel die ik voorstel is dat een regering om humanitaire redenen uitzonderingen kan maken op die regel, en wel ‘selon son bon plaisir’. Maar die uitzonderingen zullen dan helaas niet voldoen aan de Marrakesh-vereisten van duidelijkheid en transparantie. Je kunt niet alles willen.

 
* Dat is waar onder andere Bart Eeckhout in De Morgen op aanstuurt. Zijn argument is dat de huidige procedure tot misbruik  kan leiden. Dat is waar en het is nu ook bewezen. Maar ik zou niet elke procedure afschaffen alleen omdat die tot misbruik kán leiden. Je moet ook de voordelen van de procedure in rekening brengen, en de nadelen van het alternatief. Bovendien komen de misbruiken in een democratie uiteindelijk aan het licht, zodat ze in de tijd beperkt blijven. Ook dat is nu bewezen.
De essentiële willekeur bij het uitreiken van visa betekent overigens niet dat een kabinet of administratie geen interne richtlijnen of werkwijzen kan afspreken, of zich moet onttrekken aan alle externe controle. Maar de verantwoordelijkheid doorschuiven naar ngo’s of de VN is niet noodzakelijk een betere garantie voor een efficiënte en billijke afhandeling dan een zogenaamd ‘eigengereid’ optreden. Interessant daarover is de getuigenis van ex-ambassadeur Mark Geleyn. (hier)


** Uit de 94ste voetnoot van het boek heb ik begrepen dat de huidige Europese Visumcode van 13 juli 2009 weliswaar toelaat dat een visumweigering kan aangevochten worden voor een rechter, maar dat die de beslissing enkel kan vernietigen en het dossier terugsturen naar de administratie voor een nieuwe en beter gemotiveerde beslissing.                                                              
*** Voor grote vluchtelingenstromen – zoals in oorlogssituaties – moeten plaatselijke oplossingen gevonden worden met Europese steun.
 
**** Zouden die mensen dan líegen alleen om een visum te krijgen? Dat denk ik wel. Toen ik begin de jaren 90 voor het eerst naar de VS reisde, moest ik om een visum te krijgen eerst een vragenlijst invullen. Een van de vragen luidde:  ‘Are you or have you ever been a member of the communist party?’ Ik wou heel graag naar de VS en heb toen zonder aarzelen  ‘No’ geantwoord, terwijl ik in het dagelijkse leven niet zo vaak lieg.
 
***** Je kunt ook in een gezin, school, bedrijf of ziekenhuis met enig succes een beroep doen op duidelijke krijtlijnen en transparante criteria. Maar je merkt al snel dat die aanpak op zekere grenzen botst.