Posts tonen met het label Steven Pinker. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Steven Pinker. Alle posts tonen

vrijdag 25 februari 2022

Oekraïne: het stukje dat ik niet wou schrijven


(1) Ik wou eigenlijk al lang een stukje schrijven over ‘activistische rechtspraak’ en ‘juristocratie’. En nu komt Poetin met die inval in zijn buurland. Nare man, die Poetin.

(2)  Het Westen wou Oekraïne verleiden. Poetin heeft Oekraïne verkracht. Ook in MeToo-tijden mag dat onderscheid nog altijd worden gemaakt.

(3) Over buitenlandse politiek en militaire conflicten in heden en verleden heb ik meestal geen uitgesproken mening en al zeker geen oplossing: de Amerikaanse interventie in Vietnam, de Russische interventies in Tsjechoslovakije en Afghanistan, de Navo-interventie in de Balkan, de tweede golfoorlog, de conflicten in Libië, Syrië en Israël-Palestina. Als in zulke conflicten de ene partij min of meer liberaal-democratisch is en de andere autoritair, dan gaat mijn sympathie uit naar de eerste. My liberal democracy, right or wrong. Maar verder probeer ik niet te hoog van de toren te blazen.

(4) Over enkele conflicten heb ik overigens wel een mening: de inval van Mussolini in Abyssinië, de inval van Hitler in Polen, de inval van Saddam Hoessein in Koeweit en de inval van Poetin in Oekraïne. Ik ben er tegen.

(5) Ik heb de huidige inval niet voorspeld, maar ik ben ook niet verrast. Ik was er niet gerust in als ik Biden bezig hoorde. Ik nam ik aan dat hij over inlichtingen beschikte van zijn geheime diensten. En als ik Poetin hoorde, was ik nog minder gerust. Er was nog altijd een kans op een diplomatieke oplossing, zei hij. Ja, en wat was die àndere kans dan?

(6) Ik lees dat Poetin minachting heeft voor de Westerse decadentie. Hij heeft wellicht gelijk. Maar alles samen genomen, sluit ik mij aan bij Charles Laughton in de film Spartacus: “I’ll take a little republican  decadence along with a little republican freedom.” Alhoewel Laughton sprak van ‘corruption’ in plaats van ‘decadence’.

(7) Ik zal het nog sterker zeggen, maar dan moet ik eerst diep ademhalen en mij moed inspreken: ik verkies Ursula von der Leyen boven de Russische borstontblote, paardrijdende judoka.

(8) Poetin wil, zegt hij, Oekraïne ‘denazificeren’. Ik vrees dat Poetins definitie van ‘nazi’ dermate ruim is, dat ze veel van zijn Westerse bewonderaars zou insluiten.

(9) Het Westen krijgt er van langs in onze krantencommentaren. En de kritiek is dubbel. Men heeft Poetin met onvoldoende respect behandeld, schrijft men, en men heeft hem te veel laten betijen, schrijft men. Dat is nogal tegenstrijdig. Anderzijds: die twee fouten sluiten elkaar niet helemaal uit. Het is altijd goed je vijand met respect tegemoet te treden. Of hij daardoor welwillender wordt, is een heel andere kwestie.

(10) Had Oekraïne lid moeten worden van de Navo? Men begrijpt nu in elk geval waarom het land vragende partij was. Uiteraard konden de Russen er in dat geval op aandringen dat in dat land geen nucleaire raketten zouden worden opgeslagen. Dat zou een redelijke eis geweest zijn. Bij mijn weten staan er ook geen nucleaire Natoraketten in Estland, Polen of Roemenië. 

(11) Vormt de Navo een militaire bedreiging voor Rusland? Is de Navo van plan Moskou te bombarderen, zoals Rusland Kiëv bombardeert? Ik geloof het niet. De Navo heeft zich, ondanks zekere militaire avonturen, altijd defensief opgesteld tegenover Rusland, net zoals het Warschaupakt zich indertijd, ondanks zekere militaire avonturen, defensief opstelde tegenover het Westen. De Russische inval kan moeilijk als een ‘preemptive strike’ omschreven worden.

(12) Zou Rusland Oekraïne ook zijn binnengevallen als dat land openlijk had verklaard nooit lid van de Navo te worden? Ik denk het niet. Had Servië in 1914 toegestaan dat Oostenrijkse ambtenaren op hun grondgebied het onderzoek deden naar de aanslag op Frans-Ferdinand, dan was er misschien ook geen Eerste Wereldoorlog geweest. Maar in het geval van Oekraïne zou Rusland nieuwe eisen hebben gesteld in verband met de oostelijke ‘volksrepublieken’, in verband met het Donetsbekken, in verband met een ‘corridor’ naar de Krim, in verband met ‘denazificatie’. Het strategisch einddoel zou hetzelfde geweest zijn: een regimewissel in Kiëv. 

(13) Rusland volgt de 19de-eeuwse logica van ‘bufferzones’ die nodig zijn om zich te beschermen. Maar dan heb je daarna weer een nieuwe bufferzone nodig om die bufferzone te beschermen. Dat soort logica bracht Napoleon tot in Moskou.

(14) Internationale politiek is een kwestie van macht – overheersing én verdediging - , samenwerking, recht en moraal. Het eerste beginsel is altijd ‘macht’ geweest, maar Steven Pinker, in The Better Angels of Our Nature, beschrijft dat er een zekere verschuiving is gekomen in de richting van de drie andere. Het is echter niet duidelijk of Rusland en China wel mee zijn met die verschuiving. Als ze niet mee zijn, dan moeten de andere landen daar hun conclusies uit trekken. 

(15) Joren Vermeersch stelde op zijn facebookpagina voor om Oekraïne op te delen in twee autonome regio’s, een Europees-gezinde westelijke regio en een Russisch-gezinde oostelijk regio. Dat was vóór de inval natuurlijk, maar het voorstel zelf is interessant omdat het ons op de paradox van het nationalisme wijst. Als Oekraïne het recht had zich los te maken van het Sovjetimperium, waarom zou het oostelijk gebied zich niet los mogen maken van Oekraïne? Als Ierland zich mocht afscheuren van Groot-Brittannië, waarom zou Noord-Ierland zich dan niet mogen afscheuren van Ierland? Voor deze paradox bestaat geen logische oplossing, alleen redelijkheid, rechtsprincipes, tolerantie en diplomatie. Hoe het met de andere partijen zit, weet ik niet, maar Poetin kun je er in elk geval niet van verdenken dat hij die principes al te slaafs volgt. 

vrijdag 19 maart 2021

Ben ik een egoïst?


      Als je een goede daad verricht, doe je dat dan uit generositeit, of uit een verfijnd gevoel van egoïsme? Een aantal denkers uit de 17de en 18de eeuw waren ervan overtuigd dat dat laatste het geval was. Iemand die geld geeft aan een bedelaar, dachten zij, doet dat om waardering te krijgen van die bedelaar, of van een omstander. Als hij dat geld ongemerkt geeft, zodat zijn linkerhand, naar het woord van Jezus, niet weet wat de rechter heeft gegeven, dan deed hij het voor het eigen goede gevoel. Hij is dan zelf de omstander van wie hij waardering krijgt. De hele redenering kreeg de naam van ‘psychologisch’ egoïsme’, om het onderscheid te maken met het ‘ethisch egoïsme’ van de klootzak die nóóit een goede daad verricht.
     Ik heb voor die kwestie altijd een milde interesse gehad en heb er vroeger al eens over geschreven (hier). Het leek mij een mooi voorbeeld van een cirkelredenering. Elke goede daad was een bewijs dat de persoon die de daad stelde een egoïstische behoefte had aan goede daden, dat hij wel móest krabben waar het altruïstisch jeukte*. Je kon er niets tegen in brengen, maar dat kun je nooit tegen een cirkelredenering. Dat was één nadeel. Ook dacht ik dat egoïstische en altruïstische motieven elkaar niet hoefden uit te sluiten. Je kon iets doen voor een ander om die ander een plezier te doen en om tegelijk te genieten van de waardering die je daarvoor kreeg. Ik voelde altijd een lichte weerzin voor vermoeiende, melodramatische toestanden met ‘onbekende weldoeners’, zoals in Dickens’ Great Expectations. Waarom zou je niet een beetje trots mogen zijn op je goedheid, zolang je maar niet overdreef?
     De aanhangers van het psychologisch egoïsme waren niet van de minsten: Thomas Hobbes, La Rochefoucauld, Bernard Mandeville, Jonathan Swift. De tegenstanders waren dat evenmin. Hume vond dat de egoïstische uitleg van genereuze daden een nodeloze omweg was. Kant dacht dat men de behoefte aan een goed gevoel kon vervangen door zuivere plichtsbetrachting (alhoewel misschien juist die plichtsbetrachting hém een goed gevoel gaf). Adam Smith, waarvan velen ondertussen weten dat hij niet de profeet van het eigenbelang was waarvoor hij soms gehouden werd,  Adam Smith dus, betoogde tegen Mandeville dat sympathie** voor onze naasten een belangrijke springveer is die ons in deze of gene richting vooruitduwt. Maar kon hij dat ook bewijzen? Eigenlijk niet.
     Onlangs echter las ik over de psycholoog Daniel Batson*** die dat handelen-uit-sympathie van Adam Smith wel degelijk heeft proberen te bewijzen met een slim experiment. De kern van zijn experiment bestaat erin dat een schijnbare proefpersoon – Elaine, in werkelijkheid een actrice – schijnbaar wordt gefolterd, met lichte elektrische schokken, in het bijzijn van echte proefpersonen. Er wordt dan onder andere nagegaan of die echte proefpersonen bereid zijn om de plaats van Elaine in te nemen. – Het antwoord is: soms wel, soms niet.
     Zoals dat bij psychologische experimenten de gewoonte is, gaat men dan de parameters van het experiment variëren om bepaalde hypothesen te testen. Een van die hypothesen is het bovenvermelde psychologisch egoïsme, namelijk dat proefpersonen die Elaine helpen dat alleen doen omdat ze het onverdraaglijk vinden haar lijden te moeten bijwonen. Dat heeft hen een slechter gevoel dan als ze zelf die schokken zouden ondergaan. Batson bedacht dus twee varianten. De echte proefpersonen moesten, terwijl Elaine haar ‘schokken’ kreeg, een taak uitvoeren. De ene groep kreeg een korte taak, en mocht dan naar huis, waarna ze niets meer met Elaine te maken hadden, en de andere groep kreeg een lange taak, waardoor ze wisten dat ze nog een hele poos met de gekwelde Elaine opgezadeld zaten.
     De reacties waren zoals je zou verwachten. Degenen met de korte taak gingen zo vlug mogelijk naar huis en lieten Elaine aan haar lot over; degenen met de lange taak konden het niet meer aanzien en waren bereid de plaats van Elaine in te nemen. Tot daar werd de hypothese van het psychologisch egoïsme bevestigd. Maar dan ging Batson nog een variatie toevoegen om een verschillende graad van sympathie op te wekken. Bij een deel van de proefpersonen werd Elaine voorgesteld als iemand die op hen geleek, een medestudente met vergelijkbare interesses en opvattingen, en bij een ander deel werd Elaine voorgesteld als iemand die niet op hen geleek, iemand met andere interesses en andere opvattingen. En die kunstmatig opgewekte sympathie en onverschilligheid maakte inderdaad een verschil. Wie sympathie voor Elaine had gekregen was bereid haar plaats in te nemen ook al hadden ze de kans om na het beëindigen van de korte taak naar huis te gaan. Loutere sympathie bracht dus een verandering teweeg in gedrag, zelfs bij een verder gelijke aanleg voor egoïsme.
     Batson bedacht ook een variant om te zien hoezeer de sociale druk speelde, de vrees om afgekeurd te worden, de ‘fear of the frown’. De proefpersonen werden eerst getest op de sympathie die ze voelden voor Elaine en kregen daarna de kans om al dan niet de plaats van Elaine in te nemen. Ze moesten die plaats echter verdienen door een taak op te lossen waarvan gezegd werd dat ze erg moeilijk was. Dat was niet helemaal waar, want de taak was best oplosbaar. Maar degenen die weinig sympathie hadden voor Elaine liepen in de val en zorgden ervoor dat ze mislukten. Ze konden er niets aan doen, zeiden ze tegen zichzelf, want de taak was o zo moeilijk. Zo ontsnapten ze aan het dilemma of ze zich zouden opofferen of niet, en konden ze met een gerust en gesust geweten naar huis. Ze hadden hun best gedaan, maar het was mislukt. Degenen die wel sympathie hadden voor Elaine slaagden er met enige moeite wél in om de taak uit te voeren die hen het voorrecht gaf om zelf gefolterd te worden.
     Ik vind die experimenten razend interessant. Ze zouden wellicht Hobbes, La Rochefoucauld, Mandeville en Swift niet hebben overtuigd. Ze overtuigen zelfs niet altijd andere experimenteel psychologen. Maar de uitkomst van het onderzoek is toch min of meer wat ik ervan zou hebben verwacht.
     Alleen weet ik niet wat ik als proefpersoon zou hebben gedaan: de plaats van Elaine innemen of niet? De verleiding om na de korte taak naar huis te gaan zou misschien niet zo groot geweest zijn. Maar de verleiding om bij de moeilijke taak niet al te zeer mijn best te doen, dat is nog wat anders.

  

* ‘To scratch an altruistic itch’, schrijft Pinker.

** Het is in deze materie niet gemakkelijk om te kiezen tussen de woorden ‘empathie’ of ‘sympathie’, of om een duidelijk onderscheid te maken tussen de twee.

*** Ik kwam de naam van Batson eerst tegen bij Pinker in The Better Angels of Our Nature. Een uitgebreider artikel over de kwestie van het psychologisch egoïsme vond ik hier.

 

zondag 14 maart 2021

Woke met Marc Reynebeau

 


     Toen ik mij links en rechts aan het inlezen was over woke, stootte ik op enkele stukken van Reynebeau. In een van die stukken stelt hij wokeness voor als een ‘kinderziekte’ van een gezond lichaam, enkele kleine excessen  gedrapeerd rond een voor de rest voortreffelijke kern van verzet tegen racisme en vrouwendiscriminatie. Wat die kleine excessen zijn, zegt hij nergens.
     Dat woke als een ‘kinderziekte’ omschreven wordt, vind ik raar. De strijd tegen racisme en vrouwendiscriminatie is geen nieuw beweginkje dat in de kinderschoenen staat en weldra volwassen en verstandig wordt. De National Association for the Advancement of Colored People (NAACP) werd opgericht in 1909. De Women’s Social and Political Union (WSPU) werd opgericht in 1903. De bewegingen bestaan al zó lang dat ze nu eerder aan een ouderdomsziekte toe zijn, na de gezonde, productieve jaren van een halve eeuw geleden.** Dat die ouderdomsziekte zich vooral manifesteert in wat Reynebeau ‘jonge, vaak hoogopgeleide activisten’ noemt, moeten we dan opvatten als het zoveelste grapje van schalks universum.
     ‘Kinderziekte’ suggereert verder dat de buikkrampjes en hoestjes van woke van korte duur zullen zijn. Reynebeau schrijft ook letterlijk het het snel in orde komt als de andere kant een ‘volwassen gesprek’ aangaat en begrip toont.*** Maar dat valt nog te bezien. Op de Amerikaanse campussen is woke al een hele poos aan de gang, hoezeer de academische autoriteiten zich ook inspannen om een  ‘volwassen gesprek’ ermee aan te gaan en hoeveel begrip ze er ook voor tonen – en oh, wat tonen ze begrip – het lijkt niet veel te helpen om de excessen te kalmeren.
   Zelf vind ik het altijd moeilijk om een onderscheid te maken tussen de kern van de goede zaak en de excessen die erbij komen kijken, vooral als men die kern begrijpt als de zelfverklaarde goede bedoelingen van de zaakvoerders. Bestond de kern van de Russische collectivisatie uit de modernisering van de landbouw of uit het uitroeien van de koelakken? Bestond de kern van de collaboratie uit de zoektocht naar Vlaamse onafhankelijkheid of uit de samenwerking met de nazibezetter? Bestaat de kern van de woke-beweging uit het beëindigen van alle discriminatie, of uit de onverdraagzaamheid, de censuur en het omgekeerde racisme? Op de eerste twee vragen ken ik het antwoord, want aan de vruchten kent men de boom. Bij de derde vraag heb ik een vermoeden.
    Het stuk van Reynebeau bevat veel vage, weinigzeggende gedeeltes waarin de goede woke-zaak beschreven wordt in algemene woorden: ‘inclusie’ versus ‘privileges’, verandering in ‘de machtsverhoudingen’, en ‘minderheden die erkend, gehoord, gezien, gepresenteerd en ernstig genomen willen worden’. Tja, als het zo vaag blijft ga ik akkoord, hoor. Weg met de privileges en leve de inclusie, en ik wil iedereen erkennen, horen, zien en laten representeren. Het ernstig nemen van de woordvoerders zien we later wel.
     Zelfs als hij de vertaling van Gormans gedichten aanhaalt, blijft Reynebeau vaag. Ik zoek vruchteloos naar een standpunt. Vindt hij nu wel of niet dat alleen een zwarte de gedichten van een andere zwarte mag vertalen? Want dat was toch de oorspronkelijke vraag, de vraag die het debat op gang bracht****. Dààr geeft Reynebeau geen antwoord op. Het enige wat duidelijk wordt – dan pas wordt hij concreet –  is dat hij het niet begrepen heeft op Bart De Wever. Díe informatie heeft geloof ik geen grote nieuwswaarde.
     Als polemist neemt Reynebeau het niet nauw. Wanneer De Wever het ‘waanzin’ noemt dat alleen zwarten in aanmerking komen om gedichten van zwarten te vertalen, vraagt Reynebeau zich of  ‘in zijn Europa’ – dat wil zeggen het Europa van De Wever – ‘alleen witte vertalers poëzie mogen vertalen?’ Een vooraanstaand intellectueel als Reynebeau zal mij begrijpen als ik zeg dat hij hier een erg sofistische implicatuur geconstrueerd heeft. In ronde woorden: ‘alleen witte poëzievertalers’, dat is toch écht niet wat De Wever bedoelt. Waarschijnlijk denkt Reynebeau dat hij met zijn suggestie wegkomt als hij ze als retorische vraag formuleert en ze drenkt in een sarcastisch sausje.
     Reynebeau citeert de volgende zin van Bart De Wever: ‘Beeld je in dat iemand zou zeggen dat een kleurling (sic) ongeschikt is om een blanke auteur te vertalen.’  Hier is de implicatuur wél eenvoudig. De Wever suggereert dat verzet tegen zwarten als vertalers van blanke auteurs, even schandelijk racisme zou zijn als het omgekeerde. Met díe suggestie is niks mis, zou je denken. Maar Reynebeau triomfeert. ‘[De Wever] hoeft zich dat niet in te beelden,’ schrijft hij, ‘zijn partijgenote en medestrijdster op het anti-woke front Assita Kanko deed het al voor.’
     Hoe nu? Heeft Kanko geschreven dat een zwarte ongeschikt is om een blanke auteur te vertalen? Of iets in die aard? Reynebeau citeert als bewijs een tweet waarin Kanko bezwaar maakt tegen de televisieserie Bridgerton, waarin zwarte acteurs rollen spelen ‘die meestal aan witte acteurs te beurt vallen’. Dat is een oneerlijke vergelijking en een al even  oneerlijke omschrijving van de Bridgerton-controverse. Het is alsof je  verontwaardigd zou spreken over films waarin ‘de rol van Martin Luther King  meestal te beurt valt aan een zwarte acteur’. Zelf had ik overigens weinig bezwaar tegen de zwarte acteurs die in de serie negentiende-eeuwse Britse edellieden speelden. Alleen bij de zwarte actrice die de Engelse koningin moest voorstellen, vroeg ik voor de zekerheid aan mijn vrouw, die de serie aandachtiger volgde, of dat wel écht de koningin was. En het wás haar, in de serie althans. 

 

* Over woke schreef ik hier al een stukje. En over Reynebeau hier. En over zwarte acteurs voor blanke personages hier.

 ** Die ouderdomsziekte kan erin bestaat dat de beweging, naarmate ze succesvol was in het terugdringen van racisme en discriminatie, zich voortaan op futiliteiten gaat richten. Steven Pinker schreeft daarover in ‘The Better Angels of our Nature’ en ‘Enlightenment Now’.

 *** Eigenlijk schrijft Reyenbeau dat het in orde komt als beide kanten een volwassen gesprek aangaan, maar wat de woke-kant betreft is dat een petitio principii.

 **** Wie er naast die oorspronkelijke vraag ook de vertaalervaring van Rijneveld en haar kennis van het Engels erbij haalt, verdenk ik van mistspuiterij. Dat doet Reynebeau overigens niet, maar anderen die aan het debat deelnamen deden het wel.

woensdag 3 februari 2021

Nu ook op café: de Verlichting


       Op school leer je over de investituurstrijd, de abele spelen en de cloaca van de vogels, maar als je geen historicus, germanist of bioloog wordt, kun je die begrippen na het laatste examen gerust weer vergeten. Je zult evengoed een eerbaar beroep kunnen uitoefenen, een gezin stichten en in een auto rondrijden. Soms echter gebeurt het dat zo’n onderwerp de schoolse boeien afgooit, het echte leven binnenwandelt en opduikt in het cafégesprek, het krantenstuk of het praatprogramma. Dat is wat gebeurd is met de Verlichting. Wie dan op café, in de krant of op de televisie een woordje mee wil praten, kan zich best wat inlezen.
     Dat de Verlichting meer was geworden dan een schoolbankbegrip, begreep ik voor het eerst toen ik in 2004 een uitspraak las van kardinaal Daneels (hier). De kardinaal wou iets zeggen over de samenlevingsproblemen met de moslims in onze maatschappij. Hij zei dat er in Europa alleen plaats was voor de islam als die ook een ‘Franse revolutie’ zou doormaken, de scheiding tussen politiek en godsdienst zou erkennen, en waarden als verdraagzaamheid zou aanvaarden. Nu denk ik bij ‘Franse revolutie’ wat al te gemakkelijk aan Robespierre en de guillotine, maar het is duidelijk dat Daneels dacht aan wat aan die revolutie voorafging: Voltaire en al degenen met wie die eerst bevriend was en daarna ruzie kreeg, met andere woorden de Verlichtingsdenkers, met hun geloof in het menselijke verstand en de Rede-met-een-hoofdletter.
    Ik heb ondertussen over die Verlichting een en ander gelezen dat mij op school niet was verteld. Van Hayek leerde ik dat de Verlichters niet uitsluitend Fransen waren, maar dat je ook Angelsaksen had. Heel grof gesteld waren die laatsten gematigder, voorzichtiger, minder rechtlijnig, en wat minder optimistisch over de mens en zijn verstand. Filosofen als David Hume en Adam Smith geloofden niet dat je door louter verstandelijk te redeneren een ideale samenleving tot stand kon brengen. Het was beter om een en ander over te nemen van wat de 
natuur en de traditie tot stand hadden gebracht aan godsdienst, wetten en economische praktijken. Het verstand en de rede bleven belangrijk, maar ze dienden meer om af te tasten wat in die traditie bruikbaar was, of vervangbaar, of hervormbaar. Er waren dus, als ik Hayek mocht geloven, twee soorten Verlichting: de continentale en de Angelsaksische.
     Bij Pinker las ik nog iets anders (zie ook hier, hier en hier). Volgens hem had je ook twee soorten anti-Verlichting. De ene soort was alweer continentaal, eerder Duits dan Frans dit keer, met filosofen als Johann Georg Hamann en Johann Gottfried von Herder. Pinker heeft die filosofen, geloof ik, net als ik, niet gelezen, maar je kunt ongeveer te weten komen waar ze voor staan uit recentere publicaties óver hen, zoals het essay ‘Counter-Enlightenment’ van Isiaiah Berlin, dat Pinker en ik wél gelezen hebben. Die continentale anti-Verlichters, waren net als de continentale Verlichters, erg radicaal. Ze wilden niets te maken hebben met de Rede-met-een-hoofdletter. Ze geloofden in andere hoofdletters, zoals die van de ‘Ziel’*, die de kern uitmaakte van elke beschaving en die niet door het verstand kon worden gestuurd. Ook dachten ze dat af en toe een goede oorlog nodig en gezond was, al was het maar om de Ziel op scherp te stellen. Pinker loopt niet hoog op met dat gedachtegoed, dat soms als ‘Romantiek’ wordt omschreven.
     Helemaal anders was volgens Pinker de Verlichtings-kritiek van de Anglo-Ierse Edmund Burke. Die was geschokt door de Franse revolutie, voorzag de massamoorden en de oorlogen die eruit zouden volgen, en dacht dat de Verlichtingsdenkers daar mee verantwoordelijk voor waren. Dat vindt Pinker overdreven. De Franse revolutie en de oorlogen waren wel een humanitaire ramp – 2 tot 4 miljoen doden – maar er waren daarvóór ook al oorlogen en massamoorden geweest. Bovendien waren de aanstokers volgens Pinker niet gevormd door de grote filosofen van de Verlichting – Descartes, Hobbes, Spinoza, Locke en Hume. Ze hadden vooral boekjes gelezen van Franse filosofische ‘lichtgewichten’ en ‘utopisten’, en van Jean-Jacques Rousseau, die je evengoed bij de Verlichting als bij de Romantiek kunt rekenen.
    Maar Pinker gelooft dat Burke ook gelijk had. Rampen als revolutie, oorlog en massamoord hou je niet tegen met redelijke praatjes alleen. Er moet aan die praatjes een min of meer spontaan beschavingsproces aan zijn voorafgegaan, en dat beschavingsproces is dubbel mysterieus. Zelfs Pinker geeft dat toe. Niemand weet goed waar het vandaan komt, en niemand heeft een goed overzicht op het resultaat. De waarden van die beschaving zijn immers deels onuitgesproken en deels onbespreekbaar. Ze vermommen zich als hypocrisie of verbergen zich als taboe. Maar ze vormen een dijk tegen het springtij van geweld en barbarij. Alle werken om de dijk te verfraaien, vond Burke, moeten met omzichtigheid worden uitgevoerd. Als je het zo bekijkt is het verschil tussen de Angelsaksische Verlichting en de Angelsaksische anti-Verlichting helemaal niet zo groot.
     Nu weet ik niet of we alles moeten geloven van wat Hayek en Pinker en Berlin over Verlichting en anti-Verlichting vertellen. Maar dat Danneels toen, in 2004, voor één keer iets verstandigs over de Islam gezegd heeft, dat geloof ik wel. Een revolutie met guillotines en noyades is niet nodig, een Verlichtingskuur wel, van het continentale type, van het Angelsaksische type, of van een type er tussenin. Wíj hebben die kuur ook moeten ondergaan.

* Alhoewel sommige van die continentale anti-Verlichters de ‘Ziel’ weer ‘Rede’ gingen noemen. Misschien deden ze dat wel expres om hun tegenstanders te jennen.

maandag 14 december 2020

Klerikale en atheïstische humor

      ‘Hoe noem je een non die drankjes bestelt aan de toog?’ – ‘Een ba(a)rmoeder’. Ik hoorde het mopje ooit van een pater die soms bij ons aan huis kwam, en het heeft mijn vooroordeel vorm gegeven dat clerici van de laatste drie generaties een erg flauw gevoel voor humor hebben. Heeft het iets met hun maagdelijke staat te maken? Ik weet het niet.
     Het rare is dat je de flauwe humor van beroepsgelovigen ook vaak vindt bij hun tegenhangers, de  beroepsóngelovigen, en speciaal als ze het over godsdienst hebben.* Maarten Boudry brengt in zijn boek Illusies voor gevorderden de transsubstantieleer van de katholieke kerk ter sprake: het geloof dat een hostie – Maarten spreekt van een ‘koekje’ – verandert in het lichaam en bloed van Jezus, en dat niet symbolisch maar letterlijk. Iemand die dat niet gelooft, zoals de meerderheid van de hedendaagse katholieken, vindt die transsubstantiatie te belachelijk voor woorden, en dat is, vind ik, al reden genoeg om er niet te hard mee te lachen.**
 
     Maarten vindt dat niet. Hij haalt een Amerikaanse professor biologie aan die een geconsacreerde hostie doorboorde met een roestige nagel en het fotografisch ‘bewijsmateriaal’ op zijn website publiceerde met de wetenschappelijke conclusie: ‘It’s just a fucking cracker’. Dolle pret! Op één of andere manier doet die professor mij denken aan de pastoor in La regenta –  het Spaanse Madame Bovary –  die zich vanop de kansel week na week vrolijk maakt over het geloof van de oude Egyptenaren die katten als goden vereerden. Risum teneatis amici, riep hij uit. Vandaag zou hij misschien zeggen: ‘It’s just a fucking cat!’. Zeker, zeker, een kat.
     Maarten heeft ook zijn eigen hostie-mopje. Er bestonden voor de hostie indertijd allerlei regels. Je mocht die als leek niet met de handen aanraken, maar hij werd door de priester rechtstreeks op de tong gelegd. Je mocht niet op die hostie bijten. Op school hoorde ik het verhaal van een kind dat dat ooit gedaan had, en toen werd zijn mond gevuld met bloed. En je begrijpt ook dat het een drama was als een hostie op de grond viel; en dat je niet-gebruikte hosties moeilijk in de vuilnisbak kon gooien. Er bestonden allerlei procedures om, in Maartens woorden, ‘je van dergelijk klein gevaarlijk afval te ontdoen.’ ‘Klein gevaarlijk afval’. In de marge van mijn exemplaar heb ik genoteerd: ‘Erg flauw.’
    Als Steven Pinker over godsdienst spreekt, zie je die flauwe, licht vulgaire humor ook soms opduiken. In zijn ‘impressionistische’ eerste hoofdstuk van Our Better Angels schetst hij het geweld van vroeger tijden aan de hand van literaire bronnen zoals de Illias, de Odyssee, het Oude Testament, het Nieuwe Testament, de Lancelot-en-prose, Shakespeare, de Grimm-sprookjes en oude kinderversjes. Bij het Oude Testament hangt hij een negatief beeld op van de Bijbelse personages, wat niet zo moeilijk is. Van de God Yaweh zegt hij dat Hij de stad Sodom vernietigde met een ‘goddelijke napalmaanval’. Napalmaanval - wij herkennen hier een variant van het ‘klein gevaarlijk afval’-mopje.*** 
     Het kan erger. Van koning Salomon zegt Pinker dat hij herinnerd wordt voor het bouwen van de tempel en voor het schrijven van de boeken Spreuken en Prediker, en van het Hooglied, ‘hoewel,’ voegt Pinker eraan toe, ‘hij met een harem van zevenhonderd prinsessen en driehonderd bijvrouwen duidelijk niet al zijn tijd aan schrijven besteedde.’ Welnee, niet al zijn tijd aan schrijven besteed, hij heeft daarnaast, stel je voor, seks gehad. Dat doet mij denken aan een verhaal dat Tom Lanoye ooit in een interview vertelde. Een hoogzwangere docente gaf les over Guido Gezelle en besprak de platonische homo-erotiek in ‘Die avond en die roze’. Een student stond op en zei: ‘Die baby in uw buik is er ook platonisch gekomen zeker?’ Lanoye vond dat grappig.
     Mooi is dan weer als zo’n flauwe ongelovige te maken krijgt met een geestelijke van de oude stempel, een erfgenaam van de spirituele salon-abbés van de 17de en 18de eeuw. Pauselijk nuntius Pecci, later zelf paus onder de naam Leo XIII, werd ooit benaderd door een diplomaat die hem een tabaksdoos voorhield waarop een naakte vrouw was afgebeeld. ‘Vous aimez les objets d’art, monseigneur. Regardez cela,’ zei hij. ‘Oh, c’est très beau,’ antwoordde de nuntius. ‘C’est Madame sans doute?’

 

* Er zijn natuurlijk ook erg geestige atheïstische uitspraken van nu en vroeger, zoals de beroemde repliek van Laplace toen Napoleon zijn boek over het ontstaan van het zonnestelsel had aangevallen. Napoleon was boos omdat de geleerde geen enkele maal iets over God had gezegd. ‘Sire,’ antwoordde Laplace, ‘je n’avais pas besoin de cette hypothèse.’

 ** Als voorbeeld past de transsubstantiatieleer overigens goed in het betoog van Maarten. We mogen inderdaad niet vergeten hoe ernstig allerlei opvattingen genomen werden in het katholicisme van amper vijftig jaar geleden.

 *** Karel van het Reve heeft er trouwens ook zo eentje als hij God van het Oude Testament vergelijkt met Idi Amin. Maar bij hem is het mooi verwoord.

donderdag 16 mei 2019

Hoe zien onze pensioenen eruit in 2070?


     De laatste tijd lees ik veel van die optimistische boeken:  Steven Pinker, Hans Rosling, Bjørn Lomborg, Maarten Boudry, Matt Ridley, Johan Norberg. ’t Is zoals met andere zoetigheid – je voelt een lichte walging, maar je blijft ermee doorgaan. We eten beter, lees ik in die boeken, en we leven gezonder en we worden slimmer. Onze bejaarden worden vitaler en onze levensverwachting wordt langer. Wie vroeger leefde kwam jaarlijks netjes één jaar dichter bij zijn dood. Wie daarentegen in de twintigste eeuw leefde kwam jaarlijks maar zeven maanden dichter bij zijn einde. Denk daar maar eens over na.
     Op het hoofdkwartier van N-VA moet er ook iemand zijn die die boeken leest, iemand met name die heeft meegeschreven aan het partijprogramma. ‘Demografische projecties tonen aan,’ lees ik in dat programma, ‘dat de levensverwachting in België tegen 2070 nog verder zal stijgen. Een cruciale voorwaarde om de betaalbaarheid van de pensioenen te behouden, en zo de solidariteit met de jongere generaties te vrijwaren, is dat de wettelijke pensioenleeftijd die levensverwachting volgt.’ John Crombez heeft die passage gebruikt om het Bart De Wever knap lastig te maken. Het Nieuwsblad van 15 mei opende met de kop ‘De Wever wil pensioenleeftijd verder omhoog’, wat de zaak geloof ik niet helemaal juist samenvat*.
     Het was natuurlijk ook dom om speculaties over de toekomstige levensverwachting in het N-VA-programma op te nemen. Een verkiezingsprogramma moet niet speculeren over een mogelijke toestand in 2070**. Nu, in 2019, is de toestand ernstig genoeg. De gemiddelde pensioenleeftijd is vandaag nog geen 60 jaar. We werken gemiddeld 33 jaar en zijn 23 jaar op pensioen***. Wanneer wij hogere pensioenen willen – wat alle partijen beloven – zónder meer van ons loon af te dragen, dan moet dat werken een paar jaar langer en dat pensioen een paar jaar korter. Dáárom heeft Michel I de algemene norm verhoogd – van 65 naar 67 jaar – en is er een voorzichtig begin gemaakt met het afschaffen van de uitzonderingen.
     De partijen sp.a en Vlaams Belang beloven én hogere lonen én hogere pensioenen én verlaagde pensioenleeftijd. Daar kan ik begrip voor opbrengen want het zijn drie mooie dingen. Helaas gaan ze niet samen binnen één budget. Partijen die daarom ronduit zeggen dat de hogere pensioenen moeten worden worden betaald met langer werken, langer bijdragen en dus hogere pensioenleeftijd – N-VA en Open-vld zeggen zoiets – moeten worden geprezen voor hun eerlijkheid.
     Maar móeten wij wel kiezen tussen de drie mooie dingen? PVDA-man Jan Dumolyn schreef op zijn Facebookpagina dat de ‘piepeltjes van N-VA’ er niets van begrepen hebben. Een flinke stijging van de productiviteit, schrijf Jan, kan ervoor zorgen dat we én hogere lonen, én hogere pensioenen én verlaagde pensioenleeftijd krijgen. Daar zit iets in. Als ik met Jan daarover debatteerde voor de televisie zou ik misschien aanvoeren dat juist het PVDA-programma weinig garanties biedt voor zo’n productiviteitsstijging. Maar dat zou flauw zijn, want Jan heeft een punt. Uit mijn optimistische boeken weet ik dat de gemiddelde aardbewoner binnen honderd jaar – in 2119 dus – acht keer rijker kan zijn dan de huidige. Maar we móeten niet acht keer rijker worden. Wij kunnen er de voorkeur aan geven om in 2119 maar vier keer rijker te zijn en op ons veertigste op pensioen te gaan, of op ons achtenveertigste zoals vroeger de militairen, en de regentessen in het onderwijs. Wij kunnen dus, al is het binnen honderd jaar, tegelijk vier keer rijker worden én maar half zo lang werken.
     Ik heb hierboven zinsneden gebruikt als ‘wij willen’ en ‘wij moeten’ en ‘wij kunnen’. Er zit in in elk van die zinsneden een vies beestje dat ik er graag uit wil. Waarom zouden ‘wij’ iets moeten, of willen, of kunnen? En waarom zouden ‘wij’ allemaal hetzelfde kiezen? Ik zou het veel gezonder vinden als iedereen, binnen redelijke grenzen, zelf zijn eigen keuzes kon maken in zo’n gevoelige kwestie. Wie graag vroeg wil stoppen, kan wat harder werken en wat meer bijdragen, of zich met een kleiner pensioen tevreden stellen. Wie graag langer werkt, kan zijn bijdrage beperkt houden en aan het einde van zijn loopbaan toch een royale uitkering verwachten. Je krijgt dan als gepensioneerde ongeveer terug wat je tijdens je werkende leven  – kort of lang  – hebt bijgedragen, met interest. Veel en lang bijdragen levert een hoog pensioen op, kort en weinig bijdragen een klein pensioen.
     Het pensioenstelsel schijnt verder iets heel, heel ingewikkelds te zijn. Er zijn universiteitsprofessoren die hun hele leven wijden aan de studie ervan. Zo’n stelsel veranderen zal dus wat meer vragen dan een plannetje dat werd uitgetekend aan de keukentafel. Bovendien moet er in die delicate materie een zekere politieke overeenstemming bestaan. Alleen al de wettelijke norm met twee jaar verhogen naar 67 was zó delicaat dat die verhoging pas kan ingaan in 2030, ondanks de brede overeenstemming over de kwestie tussen N-VA, CD&V, Open-vld en Groen. Een geheel nieuw stelsel doorvoeren zal nog vele malen moeilijker zijn. Het beginsel is eenvoudig genoeg: rekening houden met het eenvoudige gegeven dat verschillende mensen verschillende dingen willen en belangrijk vinden. Maar het is het opruimen van de bestaande koterij die in zo’n gevallen voor de meeste moeilijkheden zorgt****. Ik zie het niet gebeuren vóór 2030. Het is meer iets voor 2070. Misschien kan N-VA dát eens opnemen in haar programma. 



*Liesbeth van Impe schrijft de dag erna dat De Wevers politieke tegenstanders zijn woorden ‘kort door de bocht geïnterpreteerd hebben. Dat is heel begrijpelijk van die tegenstanders, vindt ze - en dat vind ik ook. Maar waarom plaatste ze de dag ervoor zélf een kop op de voorpagina met een interpretatie die minstens even kort door de bocht ging? Zij is toch geen politieke tegenstander?

**Een uitspraak over een hypothetische situatie in de toekomst kan makkelijk worden verward met een politiek plan voor korte en middellange termijn. Zon onhandige uitspraak is in zekere zin erger dan een foute uitspraak.  Een foute uitspraak kun je achteraf weer intrekken. ‘Sorry, het was een vergissing.’ Een onhandige uitspraak kun je achteraf alleen nuanceren. En niet iedereen staat daarvoor open.

*** Zie hier  en hier . Ik heb vroeger al enkele stukjes geschreven over de pensioenkwestie, onder meer over de superioriteit van kapitalisatie vergeleken met repartitie:  hier, hier en hier

**** Het pensioenstelsel met punten, waar we niet zo veel meer over horen, zou een eerste aanzet kunnen zijn voor de opruimwerken.

dinsdag 13 november 2018

Schoolmeester met kop van Rockster

Die van links heeft ondertussen zijn haar bij laten knippen
   Over Pinkers boek Verlichting nu bestaan twee vooroordelen die ik meteen van de baan wil. Het eerste is dat het boek over de Verlichting zou gaan. Dat is niet het geval. Pinker heeft niet in oude boeken zitten snuffelen om na te gaan wat Voltaire nu weer juist gezegd heeft, en in welke mate dat verschilt van wat Diderot, Rousseau of Beccaria beweerd hebben. Die namen komen een paar keer in het boek voor, maar ontbreken in de literatuurlijst. Je vindt in die lijst wel de namen van Kant en Adam Smith, en van Nietzsche, als anti-Verlichtingsdenker, maar veel verder gaat het niet. Je merkt aan alles dat Pinker zijn tijd liever besteedt aan recente vakliteratuur over feiten, meer dan aan boeken met overpeinzingen uit een erudiet verleden. Een mens kan niet alles doen. Dat is overigens geen groot nadeel. De grondgedachte van Pinkers boek is dat we in een altijd maar betere wereld leven en dat dat komt door de wetenschap, de rede en het humanisme. Je moet al van kwade wil zijn om te ontkennen dat wetenschap, rede en humanisme wel degelijk iets, en wellicht veel, met de Verlichting te maken hebben. Zo fout is de boektitel dus niet.
     Het tweede vooroordeel, gevoed door een aantal recensies, is dat het boek een saaie en vermoeiende opsomming zou zijn van statistieken. Dat is niet het geval. Er komen wel veel statistieken in voor – 75 – maar het boek wordt daardoor niet saai, zelfs als je niet van die dingen houdt. Dat komt omdat Pinker, binnen zijn genre, een heel goede schrijver is. Ook als hij over statistieken schrijft, blijft hij boeiend en levendig. Bij elk cijfer gaat hij op zoek naar een originele invalshoek, een treffende vergelijking, een leuke anekdote, een onverwachte interpretatie, een aardige omschrijving van de onderzoeksmethode … En het sterkst is hij in zijn boutades. Pinker heeft daar een talent voor, zowel om die zelf te verzinnen als om die te verzamelen bij andere auteurs. Van Steven Radelet leent hij een fraaie uitspraak over de held van mijn jeugd: ‘In 1976 heeft Mao in zijn eentje de aanzet gegeven tot een dramatische daling van de wereldarmoedecijfers: door te sterven.’ Bij Morgan Housel vindt hij een treffende samenvatting van zijn eigen probleem als prediker van de vooruitgang: ‘Pessimisten geven de indruk dat ze je willen helpen, optimisten dat ze je iets willen verkopen.’ En voor wie ontevreden blijft zolang de diepste zin van het bestaan niet achterhaald is, heeft hij enkele phrases assassines van eigen makelij. ‘Een lang leven, een goede gezondheid, begrip, schoonheid, vrijheid, liefde … Ja, er moet toch iets meer zijn!’ Of deze: ‘De eerste stap naar wijsheid is het besef dat de wetten van het universum zich van jou niets aantrekken.’ Ook regelneven krijgen ervan langs: ‘Een regering die de macht heeft om pottenbakkerij te verbieden, zal nog wel enkele andere dingen verbieden ook.’

   Het nadeel van Pinkers levendige stijl is dat hij zich soms laat meeslepen door zijn voorbeelden en dan schrijft hij wel eens iets dat hij niet zo precies meer weet of nooit zo precies geweten heeft. ‘Schopenhauer was een ‘cultuurpessimist’. Dat woordje ‘cultuur’ is er geloof ik teveel aan. ‘Heidegger en Carl Schmitt waren “gung-ho nazis”.’ Gung-ho – dat heb ik opgezocht – betekent enthousiast en overijverig, en dat lijkt mij niet de juiste nuance voor de voornoemde geleerden. ‘Hitler was een “deïst” die meende Gods werk uit te voeren door de Joden uit te roeien.’ Mja … neen, eigenlijk niet. ‘Hayek heeft in Road to Serfdom voorspeld dat sociale zekerheid naar dictatuur zou leiden, en dat is niet gebeurd’.  Als ik mij goed herinner had Hayek het over de planeconomie die naar dictatuur zou leiden. Die dictatuur is er niet gekomen, maar die planeconomie ook niet. ‘Anna Karenina zou géén zelfmoord hebben gepleegd indien ze in een verlicht en kosmopolitisch milieu had geleefd.’ We kunnen het haar niet vragen natuurlijk, maar haar milieu was in elk geval behoorlijk kosmopolitisch en verlicht, en die zelfmoord zat er al aan te komen na dat ongeluk met die spoorwegarbeider in het achttiende hoofdstuk van deel I. Toch doen al die onnauwkeurigheden weinig af aan de boodschap die Pinker wil meegeven. Er bestáán cultuurpessimisten. Veel intellectuelen hébben meegeheuld met de tirannen van de twintigste eeuw. Sociale zekerheid ís verenigbaar met democratie.  En in de negentiende eeuw wáren er onafhankelijke vrouwen die leden onder de verstikkende normen van hun milieu, en we kunnen dat inderdaad afleiden uit romans van die tijd.
    Eén enkele keer strekt de levendige stijl van Pinker zich ook uit tot de titel van een hoofdstuk. In het begin van het boek, krijgt de lezer een beknopte samenvatting van de huidige stand van zaken in het heelal, onder de aanstekelijke titel: ‘Entro, evo, info’, wat staat voor entropie, evolutie en informatie. De materiële wereld valt uit elkaar (entro), binnen dat verval ontstaat en evolueert het leven (evo), en een van die levensvormen, de mens, verzamelt en verwerkt informatie (info) om zijn omgeving, in weerwil van de entropie, naar zijn hand te zetten. Het is een meeslepend stuk voor wie daar weinig van afweet, want Pinker is erg knap in het vulgariseren. En het plaatst de Verlichting tegen een heldhaftige achtergrond. De strijd gaat niet alleen tegen enkele achterlijke opvattingen of praktijken uit de middeleeuwen, nee, de strijd gaat tegen niets minder dan de almachtige entropie zelf. Dat is enthousiasmerend. Zo konden marxisten indertijd een staking in een textielfabriekje voorstellen tegen de achtergrond van een klassenstrijd die al begonnen was bij Spartacus. Bij Pinker is alles al begonnen, niet tweeduizend jaar geleden, maar 13 miljard jaar geleden.
     Pinker gebruikt een groot deel van zijn boek om te bewijzen dat het met de mensheid de goede kant op gaat. De wereld waarin we nu leven, is een betere dan die van vroeger. Om te beginnen leven we langer dan vroeger. De gemiddelde Europeaan werd in 1870 niet ouder dan 35 jaar. Nu wordt de gemiddelde Europeaan 80, de gemiddelde Aziaat 70 en de gemiddelde Afrikaan bijna 60. Met zulke cijfers krijgt de zwartkijker het moeilijk. Hij zal iets mompelen over luchtvervuiling, ongezonde levensstijl, stijgende misdaad, discriminatie, kinderarbeid, terrorisme, en over al die landen waar oorlog woedt en dictatuur heerst. Dat is nu juist iets wat je niet moet zeggen als Pinker in de buurt is en hij je kan horen, want dan komt hij pas goed op dreef. Voor al die zaken diept hij cijfers en statistieken op die laten zien dat de luchtvervuiling daalt, de gezondheid verbetert, de discriminatie afneemt, het met de misdaad de goede kant op gaat, kinderen overal langer naar school gaan in plaats van vroeger te gaan werken, en dat er nu minder – en minder grote – oorlogen zijn dan vroeger, en meer democratie. Over IS-terrorisme valt natuurlijk niets positiefs te zeggen, behalve dat het in het Westen minder doden vallen dan we soms denken*, en dat aan vroegere terreurgolven van anarchisten, nihilisten, marxisten en nationalisten ook een einde is gekomen.
     Bij die cijfers kun je je verschillende vragen stellen. Vooreerst, zijn ze betrouwbaar? Mark Twain vond statistieken de overtreffende trap van leugens, en Churchill beweerde alleen díe statistieken te geloven die hij zelf had vervalst. Maar in tijden van Google, Wikipedia en fact checking worden geloof ik weinig cijfers en statistieken nog echt vervalst. Wel zie je vaak spectaculaire getallen die speciaal worden uitgekozen om een boodschap te ondersteunen: over de 0,004 % rijksten ter wereld, over productiviteitswinsten van 9000 miljard dollar, en over de armoede die in Vleteren gestegen is met 566 procent in één jaar. Daar kun je Pinker niet op betrappen. Zijn cijfers hebben goede bronnen, laten vergelijking toe, overspannen grote periodes, doen ter zake, worden niet lichtvaardig gebruikt om oorzakelijke verbanden te leggen, en gaan vergezeld van een duidelijke omschrijving van de meetmethodes. De vijanden van Pinker (Taleb, John Gray) hebben een aantal scherpe bedenkingen geformuleerd bij zijn cijfers en zijn interpretaties, maar ik geloof niet dat ze even goede cijfers en statistieken kunnen voorleggen die het tegenovergestelde van wat Pinker beweert ondersteunen. Het zou fijn zijn als die tegenstanders eerst toegaven dat Pinker in grote lijnen gelijk heeft, voor ze aan detailkritiek beginnen.
     Toch zal menige lezer net vanwege de cijfers het boek boos dichtklappen, zeker als die cijfers niet overeenkomen met het beeld van de werkelijkheid dat die lezer koestert. Het zal de godsdienstleraar veel verdriet doen, als hij verneemt dat de armoede in de wereld afneemt, want als het zo verder gaat zijn er straks geen armen meer om solidair mee te zijn. Menig groene jongen of meisje zal humeurig worden bij cijfers over een grondstoffenvoorraad die toeneemt, over uitlaatgassen die afnemen, over een tropisch regenwoud dat minder ontbost wordt, over tankers die minder olie in zee lozen. En voor de herverdelende socialist is er ook slecht nieuws: de armen worden niet armer en de ongelijkheid neemt op wereldschaal niet toe. Ik heb in een vorige stukje heb ik de ‘olifantengrafiek’ besproken die Pinker overneemt en die laat zien dat er in de wereld twee groepen spectaculair vooruitgaan: de grote groep werkende mensen in Azië en de kleine groep grootverdieners overál. Maar de armen in Afrika gaan óók vooruit, net als de kleinverdieners in de rijke landen. De lezer vindt het hier onderaan terug als appendix.
     Feiten, cijfers en statistieken zijn lastig als ze niet ondersteunen wat je graag gelooft. Maar er is nog iets anders dat sommigen vervelend vinden. Feiten, cijfers en statistieken vertonen geen emoties; ze zijn harteloos. Daarom zal de gevoelsmens vaak afhaken. Pinker wijst erop dat de extreme armoede (momenteel vastgelegd op een dagelijks inkomen van 1,9 $) sinds 1970 gedaald is van 50 % van de wereldbevolking, naar 10 % van de wereldbevolking. Als hij zich daarover verheugt, dan lijkt het alsof hij die 10 % allerarmsten van vandaag niet zo erg vindt. ‘Verlichting nu, empathie later,’ schrijft één van de tegenstanders van Pinker.
     Je komt die reflex vaak tegen bij de tegenstanders van Pinker. Ja, er is vooruitgang, minder armoede, meer veiligheid, betere gezondheid, geeft men toe, maar niet overal!!!. Dat klopt evenwel niet. Die vooruitgang is er juist wél overal. Of je nu in Europa, Azië, of Afrika geboren wordt, overal heb je vandaag statistisch meer kans op een langer leven, een betere gezondheid, en een veiliger omgeving. Maar de gevoelsmens maalt niet om statistiek. Wat heb je eraan dat de extreme armoede gedaald is tot 10 %, zo denkt hij, als je zélf tot die 10 % behoort? Wat heb je eraan dat er minder oorlog is in de wereld, als jóuw ziekenhuis gebombardeerd wordt? Wat heb je eraan dat het aantal verkeersslachtoffers daalt, als jóuw kind door een auto wordt meegesleurd? Zolang er één iemand in extreme armoede leeft, zolang er één bom valt op één ziekenhuis of school, zolang er één kind door één auto wordt meegesleurd, is er geen reden om te juichen. De meeste van die gevoelsmensen die zich aan Pinker storen behoren overigens niet tot die tien procent allerarmsten, komen in ziekenhuizen die niet gebombardeerd worden, en hun kinderen komen dagelijks veilig op school aan. Zij lijden, zou je kunnen zeggen, aan een ‘borrowed suffering’-syndroom. Pinker noemt het de illusie van ‘I’m OK, They’re Not’.

    Nu, er zijn onder de cijferaars en de statistici ongetwijfeld harteloze mensen, zoals er onder hen die het wereldleed torsen ongetwijfeld schijnheiligen zijn. Die verwijten van harteloosheid en van schijnheiligheid brengen ons niet veel vooruit. Het is interessanter om ons af te vragen wat we we uit die cijfers van Pinker kunnen besluiten. Pinker gelooft dat de wereld in toenemende mate in de ban is van Verlichting en liberalisme en gereguleerd kapitalisme. Dat is volgens hem de verklaring van het goede wereldrapport voor levensverwachting, gezondheid, enzovoort. De linkerzijde kan daar vier dingen tegen inbrengen: (a) de cijfers zijn fout, (b) die cijfers zijn niet het gevolg van dat gereguleerde kapitalisme, (c) die cijfers zouden onder een socialistisch systeem nog beter zijn en (d) Pinker is een ploert. Ik heb in de anti-Pinkerstukken die ik las weinig overtuigende pogingen gezien om (a),  (b) of (c) hard te maken.
     Het eerste deel van Pinkers boek ondergraaft dus vooral de zekerheden van links. Iets over de helft komt Pinker op het terrein van rechts. Wat betekent al die materiële vooruitgang voor de morele vooruitgang en voor het menselijk geluk? En: is het menselijk geluk het opperste ideaal? Moeten we niet eerder streven naar een deugdzaam, misschien zelfs religieus leven? En: moet een samenleving niet steunen op gemeenschappelijke waarden in plaats van op altijd maar meer consumptie? Over dat geluk kan Pinker nog terugvallen op statistieken, maar ze bieden minder vaste grond. De trendlijnen zijn minder steil, de begrippen zijn minder afgebakend, de factoren die meespelen zijn talrijker? Wat is geluk? Is er een verschil tussen een gelukkig en een zinvol bestaan? Zíjn we eenzaam of vóelen we ons eenzaam of zéggen we dat we ons eenzaam voelen? Bieden de sociale media écht menselijk contact? Voel je je door stress gelukkiger of ongelukkiger? Zijn cijfers over zelfmoord en depressie betrouwbaar?

     Pinker probeert zo goed en zo kwaad als hij kan, tussen de moeilijkheden door te laveren. Ja, geluk stijgt met toenemende rijkdom, maar veel trager dan die rijkdom zelf. En ja, je moet met veel dingen rekening houden. Als je met dezelfde rijkdom in Costa-Rica geboren bent dan wel in Rusland, zul je in dat eerste land gelukkiger zijn dan in het dat tweede. In de VS is er de laatste tijd een daling in het aangegeven geluk, ondanks de toegenomen welvaart. Het onderzoek naar geluk is nog nieuw en de conclusies gaan niet altijd in dezelfde richting. Dat neemt niet weg dat volgens het recentste onderzoek, de relatie tussen rijkdom en geluk eigenlijk nauwer is dan men eerst had gedacht. Ook zou het geluk, in tegenstelling tot wat Gentse onderzoekers onlangs beweerden (hier), blijven stijgen zelfs als men al veel rijkdom heeft. Als het over geluk gaat, schrijft Pinker, had Wallis Simpson half gelijk toen ze zei: “You can’t be too rich or too thin.”
     Ook is het moeilijk om het geluk over de eeuwen heen te meten. Het gedachte-experiment met de teletijdmachine helpt ons niet veel verder. In de romantische komedie Kate & Leopold kiest Meg Ryan ervoor om haar geliefde te volgen naar het Victoriaanse tijdperk. Maar misschien heeft ze een voorraadje anticonceptiemiddelen meegenomen en iets tegen de hoofdpijn. Zelf wil ik niet terug naar de tandartsen en de sanitaire voorzieningen van mijn jeugd. Maar was ik daardoor ongelukkiger? Ik weet het niet. Misschien zou de discussie wat makkelijker verlopen als Pinker af en toe erkende dat er naast vooruitgang ook achteruitgang kán zijn. Ik heb de school meegemaakt van de jaren 60-70 en ik ken de school van nu. Veel is gelijk gebleven, sommige dingen zijn verbeterd, andere zijn slechter geworden. Ik betrouw mijn geheugen onvoldoende om die dingen af te wegen –  we are wired for nostalgia, schrijft Pinker – maar dat er én verbeteringen én verslechteringen zijn, dat weet ik wel zeker. Om maar iets te noemen, de leerlingen spreken beter voor de klas, en ze kennen minder Frans. Ze kennen meer films, en minder boeken.

     Over deugd en deugdzaamheid is Pinker nog voorzichtiger. Hij beseft de valkuilen van de Kantiaanse plichtsmoraal, net zo goed als die van de utilitaristische leus ‘zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen en zo weinig mogelijk leed voor zo weinig mogelijk mensen’. Maar hij heeft een voorkeur voor de tweede benadering. ‘Humanisme komt met een utilitaristisch smaakje,’ schrijft hij voorzichtig. Zijn sterkste argument heeft Pinker beet als hij het utilitarisme als gemeenschappelijke grond aanduidt voor mensen met verschillende morele overtuigingen. ‘Wanneer mensen met een verschillende culturele achtergrond met elkaar overeen moeten komen over een morele code, grijpen ze terug naar het utilitarisme.’ Pinker illustreert dat met een uitspraak van Jacques Maritain die samen met andere intellectuelen – christenen, atheïsten, moslims, confucianisten – een lijst van mensenrechten moest opstellen. Het opstellen van die lijst verliep vlot ondanks de hevige ideologische meningsverschillen. ‘We gaan akkoord over die mensenrechten,’ zeiden de opstellers, ‘maar alleen op voorwaarde dat niemand ons vraagt naar het “waarom” ervan.’ Misschien was er ook een verzwegen voorwaarde dat niemand mocht vragen naar het “hoe”, denk je dan.
     Minder voorzichtig is Pinker als hij schrijft over godsdienst. Hij verwerpt, helemaal in de lijn van Richard Dawkins, élke vorm van godsdienst die hij voor een wat achterlijke en niet helemaal eerlijke concurrent van het wetenschappelijke denken houdt. Maar zijn zwaarste kritiek geldt de Islam. ‘Alle oorlogen die woedden in 2016 vonden plaats in landen met een moslimmeerderheid of hadden te maken met islamistische groepen, en die groepen waren verantwoordelijk voor de grote meerderheid van de terreuraanslagen.’
Pinker wijst daarbij streng naar de fundamenten zelf van de Islam. ‘Het probleem begint met het feit dat veel voorschriften van de Islamitische leer, letterlijk genomen, uitbundig anti-humanistisch zijn. De Koran bevat tientallen passages die oproepen tot haat tegen ongelovigen, tot martelaarschap en tot een heilige oorlog onder de vorm van gewapende strijd.’ En het ergste vindt hij dat de moslims hun godsdienst, ook mét die ingebouwde haatboodschappen, zo letterlijk en zo serieus nemen. ‘De Islam heeft ook zijn versie van ‘culturele joden’, ‘cafetaria katholieken’ en ‘CINO’s’ (Christians in Name Only),’ schrijft Pinker. ‘Het probleem is dat die goedaardige hypocrisie zo onderontwikkeld is in de hedendaagse moslimwereld.’ Pinkers enige hoop is dat de moslimjeugd, althans in de moslimlanden, zich in versneld tempo aanpast aan de Verlichtingswaarden, waarbij hij, misschien wat optimistisch, verwijst naar de Arabische lente. Pinker heeft ook weinig geduld met berichten over islamofobie en geweld tegen moslims in de VS. ‘Die komen van organisaties,’ schrijft hij, ‘die voor hun financiering afhankelijk zijn van paniek en overdrijving, eerder dan van objectieve registratie.’ Zouden wij in Vlaanderen ook zoiets hebben?
     In sociaal-economische aangelegenheden is Pinker een centrist, een Obama-bewonderaar, een Ikea-socialist als je wil, die probeert gelijke afstand te bewaren van conservatisme, marxisme en libertarisme. Links en rechts vindt hij achterhaald, omdat ze problemen willen oplossen die in de samenleving van vandaag al grotendeels zíjn opgelost. Zo’n centristische positie is verduiveld comfortabel. Je kunt naar believen kritiek geven op de twee ‘extreme’ standpunten zonder zelf te moeten aanduiden waar precies het juiste midden ligt. Pinker verwijt links dat het de voordelen ontkent van de vrije markt, en rechts dat het de voordelen niet ziet van ‘herverdelende’ maatregelen. Zelf zegt hij dat vrijemarktkapitalisme verenigbaar is met “any amount of social spending”. Any – om het even welk – dat is behoorlijk veel, vooral omdat hij op andere plaatsen wel degelijk schrijft over ‘too much social spending” dat ‘perverse incentives’ in het leven roept. Pinker lost het probleem nogal gemakkelijk op door zowel van rechts als van links een karikatuur te maken. Zo verwijt hij de Amerikaanse republikeinen dat ze tegen élke vorm van sociale uitgaven zijn, en de Bernie Sanders-mensen dat ze tegen élke vorm van vrije markt is. Geen van beide is waar, geloof ik.
     Dat centrisme van Pinker zie je ook als het over immigratie gaat. In een interview met De Volkskrant zei hij het volgende: ‘De Verlichting kan geschaad worden door overhaaste immigratie. In 2015 rees in Europa het beeld van een grote instroom van mensen die niet of moeilijk geïntegreerd kunnen worden. Dat kan een deel van de Verlichting, het vrije verkeer van mensen, in gevaar brengen …  Neem mijn eigen land, Canada. Canada heeft een doordacht en gecontroleerd immigratiebeleid. Geen open grenzen, maar elk jaar wordt een quotum aan legale arbeidsmigranten en vluchtelingen toegelaten.’ Wij krijgen hier een rationeel principe aangereikt: een land bepaalt hoeveel immigranten het toelaat in functie van zijn eigen noden en draagkracht. Maar dat principe kan worden gebruikt om een heel restrictief of juist een heel permissief beleid te voeren. Hoe hoog moet dat quotum zijn? Welke instroom kunnen we ons als land permitteren? Spreken we van 1000 per jaar of van 30 000 per jaar? Ik ben geen specialist, maar ik geloof dat dat laatste cijfer voor ons land de realiteit van de laatste 20 jaar best goed benadert als we arbeidsimmigranten, erkende vluchtelingen, illegalen en gezinsherenigers samentellen.
      Er is één politieke kwestie waarin Pinker allesbehalve centristisch en dat is die van het populisme. Verlichting nu! Is Pinkers ‘war effort’ tegen Trump. Dat Trump door verkiezingen aan de macht is gekomen, is niet iets wat Pinker gunstig stemt tegenover verkiezingen.  ‘Ondanks het wijdverspreide geloof dat verkiezingen de essentie van een democratie uitmaken, zijn ze slechts één mechanisme waarmee de regering ter verantwoording kan worden geroepen door het volk, en dan nog niet altijd een erg constructief mechanisme.’
     Koenraad Elst heeft op Doorbraak ooit geschreven dat antipopulisten in werkelijkheid antidemocraten zijn (hier). In het geval van Pinker zit daar veel waarheid in. In zijn hoofdstuk ‘Democratie’ geeft hij verschillende definities van het begrip, maar de omschrijving als een staat waarin de meerderheid van het volk de beslissingen stuurt, is daar niet bij. Pinker gebruikt het begrip ‘democratie’ om te verwijzen naar een vrije maatschappij die ‘het midden houdt tussen tirannie en anarchie’. Burgers die meebeslissen over het algemeen belang en vertegenwoordigers kiezen om hun wensen te realiseren, dat heeft volgens hem weinig met de werkelijkheid te maken. Het is een idealisering die geschikt is voor de ‘civics-class’***. De werkelijkheid is anders. Het aantal democratieën dat werkt volgens het civics-class-boekje, schrijft Pinker, ‘was nul in het verleden, is nul in het heden, en zal hoogstwaarschijnlijk nul zijn in de toekomst.’ De burgers kúnnen bij verkiezingen niet duidelijk maken wat ze willen, want zij wéten niet wat ze willen – of ze willen de meest tegenstrijdige en onmogelijke dingen. Beter is het dus, suggereert Pinker in bedekte termen, als de burgers door een goed geïnformeerde en verlichte elite in de juiste richting worden geleid. ‘Nudging’ heet dat nu. In de Verlichtingstijd heette het: ‘Alles voor het volk, niets door het volk’. Het was de slagzin van verlichte despoten die een Romeins cijfers twee bij hun naam hadden staan: Jozef, Catherina en Frederik.
     Nu vertellen geschiedschrijvers ons veel kwaads van Jozef, en nog meer van Catherina en Frederik. Dat neemt niet weg dat de kerngedachte van het verlicht despotisme zich moeilijk laat weerleggen. De burgers zijn inderdaad niet goed geïnformeerd over politiek, weten niet altijd goed wat ze willen, en vaak wíllen ze inderdaad tegenstrijdige en onmogelijke dingen. Ook kan een meerderheid kiezen voor minder vrijheid. Als ik moest kiezen tussen vrijheid enerzijds en een verkiezingsdemocratie anderzijds, zou ik zonder lang te aarzelen kiezen voor het eerste****. Toch zijn er argumenten om niet al te cynisch te doen over de verkiezingsdemocratie en niet al te gretig toe te geven aan de elitaire verleiding. Burgers informeren zich beter in tijden van verkiezingen en volksraadpleging. Leden van de verlichte elite zijn buiten hun specialisatie vaak even slecht geïnformeerd als anderen, ze zijn moreel niet superieur aan de eenvoudige dorpers*****, ze zijn zoals iedereen onderhevig aan vooroordelen. En, verkiezingen leiden tot een periodieke afwisseling van de wacht waarbij de stommiteiten van het ene kamp na enkele jaren in evenwicht worden gebracht door de stommiteiten van het andere kamp.

     Ik neem aan dat Pinker díe argumenten vóór de verkiezingsdemocratie kent, en overwogen en verworpen heeft. Maar het schijnt mij toe dat er één argument is dat hij niet opmerkt, en dat is het volgende. In de westerse landen, en in de VS in het bijzonder, is er iets aan dat hand dat mijn professor Europese literatuur Marcel Janssens in een andere context de ‘aristocratische secessie’ noemde. Charles Murray spreekt van ‘the new segregation’. De samenleving raakt opgesplitst in twee groepen, de 5 % en de 95 %. Die groepen hebben een verschillend gemiddeld IQ, een verschillende opleiding, een verschillend inkomen, wonen in verschillende buurten, lezen andere kranten, kijken naar andere films, vinden andere dingen in het leven belangrijk, en trouwen binnen de eigen groep.
     Die groepen zou je nieuwe klassen, of nieuwe standen kunnen noemen. Ze leven in hun eigen ‘bubbel’. Ze hebben allebei hun eigen bekommernissen, maar kennen slecht de bekommernissen van de andere groep. Hier stelt zich dus in alle scherpte de democratievraag: is het wijs om de elite van 5 % over allerlei zaken te laten beslissen waarvan de gevolgen niet door hen, maar door de 95 % wordt gedragen? Moeten beslissingen over migratie, zware beroepen, armoedebestrijding eigenmachtig genomen worden door lui die in een buurt wonen zonder migranten en wier kinderen naar homogeen blanke scholen gaan, die op het einde van een werkdag geen pijn hebben voelen aan armen, schouders of rug, en die armoede alleen kennen van horen zien zeggen? Die vragen ziet Pinker niet. Het is zijn blinde vlek. Hij behandelt alle mogelijke maatschappelijke problemen, van armoede en ongelijkheid tot geluk en eenzaamheid. Hij heeft daarover de beste statistieken bij elkaar gezocht. Maar het probleem van de ‘new segregation’ laat hij onbehandeld, ook al had hij kunnen putten uit de tientallen statistieken die Charles Murray verzameld heeft in zijn boek Coming Apart. En Pinker hield toch zo van statistieken?
     Een hele reeks mensen zich zal zich in mindere of meerdere mate ergeren aan Steven Pinkers boek: geboren zwartkijkers, cijferhaters, gevoelsmensen, en iedereen met een uitgesproken linkse of rechtse overtuiging. Ook zullen sommigen zich ergeren aan de directe toon waarop de auteur zijn lezer (Pinker zou schrijven: lezeres) aanspreekt. Pinker treedt niet in dialoog, danst niet om een onderwerp heen, komt meteen ter zake en laat zijn twijfels niet blijken – zoals minder rechtlijnige schrijvers dat soms wél doen: Hume, Burke, Maistre, Nozick, Karel van het Reve. Pinker is een wat autoritaire schoolmeester die van bij het begin zegt waar het op staat.
     Zelf  vind ik dat zo’n directe manier van spreken en schrijven grote voordelen heeft, en al zeker in mijn vak: het onderwijs. Het is dan ook jammer dat Pinker die voordelen net dáár niet ziet, en ze zelfs ontkent. Het is altijd pijnlijk als je met een auteur van mening moet verschillen over een onderwerp dat je zelf een beetje kent en waar je bij betrokken bent. Eerst wil Pinker een nieuw schoolvak invoeren dat kritisch denken moet aanleren. Ik ben daar al geen voorstander van (hier) en het verbaast me niet dat experimenten met zo’n vak tot flauwe resultaten hebben geleid. De leerlingen zagen er een nieuwe ‘civics class’ in, denk ik dan. Daarna maakt Pinker de zaken nog erger door die flauwe resultaten toe te schrijven aan de onderwijskundige aanpak. ‘Elk vak zal pedagogisch inefficiënt zijn als het bestaat uit een docent die voor het bord staat de drenzen en een cursus die leerlingen moeten bewerken met een gele stift.’ Pinker schrijft dat de leerlingen op die manier nooit kritisch zullen leren denken. Ik weet dat nog zo niet. Als leraar sta ik heel vaak te drenzen voor het bord, en stop ik mijn leerlingen een cursus in de hand die ze moeten bewerken met een gele stift. En ook als leerling heb ik vaak geluisterd naar leraren die stonden te drenzen voor het bord, en heb ik cursussen bewerkt met een gele stift. En toch hebben dat gedrens en die stift mij, geloof ik, geholpen om over Pinkers boek kritisch na te denken.


 * Ik had bij het schrijven van dit stuk de Nederlandse vertaling van Pinkers boek niet bij de hand. Mijn eigen ‘vertalingen’ zijn, geef ik toe, vaak meer een verkorte parafrase dan een letterlijke weergave van de tekst.

** Pinker merkt, zoals velen vóór hem, op dat het aantal slachtoffers van het terrorisme weinig voorstelt vergeleken met de verkeersslachtoffers, ongeveer 3 %. Hij maakt echter dezelfde vergelijking in verband met de schietpartijen in Amerikaanse scholen en die hoor je minder vaak. Ook merkt hij op dat er emotionele en rationele redenen zijn waarom mensen anders reageren op tragedies van kwaad opzet dan die van ongeluk en toeval. We maken ons terecht grote zorgen over enkele dissidenten die door dictatoriale regimes worden gedood, ook al zijn die véél minder talrijk dan verkeersslachtoffers.

*** De civics-class is een bijzonder saai vak dat aan Amerikaanse scholen gedoceerd wordt en dat binnenkort ook bij ons zijn intrede doet onder de naam ‘Burgerschap’.


**** Er bestaat een andere mogelijkheid om de nadelen van een verkiezingsdemocratie te temperen. Pinker wijst erop dat mensen bij politieke vraagstukken sterk door vooroordelen en groepsgevoel geleid worden, maar dat ze in zaken waar hun persoonlijk belang direct van een persoonlijke beslissing afhangt veel redelijker te werk gaan. Alles verandert als men ‘skin in the game’ heeft. Dat lijkt mij een argument om de sfeer van de politieke beslissingen te verminderen en de sfeer van markt te vergroten.
 
***** Pinker beroept zich voor zijn democratie-interpretatie op Popper, maar juist Popper wijst die morele superioriteit van de elite af. Ik heb daar indertijd iets over geschreven naar aanleiding van de Brexit. (hier)

Appendix: Pinker over de stijgende ongelijkheid in de wereld

     Als je de hele wereld overschouwt is er volgens de statistieken* een duidelijke daling van de ongelijkheid. Die wereldongelijkheid was geleidelijk gestegen tot 1960, bleef dan even op dezelfde hoogte, en is dan beginnen dalen vanaf de jaren 1980. Je kunt dat op verschillende manieren uitrekenen. Je kunt de landen onder elkaar vergelijken, of de individuele wereldburgers, je kunt het inkomen als uitgangspunt nemen of de consumptie, telkens kom je weer uit op een daling van de wereldongelijkheid vanaf 1980. Ik hoop dat veel godsdienstleraren en derdewereldactivisten blij zullen zijn met dat nieuws, nadat ze de kleine teleurstelling te boven zijn gekomen dat hun wereldbeeld wat achterliep op de feiten. 
     Die daling van de wereldwijde ongelijkheid kun je ook weergeven met een sprekende  grafiek. In de grafiek is een kameelrug verborgen – de grijze lijn met twee bulten – die de toestand van de wereld weergeeft in 1975.  In dat jaar bevinden heel wat mensen zich in de eerste bult van de halve-tot-één-dollar-per-dagverdieners. Dan is er een ‘kloof’ en daarna komt er een tweede bult van de 10-tot-20-dollarverdieners. Hogere inkomens van 50 dollar zijn zeldzaam en komen alleen in de Westerse landen voor. Heel anders is de toestand in 2015. De ‘kloof’ is weg. Er is nu een dromedarisrug met één bult in de plaats gekomen. Wiskundigen zouden het een normaalverdeling noemen. Wereldwijd zitten de meeste mensen in die ene bult van 5-tot-20 dollarinkomens, en inkomens van 50 dollar zijn géén Westerse uitzondering meer. 
     Goed. De ongelijkheid is wereldwijd is afgenomen. Maar hoe zit dat als je onze westerse wereld uit dat geheel licht? Daar, moet Pinker toegeven, heeft zich een omgekeerde ontwikkeling voltrokken. De auteur illustreert dat vooral met cijfers voor de Verenigde Staten. De ongelijkheid is daar in de 19de eeuw gestegen, in de twintigste eeuw gedaald, na 1940 lange tijd gelijk gebleven, en dan vanaf 1980 geleidelijk weer gestegen. In de 19de eeuw bedroeg de Gini-coëfficiënt 0,5, in 1940 was hij gedaald tot 0,35, en sinds 1980 is hij gestegen tot het huidige niveau van 0,4. (In België is de Gini-coëfficiënt na 1980 gestegen van 0,22 naar 0,25 maar de laatste tien jaar blijft hij stabiel).**
     Er zijn dus twee tegengestelde tendensen sinds 1980. In de hele wereld daalt de ongelijkheid, maar in de Westerse wereld – en vooral in de Verenigde Staten – neemt de ongelijkheid toe. Dat komt niet omdat de ene armer wordt, en de andere rijker, maar omdat de ene sneller rijker wordt dan de andere. Als men zegt dat de wereldwijde economie winnaars en verliezers voortbrengt, drukt men de stand van zaken dus niet helemaal correct uit. De wereldwijde economie heeft overal winnaars voortgebracht, maar de ene wint veel  en de andere heel wat minder. Ook die tendens kan worden voorgesteld in een grafiek waar een aardig dier in verborgen is.
     Let op. De grafiek geeft geen inkomens weer, maar de stíjging van de inkomens, over 30 jaar, en die stijging is overal positief en nergens gelijk aan nul. Aan de linkerkant van de grafiek, de staart van de olifant, zitten de 10 procent armsten ter wereld, veelal Afrikanen. Die zijn er 20% op vooruitgegaan. Daarna wordt het interessant. Het hele lichaam en de kop van de olifant stellen de inkomens voor van de mensen wier inkomen met 40 tot 60 procent gestegen is. Veel van die mensen zijn hardwerkende Aziaten, dus die hebben dat verdiend. Vervolgens komt het minst leuke deel van de grafiek: de krul van de slurf, waar zich de arbeidersklasse van de Westerse wereld bevinden. Die zijn er slechts 10 procent op vooruitgegaan. Wie in een autofabriek of bij een staalreus is blijven werken, is er natuurlijk veel meer op vooruit gegaan, maar het aantal van zulke arbeidsplaatsen is verminderd en er zijn er andere in de plaats gekomen bij koeriersdiensten, schoonmaakbedrijven en hamburgerrestaurants. Die nieuwe, minder betalende arbeidsplaatsen halen het gemiddelde loon van de arbeidersklasse naar beneden. Waar de slurf ten slotte weer steil de hoogte in gaat, vanaf de 4 procent rijkste wereldburgers, is de inkomensstijging weer interessant. Ik geloof dat ik daar als Vlaamse leraar nog net bij hoor. ’t Is ook het verhaal dat mijn loonbriefjes mij vertellen.
     Zal ik dat allemaal kunnen onthouden. Ik denk het wel. 1980. Daling van wereldwijde ongelijkheid. Stijging van ongelijkheid in het Westen. Kameel, dromedaris, olifant.  Amerikaanse Gini-coëfficiënt van 0,35 naar 0,4. Belgische van 0,22 naar 0,25. Loon Vlaamse leraren in stijgende lijn.

* Sommige statistieken hebben, dat moet ik toegeven, een vrije verhouding met de werkelijkheid. In veel derdewereldlanden lees je aan het bruto binnenlands product maar een klein deel van de economische werkelijkheid af. Toch blijft dat product een redelijke graadmeter om te vergelijken met soortgelijke landen, of om tendensen van stijging of daling te onderkennen. 
 De cijfers in dit stuk komen uit de primaire bronnen van Pinker en enkele andere internetpublicaties. 
- Moatsos, M. e.a. 2014. Income inequality since 1820. In J. van Zanden e.a. (red) How was life? Global well-being since 1820. Paris: OECD. (Voor de niet gewogen Gini-index vergelijking tussen verschillende landen tussen 1820-2000) 
 - Milanovic, B. 2012. Global income inequality by the numbers: In history and now – an overview. Washington: World Bank Development Research Group. (voor de gewogen Gini-index vergelijking tussen verschillende landen 1945-2012)
- Milanovic, B. 2016. Global inequality: A new approach for the age of globalization. Cambridge, MA: Harvard University Press. (Gini-index vergelijking tussen wereldburgers op basis van inkomen (1825-1890 en op basis van inkomen en consumptie tussen 1980-2015, daling en stijging van Gini-index in de Verenigde Staten 1775-2013, olifantgrafiek).
- Gapminder, via Ola Rosling, http://www.gapminder.org/tools/mountain. (voor de kameel- en dromedarisgrafiek)
- United Nations Development Program. 2004 [via https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_landen_naar_inkomensverschillen]. (voor de Gini-index van Europese landen)
- De Ivoren Toren, http://www.ivorentoren.be/2017/08/07/dertig-jaar-inkomensverdeling-in-belgie/ (voor de evolutie van de Gini-index in België)

 ** De Gini-coëfficiënt geeft de mate van ongelijkheid weer. Een coëfficiënt van 0 betekent dat iedereen precies hetzelfde verdient. Een coëfficiënt van 1 betekent dat één iemand zich alle inkomen toe-eigent, en al de rest niets krijgt. De Gini-coëfficiënt in Europa schommelt tussen 0,25 (België, Finland, Zweden) en 0,33 (Frankrijk, Nederland, Zwitserland).