Posts tonen met het label pensioen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label pensioen. Alle posts tonen

donderdag 16 mei 2019

Hoe zien onze pensioenen eruit in 2070?


     De laatste tijd lees ik veel van die optimistische boeken:  Steven Pinker, Hans Rosling, Bjørn Lomborg, Maarten Boudry, Matt Ridley, Johan Norberg. ’t Is zoals met andere zoetigheid – je voelt een lichte walging, maar je blijft ermee doorgaan. We eten beter, lees ik in die boeken, en we leven gezonder en we worden slimmer. Onze bejaarden worden vitaler en onze levensverwachting wordt langer. Wie vroeger leefde kwam jaarlijks netjes één jaar dichter bij zijn dood. Wie daarentegen in de twintigste eeuw leefde kwam jaarlijks maar zeven maanden dichter bij zijn einde. Denk daar maar eens over na.
     Op het hoofdkwartier van N-VA moet er ook iemand zijn die die boeken leest, iemand met name die heeft meegeschreven aan het partijprogramma. ‘Demografische projecties tonen aan,’ lees ik in dat programma, ‘dat de levensverwachting in België tegen 2070 nog verder zal stijgen. Een cruciale voorwaarde om de betaalbaarheid van de pensioenen te behouden, en zo de solidariteit met de jongere generaties te vrijwaren, is dat de wettelijke pensioenleeftijd die levensverwachting volgt.’ John Crombez heeft die passage gebruikt om het Bart De Wever knap lastig te maken. Het Nieuwsblad van 15 mei opende met de kop ‘De Wever wil pensioenleeftijd verder omhoog’, wat de zaak geloof ik niet helemaal juist samenvat*.
     Het was natuurlijk ook dom om speculaties over de toekomstige levensverwachting in het N-VA-programma op te nemen. Een verkiezingsprogramma moet niet speculeren over een mogelijke toestand in 2070**. Nu, in 2019, is de toestand ernstig genoeg. De gemiddelde pensioenleeftijd is vandaag nog geen 60 jaar. We werken gemiddeld 33 jaar en zijn 23 jaar op pensioen***. Wanneer wij hogere pensioenen willen – wat alle partijen beloven – zónder meer van ons loon af te dragen, dan moet dat werken een paar jaar langer en dat pensioen een paar jaar korter. Dáárom heeft Michel I de algemene norm verhoogd – van 65 naar 67 jaar – en is er een voorzichtig begin gemaakt met het afschaffen van de uitzonderingen.
     De partijen sp.a en Vlaams Belang beloven én hogere lonen én hogere pensioenen én verlaagde pensioenleeftijd. Daar kan ik begrip voor opbrengen want het zijn drie mooie dingen. Helaas gaan ze niet samen binnen één budget. Partijen die daarom ronduit zeggen dat de hogere pensioenen moeten worden worden betaald met langer werken, langer bijdragen en dus hogere pensioenleeftijd – N-VA en Open-vld zeggen zoiets – moeten worden geprezen voor hun eerlijkheid.
     Maar móeten wij wel kiezen tussen de drie mooie dingen? PVDA-man Jan Dumolyn schreef op zijn Facebookpagina dat de ‘piepeltjes van N-VA’ er niets van begrepen hebben. Een flinke stijging van de productiviteit, schrijf Jan, kan ervoor zorgen dat we én hogere lonen, én hogere pensioenen én verlaagde pensioenleeftijd krijgen. Daar zit iets in. Als ik met Jan daarover debatteerde voor de televisie zou ik misschien aanvoeren dat juist het PVDA-programma weinig garanties biedt voor zo’n productiviteitsstijging. Maar dat zou flauw zijn, want Jan heeft een punt. Uit mijn optimistische boeken weet ik dat de gemiddelde aardbewoner binnen honderd jaar – in 2119 dus – acht keer rijker kan zijn dan de huidige. Maar we móeten niet acht keer rijker worden. Wij kunnen er de voorkeur aan geven om in 2119 maar vier keer rijker te zijn en op ons veertigste op pensioen te gaan, of op ons achtenveertigste zoals vroeger de militairen, en de regentessen in het onderwijs. Wij kunnen dus, al is het binnen honderd jaar, tegelijk vier keer rijker worden én maar half zo lang werken.
     Ik heb hierboven zinsneden gebruikt als ‘wij willen’ en ‘wij moeten’ en ‘wij kunnen’. Er zit in in elk van die zinsneden een vies beestje dat ik er graag uit wil. Waarom zouden ‘wij’ iets moeten, of willen, of kunnen? En waarom zouden ‘wij’ allemaal hetzelfde kiezen? Ik zou het veel gezonder vinden als iedereen, binnen redelijke grenzen, zelf zijn eigen keuzes kon maken in zo’n gevoelige kwestie. Wie graag vroeg wil stoppen, kan wat harder werken en wat meer bijdragen, of zich met een kleiner pensioen tevreden stellen. Wie graag langer werkt, kan zijn bijdrage beperkt houden en aan het einde van zijn loopbaan toch een royale uitkering verwachten. Je krijgt dan als gepensioneerde ongeveer terug wat je tijdens je werkende leven  – kort of lang  – hebt bijgedragen, met interest. Veel en lang bijdragen levert een hoog pensioen op, kort en weinig bijdragen een klein pensioen.
     Het pensioenstelsel schijnt verder iets heel, heel ingewikkelds te zijn. Er zijn universiteitsprofessoren die hun hele leven wijden aan de studie ervan. Zo’n stelsel veranderen zal dus wat meer vragen dan een plannetje dat werd uitgetekend aan de keukentafel. Bovendien moet er in die delicate materie een zekere politieke overeenstemming bestaan. Alleen al de wettelijke norm met twee jaar verhogen naar 67 was zó delicaat dat die verhoging pas kan ingaan in 2030, ondanks de brede overeenstemming over de kwestie tussen N-VA, CD&V, Open-vld en Groen. Een geheel nieuw stelsel doorvoeren zal nog vele malen moeilijker zijn. Het beginsel is eenvoudig genoeg: rekening houden met het eenvoudige gegeven dat verschillende mensen verschillende dingen willen en belangrijk vinden. Maar het is het opruimen van de bestaande koterij die in zo’n gevallen voor de meeste moeilijkheden zorgt****. Ik zie het niet gebeuren vóór 2030. Het is meer iets voor 2070. Misschien kan N-VA dát eens opnemen in haar programma. 



*Liesbeth van Impe schrijft de dag erna dat De Wevers politieke tegenstanders zijn woorden ‘kort door de bocht geïnterpreteerd hebben’. Dat is heel begrijpelijk van die tegenstanders, vindt ze - en dat vind ik ook. Maar waarom plaatste ze de dag ervoor zélf een kop op de voorpagina met een interpretatie die minstens even kort door de bocht ging? Zij is toch geen politieke tegenstander?

**Een uitspraak over een hypothetische situatie in de toekomst kan makkelijk worden verward met een politiek plan voor korte en middellange termijn. Zo’n onhandige uitspraak is in zekere zin erger dan een foute uitspraak.  Een foute uitspraak kun je achteraf weer intrekken. ‘Sorry, het was een vergissing.’ Een onhandige uitspraak kun je achteraf alleen nuanceren. En niet iedereen staat daarvoor open.

*** Zie hier  en hier . Ik heb vroeger al enkele stukjes geschreven over de pensioenkwestie, onder meer over de superioriteit van kapitalisatie vergeleken met repartitie:  hier, hier en hier. 

**** Het pensioenstelsel met punten, waar we niet zo veel meer over horen, zou een eerste aanzet kunnen zijn voor de opruimwerken.

dinsdag 15 mei 2018

Staken voor het lerarenpensioen?

           Op onze school heeft een derde van het personeel beslist om morgen te staken.  Sommigen van hen gaan ook betogen in Brussel. Die collega’s maken zich zorgen om hun pensioen. ’t Is vooral de verhoging van de pensioenleeftijd die voor hen moeilijk te slikken valt. ‘Zie je mij op mijn 67ste nog voor de klas staan?’ hoor ik bij collega’s van middelbare leeftijd.
     Die smartelijke uitlatingen begrijp ik. Die collega’s hebben allemaal nog andere collega’s uitgewuifd die op hun 52ste, hun 55ste of hun 58ste vertrokken zijn. Daar bestonden allerlei ‘stelsels’ voor. Onbewust ga je die leeftijden dan als norm nemen. Je denkt dat jijzelf op die leeftijd ook bloemen zult krijgen en dat de directie je alle goeds zal toewensen voor een ‘actieve toekomst’ – fietsen, kokkerellen, zorgen voor de kleinkinderen, een danscursus voor bejaarden. Veel reizen ook, want leraren verkennen graag de wereld en op pensioen kunnen ze eindelijk profiteren van de lagere prijzen buiten de vakantieperiodes. Dan is het pijnlijk om horen dat die bloemen, die danscursus en die goedkope reizen moeten worden uitgesteld tot je 67ste.
     Ik heb nooit iets gehad met die 52, die 55 of die 58. Dat komt omdat ik pas laat aan mijn lerarenloopbaan begonnen ben, op mijn 42ste. Pensioen was het laatste waar ik aan dacht. Ik was eindelijk waar ik zijn wou. Maar íets wist ik wel: om nog een beetje profijt te halen uit het voordelige ambtenarenpensioen, moest ik in elk geval zoveel mogelijk dienstjaren verzamelen. Het stond voor mij dus altijd vast dat ik tot mijn 65ste zou doorwerken.
     Dat vond ik goed. 65 was de leeftijd die door God en Bismarck was gewild.  Pensioen op 65 voelt even natuurlijk aan als de achturendag en de vijfdagenweek. Ik heb nooit een andere wettelijke pensioenleeftijd gekend. Mijn twee grootvaders zijn op hun 65ste gegaan, net als mijn schoonvader – hoewel die laatste, als zelfstandige tuinder, nooit iets gemerkt had van de achturendag of van de vijfdagenweek.
     65 is goed. En het moet ook niet meer zijn. Misschien krijg ik 100 euro meer pensioen als ik tot mijn 67ste werk, maar ik wil niet ingaan tegen de natuurlijke orde der dingen. Veel van mijn jongere collega’s zullen, als het erop aan komt, dezelfde keuze maken. Daar ben ik zeker van. Ze zullen niet tot hun 67ste voor de klas staan, als ze voor 100 euro minder twee jaar vroeger kunnen gaan dansen of gaan reizen. Misschien vertrekken sommigen wel op hun 62ste, voor 250 euro minder. Ik hoop dat het nieuwe pensioen met punten dat allemaal vlotjes mogelijk maakt, naar het voorbeeld van Zweden, waar men zelf zijn pensioenleeftijd kiest tussen zijn 61ste en zijn 67ste. De meesten gaan er geloof ik op 63. Dat vind ik haalbaar. Ik ben zelf 63.
     Maar dát de pensioenleeftijd omhoog moest, daar ben ik het mee eens, volgens de eenvoudige regel: langer leven, langer werken. Toen ik dat tegen een collega zei, protesteerde die. Dat langer leven, zei ze, dat was niet iets van de laatste jaren. Tja, daar zou ik toch mee oppassen. Toen ik school liep, in de jaren ’70, was de levenverwachting in ons land tien jaar lager dan nu. Toen die collega haar loopbaan begon in de jaren ’80, was de levensverwachting nog altijd vijf jaar lager dan nu. Dat is allemaal vrij snel gegaan.
     Belgen gaan gemiddeld op hun 59ste op pensioen. Dat is erg vroeg, vergeleken met andere landen. Het gevolg is dat we, met werkloosheid, ziekteperiodes, verlofstelsels en langdurige studies ingebegrepen, gemiddeld 33 jaar werken en 23 jaar op pensioen zijn.* Dat is een rare verhouding, want het is van dat werken dat pensioen, ziekte-uitkering, werkloosheidssteun en studies moeten worden betaald. Die rare verhouding is meteen ook de reden waarom veel werknemerspensioenen bij ons zo onaanvaardbaar laag zijn.
     De onderwijsvakbonden zouden graag het lesgeven als zwaar beroep laten erkennen, zodat er voor hun sector een uitzondering op de pensioenleeftijd komt. Nu ís lesgeven op zijn manier een zwaar beroep. Als je voor een klas adolescenten staat, stroomt een zekere hoeveelheid adrenaline door je bloed, waardoor je uitgeput raakt. Dat is bij de ene klas meer dan bij de andere en ook de leeftijd speelt hier een rol. Maar al te veel uitzonderingen voor zware beroepen zijn de oplossing niet. Hoe meer uitzonderingen op de algemene regel, hoe groter de druk wordt om de algeméne pensioenleeftijd verder te verhogen.
     Als er dan toch budgettaire middelen zouden zijn, dan is er daarvoor een betere bestemming denkbaar dan een vervroegd lerarenpensioen. Gebruik dat geld voor hogere werknemerspensioenen in het algemeen. Verhoog de beginweddes in het onderwijs**, zodat je jonge, bekwame lesgevers aantrekt en houdt. Investeer in het bijzonder onderwijs en schaf dat onnozele M-decreet af. En als het moet, heb ik nog wel wat voorstellen achter de hand die géén geld kosten, maar die de hoeveelheid stresshormonen in het bloed van de leraar gevoelig kunnen doen dalen, en waarmee hij best een paar jaartjes langer voor de klas kan blijven.
     Nu ik hier zo mee bezig ben, overvalt mij de gedachte: zou ik toch niet op mijn 64ste stoppen? Ik moet eens laten narekenen hoeveel pensioen ik dan verlies per maand en hoeveel ik dan nog overhoud. Ik zal er mijn vakbondsafgevaardigde eens over aanspreken, als hij terug is van de betoging.



* Zie hier en hier.
** In ruil daarvoor kan de anciënniteitsverhoging wat rustiger verlopen.

zaterdag 24 maart 2018

Liegt John Crombez?

     Ik behoor niet tot de jongens die bij mooi lenteweer de blauwe lucht afspeuren naar straaljagers. Als ik er toevallig een paar zie, grom ik alleen goedkeurend : ‘The fair weather brings them out.’ Maar dat is maar een spotternij. Een van de redenen waarom ik geen minister van Defensie wil worden is dat je dan een paar keer moet meevliegen met zo’n tuig, zodat de kranten daar een foto van kunnen publiceren. Maar ik word al misselijk in een tuimeltrein op de kermis.
     De rel rond de straaljagers is mij dus goeddeels voorbijgegaan. Wat Van der Maelen gezegd heeft, en wat Van de Put geantwoord heeft en wie wat verzwegen of gelekt heeft, ik heb er weinig mee. En dan struikelde ik op Facebook over een boodschap van John Crombez. Wat zou jij doen met 15 miljard euro, vraagt John: 1100 nieuwe scholen bouwen of een stel gevechtsvliegtuigen kopen van het F-35-type? Met een hartje en een boos gezichtje maakt John duidelijk wat híj zou doen als het van hem afhing.
     Dat berichtje was niet helemaal in de haak. Ik zal niet zeggen dat John liegt. Als John beweert dat nieuwe scholen hem blij maken en dat  hij droevig of boos wordt van gevechtsvliegtuigen, dan geloof ik hem op zijn woord. De zielenroerselen van John zijn zijn eigen zaak. Every man’s duty is to his king, but every man’s soul is his own, zei de Bard. Of wil John met zijn hartje en zijn boos gezichtje suggereren dat hij nooit in een regering zou stappen die gevechtsvliegtuigen of oorlogshelikopters koopt? Dat is wat anders. Het zou me, in het licht van 70 jaar na-oorlogs socialisme, heel erg verwonderen, maar het kan. Toch wordt het bericht nog altijd geen leugen als John volgende keer met zijn partij in een regering stapt die zelf ook vliegtuigen van het F-35-type bestelt, of van een ander type dat beter in de smaak valt van zijn Waalse kameraden. John zou in die regering nog altijd boos of verdrietig kunnen zijn.
     Het is iets anders wat me stoort. John spreekt van 15 miljard. Waar haalt hij dat nu weer vandaan? Die nieuwe vliegtuigen zijn begroot op 3,5 miljard. Met 3,5 miljard kun je ook veel scholen bouwen, maar toch heel wat minder dan met 15 miljard. Hoe kom je nu aan een verschil van 15 - 3,5 = 11,5 miljard, vroeg ik mij af. Professor Luc De Vos, een man van grote pedagogische bekwaamheid, legt het mij allemaal netjes uit in Het Laatste Nieuws van vandaag. Die 3,5 miljard, zegt hij, is de aankoopprijs van de vliegtuigen; die andere 11,5 miljard, dat zijn kosten voor ‘opleiding, training, onderhoud, infrastructuur van de twee basissen en alle lonen van de manschappen die zich [de volgende 40 jaar] met de straaljagers [gaan] bezighouden.’ De Vos had deze keer voor zijn uitleg zelfs geen aanwijsstok of zandbak nodig. Ik had het begrepen. Die 11,5 miljard ‘verschil’, dat is de som die we ook moeten uitgeven als we met veertig jaar oude F-16-toestellen blijven vliegen. Het is een som die dus helaas in geen geval naar nieuwe scholen gaat.
     We moeten niet elk cijfer van De Vos als onbetwistbare waarheid aannemen. Tegenstanders van de F-35 betogen dat de tuigen, met nieuwe opleiding en software eerder 5,3 miljard zullen kosten dan 3,5 miljard. Dat lijkt mij heel goed mogelijk. Alles kost uiteindelijk meer dan je begroot hebt. Dat zal overigens ook wel zo zijn met de 1100 scholen van Crombez.
     Er is nog iets. Zo’n berichtje als dat van Crombez geeft je onbewust de indruk mee dat er veel te veel geld gaat naar leger, soldaten en kazernes en veel te weinig naar onderwijs, leraren en schoolgebouwen. Is die indruk juist? Ik heb voor de zekerheid de cijfers eens opgezocht. We geven jaarlijks ongeveer 4 miljard uit aan het leger, en 19 miljard aan het onderwijs. Een verhouding van één of vijf. Nu kun je zeggen: dat eerste is nog altijd te veel en het laatste nog altijd te weinig. Best mogelijk. Ik weet dat niet. Als iemand zegt dat we geen énkele euro moeten uitgeven aan het leger, zal ik daarover niet redetwisten. Legeruitgaven zijn een onderdeel van een internationaal spel, met onbetrouwbare bondgenoten en mogelijke vijanden, een spel dat als doel heeft om een volgende oorlog zo lang mogelijk uit te stellen. Ik heb daar niets over te melden. Komen die onderwerpen op tafel, dan druk ik mijn snor. ’k Ga meteen low profile en je krijgt me niet uit mijn tent. Maar ’k heb wel graag de goede cijfers.
     Er zijn eigenlijk twee soorten cijfers die ik vervelend vind. De eerste zijn de cijfers die in een eindeloze stroom op je worden losgelaten. De vroegere PVDA-voorzitter Ludo Martens was daar goed in. Bij zo’n 1-meiredevoering van hem werd je ondergedompeld in een zee van cijfers waarin zelfs een vis zou verdrinken. En de tweede zijn de geïsoleerde cijfers, cijfers zonder context die je als leek moeilijk kunt plaatsen: 15 miljard voor gevechtsvliegtuigen, een pensioenschuld van 1500 miljard euro … Daar heb ik niet veel aan. Die cijfers zijn meestal niet gelogen, maar zij zijn vaak wel bijzonder goed gekozen, en niet altijd van die aard dat ze de zaken verhelderen.
     Ik voor mij heb liever cijfers van gehelen.* En als het over geld gaat, mogen die liefst met het bruto binnenlands product vergeleken worden. Het budget voor ontwikkelingshulp is geloof ik 0,5 procent van het BBP. Het defensiebudget is  0,91. Het onderwijsbudget is 4,4 procent. En dat van pensioenen is 11 procent. Van die vier zal vooral het laatste nog flink stijgen in de komende jaren.

* Ooit vond ik leuke cijfers over de verdeling van de rijkdom in Nederland. De 10 % rijksten verdienen er 30 % van alle inkomens, bezitten 55 % van alle vermogens en betalen 70 % van alle belastingen. Zulke cijfers kan ik onthouden. Zouden die voor ons land ook te vinden zijn?

dinsdag 31 mei 2016

Ik heb niet gestaakt

     Het was gezellig vandaag in de lerarenkamer. Dat kwam door de staking. Een derde van de collega’s had aangekondigd te willen staken, waardoor alle leerlingen een dagje vrij kregen, en wij, de niet-stakers ook – al moesten we dan op school zijn. Aan lange tafels werden toetsen en taken verbeterd, en punten opgeteld. Er werd wat gebabbeld, maar niet te luid. Wie zin had in een koffie stond op om die koffie te halen. Sommige collega’s begonnen al tien minuten vóór het belsignaal hun boterhammetjes op te eten. We voelden ons een beetje als ambtenaren. Toen ik om vier uur naar huis vertrok, was ik ondanks alle verbeterwerk nog zo fris dat ik niet eens de motor van mijn elektrische fiets heb opgestart.
     Onder de collega’s die wél hebben gestaakt, ken ik een aantal mensen van aanzienlijk moreel gehalte. Zeker, zij kwamen op voor een soort eigenbelang. Volgens de vakbond kon een succesvolle staking tot 80 000 euro pensioenwinst opleveren over een periode van twintig jaar (1). Maar de mensen waar ik aan denk zouden nooit tot staking besluiten als hun gevoel voor rechtvaardigheid daarbij geen rol speelde. Wat je in dat verband het vaakst hoorde, was dat de regering, door de pensioenleeftijd van de ambtenaren te verhogen, een soort contractbreuk pleegde.
     Helemaal letterlijk mogen we die contractbreuk niet opvatten. Er bestaat geen geschreven en naar behoren ondertekend contract waarbij de regering voor ambtenaren – of andere werknemers! – een bepaalde pensioenregeling waarborgt. Er is wel een vaag aanvoelen in die zin, maar het contract zelf – zoals Nozick in een andere context schreef – ‘is not worth the paper it is not written on’.
     Het zit zo. Wij allen, of we nu ambtenaar, werknemer of zelfstandige zijn, betalen onze belastingen en sociale bijdragen niet om dat geld later als pensioen terug te krijgen (2). Wij betalen belastingen en bijdragen om onze collega’s te onderhouden die nu op pensioen zijn (3). Wat wijzelf zullen krijgen, zal afhangen van wat het toekomstige geslacht bereid zal zijn te betalen. Ons pensioen – en niet alleen dat van ambtenaren! – hangt volledig af van een toekomstige en onvoorspelbare krachtsverhouding – hangt af van wat een toekomstige regering op dat moment zal willen en kunnen betalen. Als ik nu een vervloekte neoliberaal was, zou ik hieruit een argument halen om het hele pensioenstelsel zoveel mogelijk aan de staat en de regering te onttrekken. Maar neoliberalen bestaan niet. (Zie hier)
     Al kan ze niet letterlijk genomen worden, toch heeft de contractbreuktheorie ook haar verdiensten. Als je gewoon bent iets te krijgen, ga je die gewoonte op de duur als een recht beschouwen (4).  Je mag daar evenwel niet te ver in gaan. Onredelijke toestanden zoals pensionering voor leraren op 55 of 58 jaar moesten weg, verworven recht of niet.  Maar het is één zaak om aan beginnende leerkrachten mee te geven dat ze tot 67 moeten werken; het is een andere zaak om een 58-jarige, die zijn pensioen al kan ruiken, in één klap met 9 jaar extra dienstjaren op te zadelen (5). Dat is ook niet gebeurd. De loopbaanverlenging wordt geleidelijk aan ingevoerd – ‘gefaseerd’ zoals dat heet – en wordt pas vanaf 2030 volledig van kracht.
     Bij een dergelijke loopbaanverlenging hoort een nieuwe pensioenberekening die vertrekt van een langere loopbaan. Zo is er geen plaats meer voor een diplomabonificatie (6), die voor berekeningsdoeleinden de werkelijke loopbaan verlengt met de studiejaren. Iemand die tot zijn 67ste werkt, heeft die bonificatie niet nodig om aan zijn hoogst mogelijke pensioen te komen. Voor leraren met een gemengde loopbaan – eerst iets anders en dan pas leraar bijvoorbeeld – is het een andere zaak. Hun pensioen wordt met één klap een stuk minder dan ze hadden verwacht, ook al werken ze nu tot hun 67ste. Dat is bitter. Daarom wordt ook die maatregel  ‘gefaseerd’ ingevoerd. Maar die fasering valt mij tegen. De meeste leraren-licentiaten van mijn generatie hebben een dossier van vier studiejaren, maar die vier jaren worden al ‘uitgefaseerd’ tegen 2024. Dat is nogal snel.
     Hier ligt, vind ik, een kans voor mijn vakbond. Die mensen gaan toch vaak op de koffie bij de minister. Als ze alleen naar de minister trekken om met een boos gezicht en de vuist op tafel elk idee van verdere besparing te verwerpen, dan hebben zij mijn mandaat niet. Dat heb ik bij de verkiezingen al aan de regering gegeven. Maar hier een tijdelijke uitzondering toevoegen, daar een overgangscurve hertekenen, en nog ergens anders een maatregel wat dunner en breder smeren – voor zoiets krijgen ze wél mijn mandaat.
     Ik mag hopen dat ikzelf profijt trek van een of andere uitzonderingsregel die dusdanig tot stand komt. Als dat niet zo is, dan zal ik berusten. Er moet tenslotte bespaard worden en er is vroeger veel uitgegeven. Maar eerst zal dan de naam van de Heere een paar keer ijdel gebruikt worden.

___________________

 
(1) Ik heb hier enkele bedenkingen neergeschreven bij de bewering als zou de pensioenhervorming leiden tot pensioenverlies. 

(2) Die belastingen en bijdragen op ambtenarenlonen zijn iets grappigs. Eerst betaalt de staat zogezegd een brutoloon, en daarna vordert ze een bepaalde som daarvan terug. In werkelijkheid verandert die som op geen enkel moment van eigenaar en blijft ze de hele tijd in de staatskas liggen. In de private sector is dat even anders.

(2) We betalen nu de pensioenen van degenen die op 55 of 58 hun loopbaan beëindigden. Het weze hen gegund.

(4) Zo kent de wet iets als ‘erfdienstbaarheid’. Een boer die van vader op zoon met zijn tractor over jouw landweg rijdt, kun je na een bepaald ogenblik niet meer vragen om een andere weg te nemen. Je had daar maar eerder iets van moeten zeggen. Dat heet ‘erfdienstbaarheid door verjaring’. De ‘verworven rechten’ waar je dezer dagen vaak over hoort, lijken daar wel de syndicale tegenhanger van.

(5) Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman heeft over die kwestie geschreven in dat prachtige boek Ons feilbare denken (hoofdstuk 28). Ons rechtvaardigheidsgevoel is sterk gebaseerd op een ‘afkeer van verlies’. Mensen vinden het onrechtvaardig dat het loon van een werknemer verlaagd wordt. Een nieuwe werknemer die aan een verlaagd loon wordt aangenomen, vinden ze minder onrechtvaardig.

(6) De diplomabonificatie was op zichzelf een dubbele onrechtvaardigheid. De jaren die je studeerde aan de hogeschool of universiteit werden bij je beroepsloopbaan geteld voor de pensioenberekening, terwijl je die jaren niets geen bijdragen betaald had en tegelijkertijd, op staatskosten, genoten had van bijna gratis onderwijs. Dat was niet alleen discriminerend tegenover werknemers van de private sector maar vooral tegenover werknemers die niet het voorrecht genoten om te studeren.


 

zaterdag 28 mei 2016

Ik staak niet


     Sommige van mijn beste vrienden staken volgende week dinsdag en dat doet mij veel verdriet. Het zijn leraren, en hun argumenten om te staken zijn niet min. Langer werken, minder pensioen, contractbreuk, geen sociaal overleg.
     Over die contractbreuk en dat sociaal overleg, schrijf ik binnenkort nog wel een stukje. Over dat langer werken zwijg ik, want ik heb ik er laatst nog een stukje aan gewijd (hier). Ik heb trouwens niet de indruk dat dat langer werken nu een beslissende stakingsgrond is. De collega’s hebben er zich al min of meer bij neergelegd. Het duurt nog lang voor het zover is, denken de jongeren. De ouderen genieten dan weer van overgangsmaatregelen waardoor ze tóch vroeger kunnen gaan. Bij die van middelbare leeftijd wringt het een beetje, dat wel, maar ook zij aanvaarden dat er weinig tegen te beginnen valt.

     Als het daarentegen om de hoogte van het pensioen gaat, zijn jong en oud en middelbaar in gelijke mate verontrust. En dat is begrijpelijk. Leraren ontvangen een pensioen van 2 000 tot 2 300 euro netto per maand, terwijl de modale werknemer met moeite aan 1 300 euro komt (1). Het is één zaak om dat verschil goed te praten in de lerarenkamer, onder collega’s, maar de boze buitenwereld heeft daar allemaal weinig begrip voor. Diep in zijn hart is elke leraar dus bang dat iemand dat verschil ooit opmerkt en daar dan ophef over maakt.  Hij vreest dat dan de daling is ingezet naar het niveau van de werknemer – is het niet onder deze regering, dan onder een volgende. Daarom is de leraar bereid om desnoods preventief te staken, zelfs als er op dit ogenblik geen maatregelen ter tafel liggen.
     De vakbonden gaan een stap verder om de stakingswil aan te moedigen. Ze beweren dat die gevreesde pensioendaling er nu al is. Via het postsysteem van de school kreeg ik een brief die uiteenzette hoe de huidige maatregelen ons pensioen met 15 % verlagen en hoe er andere maatregelen klaar liggen om het nog eens met 15 % te korten.
     Sommige dingen zijn te mooi om waar te zijn, maar hier, dacht ik, hadden we iets dat te lelijk was om waar te zijn. Ik aarzelde niet om mijn vakbondsafgevaardigde een woord uitleg te vragen, vooral omdat dat de liefste man ter wereld is. En de geduldigste, want hij heeft mij omstandig uitgelegd hoe het pensioenbedrag berekend wordt, waarom vermenigvuldigingen commutatief zijn, wat preferentiële tantièmes zijn, waar de diplomabonificatie een rol speelt en op welke manier het referentieloon tot stand komt.
     Ik heb niet alles begrepen. Het was teveel. Wel heb ik begrepen dat we de problemen niet dubbel mogen tellen. Het is dus niet zo dat we langer moeten werken en minder pensioen krijgen. Het is het één of het ander(2). Iemand die netjes op tijd afstudeert, onmiddellijk voor het onderwijs kiest, en flink doorwerkt tot zijn zevenenzestigste, die krijgt aan het einde van zijn loopbaan nog altijd hetzelfde vorstelijke pensioen als beloning voor bewezen diensten aan de maatschappij. Maar iemand met een onvolledige ambtenarenloopbaan –  dat is een andere zaak.
     Voor mij is dat verdomde pech. Toen ik achttien jaar geleden leraar werd, had ik al menig baantje achter de rug, als arbeider, paracommando, deeltijds en voltijds zelfstandige, en kantoorklerk. Zo’n bonte loopbaan is een bron van allerlei mooie herinneringen en smakelijke verhalen, maar veel pensioenrechten beur ik er niet uit. Anderzijds zal ik bij mijn pensionering niet meer dan tweeëntwintig ambtenarenjaren verzameld hebben. Met de diplomabonificatie kon ik daar in het oude systeem nog vier jaren aan toevoegen en met de preferentiële tantièmes nog wat meer. Als ik dat als amateur uitreken, kom ik voor mij aan een verlies van rond de 20 à 25 %. Dat is het slechte nieuws. Het goede nieuws is dat mijn jonge vriend P., die wel staakt, dat offer niet zal moeten brengen.
 


________________________

(1) Cijfers uit mijn kennissenkring. Professor Annie Hondeghem geeft in De Standaard (31 mei 2016) als gemiddelde bruto cijfers voor ambtenaren 2 341 euro en voor werknemers 1 360 euro.

(2) Toen ik dit schreef, was ik toch een beetje ongerust. Altijd bleef de twijfel. Heb ik het verkeerd begrepen? Heb ik de verkeerde mensen geloofd? Heb ik het fout uitgerekend? Ondertussen heb ik het vtm-debat op 31 mei tussen Peter De Roover (nva) en Chris Reniers (acod) gezien (hier).  Op exact de tiende minuut zegt vakbondsvrouw Reniers: “Langer werken, dat zijn mensen die zes, zeven jaar langer zullen moeten werken voor hetzelfde bedrag. Dat vind ik niet redelijk.”  Nu kan ik weer gerust slapen. De voorzitter van de Algemene Centrale der Openbare Diensten zegt het zelf: “langer werken voor hetzelfde bedrag”.  Of was het een verspreking van haar kant?

vrijdag 20 mei 2016

Eenenzestig

Drie
   Als je zestig wordt, komen de filosofische vragen. In welk metafysisch gat zijn al die voorbije jaren verdwenen? Wat kan en wil ik nog bereiken in de tijd die overblijft? (1)-- Als je eenenzestig wordt komen de praktische vragen. Wanneer kan ik met pensioen en hoe hoog zal dat pensioen zijn? Ik zou dat eigenlijk eens aan specialist moeten vragen.
     Mijn eigen vader ging met pensioen op zijn vijfenzestigste. Dat lijkt mij een natuurlijke leeftijd en ik wil het zelf ook niet langer maken. Als mijn pensioenrechten niet beheerd werden door een regering, maar door een plaatselijk bookmakerskantoor, dat meer uitbetaalt als je langer werkt, en minder als je korter werkt, dan ging ik wellicht toch op mijn vijfenzestigste. Ik zou met zo’n bookmakersregeling niet gegaan zijn op mijn vijfenvijftigste, zoals collega’s uit de goede oude tijd, die af en toe een prentbriefkaart sturen uit een ver land en die het dus goed maken. Ik zou  niet gegaan zijn, want met de rente die de bookmaker mij na mijn vijfenvijftigste zou uitbetalen, zou ik mij geen verre reizen en geen prentbriefkaarten kunnen veroorloven. Aan de andere kant zou ik evenmin doorgaan tot mijn vierentachtigste, ook al kreeg ik dan heel wat meer en mocht ik op het werk mijn pantoffels aanhouden. Ik wil, net als iedereen, nog wat genieten van de jaren na het werkleven, want we kennen dag noch uur.
     Met dat genieten is het een moeilijke zaak. Wat moet ik mij daar bij voorstellen? Ja - ik zou dagelijks een uurtje kunnen fietsen. Ik zou een boek kunnen lezen over Napoleon, of over de ontcijfering van Myceense kleitabletten, of over de onvergetelijke Tocht van de Tienduizend. Ik zou elke dag een lang warm bad kunnen nemen, met mijn elektronische boeklezer bij mij in een doorzichtig plastieken zakje. Maar al die dingen doe ik nu al, en het is lang niet zeker dat ik gelukkiger zou zijn als ik tweemaal per dag een lang, warm bad nam. Ook zou ik heel wat meer in het huishouden kunnen doen, maar dat bewijst alleen dat opruststelling evengoed zijn nadelen heeft.
     Nu denk je misschien dat zo iemand, dan toch een leraar zich een werkelijkheidsgetrouw beeld moet kunnen vormen van zijn toekomstige oudedag. Hebben wij leraren niet per jaar twee lange maanden vakantie, waar elke zelfstandige, werknemer of ambtenaar ons om benijdt? En zijn niet die twee maanden pret een voorafschaduwing van het lange feest dat ons wacht na een arbeidzaam leven? Is die zomervakantie niet een beetje het kleine broertje van het pensioen, zoals de slaap het kleine broertje is van de dood (2)?
     Mijn pensioen zal in elk geval anders zijn dan mijn zomervakanties. Tijdens de zomervakantie leef ik met de niet aflatende achtergrondruis van het komende schooljaar. Ik zit te dubben of ik les A, tekst B en opdracht C niet zou vervangen door een andere les, tekst of opdracht, bijvoorbeeld D, E en F. De ervaring heeft wel geleerd dat D, E en F zelden beter zijn dan A, B en C, maar toch blijf ik dubben. En dat dubben is een excuus om allerlei echt leuke dingen niet te doen, want al lig ik op de bank naar tv te kijken, ik zou eigenlijk dringend moeten werken aan die les, die tekst of die opdracht.
     Dat is altijd zo geweest: ik heb nooit goed werk en vrije tijd gescheiden kunnen houden. Misschien wordt dat anders als het werk er niet meer is. Nog even.
  

(1) Lees hier.
(2) Luister hier.