Posts tonen met het label Plato. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Plato. Alle posts tonen

woensdag 14 april 2021

Populisme en elitisme (2)

 


     In mijn stukje van gisteren* schreef ik iets over reëel bestaande, ‘zichtbare’ elites:  jonkers, zakenlui, kerkleiders, generaals, professoren, theaterregisseurs, hoofdredacteurs en voetballers in Eerste Klasse. Ze vormen een soort clubs, waar de toelatingsvoorwaarden min of meer bekend van zijn. Met een morele elite is het anders gesteld. Die is onzichtbaar, niemand weet wie er lid van is – nog het minst de leden zelf. En als zo’n morele elite toch een echte club gaat vormen zoals de Farizeeën, de Puriteinen, of de Orde van de Politiek-Correcten, dan loopt het niet goed af. Je eindigt bij Molières onsmakelijke held Tartuffe. Ach, zo erg is dat ook weer niet. Een maatschappij zonder zulke exemplaren is eigenlijk niet goed denkbaar.
     De ware ellende begint als men, zoals Plato, Lenin, Himmler en Roeland Raes, naast moraal en elite, er ook nog eens de politieke macht bij betrekt. Het is nochtans de meest logische gedachte ter wereld: vertrouw de macht toe aan de besten in de maatschappij. Maar ’t is een drogreden. In de praktijk gebeurt het tegenovergestelde: degenen die de macht hébben, vertellen aan iedereen dat zij, en niemand anders, de besten zijn en dat je hen maar beter gelooft, want anders zwaait er wat. Op die aristocratische drogreden heeft de filosoof Karl Popper een goed antwoord uitgewerkt. Hij draaide de zaken om: of je de macht toevertrouwt aan de besten, kun je op voorhand niet weten. Het kan achteraf blijken dat het  de slechtsten waren. Zorg dus voor een plan B – regelmatige verkiezingen – waarmee je die slechtsten weer in alle rust en kalmte naar huis kunt sturen. Daarmee onderbouwde hij de bestaande democratische praktijk met een stevige theorie.
     Onze representatieve democratie omzeilt de kwestie van de ‘besten’ en de ‘slechtsten’. De macht komt bij de verkozenen en iedereen bepaalt mee wie verkozen wordt: van profvoetballers tot professoren en van dokters tot straatvegers. En het mooie is: die dokters en straatvegers stemmen ongeveer op dezelfde partijen, misschien niet uit dezelfde overwegingen, en misschien niet in gelijke mate, maar toch ongeveer. Als we alleen dokters of alleen straatvegers, zouden laten stemmen, zou dat zeker een verschuiving geven, maar die zou helemaal niet zo groot zijn als je zou verwachten. We denken bij een Brexit-stemmer aan een lager opgeleide bejaarde, maar uit de onderzoeken blijkt dat er ook heel wat hoger opgeleide jongelui bij waren – minder natuurlijk, maar niet zoveel minder als je zou denken.
     Zeker, als alleen een heel specifieke elite aan verkiezingen mocht deelnemen, zoals  theaterregisseurs of  onderzoekers in de menswetenschappen, dan zou je een aardverschuiving naar links en naar politiek-correct krijgen, maar daarmee is nog niet gezegd dat dat een wenselijke aardverschuiving zou zijn. Er is een tijd geweest dat veel theaterregisseurs en onderzoekers in de menswetenschappen voor de nazi’s of voor de communisten stemden, en ondertussen weten we dat dat eigenlijk geen wenselijk stemgedrag was.
     Wie nu denkt dat het elite-probleem in de politiek verdwijnt door verkiezingen, vergist zich. Door de representatieve democratie ontstaat een nieuw elite-probleem. Die verkozenen worden zelf weer een aparte elite, met een eigen mentaliteit, voorkeuren en gewoontes. Of ze als elite nog andere kwaliteiten hebben dan de gave om zich te laten verkiezen en af en toe te luisteren naar mensen die wél op de hoogte zijn**, dat is niet helemaal duidelijk. Maar veel zakenlui, professoren en topvoetballers hebben ook geen andere gave dan die ene waar ze zo’n succes mee boeken. Ook is het waar dat binnen de elite van verkozenen weer nieuwe elites ontstaan, van partijvoorzitters en ministeriabelen, die zich afscheiden van de bankzitters. Daar valt weinig tegen te beginnen. We kunnen ons troosten met de gedachte dat plan B ook die elite binnen de elite naar huis kan sturen als ze het té bont maken. ’t Is moeilijker, want het werkt onrechtstreeks, maar moeilijk gaat ook.
     Men heeft vroeger wel eens gedacht dat de aparte mentaliteit van de politieke verkozenen – eerder elitistisch dan elitair – op mysterieuze wijze veroorzaakt werd door het pluche van de stoelen waarop ze zaten. Dat is een nogal esoterische verklaring. Zelf zou ik veeleer denken aan de macht der gewoonte, de tunnelvisie van de vergaderkamer, de techniciteit en verwevenheid van de problemen, de internationale complexiteit, de fragiliteit van de evenwichten ... Dat alles leidt ertoe dat men zich voor het gemak op oude problemen richt en naar vertrouwde oplossingen grijpt, vooral als men die oplossingen een nieuwe naam kan geven. Een probleem waar men geen vertrouwde oplossing voor heeft, is een probleem waar men liever niet over spreekt, of waar men juist heel veel over spreekt om er niets wezenlijks aan te doen. Het migratieprobleem is een voorbeeld van het eerste, de opwarming van de aarde een voorbeeld van het tweede. En dat terwijl grote delen van de bevolking de genegeerde problemen scherper zien of zelfs op een directe manier ervaren***.
     Het is geloof ik vooral die directe ervaring van genegeerde problemen die leidt tot het ontstaan van populistische partijen en stromingen. Technische oplossingen – referenda, lotto-democratie, online bevraging en gemengde burgerpanels – zijn hier niet het beste en zeker niet het enige antwoord. Een beter antwoord is dat men een dialoog aangaat met de populisten en hen aan de macht laat deelnemen,****, en dat de centrumpartijen hun best doen om de verzuchtingen van het populisme over te nemen en in realiseerbare plannen om te zetten. Dat zijn taken voor een verantwoordelijke elite. En dan houdt zo’n elite best voor ogen dat niet alle populistische verzuchtingen terecht zijn, en dat ze niet allemáál in realiseerbare plannen kunnen worden omgezet.

 

* Mijn stukje van gisteren vind je hier

** Mensen die wél op de hoogte zijn, technocraten dus, hebben hun eigen plannen, voorstellen en stokpaardjes. Ook die kunnen wel eens mank lopen, of tegenstrijdig zijn met die van technocraten uit een andere sector. Of op mijn zenuwen werken, zoals hier.

 *** Radicale anti-populisten zullen zeggen dat die problemen niet ervaren maar aangepraat worden, zoals indertijd de Duitsers een Jodenprobleem werd aangepraat. Net zoals radicale klimaatontkenners zullen beweren dat de opwarming van de aarde een ‘aangepraat’ probleem is. Of dat zo is, valt moeilijk a priori uit te maken. In werkelijkheid bestaan er zowel echte als aangeprate problemen, zoals er ook problemen bestaan die overdreven en geminimaliseerd worden.  

 **** Je zou die machtsdeelname kunnen vergelijken met de komst van de socialisten in de regeringen, na de Eerste Wereldoorlog. Of die een verandering ten goede heeft meegebracht, laat ik hier in het midden. Zeker is dat het extremisme van die partijen – alles nationaliseren – erdoor werd afgezwakt, eerst in de praktijk, en later in de theorie.

dinsdag 13 april 2021

Populisme en elitisme

 

     Er wordt al jaren gesproken en geschreven over populisme, maar veel minder over de noodzakelijke pendant ervan: het elitisme. Het zijn blijkbaar allebei vieze dingen. Slechts een moedige enkeling zoals Marc Ernst of Koenraad Elst durft het ene dan wel het andere onbeschroomd bepleiten.
     Ik heb weinig moeite met ‘welbegrepen’ populisme of elitisme. In het leger was ik lid van een regiment – hét regiment – dat zich trots tot de elite van het leger had uitgeroepen. Jan speelde in het jeugdvoetbal in de zogenaamde nationale ‘elite’-reeks. Doe je iets fout als je beter een pas opvangt of doorgeeft dan je vriendjes, of godbetert vaker scoort, of als je een speedmars en een hindernissenparcours in een heroïsche tijd aflegt terwijl je, in tegenstelling tot in die Amerikaanse films, je geweer en ‘stormgordel’ meesleurt?
     Tom Naegels verwondert er zich op zijn facebookpagina over dat gewezen Vlaams Blok-kopstuk Roeland Raes in 1973 zonder schroom opriep tot het vormen van een ‘elite’. ‘Men zou er maar eens mee moeten ophouden, schreef Raes toen,  om iedereen te willen overtuigen dat de massa gezag, wijsheid en collectieve wil bezit … Het tegendeel is waar: de massabeweging is verward, onzeker, manipuleerbaar.’ Mij verwondert het helemaal niet dat Raes dat schreef, want ’t was de zuivere waarheid, toen en nu. Akkoord, Tom van Grieken zou zoiets nu niet meer zeggen, maar de elite waar Raes over schreef was een andere dan die waar hedendaagse populisten tegen te keer gaan. 
     Wél fout is de conclusie die Raes, en met hem het Vlaams Blok van de begindagen, aan de stelling verbond: dat democratie, in die tijd door sommigen ook ‘domocratie’ genoemd, een slecht systeem was. Ik heb lang geleden Jurgen Ceder op een meeting nog rustig horen uitleggen dat je staatszaken niet aan de democratie moest overlaten, net zomin als je een medische diagnose overliet aan de schoonmaakploeg van het ziekenhuis. Ik heb toen heftig geprotesteerd vanuit de zaal, terwijl mijn eigen democratische overtuiging in die tijd vooral de ‘leidende rol van de voorhoedepartij’ behelsde, een extreem elitisme dat was uitgewerkt door Lenin in Que faire?
    Het is gewoon erg moeilijk om je een maatschappij voor te stellen met helemaal géén elites die een stempel zetten op de gehele samenleving. Zo’n maatschappij zou voortdurend de spontaan opduikende elites moeten onderdrukken, en dat onderdrukken zou ook weer door een elite moeten gebeuren. In zulke omstandigheden is het beste nog om het bestaan van elites te aanvaarden als een fact of life, en om de aandacht te verplaatsen naar de vraag hóe de elites tot stand komen en wát ze doen.
     Er zijn om te beginnen soorten elites: de financiële elite, de culturele elite, de artistieke elite, de onderwijzende elite, de intellectuele elite, de technologische elite, de sportieve elite, de politieke elite, de bureaucratische elite, en wie wil kan er nog veel meer bedenken. Er heeft wellicht nooit een samenleving bestaan waar de verschillende elites mooi samenvielen, en dat is vandaag evenmin het geval. Ik had bijna geschreven: vandaag, minder dan ooit, maar zoiets zou ik dan weer moeten gaan controleren en hoe begin je dááraan?
     Met dat alles verwant is de kwestie van de toetredingsvoorwaarden. Hoe word je lid van een elite? Is het je aristocratische afkomst die het hem doet? Moet je een staatsexamen afleggen zoals de Chinese mandarijnen? Kun je een entreekaartje kopen als je veel geld hebt? Hoe belangrijk zijn de netwerken van ons-kent-ons? Word je makkelijker notaris, apotheker of dokter als een van je ouders notaris, apotheker of dokter is? Jan studeert geneeskunde en de meeste van zijn vrienden zijn dokterskinderen. In Spanje, liet ik mij vertellen, gebeurde het wel eens dat een universitaire leerstoel overging van vader op zoon. Zelf hou ik nogal van het meritocratisch beginsel – ‘la carrière ouverte aux talents’ zoals Napoleon het verwoordde – maar ook dat heeft zijn nadelen: als je er niets van terecht brengt, kun je de schuld niet geven aan het milieu waarin je geboren werd, het kastesysteem waarin je opgesloten bent, het glazen plafond waar je tegenaan botst of de ‘structurele’ discriminatie die in het systeem zit ‘ingebakken’.
     Toen Roeland Raes in 1973 scheef over de noodzaak van een elite, dacht hij ongetwijfeld niet aan een sportieve, financiële of technologische elite, maar aan een morele elite, in de traditie van Plato en, zeg, Joris Van Seeveren, Dát is een heikel punt. Er bestaan ongetwijfeld mensen die hogere morele principes hebben dan andere, en er ook naar leven. Maar zoeken die mensen elkaar op? Vormen ze samen een club? En wat gebeurt er áls ze samen een club vormen? Zoals de Farizeeën waar Jezus tegen te keer ging, of de Brahmanen waar Boeddha zo kritisch over was. Bij zo’n club rijst al snel de vraag of het om ‘heiligen’ of ‘schijnheiligen’ gaat. De ‘Compagnie du Saint-Sacrement’ had Tartuffe als vooraanstaand lid. De puriteinen van Salem waren op hun manier erg deugdzaam, maar verdraagzaamheid stond op hun deugdenlijstje niet bovenaan.
     En wat gebeurt er verder als je moraal, elite en politieke macht in één discours probeert te vatten? Daar schrijf ik morgen misschien een stukje over.

 

woensdag 16 september 2020

Anamnese


     Nu Jan bijna dokter is, gebruikt hij termen als ‘functioneel probleem’, ‘decompensatie’ en ‘anamnese’. Een medische leek als ik heeft dan de indruk dat hij die termen ongeveer begrijpt, maar dat is meestal een verkeerde indruk. Anamnese bijvoorbeeld is in de wereld van Jan een vraaggesprek tussen arts en patiënt terwijl ik meteen aan een theorie van Plato denk. Die filosoof beweerde namelijk dat herinnering (ana mnesis) de bron was waar wij al onze kennis uit putten. Als wij iets ‘leren’ doen wij niets meer dan, al dan niet geholpen door een meester, ons herinneren wat we al wisten in een vorig bestaan.
     Zou Plato gelijk hebben? Voor de eenvoudige axioma’s en stellingen van de meetkunde is zijn theorie bespreekbaar; voor fysica hecht ik er weinig geloof aan. Ik las ooit een verklaring waarom de zonnestralen die door een bladerdek komen zo mooi rond zijn, terwijl de gaten waar ze doorkomen allerlei onregelmatige vormen hebben. Als ik die verklaring ooit in een vorig bestaan heb gekend, ben ik die in datzelfde bestaan onmiddellijk vergeten, zoals ik die in dit bestaan ook onmiddellijk vergeten ben. Plato zou voor dat verschil tussen wiskunde en fysica wellicht een uitleg klaar hebben gehad, waar woorden als ‘gnosis’ en ‘doxa’ bij te pas komen.
     In het levensbeschouwelijke echter is anamnese, of iets wat erop lijkt, erg aannemelijk. Mijn Facebookvriend Martin Seynaeve heeft een aantal podcasts beluisterd van Bregman en er is een wereld voor hem opengegaan. Overal om zich heen ziet hij bewijzen van de menselijke goedheid. Hij moet dat altijd al geweten hebben, van die goedheid, maar Bregman bracht het onder woorden. Ik las het boek ‘Het geloof der kameraden’ en mijn marxistische illusies overleefden het tweede hoofdstuk niet. Het leek alsof het boek alleen zaken verwoordde die ik al mijn hele militantenleven bijna gedacht had. Walter Block was in zijn jeugd een extreme socialist – d.w.z. hij was socialist in de Verenigde Staten waar socialisme op zich al een extreme denkstroming was. Hij las het boek ‘Economy in One Lesson’ van Henry Hazlitt en werd een levenslang pleitbezorger van het kapitalisme. ‘This book was so me,’ verklaarde hij zijn bekering.*

 * Ik heb die bekering hier al eens aangehaald. Het boek van Hazlitt vind je hier‘Het geloof der kameraden’ kan hier gelezen worden. Het boek van Bregman heb ik in meerdere stukjes op mijn blog besproken.

zaterdag 10 juni 2017

Lerarentekort - Is meer pedagogie de oplossing?

     Wat ook veel te vaak wordt hervormd en vernieuwd is de lerarenopleiding. We lazen van de week in de krant dat het wiskundeniveau daalt en dat er te weinig wiskundeleraren zijn. En wat lees ik in Het Nieuwsblad?* ‘Onderwijsminister Hilde Crevits (CD&V) wil het probleem tackelen door de lerarenopleiding te hervormen.’ Ik betwijfel of dat de oplossing is. Als het aan mij lag zou ik juist al die hervormingen van de laatste veertig jaar weer afschaffen. Of ik daardoor meer wiskundeleerkrachten zou krijgen, weet ik niet, maar meer of minder, ik zou het tóch doen.
     Er moet een Gouden Tijd bestaan hebben toen universitaire diploma’s van wiskunde, fysica en germanistiek directe toegang verleenden tot het lerarenberoep. Je moest er nog twee of drie pedagogische vakjes bij nemen, je moest een paar stagelessen geven, en de zaak was beklonken. Die Gouden Tijd heb ik niet meer meegemaakt. Toen ik afstudeerde waren die vakjes al zodanig uitgedijd dat ik er een heel jaar mee bezig was. 
     Dat was niet altijd even aangenaam. Mijn ergernis was meteen gewekt toen ik in  ‘Algemene pedagogie’ op de eerste bladzijde een definitie van ‘leren’ kreeg die nergens op sloeg. Uit die definitie volgde dat we als leraren niet aan ‘kennisoverdracht’ mochten doen.* Ook moest ik op geregelde tijden met medeleerlingen, en onder begeleiding, ‘reflecteren over de onderwijspraktijk’. Maar laat ik mild zijn: niet alles in het programma was onzin. Ik heb er enkele inzichten in leerprocessen aan overgehouden, en een paar nuttige adviezen. Als je echter alles wat interessant of nuttig was bij mekaar harkte, had je toch voor niet meer dan twee of drie kleine vakjes, zoals vroeger. 
     Goed, je wilt lesgeven en je moet erdoor. Je denkt dat je dat lesgeven wel al doende zult leren en je hebt een paar oud-leraren voor ogen die je graag wil nabootsen, maar je zet die gedachten tijdelijk uit je hoofd en je verstand op nul – wat een uitstekend uitgangspunt is om pedagogie te studeren. Wat is nou een extra jaar? Un mauvais quart d’heure à passer, meer niet.
     Helaas is er de laatste tijd iets nieuws aan de hand. De nieuwigheid bestaat erin dat de pedagogische opleiding niet alleen wordt uitgebreid – wat al erg genoeg is – maar dat ze wordt uitbreid ten koste van de wetenschappelijke vakopleiding. Hoe zal Crevits voor meer wiskundeleerkrachten zorgen? ‘Ze wil,’ zo schrijft Het Nieuwsblad, ‘dat jongeren na het middelbaar ook aan de unief meteen voor een lerarenopleiding kunnen kiezen, met de zogenaamde educatieve master.’ Wie geen bezwaar heeft tegen slecht proza kan over die educatieve master lezen in Crevits haar conceptnota ‘Wervende en kwalitatieve lerarenopleidingen’ – alinea 3.2.7.
     Ik weet hoe het zal eindigen met die educatieve master. We komen ten langen leste uit op twee universitaire opleidingen: de echte wiskunde en de onderwijswiskunde, de echte fysica en de onderwijsfysica, de echte taal-en-letterkunde en de onderwijstaal-en-letterkunde. En de onderwijsvariant wordt de light versie. Universitaire wiskunde light! Tja. Ik weet ook hoe men dat zal ontkennen: ‘de bacheloropleiding blijft gemeenschappelijk’, ‘we zullen de instroom versterken via een verplichte, niet-bindende toelatingsproef’*, ‘we gaan zowel de vakinhoudelijke als de educatieve inhoud versterken’.
     Dat zijn praatjes, vooral dat laatste.  In alinea 3.2.4 van de Conceptnota worden de terreinen van de versterkte lerarenopleiding opgesomd:
  • Vakinhoudelijke kennis
  • Didactische vaardigheden
  • Klasmanagement
  • Praxisonderzoek
  • Toenemende diversiteit in een grootstedelijke context.
     In zo’n opvatting is ‘vakinhoudelijke kennis’ maar één van de vijf ingrediënten –  ingrediënten waar ik er gemakkelijk nog enkele bij kan van verzinnen. En in elk geval voorziet de educatieve master 120 studiepunten ‘waarvan 60 studiepunten aan de component leraar worden besteed.’ De helft gaat dus naar het lerarengedoe en de helft gaat naar de vakinhoud. Dan wordt die vakinhoud toch wel aardig uitgekleed, vind ik.
     De reden die Crevits voor de educatieve master aangeeft is kletskoek. ‘We willen dat jongeren op 18 al een bewuste keuze kunnen maken voor leraar.’ Maar die bewuste keuze hebben achttienjaren altijd al kunnen maken. Toen ik aan mijn opleiding Romanistiek begon, had ik niet de minste twijfel dat ik leraar wou worden, net zoals tachtig procent van mijn medestudenten. Daarvoor moest er echt geen educatieve master Romanistiek worden opgericht. Wel waren er sommigen die in de loop van hun studies veranderden van mening en vooralsnog een andere loopbaan kozen. Dat is uitstekend. We leven in een vrij land. Wij willen alleen échte leraren en leraressen in ons beroep. De rest doet maar iets anders.
     Crevits heeft daarbij wel gelijk als ze denkt met universitaire opleidingen light meer kandidaten aan te trekken. Dat zullen dan kandidaten zijn die wetenschappelijk wat minder aanleg hebben.* Natuurlijk betwist ik niet dat er daar bij zullen zijn die goed les kunnen geven. Het zijn niet altijd de beste wetenschappers die de beste lesgevers zijn. En dan: is al die wetenschap wel nodig? Is het wel nodig dat eenvoudige leraren Nederlands, om in mijn vakgebied te blijven, noties hebben van Indo-Germaans, Gotisch, principes van klankverschuiving, fonologische en morfologische analyse, structuralistische en generatieve grammatica, allemaal zaken waar zij in hun lessen toch niets mee aanvangen Waarom die arme studenten lastig vallen met de poëzie van Willem Bilderdijk, Jacob Da Costa en P.A. de Génestet als ze die aan hun leerlingen toch niet verkocht krijgen, gesteld dat zij dat zouden willen?
     Ja, dat heb je met universitaire studies. Veel is niet direct nuttig. De fictie wordt in stand gehouden dat al die studenten eigenlijk toekomstige wetenschappers zijn die hun verdere leven aan de studie van klankverschuivingen en dergelijke zullen wijden. Maar die fictie heeft zijn charme. Het is, om met Plato te spreken, een ‘nobele fictie’. Dat elk jaar tienduizenden jongeren een instituut bezoeken waar niet ‘nut’ maar ‘waarheid’ centraal staat, trekt een versterkte muur op rond onze beschaving. Het is goed dat die jongeren gedurende enkele jaren worden aangewaaid door de tegendraadse gedachte ‘Fiat veritas, pereat mundus’. Het is eveneens goed dat een flink deel van die jongeren in het onderwijs terecht komen waar ze hopelijk de vlam van de wetenschap, zij het op een laag pitje, levend houden.
    In de vroege jaren zeventig gaf op het Sint-Aloysiuscollege te Menen, dat nu SAM heet, de jonge Antoon Vandendriessche les in de vakken Nederlands, Engels, Duits en Geschiedenis. Hij vertelde over Paul Lebeau, aan wie hij zijn scriptie had gewijd, en over George Bernard Shaw, ‘der Alte Fritz’,  Barbarossa, en ook over die andere keizer die in zijn onderhemd en op zijn blote knieën naar Canossa trok. Als hij op dreef was schreef hij een Indo-Europese stam op het bord, tekende hij een Hegeliaanse triade, stelde het werk van Elsschot voor op een x- en y-as, of lichtte het begrip ‘chaosmos’ toe tegen de achtergrond van Finnegan’s Wake.
     Wij waren een beetje trots op onze leraar. Antoon Vandendriessche kwam net van de universiteit. Hij was aangeraakt door de wetenschap. Maar ik geloof niet dat hij veel lerarenopleiding had meegemaakt. Hij deed aan kennisoverdracht.

* Alle aanhalingen uit Het Nieuwsblad, 8 juni 2017 – Het Laatste Nieuws 26 maart 2016 (hier) en de conceptnota Lerarenopleidingen versterken – Wervende en kwalitatieve lerarenopleiding als basispijler voor hoogstaand onderwijs (hier). De titel van de conceptnota geeft een stilistisch voorproefje van het hele opstel.

** Van Popper heb ik geleerd dat je uit een definitie héél weinig kunt afleiden.

*** ‘Verplicht, maar niet bindend’. Heerlijk is dat.

**** De educatieve master kan de opleidingstermijn natuurlijk verkorten omdat er dan na de vakinhoudelijke master geen aparte lerarenopleiding moet worden gevolgd. Ook dat kan nieuwe studenten opleveren. Maar door de pedagogische kant van de opleiding drastisch te verminderen, zoals ik voorstel, krijg je dezelfde uitkomst.

donderdag 22 oktober 2015

Socrates over de 'Schwalbe'

Gisteren hebben onze U-17 in de groepswedstrijden van het WK gewonnen van Honduras. Bravo! Dat wou ik even kwijt voor ik mijn oude stukje van vorig jaar op mijn blog plaatste.

    Zonet hebben onze U-17 in Bulgarije verloren van Duitsland. Leuk vind ik dat niet, vooral omdat die U-17 aangevoerd werden door Wout Faes, een voetbalvriendje van Jan, maar het is nu eenmaal niet anders. Waar kunnen we ons wenden voor troost?
     Dat moet de Hollandse tv-commentator zich ook hebben afgevraagd, want de man had duidelijk Groot-Nederlandse sympathieën voor onze jonge Duivels. Híj zocht zijn troost in de filosofie. Na het eerste doelpunt van de Duitsers gaf hij volgende toelichting bij een wat onduidelijke Schwalbe. “Er is helemaal niet aan zijn knie geraakt. Die spelers willen allemaal graag naar de grond. De grote jongens in de Bundesliga hebben wat dat betreft het slechte voorbeeld gegeven. Je kunt teruggaan naar de oudheid. Plato heeft het al gezegd … Even deze bal afwachten … Plato heeft het al gezegd, samen met Socrates: ‘We hebben meer geleerd van de betogen van Aristoteles dan van zijn gedrag’. Maar dat was daarnet omgekeerd en daardoor gaat het vaak zo fout.”
     Dafuq? Wát heeft Socrates (469 vC – 399 vC) nu juist gezegd over Aristoteles (384 vC – 322 vC)?

In wijzerzin: Wout Faes, Socrates, Plato, Aristoteles

Oorspronkelijk geplaatst op 6 mei 2015