Posts tonen met het label Rawls. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Rawls. Alle posts tonen

zondag 20 november 2022

Joël de Ceulaer en de hoofddoek


     Ik heb onlangs nog een stuk over de moslimhoofddoek geschreven*, en ik was niet van plan om daar zo snel een vervolg aan te breien in de trant van  ‘De hoofddoek, deel 2’, ‘De terugkeer van de hoofddoek’, ‘De wraak van de hoofddoek’ en ‘De zoon van de hoofddoek’. Maar nu heeft Joël de Ceulaer er een van zijn ‘satires’ aan gewijd en daarom wil ik voor één keer een uitzondering maken. Bij zo’n stuk van Joël voel ik mij vaak als een kind in een snoepwinkel waar alles gratis is: in bijna elke zin zit iets lekkers om op te sabbelen. Ik weet niet waar ik eerst naar moet grijpen.
     Neem de eerste alinea. Daarin vergelijkt Joël de harde houding hier ten lande tegenover hoofddoekdraagsters met de milde beoordeling van misstanden in de crèches. Als peuters worden ‘geslagen, vastgekleefd en met het hoofdje in de toiletpot geduwd’, dan wordt dat, schrijft Joël, ‘op alle niveaus gedoogd dan wel genegeerd of door de vingers gezien.’ Als ik zoiets lees, is mijn eerste reactie om in de lach te schieten. Joël doet hier denken aan een tooghanger die bralt dat de politie veel te snel boetes uitschrijft voor snelheidsovertredingen, maar moorden en verkrachtingen ‘door de vingers ziet’. ’t Is waar, die tooghanger stemt waarschijnlijk voor een andere politieke partij dan  Joël. 
     In de volgende alinea maakt Joël een vergelijking tussen Iran, waar de hoofddoek verplicht is, met het gemeenschapsonderwijs (GO!), waar de hoofddoek verboden is. ‘Ik hoop dat het ooit doordringt,’ schrijft hij, ‘dat een verbod hetzelfde is als een verplichting.’ ’t Is waar, je kunt met enig trekken en duwen elke bepaling zowel als verplichting (hoofdoek!) of als verbod (niet bloothoofds!)  formuleren. Dat maakt niet veel verschil. Wat wel een verschil maakt, is de partijdigheid of onpartijdigheid van een bepaling. In Iran bijvoorbeeld is er geen algemeen verbod om bloothoofds rond te lopen**. Er is in Iran juist een heel precieze verplichting dat alleen het vrouwelijke deel van de bevolking treft.
     Er zijn andere, dwingender redenen om de vergelijking tussen Iran en het GO! te verwerpen. De verplichting van de ayatollahs en het verbod van het GO! komen voort uit een andere motivatie en worden opgelegd met een ander doel. De hoofddoek in Iran is een onderdeel van de onderhorige rol die de vrouw in de fundamentalistische Islam krijgt toebedeeld. Het hoofddoekenverbod in het GO! daarentegen sluit aan bij de twee eeuwen oude idee van een neutrale lekenstaat die neutraal onderwijs organiseert. Ik ga daar verder niet op in, want Joël weet dat ook allemaal. Alleen vergeet hij het te schrijven.
    Ik wil mij hier beperken tot een evidentie. Het verbod van het GO! wordt in ruimte en tijd begrensd door de schoolmuren en de schooluren; de verplichting van de Iraanse overheid daarentegen omvat de hele openbare ruimte. Mocht de Iraanse overheid een hoofddoek op scholen verplichten, als onderdeel van het meisjesuniform, zou ik daar niet half zoveel problemen mee hebben, zolang de meisjes en de leraressen die hoofddoek weer mogen afdoen als ze de school verlaten. Dan is het dragelijk. En zo is het eveneens dragelijk dat de meisjes en leraressen in het GO! hun hoofddoek moeten afdoen bij het betreden van de school, zolang ze hem weer mogen aandoen – als ze dat per se willen – bij het verlaten ervan. Joël haalt het geval aan van die ‘sympathieke, gemotiveerde en welbespraakte’ Chaïmae Bentouhami die op de televisie haar wens kenbaar maakte om lerares-met-hoofddoek te worden. Goed, dan wil ik nog een stap verdergaan: de welbespraakte mag van mij haar hoofddoek ook dragen in de lerarenkamer, zolang ze hem maar afdoet in de klas.
     Joël verwijt het GO! dat het inconsequent is. Het onderwijsnet streeft zogezegd neutraliteit na, maar organiseert zelf de gesegregeerde lessen voor ‘islamitische, katholieke, joodse en vrijzinnige kindjes’***. ’t Heeft er weinig mee te maken maar ik moet het toegeven: die twee uurtjes per week zijn niet ‘neutraal’. Ze maken onderdeel uit van een historisch compromis dat de liberale founding fathers afsloten met hun katholieke tegenstanders. En van een compromis kun je geen uiterste consequentie verwachten. Trouwens, is  die kleine inbreuk op de neutraliteit gedurende twee uur per week een goed argument om nog meer neutraliteit prijs te geven?
     We komen zoetjesaan bij de kern van Joëls betoog, dat ook in de titel is vervat: ‘Het hoofddoekenverbod heeft niets te maken met neutraliteit, maar alles met islamofobie.’ Die Joël toch! Eerst wordt bij de vergelijking tussen het GO! en Iran elke verwijzing naar doel en motivatie ontweken, en nu wordt die de kern van het betoog. Joël weet dat degenen die de neutraliteit inroepen eigenlijk door islamofobie gedreven worden. Goed, als Joël dat weet, dan weet ik iets anders. Ik weet dat niet bij iederéén neutraliteit een excuus is voor islamofobie.
     Maar ik wil het Joël gemakkelijk maken. Ik zal het alleen over mezelf hebben en dan wil ik schuchter bekennen dat islamofobie bij mij wel een rol speelt. Ik weet dat het niet mag, en dat landen als Qatar en andere voorbeeldnaties internationale conferenties houden om tegen islamofobie te waarschuwen, maar ik geef het toe: ik ben bang. Bang dat het fundamentalisme binnen de islam verder opgang maakt, bang dat die opgang bij moslims de aanpassing aan hun nieuwe land bemoeilijkt, bang dat verschillende godsdienstbeleving van oud- en nieuwkomers tot spanningen leidt, bang van het hellend vlak dat leidt tot aparte sharia-rechtbanken voor bepaalde materies. Of om bij mijn onderwerp te blijven: bang dat moslimmeisjes die de hoofddoek liever niet dragen het in de toekomst nog moeilijker zullen krijgen om dat vol te houden. Mocht ik daar allemaal niet bang voor zijn, mocht ik met andere woorden minder islamofoob zijn, dan dacht ik misschien anders over hoofddoek en lekenstaat.
     Joël geeft een andere invulling aan het begrip islamofobie. Hij ziet er het onvermogen in ‘om onder elke hoofddoek gewoon de mens te zien in plaats van de vermeende ideologie.’ Joël heeft hier een kruimel van gelijk. Bij het beoordelen van mensen die we niet kennen gaan we al te snel af op uiterlijke kenmerken: op die ongepoetste schoenen, op die tatoeages, op dat roze geverfd haar, op die kaalgeschoren linkerslaap die het gezicht van een mooi meisje ontsiert. Vooroordelen zijn des mensen. In de school waar ik les gaf, was een godsdienstleraar die in hetzelfde jaar als ik begon les te geven. We lieten elkaar de eerste drie jaar links liggen. Ik was bang van hem omdat hij zo groot was, en hij van zijn kant was vooringenomen tegen mij omdat ik een das droeg. Nadat we toevallig in een discussie over Kant en Rawls verzeild raakten, veranderde dat, werden we onafscheidelijk en kon je ons elke middag in het café tegenover de school aantreffen, ook al was hij nog altijd zo groot en droeg ik nog altijd een das.
     Maar stel nu dat Joël hier gelijk zou hebben – dat islamofobie een kwestie is van vooringenomen reflexen – dan nog gaat het niet aan om die islamofobie af te wegen tegen iets als neutraliteit. Het gaat om twee verschillende sferen. Islamofobie is, als je wil, een deel van het probleem, en neutraliteit is een deel van de oplossing. Het is juist omdat we als mensen behept zijn met vooroordelen en fanatisme dat het goed is dat we die in sommige contexten minstens symbolisch afleggen. En dat moet gebeuren volgens neutrale spelregels waarbij de verschillende godsdiensten minstens formeel gelijk worden behandeld****. Dat is het hele eiereneten van de neutraliteit. De Franse lekenstaat heeft ongetwijfeld zijn wortels in antikatholieke vooroordelen en christianofobie. Dat neemt niet weg dat hij alles samen een redelijk kader geboden heeft om de conflicten tussen katholieken en antikatholieken te temperen.
    Naar het einde van zijn stuk komt Joël goed op dreef. ‘Menig Vlaams-nationalist wordt razend als men zijn zwart-gele leeuwenvendel een collaboratievlag noemt in plaats van een strijdvlag. Terecht. Tegelijk prediken diezelfde lieden dat iedere hoofddoek een teken van onderdrukking is - terwijl dat overduidelijk helemaal niet het geval is.’
   Ook hier wil ik een heel klein stukje met Joël meegaan. Een uitspraak over ‘iedere hoofddoek’ is een veralgemening, en een veralgemening in het maatschappelijke debat is gevaarlijk. Een moslimse die een hoofddoek draagt wordt niet noodzakelijk, altijd, en zonder uitzondering, meer onderdrukt dan een moslimse of een oud-Vlaamse die zo’n hoofddoek niet draagt. Maar zoals men zich terecht kan bezinnen over de algemene symboolwaarde van de zwart-gele vlag in de middeleeuwen, tijdens de oorlog, in de jaren vijftig en nu, zo kan men zich ook bezinnen over de algemene symboolwaarde van de hoofddoek sinds de Iraanse ayatollah-revolutie.
     Ik wil hier ook iets kwijt over de rol van het katholiek onderwijs in de hoofddoekenkwestie, al zegt Joël daar niets over.  Zoals geweten kunnen katholieke scholen vrij beslissen om de hoofddoek toe te laten of te verbieden. Boeve geeft de indruk dat hij die toelating gunstig gezind is, misschien onder het motto ‘godsdienst is godsdienst’, of om pluralistisch te zijn, of eigentijds, of om op die manier zijn eigen onderwijsnet een concurrentieel voordeel te bieden tegenover het GO!
     Ik heb daar iets van meegemaakt op de katholieke school waar ik les gaf. 15 jaar geleden, lang vóór Boeve, was daar een vacature voor een leerkracht economie. De toenmalige directie, die dolgraag eigentijds wou zijn, had een hoofddoekdraagster op het oog. De directeur kwam ons in de lerarenkamer geruststellen. Bij het sollicitatiegesprek had men gevraagd of de vrouw in kwestie haar hoofddoek als een symbool van fundamentalistische propaganda beschouwde. De vrouw had ‘nee’ geantwoord. De geruststelling door de directe was trouwens overbodig geweest want bij het begin van het schooljaar was hoofddoekdragende lerares, op aandringen van de raad van bestuur, vervangen door een andere lerares.
     Aangezien ik geen gedachten kan lezen, weet ik niet of onze hoofddoekdragende econome fundamentalistische opvattingen had of niet. Ik weet alleen dat ze erg vriendelijk was, want ze stond naast mij op de personeelsfoto die genomen werd tijdens de laatste dagen van de vakantie. Ik vermoed niet dat ze van plan was haar lessen economie te doorspekken met islampropaganda. Maar ik hoop dat ze nu les geeft in een andere school en het gezond verstand heeft gehad om daar de hoofddoek weg te laten. Dán weet ik bijna zeker dat ze niet van de fundamentele soort is. Ik denk hetzelfde van de moslimse poetsvrouw van mijn ouders. Die draagt geen hoofddoek, maar een sjaal. Als ze binnenkomt legt ze die af. Ze heeft wel een traditionele hoofddoek, zegt ze, maar die is om te dragen bij feestelijke gelegenheden. Ook van haar neem ik aan dat ze niet van de fundamentele soort is. Ik voel mij daar geruster bij.
    Ik keer terug naar Joël. Die spreekt, om te besluiten, zijn hoop uit dat de hoofddoekendiscussie niet in een eeuwige loop blijft vastzitten. Dat hoop ik ook. De discussie mag voor mij zelfs onmiddellijk worden stopgezet. Ik ben voorstander van het status-quo. De hoofddoeken moeten op straat niet verboden worden, zoals CD&V’er Hendrik Bogaert ooit voorstelde, ze moeten geen aanleiding geven tot een extra belasting, zoals Filip De Winter ooit voorstelde, en ze moeten niet in het GO! worden toegelaten, zoals Joël de Ceulaer nu voorstelt. Alles mag reglementsgewijs***** blijven zoals het was. Je suis demandeur de rien. 

 

* Voor mijn vorige stukje over de hoofddoek: zie hier.

** De Engelse koningin Elizabeth I verbood wel dat haar onderdanen ouder dan zeven jaar bloothoofs op straat rondliepen. Ze wou geloof ik met die maatregel de hoedenindustrie steunen.
*** Joël vergeet nog de protestantse kindjes. Ik heb minstens twee mensen gekend die als enige van de school les konden volgen in de protestantse godsdienst.

**** Dus ook geen andere religieuze symbolen op school. Wel kan formele gelijkheid volgens neutrale regels een zekere ongelijkheid in de praktijk inhouden. Daar is niets aan te doen. Als de staat bijvoorbeeld maatregelen neemt tegen extremisme binnen godsdiensten, dan wordt de godsdienst die het meeste extremisme in zich draagt in zekere zin het zwaarste getroffen. Ook zijn er een aantal gevallen waar kan worden betwijfeld worden of de neutraliteit per se moet worden doorgevoerd, zoals bij nieuwe benamingen als ‘winterfeest’ voor ‘kerstfeest’. Er zijn redelijke argumenten voor en tegen.
***** Hier en daar mag een gemeentereglement worden aangepast zodat hoofddoekdracht aan loketten, in het kader van de lekenstaat, verboden wordt. 

dinsdag 20 april 2021

Afgunst, privileges en het 'geen schade'-beginsel


      Bouchez, die altijd over vrijheid spreekt, heeft dat begrip niet helemaal begrepen, toch niet als het op vaccinaties aankomt. In een interview met De Standaard (11 april) zegt hij: ‘Vrijheid is er voor iedereen of voor niemand … Mag mijn grootmoeder naar een nachtclub en ik niet omdat zij wel een prik gekregen heeft, en ik niet?’ Het is een retorische vraag en het geïmpliceerde antwoord is: nee, het is ofwel iedereen naar de nachtclub ofwel niemand. Ik zie daarin een perversie van de oude liberale stelling dat vrijheid ondeelbaar is. Bij Bouchez wordt het de ónvrijheid die ondeelbaar is.
     Die Bouchez-uitspraak heeft geloof ik weinig met vrijheid, en veel met afgunst te maken, de afgunst van één die niet naar de nachtclub kan, en het niet verdragen kan dat anderen dat wel mogen. Ignaas Devisch in dezelfde Standaard ziet dat anders: ‘‘Kritiek op vaccinprivileges kun je niet zomaar wegzetten als afgunst … Niet mogen doen wat anderen wel is toegestaan, heeft wel degelijk tot gevolg dat je er zelf slechter aan toe bent ... als [je] pas later [mocht] aanschuiven in de rij.’
     Hier haalt Devisch twee zaken door elkaar: het in de rij staan om gevaccineerd te worden en de ‘privileges’ die je zou genieten als je een keer gevaccineerd bent. Dat in de rij staan is een moeilijke kwestie. Je moet nu eenmaal íemand de voorrang geven. Zelfs geharde libertairen zoals ik zullen niet voorstellen om bij schaarste de reddingssloepen toe te kennen aan de hoogste bieder. Op de Titanic volgde men de traditionele regel van vrouwen en kinderen eerst. Georges Brassens zou de overspelige vrouwen eerst geplaatst hebben (en zichzelf in hun kielzog – om het zo maar eens te zeggen – of achter hun rokken aan, dat kan ook) (hier). Die regels van wie voorrang krijgt of niet, zijn niet noodzakelijk eerlijk. Het is al heel wat als je er op een eerlijke manier mee omgaat: geen mannen die zich als vrouwen verkleden, of die zeggen dat ze zich vrouw vóelen, of voorbeeldige Penelopes die een overspelig palmares verzinnen om met Brassens … euh … scheep te kunnen gaan.
     Dat opstellen van de rij is iets wat mij verder niet erg interesseert*. Ik ben al lang blij dat de meeste rijen overbodig zijn dankzij de goeie ouwe vrije markt. Zelfs voor populaire attracties in Disneyland kun je nu met een kleine meerkost, of door een reservatiesysteem, het in de rij staan vermijden. Ik vind dat best, maar bij vaccins zou ik het niet aanvaarden. In de meeste landen heeft men gekozen voor het beginsel ‘oudjes eerst’. Dat is prima voor mij, en aangezien ik een oudje ben, kijk ik nu elke dag in de brievenbus – ook al gebeurt de postbedeling maar twee keer per week – om te zien of de uitnodiging er al ligt. Maar had men een andere rangorde gekozen, actieve leraren eerst bijvoorbeeld, dan had ik niet geprotesteerd, ook al omdat ik geen ruzie zoek met mijn oud-collega’s.
     De vraag van de privileges houdt mij wel bezig. Krijgen de gevaccineerden hun vrijheid weer op een vroeger tijdstip dan de nog niet gevaccineerden? En we veronderstellen voor het gemak dat het vaccin niet alleen de ziekte, maar ook de besmettelijkheid onderdrukt. Mijn antwoord is dan een radicaal ja. Als tien gevaccineerde tachtigjarigen samenkomen om kersentaart te eten, en biljart te spelen, en oude wandelliederen te zingen, dan ondervind ik daar geen schade van, zeker als ze uit mijn buurt blijven. Ik zou ook kersentaart willen eten met mijn vrienden, en biljart spelen, en wandelliederen zingen, maar het kan niet, want ik ben misschien nog besmettelijk. Wat de bejaarden doen, verandert daar niets aan.
     Maar Bouchez en Devisch en schrijvers van lezersbrieven in de krant redeneren anders. Zij stellen zich principieel op: samen uit, samen thuis, no man left behind, iedereen in hetzelfde schuitje. Zij roepen luid van ‘privilege’, en ik roep luid van ‘afgunst’**. En dan raken we opgewonden en roepen we almaar luider.
     Omdat luid roepen mijn stembanden belast, zal ik het eens anders proberen. Wat zijn de argumenten? Ik heb, vind ik, het rationeel-utilitaire argument aan mijn kant. Als zowel ik als de tachtigjarigen zich onthouden van gezamenlijk kersentaart eten en biljart spelen is dat slecht voor ons totale welzijn. Het beste voor ons welzijn was als wel allebei kersentaart konden eten en biljart spelen, maar dat gaat niet om rationele redenen: mijn mogelijke besmettelijkheid. Dan is het tweede beste dat de tachtigjarigen wel hun gang kunnen gaan. Er komt meer welzijn bij langs hun kant, bij mij gaat er niets af, de totale hoeveelheid welzijn stijgt dus.
     Wat kunnen de principiëlen hier tegen in brengen? Dit. Je kunt je gedrag niet geval per geval laten afhangen van een nutsafweging. Natuurlijk zijn er aparte gevallen waarin het folteren van een gevangen terrorist kan helpen om mensenlevens te redden. Maar we willen niet terug naar de Middeleeuwen waar men bij diefstal van een appel de foltertuigen bovenhaalde. We houden foltertuigen vandaag achter slot als gevolg van een algeméne nutsafweging. We stellen een algeméne regel op: niet folteren. Nooit. Jamais. En als we het toch doen, dan liefst in het verborgene, zodat geen slecht voorbeeld wordt gegeven, geen precedent wordt geschapen, geen hellend vlak in het leven wordt geroepen, geen taboe openlijk in vraag wordt gesteld.
     Het is hetzelfde met stoplichten. De regel van Louis Tobback was: altijd stoppen als het licht op rood springt, ook op middernacht, op een verlaten weg, middenin de woestijn. Wet is wet en reglement is reglement. Dat stoppen is voor één keer totaal nutteloos, maar het helpt om de algeméne toepassing van een nuttige regel af te dwingen. Je moet je niet telkens afvragen of de regel in dat concrete geval wél nuttig is of niet. Als je op dieet gaat, is het beter om nooit taart te eten, en plaats van taart per taart de calorieën te berekenen. Als je met een patrouille in een hinderlaag valt, is het beter je gewonden op je rug mee te dragen. In sommige gevallen riskeer je daardoor àlle mannen te verliezen, maar voor het algeméne moreel van het leger is het beter als elke soldaat weet dat hij bij verwonding niet wordt achtergelaten.
     Maar als we toch met algemene principes werken, moeten die wel gezond zijn, zoals : niet folteren, stoppen voor rood licht, geen taart eten als je op dieet gaat, geen gewonde strijdmakkers achterlaten. En wat zou dan het algemene principe zijn dat Bouchez en Devisch kunnen inroepen? Iedereen gelijk voor de wet? Maar juist de wet garandeert dat we taart kunnen eten, en biljart spelen, en zingen met wie we maar willen, dat wij iedereen in ons huis kunnen uitnodigen die we graag om ons heen hebben en dat we onze ouders, grootouders, kinderen en kleinkinderen op elk moment in de armen kunnen sluiten als dat tot de familietradities behoort. De ministeriële besluiten hebben een uitzonderingstoestand doen ontstaan en roepen daarbij een rationeel argument in – besmettingsgevaar. Als dat rationeel argument ontbreekt, vervalt ook de rationale voor de uitzonderingstoestand.
     Eigenlijk gaat het principe van Bouchez en Devisch terug op het beginsel: voor iedereen hetzelfde. Dat is echter een beginsel met een beperkte radius. Als je een verjaardagstaart – alweer taart, wat heb ik vandaag? – aansnijdt, is het wel zo makkelijk om iedereen een gelijk stuk te geven, behalve aan wie uitdrukkelijk om een kleiner stuk vraagt. Als je een school bestuurt, kan het zo wel zo makkelijk zijn om alle leerlingen eenzelfde uniform te laten dragen. En ik neem aan dat de holenmensen die een mammoet verschalkt hadden, aan alle jagers een gelijk stuk vlees en vacht toekenden. Maar er zijn zoveel gevallen waar het ‘iedereen gelijk’-beginsel niet werkt. Je kunt niet aan alle leerlingen evenveel punten geven. Je kunt fashionistas en slonzen niet dezelfde kleren laten dragen. En je kunt niet iedereen evenveel laten verdienen – zelfs de communisten hebben nooit iets in die zin geprobeerd.
     Veel beter lijkt mij dan het ‘geen schade’-beginsel te gebruiken als kompas. Je kunt dat beginsel zelfs nog scherpere stellen en eisen, à la Rawls, dat zelfs de allerzwakten geen schade ondervinden van een voordeel dat iemand anders te beurt valt. Hoe je ook hangt en wurgt, de gevaccineerde, besmettingsvrije tachtigjarigen doen niemand kwaad met hun taart eten, hun biljartspel en hun gezang (als ze uit mijn buurt blijven).
     Is het makkelijker om de coronaregels te laten respecteren als iedereen ze volgt, ook degenen voor wie de rationale ontbreekt? Devisch schijnt hier een argument uit te willen puren? Ik hoop dat hij ongelijk heeft, maar helemáál ongelijk zal hij wel niet hebben. Er bestaan ongetwijfeld mensen die een regel maar willen volgen als ze zien dat iedereen die volgt. Maar veel anderen leven volgens het beginsel ‘doe wel en zie niet om’. Nog anderen, veel anderen hoop ik, bekijken de regel rationeel. En ten slotte zijn er nog de tachtigjarigen zelf die al zo lang niet meer gezongen en gebiljart hebben en die zich van de afgunst van Bouchez, Devisch en de 65-jarigen weinig aantrekken.
     Waarbij zich dan weer de vraag stelt of het redelijk is Bouchez en Devisch als afgunstig weg te zetten. Ik vind van wel, maar dan moet ik een onderscheid maken tussen de vuige, gemene, groene afgunst van de nijdige buurman en de onpersoonlijke ‘veredelde’, tot principe verheven, afgunst van de politicus en de moraalfilosoof. En dan heb ik het woord in de laatste betekenis gebruikt.
     Heb ik met dat laatste onderscheid het dispuut gewonnen? Dat weet ik niet zeker. ’t Is anders een handig onderscheid dat ook mijn vijanden kunnen gebruiken. Zij kunnen mij geen vuige hebzucht  verwijten, want zo ben ik niet, maar als ze willen kunnen zij mijn verachtelijke neoliberalisme gerust als een ‘onpersoonlijke, veredelde, tot principe verheven’ hebzucht omschrijven. Als ik dáár dan op moet antwoorden, ben ik weer voor een poosje zoet.

* Behalve als het om schoolpoortkamperen gaat: zie hier en hier.     
** Over afgunst het ik vroeger al een stukje geschreven: hier.