Posts tonen met het label Robert Nozick. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Robert Nozick. Alle posts tonen

zondag 13 januari 2019

Dries Van Langenhove en de 'rotte partijpolitiek'

De activist DVL: 'Linkse ratten, rol uw matten'
     Als student in de rechten Dries Van Langenhove verkozen raakt op de Vlaams Belang-lijst*, zal ik mij nog vaak aan hem ergeren. Hij zal dan allerlei dingen vertellen waar ik het niet eens mee ben – wat nooit leuk is – maar hij zal ook allerlei dingen zeggen waar ik het wél mee eens mee ben, en dat is ’t ergste. Ik verwacht van hem veel moraliserende centrum-rechts-gezond-verstand uitspraken, gematigder dan die van Filip De Winter, maar altijd, bij wijze van spreken, op een  Edward Mosley-toon die mij eraan herinnert dat zijn ware agenda rechts van extreemrechts ligt.
     Voor die ware agenda heb ik als bewijs niets meer dan enkele berichten die hij gepost heeft op een besloten internetgroep: een filmpje met een redevoering van Mosley, iets over politiek en lichaamscultus (‘ik kan niet begrijpen hoe iemand dik en rechts kan zijn’), een belofte om supermarkten ‘Golden Dawn-gewijs te zuiveren van halal’, en een voornemen om binnen twee jaar een eigen ‘mobiele brigade’ op te richten die je kunt opbellen als allochtonen luide muziek spelen op de trein. (Zie hier en hier)
     Voor mij is dat bewijs genoeg, maar dat is het niet voor iedereen. Tom Van Grieken beweerde op de televisie dat hij net als iedereen overdonderd was geweest door de heisa rond de pano-reportage, maar dat hij nu, na een paar maanden, vaststelt dat ‘het op geen enkele manier Dries is geweest die walgelijke posts heeft geplaatst, dat hij geen foute uitspraken heeft gedaan’. Ik ben het daar niet mee eens. Ik vind die uitspraken over de ‘mobiele brigades’ en over de supermarktacties meer dan fout, die over ‘dik en rechts’ meer dan bedenkelijk, en ook over het plaatsen van een Mosley-filmpje denk ik, net als Maarten Boudry op zijn Facebookpagina, het mijne. Wanneer een journalist die posts onder Van Langenhove zijn neus duwt, begint die luid en met een klemtoon op bijna elke lettergreep, te oreren over ‘vooringenomenheid’ en ‘flagrante leugens’. Dat overtuigt mij niet.
     Kijk, Van Langenhove mag gerust zeggen dat iemand anders die berichten onder zijn naam geplaatst heeft. Het staat iedereen vrij om dat te geloven. Maar voor mij moet hij eerst klaar, duidelijk en openlijk zeggen dat hij tégen zulke mobiele brigades is, dat die supermarkten best het recht hebben om halal aan te bieden en dat die Mosley een verwerpelijke fascist was. Als hij dát zegt, stijgt zijn geloofwaardigheid bij mij met enkele procenten.
     Zijn er andere aanwijzingen voor de extreem-extreemrechtse agenda van Van Langenhove? Ah ja, die Hitler-parafernalia die zijn S&V-makkers posten, die militair aandoende trainingskampen, dat poseren met wapens, dat driehoekig embleem op het uniformtruitje … dat is allemaal erg indirect. Zelf heb ik mij het meeste druk gemaakt om iets wat hij zei toen hij zijn Vlaams-Belang-kandidatuur bekendmaakte. ‘Dat engagement zal niets veranderen aan mijn afkeer voor de partijpolitiek. Ik zei het vorige week op de Mars voor Democratie en ik zal het blijven zeggen. De particratie is een rot systeem. We moeten de macht die de particratie heeft over het volk doorbreken …’
     Tja, hoe moet je zo’n uitspraak begrijpen? Is dat nu een sluwe manier om het het parlementaire systeem zelf aan te vechten, in de geest van Hitlers ‘Kampf gegen den Parlamentarismus’? Is het een hint dat een meerpartijensysteem in wezen corrupt is en dat het veel beter is als er géén ruziënde partijen zijn, of alleen maar die ene goede? De krachtige taal – ‘rot’ – laat verstaan dat het hele systeem niet hervormd, maar vernietigd moet worden. Of ‘doorbroken’. Eigenlijk geloof ik dat het inderdaad zulke ideeën zijn die in het hoofd van Van Langenhove rondspoken.
     Ik geef het toe, de woorden van Van Langenhove kunnen ook op een andere, minder argwanende worden uitgelegd. Misschien gelooft onze student in de rechten waarlijk dat álle politici van álle partijen omkoopbaar zijn en de belangen van het volk ‘verraden’ om er zelf beter van te worden. Als hij dat gelooft, dan maakt die simplistische veralgemening hem ongeschikt voor de politiek. Of misschien gelooft hij dat zelf niet, maar gelooft hij dat er veel mensen zijn die dat wel geloven, en praat hij die mensen naar de mond. Dan is hij een demagoog zoals vele anderen, niets om je over op te winden, maar zeker ook niets om naar op te kijken. Of misschien heeft hij in de krant gelezen dat politici vaak huichelen, liegen, beloftes breken, eerzuchtig zijn, hard zijn voor elkaar, en idealen verdunnen tot compromissen. Dan hadden de kranten het bij het juiste eind, want politici zijn mensen, en waar mensen zijn wordt gehuicheld en gelogen en is men eerzuchtig en hard. Bij politici komen die ondeugden misschien wat vaker voor dan bij bibliothecarissen, maar je vindt ze overal, en als je goed zoekt vind je er ook enkele bij jezelf.
     Een andere, welwillende, lezing van de ‘particratie is rot’-uitspraak is deze. Van Langenhove is in de eerste plaats een activist, en activisme is een ‘idealistische’, ‘zuivere’ aangelegenheid, in tegenstelling tot de rotte partijpolitiek, het corrupte parlement en de verdorven regering. De echte veranderingen komen er door acties op straat, waarbij de mensen ‘bewust worden gemaakt’. Maar hoe moet ik mij dat voorstellen? Schild en Vrienden houdt een betoging. Van Langenhove loopt voorop, priemt zijn twee wijsvingers in de lucht en roept luid oude slogans van de Vlaamse Militanten Orde: ‘Linkse ratten, rol uw matten’. Wat zal er nu gebeuren? Zullen de linkse mensen hun ‘matten rollen’ en verhuizen? Zullen ze van mening veranderen? Zal het publiek niet meer op linkse partijen stemmen, maar op rechtse? Dat laatste is in elk geval alweer partijpolitiek. Er is niets op tegen als men door vreedzame acties de publieke opinie probeert te overtuigen van een of andere goede zaak. Hopelijk zal die publieke opinie dan ook invloed hebben op partijpolitiek en de besluitvorming. Als dat niet het geval is, heeft het activisme geen zin. Is dat wel het geval, en houdt de partijpolitiek wél rekening met de publieke opinie, dan is ze, alles samen genomen, zo ‘rot’ nog niet.
     Van Langenhove zijn uitval tegen rotte partijpolitiek kan nog op een derde manier worden opgevat. Die redenering gaat dan als volgt. In een democratie moet de macht bij het volk liggen, en bij zijn verkozen vertegenwoordigers. In werkelijkheid ligt die bij de partijbesturen. Die besturen bepalen wie op de verkiezingslijst komt en op welke plaats. Ze bepalen dus in grote mate wie verkozen wordt. Ook bepalen ze wie minister, burgemeester of schepen wordt. In ruil daarvoor moeten verkozenen zich bij stemmingen houden aan de partijdiscipline en moeten ministers, burgemeesters en schepenen uitvoeren wat het partijbestuur beslist.
     Misschien speelt hier mijn marxistisch-leninistisch verleden, maar ik zie niet zoveel kwaads in die partijdiscipline. Toen er in het Parlement gestemd werd over het Marrakesh-akkoord, keurden álle CD&V’ers en VLD’ers die pro-migratietekst goed. Dat vond ik niet fijn, want ik was tégen en ik geloof dat een aantal van die CD&V’ers en VLD’ers heimelijk ook tégen zijn. Maar álle N-VA’ers hebben dan weer wel tegengestemd, wat ik heel fijn vond, terwijl daar misschien best een paar heimelijke voorstanders bij kunnen zijn. Bij de volgende verkiezingen weet het publiek jammer genoeg niet zeker welke kandidaten écht voor en welke écht tegen het Marrakesh-akkoord zijn. Maar het publiek kent wel het standpunt van de partijen en kan daar rekening mee houden als het wil. Dat is al heel wat.
     Eén zaak geef ik in elk geval graag toe: in ons land ligt inderdaad veel politieke macht bij de partijbesturen. Maar niet alle macht. Er ligt ook macht bij de koning, bij de eerste minister, bij kernkabinetsleden, bij eigenzinnige parlementsleden, bij Europese instellingen, bij nationale en supranationale rechtbanken, bij de administratie, bij de vakbonden, bij invloedrijke studiebureau’s, bij drukkingsgroepen, bij VRT-journalisten. Het is best mogelijk dat bij ons het evenwicht zoek is. Dat is wat professor Wilfried De Wachter beweert in zijn boek over particratie. Je kunt dan allerlei hervormingen doorvoeren om de macht van partijbesturen te beperken: wetgeving over de interne werking van partijen, afschaffing van subsidies, rechtstreekse verkiezingen van uitvoerende functies, open lijstvorming, getrapte verkiezingen, beperking van de herverkiesbaarheid, lagere kiesdrempels, hogere kiesdrempels, kleinere kieskringen, grotere kieskringen. Als we naar andere landen kijken, zien we dat al die regelingen al uitgeprobeerd zijn, en dat ze op hun beurt hun eigen nadelen hebben.
     We hebben van Montesquieu en de Amerikanen geleerd dat een vrije samenleving best gebaat is met een spreiding van de macht over verschillende instellingen. En we hebben van Popper geleerd dat het niet zo belangrijk is wélke instelling de meeste macht heeft, op voorwaarde dat die macht weer kan worden afgepakt zonder bloedvergieten. Die laatste voorwaarde is heel erg van toepassing op de partijbesturen. Het bestuur van een regeringspartij heeft een aanzienlijke macht in handen; het bestuur van een oppositiepartij heeft niets in handen, of teert in het beste geval op de machtsrestjes van een vroegere bestuursdeelname. De periodieke verkiezingen zorgen voor een periodieke aflossing van de wacht, wat Nozick de “zigzag of politics” noemt, en de Fransen de ‘alternance’.
     Veel mensen vinden spontaan die idee van ‘alternance’ aantrekkelijk. Zij zien in alle partijen goede punten, en vinden het leuk dat die beurtelings aan bod komen. Ik heb dat niet. Ik kan bijvoorbeeld niet begrijpen wat goeds er kan voortkomen uit een regeringsdeelname van groenen of socialisten. Wát er waardevol is in het programma van die partijen, vind ik ook wel met enig zoeken terug in de partijen van mijn voorkeur. Van karakter sta ik dus open voor de totalitaire verleiding om alle politieke heil van één kant te verwachten. Maar ik wil graag in goede verstandhouding samenleven met de mensen om me heen. Sommige van mijn beste vrienden zijn groen of socialist.  Ik wil hun partijen tolereren als zij de mijne tolereren. En dan is er nog iets. Die partijen van mijn voorkeur – die voorkeur slaat wel eens om – blijven mensenwerk. Als zo’n partij, ook al is het die van mijn voorkeur, te lang aan één stuk door aan de macht blijft, is dat niet goed voor haar morele gehalte. ‘Power corrupts,’ zei lord Acton, ‘and absolute power corrupts absolutely.’
     Om kort te gaan, als Van Langenhove nog eens uitvalt tegen de ‘rotte partijpolitiek’ zou ik graag hebben dat hij nuanceert en preciseert, dat hij in een adem door zijn steun toezegt aan het beginsel van een meerpartijenstelsel, en dat hij tegelijk ook uitlegt welke structurele hervormingen hij voorstelt om de werking van het stelsel te verbeteren. Zo niet, zal ik zijn uitval interpreteren, in het beste geval, als een kwalijke autoritaire oprisping, in het slechtste geval, als een blijk van een stiekeme totalitaire ideologie.

* Opkomen op een Vlaams Belang-lijst lijkt mij een Nieuwe Marsrichting, vergeleken met de vorige infiltratiepogingen in N-VA, die ik vroeger al eens becommentarieerd heb.

woensdag 30 mei 2018

Dostojevski en het Stockholmsyndroom

     In het laatste jaar van zijn leven, toen hij al een poos aan maagkanker leed en wist dat hij een volgende operatie niet zou overleven (‘I think I don’t have the stomach for it,’ zei hij) heeft de Amerikaanse filosoof Nozick nog een jaar college gegeven over Dostojevski. Ik zou wel eens willen weten wat hij op die colleges vertelde, want Dostojevski had zonderlinge opvattingen over velerlei onderwerpen: over de Joden, over de noodzaak van het lijden, over de enige échte reden waarom je je medemens niet met een bijl mocht doodslaan, over de hoge zending van Rusland, dat aan het hoofd van de Slavische volkeren de wereld bevrijden moest van democratie en materialisme …
     Dostojevski was zijn carrière begonnen als een ‘linkse’ schrijver, een soort groen-linkse jongen, een adept van de volksverheffing, een aanhanger van het humanitair christelijk socialisme. Voor die opvattingen werd hij eerst ter dood veroordeeld, werd hem enkele minuten voor de terechtstelling gratie verleend, en verbleef hij vier jaar in een Siberisch strafkamp. Vier jaar droeg hij ketenen aan handen en voeten en was hij meestentijds met heel veel anderen opgesloten in een houten barak waarin je ’s zomers stikte en ’s winters bevroor. Slapen deed je er op een houten plank, gehuld in je overjas en zonder deken. De sadistische kampoverste had verordend dat de gevangenen op hun linkerzij moesten slapen, ‘zoals Jezus’. Wie bij het slapen betrapt werd op zijn rechterzij, werd gegeseld.
     Tot de euvelen van de strafkolonie, schrijft Schopenhauer, behoort ook het gezelschap dat men daar aantreft. Dat was ook zo bij Dostojevski. De nerveuze schrijver was omringd door ruwe moordenaars uit de boerenklasse. Ze bestalen elkaar, dronken zich laveloos, zongen obscene liederen, vochten met messen en sloegen in groep, als het zo uitkwam, één of andere medegevangene bewusteloos. Bovenal koesterden ze een diepe haat tegen de ‘politieken’ zoals Dostojevski, omdat die uit de bevoorrechte klasse kwamen en niemand vermoord of bestolen hadden. Die haat had de schrijver niet verwacht en hij leed er de erg onder.
     Bij de ‘politieken’ waren ook een aantal Poolse nationalisten die hun land wilden afscheiden van Rusland. Ze namen Dostojevski liefdevol op in hun midden en gedroegen zich verder beleefd maar afstandelijk tegen het geboefte. ‘Je hais ces brigands,’ zei een van hen tegen Dostojevski. Dat zette de schrijver aan het denken. Typisch Pools vond hij dat. Die mensen zagen niet dat onder de obsceniteiten, de dronkenschap, de dieverij en het geweld van het geboefte een Schone Russische Ziel stak, zoals je die alleen bij de Volksmens aantrof. Zeker, die Volksmens roofde, maar met het geroofde geld kocht hij, naast drank, ook kaarsjes om in de kerk te branden. Jawel, de Volksmens pleegde moorden, maar was Jezus niet gekruisigd naast een Goede Moordenaar?
     Dostojevski’s aanvankelijke afkeer van zijn medegevangenen was omgeslagen in bewondering. ’t Waren kranige kerels, vond hij nu, en hoe meer ze op zijn kop zaten, hoe kraniger hij ze vond. En als er soms een met Kerstmis of met Pasen wat vriendelijker tegen hem was dan anders, dan was het laatste bewijs geleverd dat de redding van Rusland en van de wereld van dat soort mensen afhing, en van het orthodoxe geloof natuurlijk. Dat ze hun geld niet opspaarden maar verdeden aan drank en dobbelspel bewees dat ze niet materialistisch waren. Hun rancune tegen de hogere klasse bewees hoezeer ze de deugd van nederigheid op prijs stelden. En hun kinderlijk geloof in de Tsaar bewees het bestaan van een mystieke eenheid tussen vorst en volk. Niet het volk moest worden verheven door de bollebozen van de stad; het waren de bollebozen van de stad die moesten worden verheven door het wijze volk.
     Die ideeën waren niet zo vreselijk rationeel. Maar met rationaliteit kwam je niet ver in een strafkamp, had Dostojevski ondervonden. Als je tot levenslang veroordeeld was, kon je maar beter geloven dat je ooit op wonderlijke wijze weer vrijkwam. En als je omringd was door een stelletje boeven kon je maar beter geloven dat die boeven geen boeven waren, maar edele lieden.
     Dostojevski was in gevangenschap gekomen door zijn ‘linkse’ ideeën. Maar door diezelfde gevangenschap  ontwikkelde hij zich tot een gezagsgetrouwe ‘rechtse’ schrijver. Het oude geloof moest worden hersteld. De waarheid ontsprong niet in het moderne westen, maar op het Russische platteland. Alle heil kwam van de Tsaar die als een vader voor zijn volk zou zorgen. En die Poolse nationalisten moest men op tijd en stond een lesje leren, ook al waren ze nog zo liefdevol of beleefd.

vrijdag 3 november 2017

Hoe schrijf ik een geweldige roman?


Ayn Rand - Romanschrijfster en filosofe van het objectivisme
     Ik weet wel dat ik binnen goed twee jaar op pensioen ga, maar in het dagelijkse leven gedraag ik mij alsof ik eeuwig zal blijven lesgeven. Ik ben nog altijd aan het dubben over het omgooien van een lessenreeks, het uitwerken van een nieuw onderwerp, het verzinnen van een nieuwe opdracht. Eergisteren was ik op de boekenbeurs en ik zag een boekje liggen van Ellen Deckwitz,  Zo word je een geweldig dichter. Ik wil helemaal geen geweldig dichter worden, maar ik dacht: in zo’n boekje zal wel altijd iets staan dat ik kan gebruiken als ik ooit mijn lessen over poëzie herwerk.
     ’t Is een aardig bundeltje met wat je een beetje oubollig ‘nuttige wenken’ kunt noemen. Zoals: schaf je een notitieboekje aan om losse invallen te noteren – geen al te chic boekje, want dan ga je de lat te hoog leggen. Noteer opvallende zinnen. Wees spaarzaam met Grote Woorden. Kijk naar je omgeving met de ogen van een filmregisseur. Dat soort ‘wenken’ dus. Er staan ook dingen bij waar ik nooit aan zou hebben gedacht. Schrijf elke morgen een aantal dingetjes neer onmiddellijk na het opstaan, als je nog niet helemaal wakker bent. Je kritische vermogen – wat Selma Lagerlöf noemde: de ijzige geest van de zelfbeschouwing – loopt je inspiratie dan niet voor de voeten.
     Af en toe haalt Ellen Deckwitz voorbeelden aan om haar aanbevelingen te verduidelijken. Ze citeert daarbij zowel beroemde gedichten uit de wereldliteratuur – weliswaar vooral Nederlandse – als gedichten van haarzelf, volgens de
rechtvaardige regel van ieder de helft: één uit de wereldliteratuur, één van haarzelf, een uit de wereldliteratuur , één van haarzelf … Door die naast-elkaarplaatsing lijken háár gedichten wat bleker dan zij eigenlijk zijn.
     Op bladzijde 59 botste ik tot mijn niet geringe verbazing op een oude bekende: de Amerikaanse schrijfster Ayn Rand (1905 - 1982)*, die te onzent heel wat minder naam heeft dan in haar thuisland. ‘Rand staat bij schrijvers bekend,’ zegt Deckwitz, ‘als een van de slechtste schrijvers ter wereld, en tegelijkertijd een aardige filosoof. En bij de filosofen als een van de slechtste filosofes ter wereld, maar een okay schrijfster.’ Dat is grappig gezegd, maar is het ook waar? Ik heb iets dergelijks over Voltaire gelezen: dat juristen hem een slechte jurist vonden maar een goed geschiedsschijver, terwijl geschiedsschrijvers – enfin, je begrijpt het wel.
     Nu ben ik er vrij zeker van dat er heel wat romanschrijvers zijn die de romans van Rand maar niks vinden. Zelf heb ik ook wel eens iets beters gelezen. En filosofen die op Rands ‘objectivisme’ neerkijken moeten er ook zijn. Ik hoorde Etienne Vermeersch op de televisie ooit zeggen dat die denkstroming door niemand in de filosofie ernstig wordt genomen. Maar dát zoeken we niet. We zoeken een filosoof of een schrijver die Rand vanuit zijn eigen vakgebied onderuithaalt maar prijst om haar verdiensten op een ander vlak.
     Zo’n filosoof bestaat: Robert Nozick (1938 - 2002). Zijn essay ‘On the Randian Argument’ is om meerdere redenen opmerkelijk. Ten eerste polemiseert hij met Rand hoewel hij het ééns is met haar conclusie, namelijk dat het kapitalisme moreel kan worden gerechtvaardigd. Zijn kritiek betreft alleen de redenering. Ten tweede gebruikt hij om Rand te bekritiseren precies die redeneerprincipes die de filosofe zo na aan het hart liggen: de Aristotelische syllogistiek. Ten derde – en daar is het mij nu om te doen – gaat zijn filosofische kritiek op Rand samen met een grote literaire waardering. ‘Ik wil hier opmerken,’ schrijft Nozick, ‘dat ik haar twee grote romans boeiend, levendig, verhelderend en inspirerend vond.’
    Ellen Deckwitz heeft ons over de respons op Ayn Rand niets voorgelogen –  wat dichters anders vaak doen.


* Rand wordt aangehaald omdat ze het boek schreef The Art of Fiction. Ze geeft daarin aan beginnende schrijvers onder andere de raad om slecht geschreven boeken te lezen. Daaruit kun je leren hoe het niet moet.

zaterdag 14 oktober 2017

De IQ-rel tussen N-VA en Groen

     Koen Daniëls (N-VA) heeft in het Vlaams Parlement voorgesteld om het onderwijsbeleid beter te evalueren en bij te sturen door IQ-metingen te doen bij leerlingen. Elisabeth Meuleman van Groen was tegen omdat ‘geen enkel kind herleid mag worden tot een cijfer’. Ik voelde mij persoonlijk door de discussie aangesproken omdat ik mij altijd zorgen heb gemaakt over mijn IQ.
     Nochtans studeerde ik aan de universiteit, behaalde de grootste onderscheiding – wat niet voor iedereen is weggelegd –, ik lees dikke boeken in vreemde talen, en als het meewil kan ik een leuk stukje schrijven. Dat zijn zaken die allemaal wel iets met intelligentie te maken hebben, maar ook weer niet zó veel. Toen ik mijn jongere broertjes de schaakregels uitlegde, waren zij mij na drie partijen al de baas in het spel. Voor wiskunde haalde ik altijd slechte punten. De voetnoot op bladzijde 239 van Anarchy, State and Utopia kan ik ook na herhaaldelijk lezen niet begrijpen terwijl alles nochtans heel duidelijk wordt uitgelegd en ik heel graag het verschil zou kennen tussen ‘envious’, ‘jealous’, ‘begrudging’, ‘spiteful’ en ‘competitive’. Dat is allemaal erg bedenkelijk.
     Naar wat ik ervan begrepen heb, is IQ een omstreden begrip. Je hoort soms de opmerking dat IQ niets anders is dan wat door een IQ-test gemeten wordt. Anderzijds schijnen de echte onderzoekers – zielkundigen, breinkundigen – het over veel zaken wél eens te zijn. Dat IQ in zekere mate wordt bepaald door erfelijkheid. Dat IQ bestaat uit verschillende geestelijke vermogens die redelijk goed met elkaar correleren. Dat IQ een vrij nauwkeurige voorspeller is van studieresultaten en verloop van beroepsloopbaan. Dat er verschillende soorten IQ-testen bestaan waarvan de ene meer en de andere minder op culturele voorkennis bouwen, maar dat de resultaten van die testen ongeveer gelijklopen.
    De aandachtige lezer zal mijn angstvalligheid hebben opgemerkt:  ‘in zekere mate’, ‘redelijk goed’, ‘vrij nauwkeurig’, ‘redelijk’. ‘t Is een discussie waar je voorzichtig bij moet zijn. Op een Facebookdraad las ik ergens: ‘Met wa zijt ge bezig? Zit uw IQ in uw gat of wa?’ Ik heb het leestekengebruik wat gefatsoeneerd.
     Een van de mentale hindernissen die we moeten nemen bij een IQ-discussie is dat we naar gemiddelden moeten leren kijken en de anekdotiek moeten loslaten. Ik heb zelf ooit zulke twee testen afgelegd: één in het Klein Kasteeltje, en één toen ik solliciteerde bij Sidmar. Van geen van die testen ken ik het resultaat. Maar ze waren wel voldoende om mij in het leger ongevraagd met een onderofficierenopleiding op te zadelen en om mij bij Sidmar een contract van onbepaalde duur aan te bieden. De twee organisaties hebben achteraf hun ongelijk ingezien. Toch geloof ik, met de legerleiding en de Sidmardirectie, dat, gemiddeld genomen, de kandidaten met goede testresultaten betere onderofficieren en betere Sidmararbeiders opleveren.
     Maar ter zake. Heeft Koen Daniëls van de N-VA gelijk als hij IQ-testen wil invoeren in het onderwijs?
     Zoals bij zoveel zaken is hier sprake van voor- en nadelen. Veronderstel dat die testen worden afgenomen en de resultaten worden meegedeeld aan ouders, leraren en kinderen. Dan is het wel even slikken als blijkt dat je IQ nogal laag is. Als ik een slechte wiskunde-toets aflegde, kon ik mijzelf troosten door te verwijzen naar mijn onoplettendheid in de les en mijn ziekelijke uitstelgedrag thuis. Bij een IQ-test ben je van zo’n troost verstoken. Je gedrag in de klas en thuis heeft er niet veel mee te maken. Misschien ga je als leerling, bij het nieuws van je lage IQ, nog minder uitvoeren daar voorheen.Want wat heeft het allemaal voor zin? Of stel: je hebt een heel hoog IQ. Je kijkt neer op je leraren. Je vertikt het om een boek open te doen want je bent al zo slim. Misschien ben je wel bang dat je de hoge verwachtingen niet zult kunnen waarmaken en word je onzeker. Ook dat is niet ideaal.
     En dan: hoe ga je ermee om als anderen je IQ kennen. Zeker als je competitief bent ingesteld (‘competitive’ – niet ‘jealous’ of ‘begrudging’), kan dat voor psychologische problemen zorgen. Ik veronderstel dat Koen Daniëls niet graag in het Vlaams Parlement rond zou moeten lopen met een kaartje op zijn jas gespeld dat zijn IQ aangeeft. ‘t Zou trouwens ook bedreigend zijn voor mensen buiten dat Parlement. Je moet er niet aan denken dat de partij van je voorkeur (N-VA, Groen, enzovoort) toevallig de partij is die de laagste intelligentiescores heeft, terwijl de partij die je hartsgrondig veracht (N-VA, Groen, enzovoort) uit allemaal bollebozen bestaat.
     In het bijzonder voor het onderwijs zie ik naast de nadelen van IQ-meting ook twee voordelen. Uit cijfers van bijvoorbeeld het Rekenhof blijkt dat kinderen uit kansarme middens gemiddeld slechter presteren in het onderwijs. Men meet die kansarmoede vaak aan het opleidingsniveau van de moeder. Het vergt niet veel voorstellingsvermogen om te begrijpen dat een kind uit een kansarm gezin minder goed wordt voorbereid op het schoolse leren, en minder ondersteund wordt. Hier zouden IQ-tests kunnen helpen om de begaafde kinderen uit de kansarme gezinnen op te sporen. De Centra voor Leerlingen Begeleiding (CLB) zouden die kinderen in het vizier krijgen die ondanks hun slechte punten op school toch over een behoorlijk IQ beschikken. Dan moet zo’n centrum die kinderen niet oriënteren naar een beroepsopleiding terwijl ze eigenlijk een theoretische richting aankunnen. Het is natuurlijk mogelijk dat ook de IQ-test van een kansarm kind negatief beïnvloed wordt door zijn kansarme milieu. Dan worden de échte capaciteiten van dat kind alweer niet goed weergeven. Maar de vertekening door de IQ-test zal nooit zo erg zijn als die van de schoolresultaten waar vooraf opgedane kennis en vaardigheden een veel grotere rol spelen.
     We gingen hier uit van een scenario waarbij de resultaten van een IQ-test beter zijn dan die van het schoolrapport. Het omgekeerde kan zich ook voordoen. Maar dàt hoeft geen probleem te zijn. Als een leerling, kansarm of niet, door hard werken, betere punten haalt dan zijn IQ voorspelt, dan is er, vind ik, geen reden waarom het CLB hem een lagere opleidingsvorm zou aanpraten. Bovendien wil het IQ op die leeftijd nogal eens schommelen.
     Het tweede voordeel van een IQ-meting is zowel van wetenschappelijk als van beleidsmatig belang, en hier kom ik op het terrein van Daniëls en Meuleman. Je kunt haast geen stuk over het Vlaamse onderwijs lezen, of er wordt gemeld dat de schoolse kloof tussen kinderen uit hogere en lagere sociale milieus te groot is. Extreme gelijkheidsdenkers beweren dat ons schoolsysteem die kloof veroorzaakt, terwijl hun meer gematigde collega’s beweren dat de school onvoldoende doet om die kloof weg te werken. ‘t Komt geloof ik op het zelfde neer. De twee groepen bepleiten een grondige hervorming van het onderwijs om ‘de kloof weg te werken’. Maar wat als de kloof het gevolg is van de ongelijke verdeling van IQ over de verschillende lagen van de bevolking? Wat als de democratisering van het onderwijs in de jaren zestig de intelligentste elementen uit de laagste klasse heeft afgeroomd en doorgesluisd naar de hogere klasse, waardoor de lagere klasse nu – gemiddeld! – minder intelligente kinderen in haar rangen telt dan vroeger?
     Ik schreef: wat als? – ik weet niet óf het zo is. Ik heb de democratisering van het onderwijs van dichtbij meegemaakt. Arbeiders- en boerenzonen van mijn klas leerden door om leraar, arts, advocaat of ingenieur te worden. Dat gebeurt vandaag niet meer op die schaal en ik geloof dat dat door het afroomeffect komt. Maar ‘t is niet veel meer dan een geloof. Het zou eigenlijk eens onderzocht mogen worden, met de IQ-meting van Daniëls bijvoorbeeld.
     Mocht de meting er komen, dan doe ik graag de volgende belofte aan al mijn bloglezers. Als mijn vermoeden weerlegd wordt dat in kansarme gezinnen het gemiddelde IQ lager is – als met andere woorden blijkt dat het gemiddelde IQ daar even hoog is, of, wie weet, zelfs hoger dan in andere gezinnen, dan zal ik die bevinding niet alleen aanvaarden maar ook toejuichen. En allerlei toekomstige initiatieven om de schoolse kloof te verminderen, waar ik nu tegen ben, zal ik dan omarmen, ook al omdat ik dan gepensioneerd zal zijn en het er dan niet meer zo op aan komt.
     Ik vraag me alleen af of Groen, Rood en Tsjeef hetzelfde zullen doen als hùn vermoeden weerlegd wordt. Als blijkt dat de gemiddelde schoolachterstand van kansarme kinderen wel degelijk verklaard wordt uit hun minder theoretische aanleg. Zal men dan in die hoek bereid zijn om daar conclusies uit te trekken? Zal men bereid zijn om egalitaire utopieën te laten varen?  Zal men bereid zijn om realistische plannen uit te werken om kinderen vanaf hun werkelijke niveau zo hoog mogelijk mee te trekken.
     Ik denk het eigenlijk niet. Groen, Rood en Tsjeef zullen zich weren als een kat in de krullen om ervoor te zorgen dat de meting er niet komt. Dan moeten er ook geen conclusies worden getrokken.



Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.

woensdag 8 maart 2017

Tweedehandsboekhandelaars en kibboets

    Toen ik een jaar of vijftien was begon ik marxistische boekjes te lezen. Daarin werd verteld over de communistische en de kapitalistische productiewijze. Het verschil tussen die twee is immens. Onder het communisme wordt geproduceerd om rechtstreeks de noden van ‘de mensen’ te bevredigen. Wie honger heeft krijgt brood en melk, wie dorst heeft of verslaafd is krijgt bier of wodka, en wie van zoet houdt, krijgt limonade en koekjes. Onder het kapitalisme verloopt dat allemaal via een omweg. Brood, melk, bier, wodka, limonade en koekjes moeten eerst winst opbrengen. De belangen van de hongerigen, de dorstigen, de alcoholisten en de suikerjunkies komen pas op de tweede plaats.
     Daar kwam nog iets bij. Onder het communisme verdient iedereen ongeveer evenveel. Modelarbeiders die meer steenkool bovenhalen dan anderen mogen gerust wat meer krijgen, maar er is geen enkele reden om bijvoorbeeld bedrijfsleiders zo royaal te vergoeden als onder het kapitalisme. Lenin heeft in Staat en Revolutie fijntjes uitgelegd dat het leiden van een bedrijf door de moderne organisatie en techniek ‘buitengewoon eenvoudig’ is geworden. Iedere boekhouder kan het. Eigenlijk iedereen die kan lezen, schrijven en rekenen.
     Kort samengevat: het communisme betekent dat (1) er niet voor de winst gewerkt wordt en dat (2) iedereen ongeveer gelijk verdient*. Daar zijn twee eenvoudige bezwaren tegen geformuleerd: (1) een economie met winst werkt beter en (2) de meeste mensen houden in de praktijk niet zo van gelijke inkomens.
     Dat een economie met winst beter werkt, zie je onder andere aan de tweedehandsboekenmarkt. Ik las daarover bij Theodore Dalrymple**. Je hebt enerzijds tweedehandsboekhandelaars die werken voor de winst: ze huren een pand, timmeren rekken, kopen oude boeken in die op zolders liggen te beschimmelen, betalen hun medewerkers een loon uit, vereffenen hun belastingen en maken, ondanks al die kosten, nog eens 20 % winst per boek. Daartegenover staan de non-profitzaken zoals Oxfam. Die krijgen hun tweedehandsboeken gratis, werken met onbetaalde vrijwilligers en betalen heel wat minder belasting. Toch is hun opbrengst per boek ook maar rond de 20 %. Dat betekent niet dat Oxfam slecht werkt – dat betekent wel dat die handelaars-voor-de-winst verduiveld goed werken.
     En dan die gelijke lonen. Dat de meeste mensen daar in de praktijk niet zo van houden, zie je onder andere aan de kibboets in Israël. Ik las daarover bij Robert Nozick***. In Israël kunnen Joden vrij kiezen tussen kapitalisme en communisme. Dat communisme neemt de vorm aan van kibboets, gemeenschappen die werken op communistische basis en waarvan het ledenaantal varieert tussen 80 en 2000. Die kibboets hebben een eerbiedwaardige traditie, worden ondersteund vanuit de staat en zijn economisch succesvol. Toch kiest slechts 3,5 % van de Joden om in zulke kibboets te leven. Als anticommunist zou Nozick nu kunnen triomferen met dat lage cijfer, maar hij doet juist het tegenovergestelde. Hij probeert de zaak van de tegenpartij zo gunstig mogelijk voor te stellen. Door allerlei nuances aan te brengen maakt hij aannemelijk dat niet 3,5 maar misschien zelfs tot 9 % van de bevolking voor een bestaan in de kibboets zou kunnen kiezen. Maar toch zeker niet meer dan 9 %.
    Het stuk van Nozick dateert van 1978. Het aantal bewoners van de kibboets is intussen gedaald tot 2,8 %. Maar een belangrijker ontwikkeling is deze: de meeste kibboets hebben al jaren het communistische ideaal verlaten. In 2007 had alvast 61 % van de kibboetsbewoners gekozen voor een kapitalistisch winstmodel. Vooral de jonge generatie was de gelijke inkomens beu.
     Het succes van de tweedehandsboekenmarkt en de mislukking van de kibboets, het zijn de twee eenvoudigste argumenten tegen de communistische productiewijze die ik ooit ben tegengekomen.
 
* Voetballer, schrijver en televisiefiguur Jan Mulder formuleerde het ooit zo: ‘Ik vind het best als iedereen gelijk verdient. Daar stem ik direct voor. Allemaal dertig- of veertigduizend gulden verdienen. Iedereen. Ben ik direct voor.’
** Door en door verwend, blz. 251. Dalrymple merkt op dat een filantroop zijn zolderboeken beter verkoopt aan een echte boekhandelaar. Daar krijgt hij dan een derde tot de helft van de verkoopprijs van en dat geld kan hij dan aan Oxfam schenken.
*** ‘Who Would Choose Socialism’, Reason, May 1978, blz. 22-23.

(Dit stukje verscheen ook op De Bron.)

dinsdag 31 mei 2016

Ik heb niet gestaakt

     Het was gezellig vandaag in de lerarenkamer. Dat kwam door de staking. Een derde van de collega’s had aangekondigd te willen staken, waardoor alle leerlingen een dagje vrij kregen, en wij, de niet-stakers ook – al moesten we dan op school zijn. Aan lange tafels werden toetsen en taken verbeterd, en punten opgeteld. Er werd wat gebabbeld, maar niet te luid. Wie zin had in een koffie stond op om die koffie te halen. Sommige collega’s begonnen al tien minuten vóór het belsignaal hun boterhammetjes op te eten. We voelden ons een beetje als ambtenaren. Toen ik om vier uur naar huis vertrok, was ik ondanks alle verbeterwerk nog zo fris dat ik niet eens de motor van mijn elektrische fiets heb opgestart.
     Onder de collega’s die wél hebben gestaakt, ken ik een aantal mensen van aanzienlijk moreel gehalte. Zeker, zij kwamen op voor een soort eigenbelang. Volgens de vakbond kon een succesvolle staking tot 80 000 euro pensioenwinst opleveren over een periode van twintig jaar (1). Maar de mensen waar ik aan denk zouden nooit tot staking besluiten als hun gevoel voor rechtvaardigheid daarbij geen rol speelde. Wat je in dat verband het vaakst hoorde, was dat de regering, door de pensioenleeftijd van de ambtenaren te verhogen, een soort contractbreuk pleegde.
     Helemaal letterlijk mogen we die contractbreuk niet opvatten. Er bestaat geen geschreven en naar behoren ondertekend contract waarbij de regering voor ambtenaren – of andere werknemers! – een bepaalde pensioenregeling waarborgt. Er is wel een vaag aanvoelen in die zin, maar het contract zelf – zoals Nozick in een andere context schreef – ‘is not worth the paper it is not written on’.
     Het zit zo. Wij allen, of we nu ambtenaar, werknemer of zelfstandige zijn, betalen onze belastingen en sociale bijdragen niet om dat geld later als pensioen terug te krijgen (2). Wij betalen belastingen en bijdragen om onze collega’s te onderhouden die nu op pensioen zijn (3). Wat wijzelf zullen krijgen, zal afhangen van wat het toekomstige geslacht bereid zal zijn te betalen. Ons pensioen – en niet alleen dat van ambtenaren! – hangt volledig af van een toekomstige en onvoorspelbare krachtsverhouding – hangt af van wat een toekomstige regering op dat moment zal willen en kunnen betalen. Als ik nu een vervloekte neoliberaal was, zou ik hieruit een argument halen om het hele pensioenstelsel zoveel mogelijk aan de staat en de regering te onttrekken. Maar neoliberalen bestaan niet. (Zie hier)
     Al kan ze niet letterlijk genomen worden, toch heeft de contractbreuktheorie ook haar verdiensten. Als je gewoon bent iets te krijgen, ga je die gewoonte op de duur als een recht beschouwen (4).  Je mag daar evenwel niet te ver in gaan. Onredelijke toestanden zoals pensionering voor leraren op 55 of 58 jaar moesten weg, verworven recht of niet.  Maar het is één zaak om aan beginnende leerkrachten mee te geven dat ze tot 67 moeten werken; het is een andere zaak om een 58-jarige, die zijn pensioen al kan ruiken, in één klap met 9 jaar extra dienstjaren op te zadelen (5). Dat is ook niet gebeurd. De loopbaanverlenging wordt geleidelijk aan ingevoerd – ‘gefaseerd’ zoals dat heet – en wordt pas vanaf 2030 volledig van kracht.
     Bij een dergelijke loopbaanverlenging hoort een nieuwe pensioenberekening die vertrekt van een langere loopbaan. Zo is er geen plaats meer voor een diplomabonificatie (6), die voor berekeningsdoeleinden de werkelijke loopbaan verlengt met de studiejaren. Iemand die tot zijn 67ste werkt, heeft die bonificatie niet nodig om aan zijn hoogst mogelijke pensioen te komen. Voor leraren met een gemengde loopbaan – eerst iets anders en dan pas leraar bijvoorbeeld – is het een andere zaak. Hun pensioen wordt met één klap een stuk minder dan ze hadden verwacht, ook al werken ze nu tot hun 67ste. Dat is bitter. Daarom wordt ook die maatregel  ‘gefaseerd’ ingevoerd. Maar die fasering valt mij tegen. De meeste leraren-licentiaten van mijn generatie hebben een dossier van vier studiejaren, maar die vier jaren worden al ‘uitgefaseerd’ tegen 2024. Dat is nogal snel.
     Hier ligt, vind ik, een kans voor mijn vakbond. Die mensen gaan toch vaak op de koffie bij de minister. Als ze alleen naar de minister trekken om met een boos gezicht en de vuist op tafel elk idee van verdere besparing te verwerpen, dan hebben zij mijn mandaat niet. Dat heb ik bij de verkiezingen al aan de regering gegeven. Maar hier een tijdelijke uitzondering toevoegen, daar een overgangscurve hertekenen, en nog ergens anders een maatregel wat dunner en breder smeren – voor zoiets krijgen ze wél mijn mandaat.
     Ik mag hopen dat ikzelf profijt trek van een of andere uitzonderingsregel die dusdanig tot stand komt. Als dat niet zo is, dan zal ik berusten. Er moet tenslotte bespaard worden en er is vroeger veel uitgegeven. Maar eerst zal dan de naam van de Heere een paar keer ijdel gebruikt worden.

___________________

 
(1) Ik heb hier enkele bedenkingen neergeschreven bij de bewering als zou de pensioenhervorming leiden tot pensioenverlies. 

(2) Die belastingen en bijdragen op ambtenarenlonen zijn iets grappigs. Eerst betaalt de staat zogezegd een brutoloon, en daarna vordert ze een bepaalde som daarvan terug. In werkelijkheid verandert die som op geen enkel moment van eigenaar en blijft ze de hele tijd in de staatskas liggen. In de private sector is dat even anders.

(2) We betalen nu de pensioenen van degenen die op 55 of 58 hun loopbaan beëindigden. Het weze hen gegund.

(4) Zo kent de wet iets als ‘erfdienstbaarheid’. Een boer die van vader op zoon met zijn tractor over jouw landweg rijdt, kun je na een bepaald ogenblik niet meer vragen om een andere weg te nemen. Je had daar maar eerder iets van moeten zeggen. Dat heet ‘erfdienstbaarheid door verjaring’. De ‘verworven rechten’ waar je dezer dagen vaak over hoort, lijken daar wel de syndicale tegenhanger van.

(5) Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman heeft over die kwestie geschreven in dat prachtige boek Ons feilbare denken (hoofdstuk 28). Ons rechtvaardigheidsgevoel is sterk gebaseerd op een ‘afkeer van verlies’. Mensen vinden het onrechtvaardig dat het loon van een werknemer verlaagd wordt. Een nieuwe werknemer die aan een verlaagd loon wordt aangenomen, vinden ze minder onrechtvaardig.

(6) De diplomabonificatie was op zichzelf een dubbele onrechtvaardigheid. De jaren die je studeerde aan de hogeschool of universiteit werden bij je beroepsloopbaan geteld voor de pensioenberekening, terwijl je die jaren niets geen bijdragen betaald had en tegelijkertijd, op staatskosten, genoten had van bijna gratis onderwijs. Dat was niet alleen discriminerend tegenover werknemers van de private sector maar vooral tegenover werknemers die niet het voorrecht genoten om te studeren.


 

dinsdag 27 oktober 2015

Zestig

Links Nozick (50), rechts: Clerick (10)
Ik wil ooit een stukje beginnen met Nozick en ik zijn van mening...
     Vandaag ben ik zestig geworden. Op je veertigste kun je nog zoals Dante zeggen : ‘Nell mezzo del cammin di nostra vita’, en op je vijftigste ook, als je heel optimistisch bent, maar op je zestigste gaat dat niet meer – slechts heel, heel weinig mensen worden honderdtwintig jaar oud. Hier helpt geen lievemoederen aan: méér dan de helft zit erop. Nu is er een buitengewoon slimme Amerikaanse filosoof, Robert Nozick, die over dat probleem heeft nagedacht. Je moet, zegt hij, je leven indelen in periodes, en die periodes kies je dan zó dat je nooit verder dan halverwege bent. Dat lijkt mij een goede manier om de zaken te bekijken. Laten we het een keer uitproberen.
     Dertig jaar geleden heb ik het communisme vaarwel gezegd. Als ik zo oud word als mijn vader nu is, dan heb ik nog meer dan dertig niet-communistische jaren te goed. Nog niet halfweg dus. Dat worden dan meer dan dertig jaar dat ik ’s morgensvroeg niet moet opstaan om vlugschriften uit te delen, ’s middags geen huisbezoeken moet afleggen om nieuwe leden te werven en ’s avonds laat niet moet vergaderen over partijfierheid en partijdiscipline. Ik hoop maar dat ik mij niet verveel in die komende dertig jaar.
     Er zijn nog meer achterdeurtjes. Zeventien jaar geleden ben ik vader geworden. Als daar nu eens zeventien jaren bijkomen, wat niet onmogelijk is, dan is mijn vaderschap nog maar in de helft. Tien jaar geleden ben ik mij meer met de fiets gaan verplaatsen. Nog eens tien jaar op de fiets zou toch echt niet overdreven zijn. Op straat zie je vaak véél oudere mensen die zich met de fiets verplaatsen. Vijf jaar geleden heb ik een elektronische boeklezer gekocht, wat voor mij het begin was van een nieuw leestijdperk. Dat tijdperk zal toch nog niet halverwege zijn, hoop ik dan.
     Als het moet zijn er nog kórtere levensperiodes. Vier jaar geleden ben ik spaarzamer gaan omspringen met koolhydraten, waardoor ik heel wat pondjes verloor. Daar kunnen met wat geluk nog veel magere jaren bijkomen. Drie jaar geleden heb ik samen met mijn vriend Peter tien nieuwe boekenkasten gemaakt. Als je de mappen voor school er uithaalt, zijn die kasten bijlange nog niet half gevuld. En tenslotte: zeven maand geleden ben ik begonnen met berichten op Facebook te plaatsen. Wat is nu zeven maand? Ik ga er nog even mee door, bij leven en welzijn.

Oorspronkelijk geplaatst op 20 mei 2015