Posts tonen met het label China. Alle posts tonen
Posts tonen met het label China. Alle posts tonen

zaterdag 27 augustus 2022

Lukkassen vs. Clerick


     Het overkomt mij niet vaak, maar laatst was ik het onderwerp van een internet-artikel in De Dagelijkse Standaard*. Sid Lukkassen vond dat ik ‘de democratische geloofsbrieven van van Paul Cliteur in twijfel had getrokken.’ Hij heeft mijn stukje over Cliteur en Sting gelezen en daaruit besloten dat ik Cliteur geen ‘échte democraat’ vind, dat Cliteur ‘zijn democratisch standpunt verwaarloost’, en dat hij door zijn houding tegenover Oekraïne ‘verraad pleegt aan de democratie’.
     Lukkassen heeft, vrees ik, mijn stukje slechts heel vluchtig gelezen. Ik ben er namelijk redelijk gerust in dat Paul Cliteur een échte democraat is, en uit wat ik van hem gelezen heb, een van de rechts-liberale soort, wiens opvattingen over een en ander dus dicht bij de mijne liggen. Alleen vond ik het fout dat hij de democratische dimensie van de Oekraïense onafhankelijkheidsstrijd loochende met een ontoereikend argument. Cliteur beweert namelijk dat het Poetins aanval ingegeven was door geopolitieke motieven, niet door de bedoeling om de democratie in Oekraïne te vernietigen. Ik ga daar eigenlijk mee akkoord. Maar ik vond het een denkfout om de inzet en gevolgen van een conflict te herleiden tot de bedoeling van een van de actoren.**
     Dezelfde denkfout vind ik terug bij Lukassen zelf, maar dan zodanig uitvergroot dat ik mij afvraag of Cliteur hem erin zou kunnen volgen. ‘Iedereen weet,’ schrijft hij, ‘dat het “vrije Westen” nooit werkelijk op zoek was naar het verspreiden en verdedigen van de democratie … het was nooit het doel om de democratie ongeacht alle belangen te verdedigen.’ ‘Iedereen weet’, tja, ’t is een uitdrukking die ik mij herinner van mijn communistische jeugd. In elk geval wordt ook hier weer de bedoeling ingeroepen om de  inzet van conflicten te bepalen.
     Lukkassen ondersteunt zijn kijk door te laten zien hoe inconsequent het Westen zich getoond heeft als het om democratie ging: het verraden van Polen in WO II, het steunen van dictaturen tijdens de Koude Oorlog, het gedogen van Erdogan in het Westerse bondgenootschap, enzovoort, tot en met de terugtrekking uit Afghanistan. Met die inconsequenties ben ik het eens, en als Lukkassen mijn stukje wat beter gelezen had, zou hij dat gemerkt hebben in de passage waar ik het voorbeeld van Latijns-Amerika aanhaal.
    Maar over die inconsequenties denk ik anders. Geopolitiek en democratie zijn voor mij niet per definitie en in alle gevallen tegengesteld. Je kunt tegelijk geopolitieke doelstellingen en democratische doelstellingen nastreven – alhoewel je sóms moet kiezen –, je kunt de democratie ook op een inconsequente manier verdedigen, en je kunt ten slotte ook de democratie proberen uit te dragen juist omwille van geopolitieke belangen. De oorlog in Irak is daarvan een voorbeeld. Amerika droomde – naïef – dat het de Sadam-dictatuur, een potentieel machtige vijand, kon vervangen door een democratisch model dat zich juist daarom op het Westen zou oriënteren***. Het is allemaal niet zo gelopen, dat weten we, en een beetje meer Realpolitik, en wat minder ideologie, was beter geweest, ja. 
     Wat de door Lukkassen zelf voorgestelde Realpolitiek betreft – Rusland te vriend houden en vooral China in de hand houden –  daar heb ik geen mening over. Ik stoor mij wel aan de demagogie die hij gebruikt van ‘verarmde omaatjes’ die hun gas niet kunnen betalen terwijl er ‘miljoenen euro’s aan donaties en wapentuig naar Oekraïne gaan.’ Dezelfde omaatjes kunnen immers van stal worden gehaald als er straks miljoenen geïnvesteerd moeten worden in eigen defensie, zij het, in Lukkassen zijn analyse, met het oog op China. Bij budgettaire keuzes mogen de noden van een buitenlands beleid niet bepaald worden door de noden van een sociaal beleid, en ook het omgekeerde is misplaatst. Elk beleid heeft zijn eigen logica en vertrekt van eigen noden****.
     Een laatste vraag: is Lukkassen zelf een echte democraat? Op basis van zijn stuk neem ik aan van wel. Alleen vind ik het jammer dat hij zo denigrerend spreekt over de Westerse democratie zoals ze bestaat. Hij vindt ons systeem ‘caesarisme’.  Hij schudt gauw-gauw een lijstje uit zijn mouw van wat er fout loopt. Het is overigens een interessant lijstje. Veel van wat hij aanhaalt vind ik ook onrustwekkend. Het coronabeleid van de Westerse regeringen bijvoorbeeld heeft mij ook wantrouwiger gemaakt. Maar de afstand tussen de Westerse democratie met al haar fouten en het poetinisme is, naar mijn inschatting, even groot als die tussen het poetinisme en het stalinisme. Als dat nuances in totalitarisme zijn, dan zeg ik: leve de nuance!

 * Het artikel van Lukassen vind je hier. Mijn stukje waarop hij antwoordt vind je hier.

** Ik heb deze alinea lichtjes aangepast omdat Lukkassen in een vervolgartikel er ongeveer het tegenoverstelde in las van wat ik bedoelde. Hopelijk is het nu duidelijk.

*** Een aantal lezers vonden dat ik hier de Amerikaanse inval in Irak goedpraatte. Dat is niet wat ik beoogde. Buitenlandse politiek wordt tegelijk beïnvloed door vele factoren: geopolitiek, ideologie, economisch belang, binnenlandse agenda, humanisme. De poging om een democratie in te voeren in Irak zie ik niet als een humanistische, maar als een ideologische factor die, dít wou ik dus zeggen, een geopolitiek doel diende. 

**** Zie ook mijn stukje hier.

 

 

zondag 7 augustus 2022

Kortjes

Caroline Pauwels. Ik heb ooit horen vertellen over iemand die Alexander Decroo een goed mens vond. ‘Je ziet dat gewoon als hij op televisie komt,’ had die man gezegd. Zelf beschik ik over te weinig mensenkennis om zulke uitspraken te doen. Maar toen ik gisteren op televisie een paar flarden interview met Caroline Pauwels zag, maakte ik spontaan een uitzondering. Dat moet toch een goed mens geweest zijn, dacht ik. En ik was de enige niet. Zelfs zo’n ruwe man als Pieter Auwaerts schreef op Facebook dat Pauwels ‘een vrouw was waar de goedheid van afdroop.’ Die indruk had ik dus ook. Maar ik heb, zoals gezegd, weinig mensenkennis. Die van Pieter vertrouw ik meer.

Opwarming van de aarde. De aarde warmt ongetwijfeld op, maar op sommige plaatsen warmt ze meer dan op andere. Op de parkeerplaats van onze Proxy Delhaize is het altijd twee graden warmer dan ergens anders. Als we het wat koud hebben, gaan we gewoon even boodschappen doen.

Wales. Mijn zoon is met enkele vrienden vertrokken naar Wales voor een wandelvakantie. Dat roept voor mij meteen enkele literaire reminiscenties op. Captain Fluellen in Henry V. The Old Devils van Kingsley Amis. Maar vooral, vooral, A Man for Alle Seasons: ‘Why Richard, it profits a man nothing to give his soul for the whole world … but for Wales!’ ‘t Is even geestig als Elsschots dodelijke zinnetje. ‘Was het nog een mof of een Rus, maar een Pool!’ Probeer daarna Wales, of de Polen, maar eens ernstig te nemen. 

Plaisure-pain ratio. Als het goed is, moeten we het ook zeggen. Thuis studeer ik piano op een Yamaha B3 en in Oostende op een digitale Casio Celviano AP-470. Als ik enkele dagen op de Celviano gespeeld heb en dan weer overschakel op de Yamaha, ervaar ik een genotsgevoel, op gang gebracht door de vollere klanken en de natuurlijker respons van de toetsen. Als ik omgekeerd na enkele dagen Yamaha overschakel op de Celviano voel ik een ontgoocheling. Maar – nu komt het – het genot van de ene overschakeling is intenser en duurt langer dan de ontgoocheling en pijn van de andere. Mag ik daar metafysische conclusies uit trekken, of bewijst het alleen nog maar eens dat ik van nature een zonnetje in huis ben?

Taiwan. Columnist Nico Dijkshoorn maakte zich van de week vrolijk over mensen die nu plots een mening over Taiwan hebben. Ik heb daar al langer een mening over. Ik geloof niet dat China, zoals Japan indertijd, héél Zuid-Oost-Azië militair wil inpalmen, maar ze willen, moeten en zullen wel minstens Taiwan inpalmen. ’t Is vreselijk voor de Taiwanezen die, neem ik aan, in grote meerderheid gehecht zijn aan hun kapitalisme en hun democratie. Wat de Amerikaanse bondgenoot van Taiwan in deze kan doen, weet ik niet goed. Afwisselend dreigen en sussen? De hele zaak op de lange baan helpen schuiven? Een gunstiger overgang bedingen? Ik zou als Amerikaanse president voor die kwestie zeker geen oorlog voeren. Zeker niet. Omgekeerd, mocht die oorlog er toch komen, dan duim ik voor de Amerikanen en de Taiwanezen.

Hiernamaals. De meeste westerlingen  van vandaag geloven dat ze na hun dood in het niets verdwijnen, wat geen prettige gedachte is, maar wel een geruststellende. De anderen, een minderheid, geloven dat ze in de hemel komen als ze niet te veel medemensen hebben vermoord. Maar het is ooit anders geweest. Het hiernamaals voor de Christenen is eeuwenlang een te vrezen toekomst geweest. De kans was groot op een eeuwige foltering in de hel, of minstens enkele honderdduizenden jaren foltering in het vagevuur. Je moest daarvoor niemand vermoord hebben. Als je in staat was geweest om iemand te vermoorden was dat genoeg. Dat je niemand vermoord hebt, is misschien een kwestie van geluk, of van ‘the Grace of God’, zoals John Tyndale meende. Velen van mijn generatie en de generatie ervoor vragen zich af waartoe ze in staat zouden zijn geweest mochten ze door omstandigheden in een Einsatzgruppe terechtgekomen zijn.

Bertrand Russell. Het toneelstuk De paradox van Russell, dat ik gezien heb met Theater aan zee, gaat niet over de manier waarop Russell zijn logisch systeem sluitend wilde maken, noch over de manier waarop Gödel die poging ondermijnd heeft. Het gaat over het conflict tussen rede en gevoel, ratio en emotie, logos en pathos. Ik had, voor één keer, de indruk dat ik een toneelstuk helemaal begreep, wat een plezierig gevoel is. Maar iets anders zat mij dwars. Ik heb twee jaar geleden het boek Intellectuals van Paul Johnson gelezen. Stond daar nu wel of niet een hoofdstuk over Russell in, vroeg ik mij af. Het kon bijna niet anders. Maar zeker wist ik het niet. Thuisgekomen controleerde ik het even: jawel hoor: 28 bladzijden over Russell. Nu ik erover nadenk weet ik ook weer wat het zwaartepunt van Johnsons betoog was: de overgang van Russells oorlogstaal in de periode 1945-1953 naar zijn pacifisme in de jaren erna. Johnson ziet daar geen grote tegenstelling tussen: de twee standpunten zijn vergelijkbaar door hun extremisme. Ik herinnerde mij die passages over Russells oorlogstaal, geloof ik, omdat ik van veel vroeger al van die oorlogstaal afwist, van lang voor ik Johnson gelezen had. Als ik dingen lees die ik vroeger ook al wist, herinner ik mij ze veel beter. 

Bertrand Russell 2. Russell was eigenaardig genoeg zelf een groot tegenstander van extremisme. Ook daar was hij extreem in. ‘Geen enkele mening moet met vuur verdedigd worden. Niemand beweert met vuur dat zeven maal acht zesenvijftig is, omdat we weten dat dat het geval is. Een vurige uiteenzetting is alleen nodig als de verdedigde mening twijfelachtig is, of aantoonbaar vals.’ En lord Russell heeft veel vurige uiteenzettingen gehouden.

Liberaal-ironisch. In het toneelstuk De nieuwe man maakt de rechtse Natali een eigenaardig verwijt aan het adres van haar linkse ex-minnaar Peter. Die zou er een ‘liberaal-ironisch’ wereldbeeld op nahouden. Daar moest ik even over nadenken. Maar enkele dagen later woonde ik, alweer in het kader van ‘Theater aan zee’, een lezig bij van Hendrik Vos over ‘Europa na Oekraïne’. Nu weet ik precies wat liberaal-ironisch betekent.

zondag 25 februari 2018

Walter Zinzen en het Soedan-rapport

     Ik heb nooit goed begrepen waarom rechtse mensen zo gemakkelijk als ‘verzuurd’ worden weggezet. Zeker, ze bestaan, die zure rechtsen, maar als je de linkerkant opkijkt, zie je óók wel eens een gezicht dat je heel even aan een citroen of flesje azijn doet denken. Walter Zinzen bijvoorbeeld heeft zo’n gezicht en die zal wel niet boos worden als ik hem ‘links’ noem.
     In mijn linkse jaren ben ik een keer met een linkse vriend een voordracht van Zinzen over Congo gaan beluisteren. Zinzen is een Congospecialist. In het televisiespel De slimste mens werd hem ooit gevraagd naar vijf talen die in Congo gesproken werden. Het was een gelukkig toeval dat die vraag juist bij hem terecht kwam, want zijn tegenspelers zouden het wellicht niet verder gebracht hebben dan euh … euh … Lingala … Maar Zinzen had er geen moeite mee: Frans, Lingala, Kikongo, Swahili en Tshiluba en je zag dat hij makkelijk nog tien andere talen had kunnen noemen.
     Op die Congo-voordracht – het moet eind de jaren zeventig geweest zijn – vertelde Zinzen allerlei slechts over de toenmalige president Mobutu. Alles wat hij vertelde, zal wel ongeveer waar geweest zijn. Toch zat een en ander mij en mijn linkse vriend niet lekker. Mobutu was op dat moment oorlog aan het voeren tegen een rebelse afscheidingsbeweging onder leiding van een zekere Mbumba. Mobutu werd gesteund door China en Mbumba door Cuba. Zinzen was, geloof ik, een beetje Cuba-links, en mijn vriend en ik waren in elk geval honderd procent China-links. We waren het dus niet eens met Zinzen. Mijn vriend had een mooie tussenkomst voorbereid, met veel feiten, cijfers en data – alles netjes vermomd als een vraag aan de spreker. Daarop antwoordde Zinzen heel uit de hoogte: ‘Meneer, welk deel van Congo hebt u ooit bezocht?’ Dat was een dodelijke sneer, en mijn vriend vergat toen te antwoorden dat hij eigenlijk in Congo geboren was. De goedkope kunstgreep heeft mij een latente aversie bezorgd tegen de man die ze gebruikte, aversie die af en toe heropflakkert en waarvan dit stukje een bescheiden attest is.
   Je moet weten, lieve lezer, dat Zinzen laatst een stuk publiceerde op MO-Magazine. Het stuk bestrijkt een breed veld van onderwerpen: de vage taal van minister Jambon, de leugen van Theo Francken, de drugsverslaving van Erik Van der Paal, de war on drugs in Antwerpen, het sentimentalisme van dierenvrienden, de martelingen in Libië, om dan te eindigen met de uit België uitgewezen Soedanezen die in hun land van herkomst al dan niet gefolterd werden.
     Het stuk van Zinzen behoort tot het genre van de polemiek en voor lui als Zinzen hoort daar een bepaald stijltje bij. Minister Jambon wordt ‘de heer Jambon’ genoemd. Burgemeester Bart De Wever is een ‘opperhoofd’. Dirk Van den Bulck, het hoofd van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen is een ‘meneer’ en een ‘edelachtbare’ en – sarcastisch – een ‘geniaal deskundige’. Als Jambon de taak van een advocaat op een eenzijdige of verkeerde manier samenvat, legt hij ‘een bom onder Justitie’. Bepaalde uitspraken hoor je op TV ‘honderd keer per dag’. Honderd keer per dag? Ach ja, als je op een dag heel veel TV kijkt misschien.
     En dan die argumenten! Zinzen merkt fijntjes op dat De Wever trouw blijft aan zijn aan cocaïneverslaafde vriend Van der Paal, maar anderzijds een ‘keihard’ beleid voert tegen drugs. Misschien ziet Zinzen daar een tegenspraak in, terwijl het mijn ervaring is dat mensen die in hun nabije omgeving met drank- en drugmisbruik te maken hebben, meer dan anderen geneigd zijn om iets tegen drank en drugs te ondernemen.* Maar ja, polemisten zijn erg sterk in het ontdekken van tegenspraak bij anderen. Als het daarentegen over henzelf gaat, ligt dat anders. Dan komt het er niet zo op aan. Zinzen bijvoorbeeld maakt zich in de ene alinea boos omdat tijdens het politieke debat rond Francken zo weinig werd aangedrongen op het ontslag van de staatssecretaris, en zes alinea’s verder is hij vooral kwaad dat het politieke debat zolang beheerst werd door de vraag: ontslag of blijven. Ja maar, wat is het nu?
     Het best uitgewerkte deel van Zinzens stuk betreft de Soedanezen en het rapport van het Commissariaat daarover. Het Commissariaat heeft met de uitgewezenen contact opgenomen en heeft geprobeerd na te gaan of die inderdaad gefolterd werden zoals beweerd wordt in het dossier van het Tahrir-instituut. Zinzen tekent bezwaar aan tegen dat contact opnemen. De slachtoffers van foltering gaan nooit de waarheid durven vertellen, zegt hij, aan officiële ambtenaren zoals die van het Commissariaat, als ze kunnen veronderstellen dat die ambtenaren een en ander doorvertellen aan de personen die verantwoordelijk waren voor hun foltering. Zinzen weet dat uit zijn journalistieke ervaring. Hij heeft zelf ‘tientallen Afrikanen geïnterviewd die zeiden het slachtoffer te zijn van geweld, terreur en mishandeling.’ En één ding weet Zinzen zeker: ‘Nooit of te nimmer zou een getuige, hoe erg hij ook mishandeld was, vrij en vrank spreken als hij zelfs maar het minste vermoeden had dat iemand zou meeluisteren die hem later kwaad zou kunnen berokkenen.’
     Die inschatting van Zinzen is erg geloofwaardig. Als Soedanezen in Brussel, of aan het Tahrir-instituut, vertellen dat ze gefolterd zijn, en in Soedan zeggen ze dat ze niet gefolterd zijn, zou ik niet weten welke versie gelogen is. In Brussel of bij die Tahrir-mensen kunnen ze die foltering bovenhalen in de hoop uitwijzing te voorkomen, en in Soedan kunnen ze de foltering ontkennen uit vrees om anders nog meer gefolterd te worden. Als het rapport dus alleen ontkenning van de folteringen zou bevatten, dan zou het weinig waarde hebben, en dan had Zinzen gelijk.
     Maar Zinzen hééft geen gelijk. Het rapport bevat veel meer. Het rapport toont aan dat een aantal van de oorspronkelijke verklaringen over de foltering niet juist kunnen zijn. Zo is er de getuige die aan de Tahrir-mensen beweerd had dat hij bij zijn aankomst op het vliegveld van Khartoem – op 22 oktober 2017  - onmiddellijk werd gearresteerd. Hij werd twee dagen opgesloten, ondervraagd over zijn politieke activiteiten, en gedurende drie uur geslagen met een stok en onderworpen aan psychologische foltering. Welnu, die man bleek zich op diezelfde dag – 22 oktober – te hebben aangemeld bij het kantoor van de IOM – International Organisation for Migration – om zijn re-integratiepremie aan te vragen. Hij kon volgens mij onmogelijk tegelijk op dat kantoor en in de gevangenis zijn.
     Er steken in de Tahrir-map dus nogal wat uitspraken die, om het met de woorden van het Commissariaat te zeggen ‘duidelijk niet waarheidsgetrouw’ zijn en die ‘doen twijfelen aan de waarheidsgetrouwheid van de [rest van de] getuigenis’: er wordt gelogen over de geboorteplaats (nu eens Darfoer, dan weer Rabak), over gedwongen uitwijzing als het om een vrijwillige terugkeer ging, er wordt een reis langs Istanboel verzonnen. En er wordt hevig geprotesteerd omdat men beloofde premies niet heeft ontvangen. Dat laatste was overigens geen leugen, geloof ik.
     Over al die mankementen aan het Tahrir-dossier zegt Zinzen geen woord. Voor hem gaat het nog altijd om ‘gefolterde Soedanezen’ en de bepaling ‘al dan niet’ krijgt hij niet over zijn lippen. Zinzen beweert dat het Commissariaat-Generaal niet heeft kunnen bewijzen dat de Soedanezen de waarheid spraken en dat we dat ook niet hadden kunnen verwachten. Daar heeft Zinzen twee keer gelijk in. Dat het ondertussen wel heeft kunnen bewijzen dat de Soedanezen gelógen hebben, dat vergeet hij te vermelden.




* ‘Iets ondernemen’ betekent niet noodzakelijk een repressief beleid voeren – dat is een heel ander vraagstuk. Zinzen omschrijft de ‘war on drugs’ in Antwerpen als ‘een keihard beleid tegen tegen dealers maar ook tegen gebruikers’. Ik heb die Antwerpse oorlog niet zo goed gevolgd, maar ik neem aan dat er in het beleid een nogal groot verschil bestaat tussen de aanpak van de dealers en die van de gebruikers.

zaterdag 26 november 2016

Trump, de handelsakkoorden en de hularokjes

    Donald Trump mag dan nog niet helemaal president zijn, toch komt hij voortdurend in het nieuws met verklaringen over zijn toekomstige beleid. Zijn eerste beleidsdaad zal zijn om het handelsakkoord met het Verre Oosten (TPP) en met Europa (TTIP) af te blazen. Ook het oude handelsakkoord met Canada en Mexico (Nafta) wil hij herbekijken. Trump gelooft in ‘deals’. Trump gelooft niet in vrije handel.
     Het voordeel daarvan is dat ik nu overal leuke stukjes lees vóór de vrije handel, want veel mensen zijn tegen Trump.

     Een maand geleden was dat even anders. Dat wil zeggen: veel mensen waren toen ook tegen Trump maar toen las ik overal stukken tegen de vrije handel. Het Ceta-akkoord was niets dan kommer en kwel. En het Nafta-akkoord, zo las ik, bracht bittere armoede voor de Mexicanen. Nu lees ik in een stuk van professor Schoors dat juist de afschaffing van het Nafta-akkoord in Mexico veel armoede zal brengen.
     Schoors begint zijn stuk met een meeslepende reeks scheldwoorden: ‘De volgende president van de Verenigde Staten is een vuil gebekte, seksistische, racistische, xenofobe, leugenachtige, frauduleuze, zelfzuchtige, narcistische, impulsieve en onwetende bullebak.’* Nou, nou. Je verwacht na zo’n inleiding eigenlijk niet dat er nog een argumentatie volgen zal. Maar zoals ik geleerd heb mijn bordje volledig leeg te eten, zo probeer ik ook stukken in de krant netjes tot het einde te lezen. En het stuk was dus een pleitrede voor meer vrijhandel.
     Dat vind ik fijn, want ik lees graag stukken die mij in mijn mening bevestigen.
     Toch begrijp ik ook waar Trump en de zijnen naartoe willen. Dat die arme Mexicanen erop vooruitgaan, is niet de zaak van de Amerikaanse president, vinden zij.  De opperste raadgever van Trump, Steve Bannon, zei in een interview: ‘Ik ben geen blanke nationalist. Ik ben een economische nationalist. De globalistische vrijhandelaars hebben de Amerikaanse werkende klasse uitgehold en een middenklasse geschapen in Azië. Het is nu zaak dat de Amerikanen zich niet meer laten naaien.’ Bannon gelooft dat internationale handel een spel is met winnaars en verliezers, en Amerika moet weer een winnaar worden. America First.
     Bannon heeft op één punt gelijk. De toestand van de Amerikaanse werkende klasse is inderdaad niet zo best. Vroeger had je reusachtige fabrieken waar goed verdienende arbeiders van vader op zoon staal goten of walsten, of auto’s aan de lopende band in elkaar draaiden met grote moersleutels, zoals Charlie Chaplin dat deed. Maar nu wordt dat staal gegoten en gewalst in China en worden die auto’s in elkaar gezet in Korea en Japan, waar de lonen lager zijn.
     Veel Amerikanen zijn bang dat die ontwikkeling zich zal doorzetten. Op de duur zou alle industrie uit de Verenigde Staten kunnen verdwijnen en alle productiejobs naar een laagloonland kunnen gaan, bijvoorbeeld naar China, dat naast elektronica, speelgoed en schoeisel ook alle auto’s, gasinbouwhaarden en koelkasten zou gaan produceren. De Amerikanen blijven dan zitten met een dienstensector. Joe de tuinman snoeit de haag van Jim de kapper en Jim de kapper knipt de haren van Joe de tuinman. Maar met dat snoeiafval en die afgeknipte haren kunnen ze bij de Chinezen geen auto’s en koelkasten kopen.
     Kan protectionisme hier een oplossing brengen? Ik denk het niet. Als je alle Chinese elektronica tegenhoudt door hoge invoerrechten, dan komt er misschien wel een goedverdienende baan voor Jack en Bob in een Amerikaanse elektronicafabriek, maar dan zijn die producten die daar gemaakt worden zo duur dat Joe de tuinman en Jim de kapper ze niet kunnen betalen. Wie weet zijn ze zelfs te duur voor Jack en Bob. Dan duurt het niet lang of die elektronicafabriek gaat weer dicht.
     Er zijn gelukkig goede redenen om aan te nemen dat nooit alle productiejobs naar lageloonlanden zullen verhuizen**.
     De eerste reden is gemakkelijk om te begrijpen. Als in zo’n laagloonland meer industrie komt, dan gaan de lonen in dat land stijgen, want die fabrieken willen allemaal de beste arbeiders aantrekken en wie kwaliteit wil moet kwaliteit betalen. Dan wordt zo’n land na enige tijd een hoogloonland. In Korea bijvoorbeeld zijn de lonen ondertussen al de helft van de Amerikaanse.
     De tweede reden valt ook nog te bevatten. Door de concurrentie met de lageloonlanden, gaan de lonen van de Amerikaanse arbeiders achterblijven. Dat is trouwens al enkele decennia aan de gang. ’t Is voor de arbeiders niet prettig, maar het hoeft ook geen drama te zijn als daardoor ook de prijzen achterblijven. Hoge lonen en hoge prijzen of lage lonen en lage prijzen, het maakt niet zoveel uit.
       De derde reden waarom nooit alle productiejobs van Amerika naar China zullen verhuizen  is veel ingewikkelder. Ik bladerde ooit in een geschiedenisboek van Jan en vond daar een stukje over de Engelse econoom David Ricardo (1772 – 1823) en zijn wet van het comparatieve voordeel. Dat is iets helemaal anders dan de veel eenvoudiger wet van het absolute voordeel, waar ik eerder al iets over schreef. Die wet had ik misschien zelf ook kunnen uitvinden en ik zou hem, geloof ik, aan een kleuter kunnen uitleggen als ik er mooie kleurplaatjes bij had. Je hebt het eiland Nihau en het eiland Oahu. Op de twee eilanden groeien grote grassoorten. Op Nihau zijn ze goed in het stoken van graswortelalcolhol en op Oahu in het bij elkaar rijgen van grassen rokjes. Dan moeten die van Nihau graswortelalcohol maken, en die van Oahu grassen rokjes. De helft van wat ze maken kunnen ze daarna onder elkaar verhandelen. Dat is de wet van het absolute wederzijdse voordeel.
     De wet van het comparatieve wederzijdse voordeel is subtieler. Die wet treedt in voege als de inwoners van Nihau beter zijn in alles – in het stoken van alcohol én in het maken van rokjes – en als die van Oahu in alles kneusjes zijn. Je zou op het eerste gezicht denken dat die van Nihau dan beter zowel hun eigen alcohol stoken als hun eigen rokjes aan elkaar rijgen. Maar dat is niet zo. Volgens de wet van het comparatieve voordeel is het zelfs dan nog voordelig als Nihau en Oahu zich specialiseren in alcohol of in rokjes en daarna handel drijven. Die van Nihau moeten daarvoor uitzoeken waar ze best in zijn, en die van Oahu moeten uitzoeken waar ze minder slecht in zijn. Een beetje zoals een hartchirurg die beter en sneller kookt dan een sterrenchef, vanuit economisch standpunt bekeken, zijn tijd toch best investeert in heelkundige ingrepen liever dan in kokkerellen. Met wat hij met zijn operaties verdient kan hij zich door eersterangskoks laten bedienen en dan op het einde van de maand nog genoeg overhouden om zijn golfabonnement te betalen***.

     Die redenering kun je ook toepassen op Amerika en China. China is door zijn lage lonen misschien in alle opzichten de beste prijs-kwaliteitskeuze voor investeerders. De Chinese bandwerkers, ingenieurs en designmensen mogen minder productief, inventief of creatief zijn dan hun Amerikaanse collega’s – zolang ze tien keer minder verdienen zijn de Amerikanen in het nadeel. Maar dat nadeel geldt niet voor elke productietak in dezelfde mate.
     De Chinezen slagen erin om –  zeg – winterkleren te maken aan héél lage prijzen, en de Amerikanen slagen erin om –  zeg – ketchup te maken aan redelijk lage prijzen. Dan is het voor de Chinezen voordelig om zich op die winterkleren te gooien en de ketchuproductie aan de Amerikanen over te laten.* De winterkleren verkopen dan zo goed dat de Chinese gezinnen genoeg geld hebben om zoveel Amerikaanse ketchup te kopen als ze op kunnen, ook al is die iets duurder. En de Amerikanen betalen zo weinig voor hun winterkleren dat ze genoeg geld overhouden om, naast hun eigen nationale ketchup, ook nog een voorraad in Amerika gemaakte vuurwapens in te slaan om hun gezin te verdedigen.
     Kort gezegd: China verzwakt zijn economie door alles zelf te willen maken en Amerika verzwakt zijn economie door te weigeren goedkope Chinese producten af te nemen.
      Je kunt je afvragen of Donald Trump door bovenstaande redenering kan worden overtuigd. Paul Krugman schreef ergens dat nog nooit één econoom erin geslaagd was om één politicus met die redenering over de brug te halen. Mocht zich onder de raadgevers van Trump een vrijhandelaar bevinden, hij is hierbij gewaarschuwd. Hij zal andere argumenten moeten gebruiken – argumenten waarin de Aziaten ‘genaaid’ worden en de Amerikanen ‘hun slag thuishalen’ ****. Mijn stukje mag hij vergeten.

 
* Schoors voegt eraan toe dat al zijn beledigende adjectieven ‘aantoonbaar juist’ zijn. Dat lijkt mij wat voortvarend. Begrippen als ‘seksisme’, ‘racisme’ en ‘xenofobie’ hebben een vage en wisselende betekenis en zijn daardoor juist erg moeilijk ‘aantoonbaar’, behalve in sommige zeldzame gevallen. Schoors had beter, zoals zijn voorzichtiger collega Krugman, gesproken over ‘impliciet racisme’ enzovoort. Want dat kun je van bijna iedereen zeggen dat hij het heeft.

 **Dat veel productiejobs in alle landen bedreigd worden door de versnelde automatisering is een ander verhaal.

 *** Of neem een vlotte loodgieter die tegelijk ook een vlotte amateurkok is. Daarnaast heb je een knullige kok die een nog veel knulliger thuisklusser is. De loodgieter is in alles de beste. Hij kookt een maaltijd in een half uur en installeert een gasketel in twee uur. De kok heeft dubbel zoveel tijd nodig om te koken en tien keer zoveel tijd om te installeren.
     Zou de loodgieter dan niet beter alles zelf doen?
     Veronderstel dat de loodgieter en de kok samen een vennootschap oprichten in een wereld waar een maaltijdbereiding 20 euro en gasketelinstallatie 100 euro kost, en waar de werkweken 40 uur bedragen. Als de loodgieter zijn tijd gelijk verdeelt over koken en installeren, dan installeert hij 10 gasketels en bereidt hij 40 maaltijden. De kok installeert in dezelfde week één gaskachel en bereidt 20 maaltijden. Samen hebben ze 2 300 euro verdiend. Als de twee zich nu toeleggen op waar ze vergelijkenderwijs het beste in zijn, dan installeert de loodgieter 20 gasketels en bereidt de kok 40 maaltijden. Samen hebben zij dan 2 800 euro verdiend, dus 500 euro meer dan in het eerste scenario. Hoe ze dat geld onder elkaar verdelen, daar wil ik mij niet mee moeien. Maar van mij mag de loodgieter iets meer krijgen.

****Die raadgever-vrijhandelaar kan ook hier zijn inspiratie halen.

dinsdag 24 november 2015

Song Binbin

Song Binbin boven rechts en onder midden
     Minister van Onderwijs Crevits heeft in haar één-septemberinterview met Het Nieuwsblad een paar behartenswaardige dingen gezegd. Lesgeven mag niet worden herleid tot ‘leerplannen, eindtermen en handboeken’. Een leraar is ‘geen robot’. Er moet iets gedaan worden aan de ‘papierberg in de scholen’. En haar wens is het dat onderwijsmensen op het einde van haar ministerschap zouden zeggen: ‘Crevits heeft echt een inspanning gedaan om ons meer vrijheid te geven.’
     Ik ben het daar allemaal grondig mee eens. Maar in reacties op het interview hoor je niets over die behartenswaardige dingen. In reacties gaat het altijd over die andere uitspraak van Crevits, die waar ze zegt dat leerlingen niet ‘slaafs’ moeten volgen wat leraren zeggen. Oudere mensen schrikken daarvan. Voor het Vaticaans Concilie of, zeg, voor mei 1968,  zou een minister van Onderwijs zoiets niet gezegd hebben. Het gezag was toen nog solidair. De leraar stond niet alléén voor de klas. Achter hem stond, figuurlijk dan, de prefect, de directeur, de minister, de regering en de koning – die laatste ook een beetje letterlijk want zijn portret hing boven het bord.
     Een van de eerste regeringsleiders om die solidariteit te doorbreken was Mao Zedong. Tijdens de Culturele Revolutie (1966) riep hij de Chinese scholieren op om in opstand te komen tegen leraren die te veel aandacht besteedden aan theoretische en schoolse kennis en te weinig aan praktische toepassing en sociaal en politiek engagement. Die opstand, vond Mao, mocht gerust wat bruut zijn. Een revolutie was ten slotte geen theekransje.
     De Chinese pubers hadden aan een half woord genoeg. Ze deden een rode armband om, noemden zich Rode Gardisten en ze riepen hun leraren ter verantwoording in massavergaderingen van ‘kritiek en zelfkritiek’. Een leraar of lerares die niet snel genoeg was in het toejuichen van de opstand of in het bekritiseren van conservatieve collega’s, kreeg zelf de volle laag. Zo gebeurde dat ook met Bian Zhongyun, directrice van een meisjeslyceum in Beijing. Haar gezicht werd met inkt ingewreven. Ze moest de toiletten gaan leegmaken. Ze moest op een emmer trommelen en roepen: ‘Ik ben een kapitaliste.’ Ze werd getrapt en geslagen met stokken. Ze werd bewusteloos op een kar gegooid. Ze overleed op weg naar een ziekenhuis.
     Een van de aanstooksters van de moord op Bian Zhongyun was Song Binbin. De enthousiaste scholiere werd enkele dagen later tijdens een manifestatie van één miljoen revolutionaire jongeren bij Mao geroepen. Ze kreeg de eer om de oude leider een armband van de Rode Gardisten op te spelden. Van dat treffende tafereel werd een poster gemaakt, die nog op mijn kamer heeft gehangen toen ik zelf scholier was, want ik was een groot bewonderaar van Mao.
     Met Song Binbin is alles goed gekomen. Na de culturele revolutie week ze uit naar de Verenigde Staten. Ze doctoreerde aan het MIT en ging werken voor een departement van Natuurbescherming. Er bestaat een foto van haar waar ze, teruggekeerd in China en met grijze haren, een berouwvolle buiging maakt voor het standbeeld van haar vermoorde directrice.


 Oorspronkelijk geplaatst op 13 september 2015