Posts tonen met het label Raoul Hedebouw. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Raoul Hedebouw. Alle posts tonen

maandag 28 februari 2022

Poetin, de PVDA en de de-escalatie*

 

     De PVDA heeft, zoals bekend, geweigerd om in het Vlaamse Parlement een resolutie over Oekraïne goed te keuren. De resolutie stelde voor om (1) de Russische agressie te veroordelen, (2) solidariteit te betuigen aan Oekraïne, (3) extra Europese sancties door te voeren, en (4) humanitaire en andere hulp aan Oekraïne te verlenen. De PVDA ging blijkbaar alleen akkoord met het eerste punt en vond de rest van de resolutie eenzijdig omdat ze de verantwoordelijkheid van de Navo niet belichtte. Die had zich immers uitgebreid met nieuwe lidstaten waardoor ‘Rusland zich bedreigd voelde’. Verder had Oekraïense regering zelf ook boter op het hoofd omdat ze geen autonomie had verleend aan de oostelijke gebieden.
     In de tijd dat PVDA nog een kleine sekte was zag je in de huizen van partijleden vaak een slagzin van Mao aan de muur hangen die luidde: ‘Tegen de stroom inroeien is een marxistisch principe.’ Dat principe hebben de PVDA’ers  in het Vlaamse parlement dus toegepast. Ze hadden kunnen doen zoals Vlaams Belang, waar nogal wat sympathie voor Poetin bestaat: ze hadden kunnen zwijgen. Maar die kans hebben ze gemist. Ze hadden ook een lange toespraak kunnen houden tegen de Navo en het Amerikaanse imperialisme om dan als slot de resolutie tóch goed te keuren. Maar ook dat hebben ze niet gedaan. Ze hebben zich stoutmoedig in de strijd geworpen: één tegen allen. 
     De politieke vijanden van de PVDA – alle partijen dus – grepen de politieke flater aan om de partij scherp te veroordelen. Ze stelden het voor alsof de PVDA de invasie goedkeurde. Dat was niet helemaal waar. Maar het PVDA-standpunt deed me wel denken aan wat gebeurde toen Hitler in 1939 Polen binnenviel. De Franse communisten voelden zich gebonden door het recente verdrag tussen Duitsland en de Sovjetunie. Ze keurden de nazi-inval weliswaar niet goed, maar ze wezen erop dat die het gevolg was van het ‘Engelse en Franse imperialisme’ en dat ‘het wereldproletariaat onmogelijk het fascistische Poolse regime kon verdedigen.’ 
     De Franse communisten van 1939  en de Vlaamse communisten van 2022 hebben de inval in respectievelijk Polen en Oekraïne niet ‘goedgekeurd’, maar hun standpunt zat zo vol nuances – helaas op een moment dat die nuances niet helemaal op hun plaats waren, en bovendien, op de keeper beschouwd, berustten op de bedenkelijke analyse van ‘fouten aan de twee kanten’. Een buitenstaander die niet doorkneed is in de marxistische dialectiek kan weinig met die nuances aanvangen op een ogenblik dat een zwak onafhankelijk land wordt binnengevallen door een sterke agressieve buur, en dàt onder het absurde voorwendsel dat die agressie nodig was om de regering van dat land te zuiveren van ‘neo-nazis’ en ‘druggebruikers.’
     De PVDA is geen klein sekte meer, maar een partij die rekening moet houden met buitenstaanders die niet in de marxistische dialectiek doorkneed zijn. Op het VRT-journaal van gisteren kreeg Raoul Hedelbouw uitgebreid de kans om een elegante pirouette uit te voeren. Bart Verhulst stelde hem de vraag waarom PVDA zoveel moeite had om Poetins inval te te veroordelen. Raoul stak van wal met een reeks scheldwoorden aan het adres van Poetin: autocraat, oligarch, man van de big business, crimineel. Hij was tegen de Russische ‘agressie’ en ‘voor de erkenning van de Oekraïense staat’ en gaf verder een lange uitleg over de Helsinki-akkoorden van 1975, de ontwapening, de vredesbeweging, het belang van de-escalatie, het gevaar voor een wereldoorlog, en de noodzaak voor België om als klein land een diplomatieke rol te spelen.
     Ik vond dat Bart Verhulst aan het einde van de tirade had moeten vragen of dat nu allemaal een reden was om de resolutie in het Vlaams Parlement niet te onderschrijven. In plaats daarvan besloot Verhulst: ‘Dank u, meneer Hedebouw. Ja, dat is wel een duidelijke boodschap nadat PVDA-PTB toch wat geïsoleerd stond in de politiek en het leek alsof ze die inval niet meteen veroordeelde; die veroordeling is er nu toch wel heel duidelijk gekomen.’ Ik vond dat een erg mooi cadeautje van de journalist aan de politicus.
    De pirouette van Raoul Hedebouw bestond trouwens niet in de veroordeling van Poetins agressie – die had de PVDA inderdaad al eerder uitgesproken – maar in de verschuiving van de stugge anti-Navo retoriek naar het aantrekkelijker vredesdiscours. Communisten kunnen inspiratie putten uit een rijk verleden waarin ze op verschillende momenten verschillende deuntjes zongen: in 1939 was het dat van het anti-imperialisme, van 1941 tot 1945 werd het dat van het patriottisme, en in de jaren 50 werd het dat van het pacifisme, met de vredesduif van Picasso als symbool.
     Nu we het toch over pirouettes hebben. Ik vond de herhaalde verwijzing, vijf of zes keer, van Raoul naar de de Helsinki-akkoorden bijzonder vermakelijk. De vader van Raoul, Berten Hedebouw, moet als oude Amadees en PVDA-er, aan tientallen betogingen hebben deelgenomen tégen de Helsinki-akkoorden. Die akkoorden brachten immers, volgens de Chinese communisten en Ludo Martens, niet de vrede maar de oorlog dichterbij. Amada-PVDA beschouwde indertijd de Sovjet-Unie als verraders van het echte communisme, en bovendien als de belangrijkste ‘oorlogsstoker’ in de wereld.  De argumentatie voor die laatste stelling sneed enig hout. De Sovjet-Unie, zo hield kameraad Ludo ons voor, raakte economisch achterop. De enig mogelijkheid om haar positie op het wereldtoneel te versterken, bestond erin de militaire kaart te spelen. 
    Vandaag is Rusland economisch nog meer achterop geraakt. Daardoor kon het Westen één na één de vorige vazalstaten van Rusland aan zich binden. Poetin kan daar weinig tegenover stellen behalve militair geweld. Wellicht is Rusland ondertussen dermate achterop geraakt, dat zelfs dat militaire geweld op een zwakkere basis berust dan in de tijd van Brezjnev. Wat zou betekenen dat het oorlogsgevaar vandaag heel wat minder is dan in 1975.
    Dit alles echter is speculatie, en op grond van zulke speculaties moeten beter onderlegde mensen dan ik beslissingen nemen en geostrategische keuzes maken. Escaleren of de-escaleren? Churchill of Chamberlain? Achteraf is het makkelijk praten. De diplomatieke voorgeschiedenis van de Eerste Wereldoorlog laat zien hoe de tragedie vermeden had kunnen worden door inbinden, wederzijdse toegevingen, begraven van ultimatums, verminderde achterdocht, en bereidheid om de ‘eer van de natie’ op de tweede plaats te stellen. De-escalatie had een wereldbrand kunnen voorkomen. Dat weten we we nù.
     Maar de voorgeschiedenis van de Tweede Wereldoorlog biedt, ook achteraf gezien, het tegenovergestelde beeld. Toen had men juist wel moeten grijpen naar hoge principes van moed en eer en naar een no passaràn-mentaliteit; men had Hitler kunnen stoppen – met dreigende ultimatums en desnoods met een oorlog – toen het nog kon, dat wil zeggen toen de opbouw van zijn leger nog niet voltooid was. Churchill bleek, achteraf, gelijk te hebben: men had veel vroeger moeten escaleren. Dat weten we nù. Maar wat we nu niet weten, althans niet met zekerheid, dat is wat we nù moeten doen. Aan mij moet je het niet vragen, want ik heb geen antwoorden. En aan Raoul Hedebouw moet je het zeker niet vragen, want die heeft àlle antwoorden.

* Zie ook het artikel van Boudewijn Bouckaert op Doorbraak of op de Facebookpagina van de professor.

dinsdag 11 juni 2019

Afpersing binnen de PVDA?

   Op RTL was er vorige zondag een journalist die anonieme getuigenissen had verzameld over de interne werking van de PVDA. De militanten van die partij, vertelde hij onder andere, werden onder druk gezet om een substantieel deel van hun loon – alles wat boven een bepaald minimum ging – af te staan aan de partij. Een echtpaar dat samen 3000 euro verdiende moest alles afstaan boven de 2100 euro.*
        Raoul Hedebouw heeft die financiële kwestie nogal gemakkelijk afgewimpeld: ‘Elk lid van de PVDA betaalt gewoon 20 euro per jaar. Koppels krijgen een korting en betalen samen 30 euro per jaar. Georganiseerde leden betalen 60 euro steungeld per jaar. Ten slotte kunnen militanten met een hoog inkomen ervoor kiezen om aan een arbeidersloon te leven.’ Hij begon zijn uitleg met: ‘Het is simpel.’ (Zie hier)
     Maar het bijdragesysteem van de PVDA is niet simpel. Enkele maanden geleden heeft  de partij zelf nog in grote lijnen het systeem van het ‘referentiebudget’ uitgelegd (hier). Het gaat om een systeem dat geldt voor ‘kaderleden en militanten die verantwoordelijkheid dragen’. Voor een alleenstaande zonder kinderen start dat budget vanaf 1755 euro. Wat hij daarboven verdient draagt hij volgens zijn ‘vrijwillige en individuele keuze’ af aan de partij. Wat is het referentiebudget voor een gezin van twee personen? 2500 euro? Dan zouden twee leraren met een masterdiploma die allebei ‘militeren’ en van wie de kinderen de deur uit zijn maandelijks het verschil tussen hun gezamenlijk inkomen – 5000 euro – en het referentiebudget – 2500 euro? – in de partijkas moeten storten. Gebeurt dat? Ik weet bijna zeker van wel.
     Maar ze doen dat ‘vrijwillig’ luidt de uitleg van PVDA. Die militanten berekenen zelf welk deel van het verschil ze daarvan afdragen: 500, 1000, 1500, 2000 of de volle 2500 euro. Dat klinkt goed. Maar als die militanten toch zelf beslissen, wat is dan de zin van het hele referentiebudget? Of is het toch een listig drukkingsmiddel om mensen bedragen te laten storten die ze helemáál vrijwillig eigenlijk niet zouden storten.
    Ik kan mij bij dat ‘vrijwillig’ allerlei problemen voorstellen.
    Zelf ben ik een groot deel van de jaren 70 en 80 militant geweest van Amada-PVDA of aanverwante organisaties**. Toen ging het er op vlak van bijdragen nogal Spartaans aan toe. We kregen jaarlijks een lange tekst met berekeningen, normen en geïndexeerde bedragen***. Ik geloof dat die referentienorm op een bepaald ogenblik 13 000 fr was toen ik 20 000 fr verdiende. Ik was toen alleenstaand. Maar het kon ingewikkelder. Een koppel mocht bijvoorbeeld samen 21 000 fr houden, plus het kindergeld, plus daarbovenop nog een extra som per kind. Wie een auto bezat – want íemand moest de kameraden naar  de fabriekspoort voeren – kreeg nog een extra budget. Er was bij de tekst zelfs een bijlage gevoegd waarin berekend werd welke auto binnen de norm paste: een Renault R4.
     Over die regels werd binnen de partij nooit moeilijk gedaan. Buitenstaanders vonden het raar dat wij overal op stakingen aandrongen tegen te lage lonen, terwijl wij het beste bewijs leverden dat je met een nog lager inkomen toch kon rondkomen. Maar zelf zagen we dat probleem niet.
    Er waren eigenlijk maar twee moeilijkheden. Wat deed je met gemengde huwelijken, dat wil zeggen met partijmilitanten die getrouwd waren met een niet-militant? Je kon moeilijk de gezinsregel toepassen, want dan kwam je aan het loon van de partner en die deed al zo lastig over de bijdragen. En hoe berekende je het bijkomende budget voor de kinderen? Moest dat gesplitst worden? Ik weet niet meer hoe dat allemaal geregeld werd, maar het was stof voor discussie.
     En dan was er een tweede moeilijkheid: wat deed je met erfenissen? Ook daar waren uitgebreide richtlijnen over, maar in wezen kwam het hierop neer dat je die erfenis in de partijkas moest storten. Er zijn partijleiders die met de noorderzon vertrokken toen ze een mooi huis erfden dat ze niet aan de partij wilden afstaan. In de cel waar ik in de jaren 70 lid van was – een basisgroep in de communistische partij heet een ‘cel’ – was er een jongen die een paar miljoen erfde toen zijn vader stierf. Die was fabrikant geweest. Die jongen wou een deel van het geld aan de partij geven en een ander deel verdelen onder de arbeiders die door zijn vader uitgebuit waren geweest. Daar is toen flink over gediscussieerd tot die jongen begreep dat hij geen geld moest storten aan de arbeiders – dat was ‘arbeiderisme’. Nee, dat geld moest naar de partij van de arbeiders gaan.
     Maar behalve die gemengde huwelijken en die erfenissen was er weinig discussie. Als je partijlid werd, wist je waar je aan begon. De economische crisis kon elk moment uitbreken, de staat evolueerde naar fascisme, de supermachten bereidden een derde wereldoorlog voor – dan was een bijdrage van een paar duizend frank meer of minder het laatste van je zorgen. En er waren duidelijke afspraken. ’t Is zoals met de orde en tucht in de klas. Als de regels duidelijk zijn, ontstaan er weinig problemen.
     De strenge bijdrageregels hadden echter ook een nadeel. De bedoeling van de partij was om arbeiders te rekruteren uit ‘de grote fabrieken’, en daar waren stevige syndicalisten bij die het communisme genegen waren, maar die niet bereid waren een derde van hun loon af te dragen. Er werd dus een nieuwe regel ingevoerd. Voor gewone leden, en kleinburgerlijke studenten die in een fabriek waren gaan werken, zoals ik, bleef de oude referentienorm gelden, maar voor échte fabrieksarbeiders, arbeiders van vader op zoon, kwam er een nieuwe regel. Zij konden militant worden als ze een bijdrage betaalden van enkele honderden franken in de maand. Die regeling was voor die arbeiders voordelig, maar voor de partijkas nadelig. Daarom werd er een voorwaarde aan toegevoegd. Om de zoveel maanden moest op de celvergadering ‘de discussie worden aangegaan’ om bijdrage geleidelijk te verhogen in de richting van de algemene norm.
     De cel waar ik in de jaren 80 lid van was – een andere dan die van hierboven – telde maar twee échte arbeiders. Een ervan was onlangs afgedankt en zijn inkomen was lager dan de referentienorm. Maar de andere had een inkomen dat daar flink boven kwam. Elke maand bracht die brave man vier of vijf briefjes van duizend frank mee om zijn bijdrage te betalen. Ik voelde mij daar altijd erg beschaamd bij. De man betaalde veel meer dan het minimum. Toch had de cel de plicht om - ik geloof om de drie maanden - ‘de discussie aan te gaan’ zodat die bijdrage nog hoger werd. Ik geloof niet dat we daar in onze cel ooit sterk op hebben aangedrongen. Ik denk dat de andere leden ook een beetje beschaamd waren.
     De PVDA van nu is in veel opzichten een andere partij dan die die ik heb gekend
.Dat referentiebudget is echter een hardnekkig restant uit de oude tijd. Dat Raoul er nu slechts in heel vage woorden naar verwijst, bewijst dat hij het sekte-achtige ervan wel aanvoelt. Het verklaart waarom hij liever spreekt over lidgelden van 20 en 30 euro. Het verklaart ook waarom hij benadrukt dat de helft van de PVDA-verantwoordelijken toch al kleine inkomens heeft, zelfs kleiner dan het referentiebudget, en dat die verantwoordelijken dus ook maar 20 en 30 euro moeten afstaan. Dat van die kleine inkomens is best mogelijk en ik heb ook een vermoeden hoe het komt. Er zullen bij die partijverantwoordelijken nogal veel mensen zijn die slechts deeltijds werken zodat ze deeltijds partijwerk kunnen doen, en anderen die zich in slecht betalende vzw’s en ngo’s hebben genesteld waar ze aan politiek bekeringswerk doen.
      Sommige mensen vinden het sympathiek dat PVDA-parlementsleden het grootste deel van hun wedde aan de partij afstaan. En veel mensen vinden dat 6000 euro per maand voor een parlementslid veel te veel is.**** Maar een partij waar als norm geldt – ook al is het geen regelrechte verplichting – dat je een substantieel deel van je loon afstaat, dat is een heel andere zaak. Wat gebeurt er, denkt de buitenstaander, als díe aan de macht komen? Moeten we dan ook verplicht een deel van ons loon afstaan? Of zal men dan met ons de discussie aangaan’? Dat is allemaal heel wat minder sympathiek. Raoul weet dat (hier).


* Die relatief lage bedragen verwijzen waarschijnlijk naar de situatie van enkele jaren geleden. Die ex-leden zeggen ook dat bij discussies over de bijdragen gevraagd werd om belastingsuittreksels mee te brengen. Raoul ontkent dat. Misschien is die praktijk ondertussen stopgezet. 

** De Kommunistische Jeugdbond, de studentenorganisatie MLB. Dat waren heel kleine organisaties die wij ironisch genoeg ‘massa-organisaties’ noemden, in tegenstelling tot de partij zelf die alleen een elite rekruteerde.

*** Die indexering moet nog altijd gangbaar zijn, gelet op de niet afgeronde norm van 1755 euro.


*** Ik vind dat niet (hier).

woensdag 9 januari 2019

Dries Van Langenhove versus Kathleen Cools

     Met grote verbetenheid, maar met allebei een glimlach op het gezicht, hebben Dries van Langenhove en Kathleen Cools gedurende 15 minuten een welles-nietes-gesprek gevoerd op Terzake. De glimlach van Dries vind ik professioneler dan die van Cools die teveel aan een vals tante nonnetje doet denken. Maar laten we het over de inhoud hebben.
     Nou ja, inhoud.* Cools vond het heel belangrijk te melden dat er een gerechtelijk onderzoek liep tegen Van Langenhove. Ik vond dat niet belangrijk, want dat onderzoek zal, geloof ik, geen strafbare feiten aan het licht brengen. En als er al strafbare feiten aan het licht komen, dan toch alleen strafbaar op basis van de dubieuze anti-racisme wetgeving. Ook wilde Cools graag bewijzen dat Van Langenhove een opportunist is die een parlementair mandaat wil voor het geld. Ten slotte wierp ze Dries voor dat hij eerst had gezegd dat hij tegen de partijpolitiek was, en nu deed hij zelf mee als lijsttrekker van Vlaams Belang**. Wat een bocht, vond Cools.
     Van Langenhove kon gemakkelijk uitleggen dat hij geen bocht had gemaakt. Hij kwam als onafhankelijke op de lijst. Bovendien zou hij het parlement alleen gebruiken om daar de ideeën te verkondigen die hij ook in straatacties en op de sociale media propageert. Straks hebben we dus, naast Raoul Hedebouw, een tweede volkstribuun in de kamer. Die idee om het parlement te gebruiken als ‘tribune’ is voor het eerst uitgewerkt door Lenin, vooral in zijn boekje ‘De linkse stroming’, en werd later ook in de praktijk gebracht door de Hitlerianen voor ze de macht grepen. Ze deden mee  aan de partijpolitiek om de partijpolitiek aan te klagen. Net als de Leninisten en de Hitlerianen is Van Langenhove juist géén opportunist, maar een man van radicale ideeën.
     Met een aantal van die ideeën heb ik het moeilijk. Van Langenhove postte op een besloten groep van Schild en Vrienden onder andere:
  • ‘Ik kan niet begrijpen hoe iemand dik en rechts kan zijn.’ (Ik hou niet van die verweving van politiek en lichaamscultus.)
  • ‘Binnen twee jaar kan je de mobiele brigade opbellen die hen dan opwacht aan het volgende station. (Als antwoord op zijn vriend Louis de Stoop die geklaagd had dat ‘bruinzakken’ luide muziek speelden op de trein).
  • Supermarkten gaan we ‘Golden Dawn-gewijs zuiveren van halal’. (Een verwijzing naar gewelddadige acties van een Griekse rechts-extremistische groep).
     Een andere Vriend postte op dezelfde groep:
  • ‘We eisen als samenleving [...] niet veel van vrouwen: een goede moeder zijn en zichzelf verzorgen, er goed uitzien. Mannen worden terecht hogere standaarden opgelegd.’ (Tot in de negentiende eeuw waren zulke ideeën ruim verspreid - Ibsen en Wilde halen ze over de hekel. Maar in de twintigste eeuw vinden we ze vooral bij sommige vooroorlogse Nieuwe Orde-bewegingen).
     Dat zijn allemaal standpunten die Van Langenhove buiten zijn officiële communicatie houdt. Wel komt hij openlijk uit voor zijn afkeer van de verrotte partijpolitiek en de ‘particratie’. Eigenlijk vind ik dat standpunt nog erger, want ik ben een hartstochtelijk voorstander van een meerpartijenstelsel.
     Dat stelsel heeft natuurlijk allerlei nadelen: gepalaber, compromissen, trage besluitvorming, onverstandige beslissingen, korte-termijnvisie, politieke spelletjes, verkozenen die het alleen om het mooie inkomen te doen doen, onverkozen partijbesturen die beslissen wat in het parlement gezegd en in de regering beslist wordt.**** Maar het volstaat om wat te lezen over bijvoorbeeld nazi Duitsland om vast te stellen zien dat al die problemen daar ook aanwezig waren, en nog enkele andere ook
     Het grootste nadeel van de meerpartijendemocratie is vooral dat zoveel mensen stemmen op partijen die ik niet lust. En mensen die op heel andere partijen stemmen ondervinden hetzelfde nadeel. Daar moeten we als volwassenen mee leren leven, in plaats van op te roepen dat ‘het volk de rotte partijpolitiek aan de kant moet schuiven.
  

* Op het einde van het interview liet Cools een filmpje zien dat Dries Van Langenhove geplaatst had op zijn besloten groep. Het was een toespraak uit de jaren dertig van de Britse fascist Mosley. Mosley had toen gezegd: ‘Naturally we believe in our own race. Any man or woman worth anything believes in his own race as he believes in his own family. But because you believe in your own race or in your own family, doesn’t mean you want to injure other races or other families.’ Cools vond dat dit erg goed geleek op een toespraak die Van Langenhove onlangs zelf gehouden had: ‘We weten dat het niet is omdat je je eigen volk liefhebt, dat je daarom andere volkeren zou haten, net zo min als je eigen gezin liefhebben betekent dat je andere gezinnen zou haten.’ Van Langenhove heeft het woord ‘ras’ vervangen door het woord ‘volk’, waarmee het voor fatsoenlijke nationalisten perfect aanvaardbaar is. Maar het blijft natuurlijk plagiaat. Ik heb enige moeite om aan mijn leerlingen uit te leggen dat een overgenomen tekst vormelijk plagiaat blijft, ook als je hier en daar een woord verandert. De grote gelijkheid van vorm bewijst het plagiaat. En in het geval van Van Langenhove is het een sterke aanwijzing dat hij het inderdaad is die het filmpje geplaatst heeft, wat hij met grote stelligheid ontkent.

** Nadat Vlaams Blok-Vlaams Belang gedurende vele jaren minder extreem werd, maakt ze nu, met Van Langenhove als lijsttrekker, de omgekeerde beweging.


*** Van Langenhove heeft zich niet met zoveel woorden uitgesproken tegen het meerpartijenstelsel. Maar ik sta erg wantrouwig tegenover mensen die kritiek leveren op de particratie’ zonder te nuanceren, zonder tegelijk hun steun uit te spreken voor het meerpartijenstelsel en zonder concrete voorstellen te doen. 

**** Die corruptie en gebrekkige besluitvorming zijn een goed argument om de sfeer van de politiek en de staatsinterventie beperkt te houden.

zondag 30 april 2017

Raoul over Che Guevara, revolutie en dictatuur

     Op de paaskermis in Kortrijk stond vroeger een tent waarin vrijwillige toeschouwers het konden opnemen tegen worstelaar Raoul. Misschien waren die vrijwilligers helemaal geen toevallige toeschouwers, maar betaalde medewerkers. Kermisklanten zijn sluwe kerels. In elk geval vuurde de exploitant van de tent vanachter de microfoon zijn kampioen aan. Allez Raoul, draai dat been eruit. Allez, Raoul, wring hem de nek om. Aan die Raoul moet ik altijd even denken als ik ergens een interview zie met PVDA-man Raoul Hedebouw. En als de PVDA-man zich boos maakt in het federale Parlement, moet ik al helemaal terugdenken aan de kampvechter van mijn jeugd.
     Deze week heeft Raoul een interview gegeven aan De Zondag.
     Zo’n politiek interview heeft zelden de allure van een filosofisch essay. Het is niet erg aardig om in zo’n stuk te gaan speuren naar logische foutjes of onnauwkeurigheidjes. Een oude schoolkameraad, die tot dezelfde partij als Raoul behoort, zou mij daar trouwens onmiddellijk op aanspreken. Ik frons dus hoogstens één wenkbrauw als Raoul beweert dat onder Thatcher de Engelse economie bergaf ging, dat onder Pinochet  het analfabetisme in Chili bergop ging, en dat het schrijven van veel boeken bewijst dat de PVDA geen partij van populisten is. Ik ben bereid daar allemaal niet te zwaar aan te tillen. In het vuur van ons betoog, gooien we allemaal wel eens zaken op één hoop en misschien bedoelt Raoul iets anders dan wat hij zegt.
     Maar aan het einde van het interview krijgt Raoul een paar moeilijke vragen die hierop neerkomen: Is de PVDA nu voor of tegen een communistische dictatuur? Is de PVDA nu voor of tegen revolutionair geweld? Raoul verklaart dat hij tégen dictatuur en tégen geweld is, en voegt daar enkele nuances aan toe waaruit blijkt dat hij eigenlijk vóór die dictatuur en vóór dat geweld is – als ze van de juiste linkse kant komen. De antwoorden van Raoul verbaasden mij omdat ik dacht dat de PVDA al meer afstand had genomen van haar marxistisch-leninistisch verleden en al verder was opgeschoven naar de brede, democratische, groen-linkse grondstroom van meer gelijkheid, meer belastingen en meer staatsbemoeienis.
     Dat van die dictatuur kan ik het makkelijkste uitleggen, want Raoul zegt onomwonden dat hij veel sympathie heeft voor het Cubaanse regime. Dat zeggen wel meer linkse mensen. Maar Raoul beweert nog iets anders. Hij beweert, in tegenstelling tot die andere linkse mensen, dat Cuba géén dictatuur is. Daarvoor heeft hij twee argumenten. Één. Mandela heeft indertijd Cuba uitgekozen voor zijn eerste buitenlandse reis. Ik geloof dat dat waar is, maar als argument is het zwak. Twee. Castro is alleen heel lang aan de macht kunnen blijven omdat hij de steun had van het volk.
     Of dat waar is van die steun, weet ik niet. Het doet hier ook niet ter zake. De steun van het volk voor een regime is immers niet de definitie van democratie. De bevolking mag als één man achter het regime staan, zolang ze de kans niet krijgt om dat in vrije verkiezingen duidelijk te maken, heb je geen democratie maar een dictatuur. En in die betekenis zijn zowel het linkse Castro-regime als het rechtse Pinochet-regime, wat verder ook hun verdiensten of tekortkomingen mogen zijn, als dictaturen op te vatten. Ik heb het Ludo Martens, de leermeester van Raoul, vele keren horen uitleggen. Het Stalinregime was democratisch want het volk stond als één man achter het regime. Dankzij die volkssteun kon het regime de nazi-inval afslaan. Nu, misschien was dat zo, misschien ook niet. Maar met democratie had dat niets te maken.
     De kwestie van het revolutionaire geweld ligt ingewikkelder. Raoul prijst de gewapende strijd van Che Guevara. ‘Je moet dat in de specifieke context zien. De Cubanen leden onder de dictatuur van Batista. Was er een andere oplossing? ... Soms is dat nodig. Maar dat betekent niet dat we dat in België gaan toepassen. Che heeft in Congo en Bolivia ook ondervonden dat dat niet overal werkt. Je moet het volk aan je kant hebben.’
     Ik wil hier een eind meegaan met Raoul. Om te beginnen vind ik het prachtig dat Raoul geen geweld wil toepassen in België. Ook volg ik hem in zijn redenering over die ‘specifieke context’. Ik kan begrijpen dat er ‘specifieke contexten’ bestaan waarin strijdbare temperamenten een wapen leegschieten op soldaten of bomaanslagen plegen op kazernes. Een dictatoriaal regime waarbij de bevolking (of een deel ervan) de kans niet krijgt om de regering op vreedzame manier wandelen te sturen is zo’n ‘specifieke context’. Het is eigenlijk ook de enige. Maar Raoul zijn voorbeeld van Bolivia, waar Che ‘het volk niet aan zijn kant had’, roept bij mij herinneringen op aan 45 jaar geleden.
     Ik had juist het boekje van Régis Debray gelezen over de ‘Revolutie binnen de revolutie’. Debray was met Che naar Bolivia getrokken om her en der ‘revolutionaire haarden’ aan te steken. In zijn boekje legde hij uit dat guerrilla-activiteiten de beste methode waren om het volk aan je kant te krijgen. Met die nieuw verworven wijsheid ging ik naar een avond van het Davidsfonds, waar Fernand Tanghe, een maoïst uit Leuven – later een van de eerste ex-maoïsten – aan de plaatselijke middenstand de principes van de volksoorlog kwam uitleggen. Che Guevara en Debray hadden het in Bolivië verkeerd aangepakt, vertelde Tanghe. Daarom was Debray gevangen genomen en was Che doodgeschoten. Een échte revolutionair pakte dat anders aan. Je moest eerst een significant deel van de bevolking achter je krijgen, zoals Mao dat had gedaan in China.  Daarna pas mocht je het militaire geweld bovenhalen.
     Ik heb daarna jarenlang de doctrine uitgedragen die ik van Fernand Tanghe had geleerd. Revolutionair geweld was alleen geoorloofd in een ‘specifieke context’. Revolutionair geweld was alleen aanvaardbaar als er geen andere oplossing was. Revolutionair geweld kon alleen maar worden aangewend als je het volk aan je kant had. Vooral dat laatste. Dat Raoul vandaag dezelfde argumentatie hanteert, laat zien dat bij de PVDA de ‘oude vormen en gedachten’ van tante Jet nog niet volledig gestorven zijn.
     Wat Raoul had moeten zeggen is dit: ‘Cuba is voor ons geen model. Wij zullen nooit, zoals Lenin en Castro, de vrije verkiezingen opdoeken en partijen verbieden die een ander ideaal aanhangen dan het onze. Che Guevara voerde zijn gewapende strijd in Cuba en Bolivia tegen militaire dictaturen. Maar wij leven in een liberale democratie. In zo’n context zullen wij nooit revolutionair geweld goedpraten, bepleiten of organiseren. Maar verder blijven wij voorstanders van meer gelijkheid, meer belastingen en meer staatsbemoeienis.’
     Ik weet niet of Raoul mijn raad zal volgen. Misschien antwoordt hij wel: ‘Wij hebben geen lessen in democratie te ontvangen van ...’ waarop een scheldwoord, een smadelijke omschrijving of een jij-bak volgt. Communisten zijn sterk in een bepaald soort polemiek.

Dit stukje verscheen ook op Doorbraak



    

woensdag 14 december 2016

Hoeveel verdient Raoul?

     Op DeMorgen.be van 7 december schrijft PVDA-man Raoul Hedebouw dat hij van zijn vergoeding als volksvertegenwoordiger maar 1.700 euro voor zichzelf houdt.  Maar in Het Nieuwsblad van 10 december houdt hij plots maar 1.600 euro meer over. Dat is een heel verschil op zo’n bescheiden bedrag. Ik geloof dat Raoul niet zo mee bezig is met geldkwesties en daarom de ene keer 1.600 zegt en de andere keer 1.700. Toen ik lid was van de PVDA was ik daar ook zo niet mee bezig.
     Want hoe ging dat indertijd? Er bestond binnen de PVDA tot midden de jaren tachtig niet zoiets als een vast lidgeld dat de militant van zijn loon moest afdragen. Het was omgekeerd. De partij bepaalde het loon dat je mocht houden, en dat was voor iedereen gelijk en erg laag. Alles wat daarboven lag, moest je afgeven. Ik schat dat dat bedrag, op het moment dat ik de partij verliet, rond de 600 euro lag. Dat is niet veel, maar in Belgische franken zag het er meer uit, en het geld was toen ook meer waard. Daar kwam nog een bonus bovenop als je kinderen had, of als je een auto bezat om andere kameraden naar betogingen of stakingsposten te brengen.
     Er waren met die regeling twee problemen. Ten eerste wou men enthousiaste fabrieksarbeiders die onwillig waren een derde of een vierde van hun loon af te geven desalniettemin de toegang tot de partij niet ontzeggen . Voor die mensen bestond een tijdelijke regeling waarbij een bedrag werd afgesproken. Dat gold alleen voor échte fabrieksarbeiders. Studenten of afgestudeerden, ook al verrichtten ze al tien jaar fabrieksarbeid, bleven toch tot de categorie van de ‘intellectuelen’ behoren en vielen dus onder de algemene regeling.
    Het tweede probleem was dat van de erfenissen. Die moesten helemaal in de partijkas worden gestort en dat gaf soms trammelant. Een van mijn celgenoten was de zoon van een fabriekseigenaar. Toen zijn vader overleed, wou hij maar een deel van het geld aan de partij geven. De rest wou hij onder de arbeiders van zijn vaders fabriek verdelen, samen met een brief en een communistisch pamflet. Daar is toen veel discussie over geweest. Ik meen dat de kameraad tenslotte toch alles aan de partij van de arbeiders heeft gegeven, in plaats van aan de arbeiders zelf.

    De PVDA is ondertussen nogal veranderd en in sommige opzichten voor mij zelfs onherkenbaar veranderd. Ik neem dus aan dat de kameraden de strenge financiële voorwaarden hebben afgeschaft – samen met het communisme 1.0, het portret van kameraad Stalin en de bezoekjes aan Noord-Korea. Als ze die financiële regels niet hebben afgevoerd, moeten ze nu met hun huidige 10 000 leden wel een erg rijke partij zijn.
     Maar hoe zit dat nu met Raoul – 1.600 of 1.700? Ik zou hem aanraden om met die 1.700 uit te pakken. Dat kun je nog altijd mooi afzetten tegen de 6.000 euro die de kapitalistische volksvertegenwoordigers verdienen. En voor de werklozen in de Waalse cités lijkt dat een aanvaardbaar bedrag. Maar onder de leden, sympathisanten en kiezers lopen natuurlijk veel mensen rond die flink wat meer verdienen dan die 1.600 of 1.700 euro en dat moet je die mensen niet te al te erg inpeperen. Dat weet Raoul zelf ook wel, geloof ik. In Het Nieuwsblad zei hij: ‘Een ingenieur die bij ons verkozen raakt en voordien 2.500 euro netto verdiende, zal die ook behouden. Wij zijn geen tegenstanders van een goed loon.’
     Raoul is een sluwe rakker.
 

maandag 27 juli 2015

Raoul en Hubert

   Op Knack.be verscheen vandaag namens de PVDA een artikel van Raoul Hedebouw over de nieuwe pensioenregeling. (Hedebouw … Hedebouw? Zou dat de zoon van Hubert zijn? Even opzoeken.) Het artikel werd al 277 keren geliket – sommige van die likers ken ik.
    Om een lang verhaal kort te maken: de PVDA is tegen de nieuwe pensioenregeling. Het artikel van Raoul (het is de zoon van Hubert!) geeft heel wat stof om te in beraad te nemen. Als we oud zijn, krijgen we vaak gezondheidsproblemen en dan is het niet fijn om te moeten gaan werken, zegt hij. En als de knarren maar blijven doorwerken, komen er dan niet minder jobs vrij voor de knullen? Goeie vraag.
   Maar met het pensioenplan van Raoul zelf heb ik het moeilijk. De PVDA wil 3 miljard halen uit een totale miljonairstaks van 8 miljard, 3 miljard uit bestrijding van fiscale fraude en een niet gespecificeerd bedrag uit – denk ik – hogere parafiscale lasten. De PVDA wil dus 11 miljard (plus een niet gespecificeerd bedrag) halen bij de rijken en daar meteen 6 miljard, dus meer dan de helft, van gebruiken om de huidige pensioenregeling te behouden en een klein beetje uit te breiden. Dan blijft er niet veel over voor al die andere mooie sociale projecten die de PVDA gerealiseerd wil zien.
   Of zie ik dat verkeerd? Ik zal het eens moeten vragen aan een strijdmakker van vroeger.
   Links: Hubert, rechts: Raoul

Oorspronkelijk geplaatst op 8 november 2014