Posts tonen met het label Zwarte Piet. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Zwarte Piet. Alle posts tonen

vrijdag 29 januari 2021

Marc en het populisme


      Ik vroeg aan mijn vrouw of ze de laatste column van Reynebeau wou doorsturen. Ha, die column  van Marc, zei ze. Ze noemt hem dus Marc! Dat zal ik dan ook maar doen. ’t Is een korte naam en dat is gemakkelijk als je hem vaak moet herhalen. Bovendien, in een polemisch stukje klinkt zo’n voornaam een beetje denigrerend, wat mooi meegenomen is.
     Marc heeft dus een column geschreven over de Nederlandse rellen tegen de avondklok, en voor hem is het een gelegenheid om eens flink zijn mening te zeggen over het populisme en de populisten. Hij is er tegen*. Hij is meer van het politiek-correcte kamp. Binnen dat kamp is hij de tegenpool van Tom Naegels. Die laatste redeneert zorgvuldig, stap voor stap, genuanceerd; hij formuleert slim, soms geestig, zoekt dekking als het nodig is, en wist zijn sporen. Vaak wil ik antwoorden, hem aanvallen op de flank, maar dan zie ik dat hij ook daar een goed gecamoufleerd verdedigingsmuurtje heeft opgetrokken. Maar voor Marc is dat allemaal tijdverlies. Hij werkt anders: identificatie van de slechteriken (Trump! Steve Bannon!), schermutselingen in het luchtledige, stromannen, hyperbolen, sarcasme, intentieprocessen, en af en toe een exotische term die we al lang niet meer hadden gehoord zoals sociaaleconomische ‘vervreemding’.
     De relschoppers in Nederland, beweert Marc, zijn ‘misschien’ de voorhoede van het Europese populisme 2.0. Dat ‘misschien’ is het tweede woord van de tekst, en staat daar goed op zijn plaats. Als redenering is het immers een doodlopend straatje en dat weet Marc ook. Het corona-probleem is er een op korte termijn en is niet, zoals migratie, een kwestie die al enkele generaties aansleept en die dat nog enkele generaties zal blijven doen. Bovendien zegt Marc zelf, en hij citeert heuse ‘in de VS docerende politicologen’, dat populistische ideeën slechts aanslaan als ze worden overgenomen door politiek centrumrechts. Dat is met corona niet gebeurd, en dat zal nu ook niet meer gebeuren. 
     Vervolgens, ook niet onbelangrijk, past de ‘coronascepsis’ niet zo goed in de definitie die Marc van het populisme geeft: nativistisch, nationalistisch, autoritair en illiberaal. Die eerste twee kenmerken hebben met de corona-acties weinig te maken, en die laatste twee zijn eerder van toepassing op de corona-politiek van de regeringen dan op het verzet ertegen. En ten slotte: wie de relschoppers op de filmpjes bezig heeft gezien zal zich twee vragen stellen. Waarom stelen die lui nu prularia in plaats van nuttige voorwerpen zoals televisies – wat je altijd ziet bij rellen in de VS? En wat heeft dat allemaal met politiek te maken? Maar dat is weer een ander verhaal.
     Midden in zijn stukje verandert Marc dus wijselijk van onderwerp en bezint zich over de vraag waar het populisme vandaan komt. Ja, waar komt het vandaan? Volgens Marc komt het bijvoorbeeld van de blanke Europeaan die vreest dat men ‘oude tradities’ zou verbieden, zoals Zwarte Piet, en ‘warempel, nu ook Pippi Langkous’. Ik begrijp niet goed waarom Marc hier ‘zou’ gebruikt. Zwarte Piet ís ondertussen verboden op Facebook, en nu wil men in de Gentse bibliotheken ‘warempel ook’ waarschuwen voor de Pippi Langkous-boeken. Mij lijkt het dat het hier de verbieders en de waarschuwers zijn die zich illiberaal en autoritair opstellen.
     Aan het einde van zijn tekst, in zijn zevende alinea, graaft Marc nog wat dieper. Bart De Wever zei onlangs op de televisie dat populisme een reactie is van de ‘verliezers van de globalisering’. Zoiets zit Marc dwars. Dat moet worden weerlegd als het ‘ultieme cliché’. Alleen, die weerlegging komt er niet. Iets een cliché noemen is onvoldoende. Iets met ‘zou’ formuleren, bewijst niet dat het onwaar is. En iets als een afleidingsmaneuver omschrijven om ‘geen aandacht te moeten hebben voor de groeiende sociale ongelijkheid’ – zoiets telt evenmin als argument.
     Het is nochtans een eenvoudige vraag: bestaan ze echt, de ‘verliezers van de globalisering’ die de lasten krijgen van  ‘de moeilijke diversiteit’? Als Marc vindt dat die verliezers niet bestaan, dat hij het dan zegt. Als Marc vindt dat migranten op de arbeidsmarkt géén neerwaartse druk uitoefenen op de lonen** en dat migranten met vervangingsinkomens géén probleem vormen voor de sociale zekerheid, dat hij dan als een man opstaat, op tafel slaat en dat luidop zégt. Of schrijft, want ik laat mij weer meeslepen door mijn verbeelding.
     Maar Marc zegt of schrijft dat niet. In plaats daarvan schrijft hij dat het populisme een reactie is op telkens herhaalde vernederende uitspraken. Daar zit een kern van waarheid in als je denkt aan uitspraken als die van Hillary Clinton over de deplorables. Maar Marc denkt aan andere uitspraken. Hij maakt er een lijstje van en plaatst ze onder de noemer 
opinions chics  een uitdrukking die hij overneemt van Bart De Wever.
     Eigenlijk zouden die ‘opinions chics’ uitspraken moeten zijn die je vaak letterlijk hoort of zegt in een burgerlijke conversatie - anders zijn ze niet 
chic. Ik citeer het hele lijstje en heb het voor de aardigheid gerubriceerd: ‘dat arbeid niets mag kosten (a), dat coöperatie moet wijken voor concurrentie (b), dat tegenslag altijd aan eigen falen is te wijten (c), dat collectieve voorzieningen te duur zijn (d), dat armoede slechts voortvloeit uit verkwisting en luiheid (e), dat aanpassing en integratie maar van één kant moeten komen, die van de machtelozen (f), en dat wie het moet stellen met een uitkering slechts een potentiële fraudeur is die desnoods met detectives moet worden opgespoord (g).’ Dat is het discours dat ‘de waardigheid en het zelfbeeld van zoveel mensen aantast.’
     De status van het lijstje is onduidelijk. Beschrijft Marc veelgehoorde uitspraken? Of heeft hij het over bestaande praktijken. Of probeert hij weer te geven wat rechtse mensen denken in het diepst van hun gedachten? Alleen dat eerste – veelgehoorde uitspraken –  zou eventueel als vernederend ‘discours’ kunnen worden aangemerkt en als dusdanig verantwoordelijk zijn voor een populistische reactie.  In dat geval komen (c) en (e) in aanmerking, het ‘eigen falen’ en de ‘verkwisting en luiheid’. Maar die verwijtende uitspraken hoorde je, geloof ik, vooral in de negentiende eeuw. Dat uitkeringstrekkers ‘potentiële fraudeurs’ zijn (g) heb ik wel eens gehoord in een échte conversatie, maar die was niet burgerlijk. De linkse tegenhanger ervan, dat elke ondernemer een potentiële fiscale fraudeur is, heb ik vaker gehoord. De vraag ten slotte dat migranten zich zouden aanpassen aan het land van aankomst (f) is inderdaad een veelgehoorde uitspraak. Maar ik geloof niet dat ze behoort tot het discours waar de populistische kiezer zich aan stoort. Die stoort zich eerder aan het tegenovergestelde discours: dat hij zich moet aanpassen.
     De items (a) en (d), de lage lonen*** dus en de dure collectieve voorzieningen, die kunnen volgens mij moeilijk als vernederende ‘opinions’ worden omschreven. Het zijn eerder bestaande praktijken, wat niet wegneemt dat ze ook tot ontevredenheid kunnen leiden. Maar hier kun je andere vragen stellen. Zijn die lonen inderdaad te laag, en die voorzieningen te schaars? Vergeleken waarmee? Hoe moet daaraan worden verholpen? En, in de context van de populismediscussie: heeft een grote migratie-instroom daar een gunstige of ongunstige invloed op? Het loont de moeite om eens te lezen wat migratiespecialist Paul Collier daarover schrijft****. Ik geloof in elk geval niet dat (a) komt door (b), met andere woorden dat de lage inkomens veroorzaakt worden door de economische concurrentie en mededinging.
     Eigenlijk lijkt het of Marc met zijn lijstje vooral gepoogd heeft om de geheime gedachten van rechts weer te geven. Daar is hij dan niet goed in geslaagd. Op alle punten die Marc opsomt heb ik een behoorlijk rechts standpunt, meestal rechts van N-VA en O-Vld, maar de verwoordingen zijn zo gekozen dat ik er weinig in kan ontdekken van wat ik ongeveer denk. Ik maak een uitzondering voor (f): dat migranten zich best zo goed mogelijk aanpassen aan het land van aankomst. Dát vind ik wel. Ze moeten dat niet doen, zoals Marc schrijft, omdat ze ‘machteloos’ zijn, maar omgekeerd omdat ze dan zo snel mogelijk die toestand van machteloosheid achter zich zouden laten.
     Ik wil graag op een positieve noot eindigen: met de slotzin van de column kan ik akkoord gaan: een samenleving moet ‘zorgzaam en inclusief’ zijn. Daar vinden vinden Marc en ik elkaar. En in onze afkeer van clichés natuurlijk.

 

* Marc doet trouwens ook uit de hoogte tegen de anti-populisten want die ‘zwaaien’ met het woord ‘om zelf veilig, weldenkend, maar ook zeer onproductief, in het politieke centrum beschutting te zoeken.’ Het politieke centrum? Foei!

** De relatie tussen migratie en lonen is een moeilijke kwestie. Een kleine tot matige arbeidsimmigratie heeft volgens de meeste economen een gunstige invloed op de gehele economie en dus op het reële inkomen van iedereen, maar door de druk op de lonen, profiteren sommige bevolkingslagen, bijvoorbeeld de laaggeschoolden, er minder van dan de andere. Een te grote immigratie die niet goed is afgestemd op de arbeidsmarkt heeft een ongunstige invloed op de economie.

*** Je hoort werkgevers inderdaad zeuren over te hoge loonlasten, maar die worden dan in verband gebracht met de concurrentiepositie en de verhouding bruto-nettolonen, twee contexten die, geloof ik, niet ‘de waardigheid en het zelfbeeld’ van de werknemer aantasten.

**** Zie over Collier ook  hierhierhierhier en hier en hier.

dinsdag 15 december 2020

Bomans en het Zwarte Piet-activisme


      In Van de hak op de tak, een bundel van 1965, haalt Godfried Bomans een hoofdonderwijzer over de hekel die al jarenlang een verbitterd gevecht voerde tegen de figuur van Zwarte Piet*. Die hoofdonderwijzer had bezwaren van pedagogische aard, en achtte verder de zwartheid van Piet een bewijs van rassendiscriminatie. ‘Ach Heer, ook dat nog,’ zucht Bomans.
     Die hoofdonderwijzers, dat weten we nu, zijn van alle tijden. Het zijn, zegt Bomans, ‘hygiënisch denkende mensen – God spare ons voor deze zindelijke lieden.’ Ook weet hij wat we met zo’n hoofdonderwijzer moeten doen: we stoppen hem in de zak en sturen hem naar Spanje. ‘In Spanje is een tekort aan hoofdonderwijzers en daar vindt hij best weer een boterham.’
     Dat is een goed voorstel. Spanje of enig ander land waar een tekort aan hoofdonderwijzers is. Bestaan zulke landen nog?

* Zie ook hier  en hier.

woensdag 24 april 2019

Ik zal mijn les moeten bijschaven

     Door de week doe ik wel eens smalend over Unesco. Dat is een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties die als taak heeft ‘bij te dragen aan de vredesopbouw, armoedebestrijding, duurzame ontwikkeling, interculturele dialoog, onderwijs, cultuur en communicatie’. ‘Armoedebestrijding’ en ‘onderwijs’ zouden allang genoeg zijn, vind ik, en als er iets bij staat van ‘communicatie’ word ik wantrouwig. Die Unesco-mensen hebben ook overal een mening over: over Zwarte Piet, over  het carnaval van Aalst, over de Palestijnse kwestie en over de Menenpoort van Ieper. Die laatste willen ze niet als ‘erfgoed’ erkennen om toch maar niet ‘het voeren van oorlog te verheerlijken’.
     Maar ze doen ook veel goeds. Zo hebben ze ervoor gezorgd dat we nu, sinds 1995, een Wereldboekendag hebben, en wel op 23 april. Zonder Unesco was 23 april een dag als een andere, of misschien was het de dag van de Commerciële Film geworden of van het Petanquespel. Stel je voor!
     De dag is anders wel goed gekozen want op 23 april 1616 stierven twee van de grootste schrijvers van de mensheid: William Shakespeare en Miguel de Cervantes. Dag op dag? Dat zou wel heel toevallig zijn. Maar het klopt natuurlijk niet helemaal. In Shakespeares tijd kenden ze in Engeland de Gregoriaanse kalender nog niet, waardoor de Bard enkele dagen te vroeg stierf. En na eeuwen gehakketak hebben de Cervantes-geleerden een akkoord bereikt dat hun auteur eerder in de late uurtjes van 22 april dan in de vroege uurtjes van 23 april het loodje legde. Maar laten we voor het gemak 23 april 1616 onthouden voor allebei de schrijvers.
    Ik geef over die schrijvers trouwens les (zie hier). Over Shakespeare zeg ik dat zijn stukken, door de snelle scènewisselingen, meer op films dan op toneel gelijken. En over Cervantes vertel ik dat zijn beroemdste boek Don Quichot een satire is. ’t Is een ironische aanval op de laatmiddeleeuwse ridderroman, op de achterhaalde eercultuur, op de illusies van de Spaanse adel, op het materialisme van de Spaanse volksklasse. Ik praat daarbij na wat ik bij anderen heb gelezen. Als ik een nieuw boek lees over een of andere auteur die ik behandel, moet ik mijn uitleg in de klas zelden aanpassen, want in al die boeken staat ongeveer hetzelfde.
     Maar laatst vond ik iets interessants in een boek van William Egginton over Cervantes. Don Quichot, schrijft Egginton, droomt de hele tijd van heldhaftige strijdtonelen,  waarin hij zijn moed kan bewijzen in lijf-aan-lijf-gevecht - het soort moed waarvoor Hendrik V bij Shakespeare eeuwige roem belooft ‘from this day to the ending of the world’. Is bij die heldhaftige dromen ook een element van spot? Lijf-aan-lijfgevechten zijn toch niet om te lachen?
    Mijn oud-oom heeft aan de IJzer gevochten. Ik zal dat hier niet verheerlijken want ik wil geen kwestie met Unesco, maar soms vertelde hij daar iets over. In de loopgraven werd al eens gelachen, zei hij, maar vaker waren hij en zijn makkers bang: bang van inslaande obussen, bang van mitrailleurs, bang van mosterdgas. Maar er was één ding vooral waar ze bang van waren. Dat was als de officieren het bevel gaven: ‘Bajonet op ’t geweer.’ Dan volgde mogelijk een lijf-aan-lijfgevecht. Het bevel werd maar uitzonderlijk gegeven, en ’t was soms vals alarm, maar dát was waar ze het bangst van waren.
     Cervantes was als soldaat betrokken geweest bij de zeeslag van Lepanto (1571). Dat was, volgens Egginton, ongeveer de laatste zeeslag oude stijl, waarbij kanonvuur amper een rol speelde. Het kwam erop aan over ladders naar het vijandelijk schip te klimmen en daar, lijf-aan-lijf en oog-in-oog, het gevecht aan te gaan met een vijand van vlees en bloed. Cervantes werd bij zo’n gevecht zwaargewond en bleef voor de rest van zijn leven verlamd aan zijn linkerarm.
     Na Lepanto veranderde de oorlogsvoering echter snel, zowel op zee als op land. Kanonnen werden belangrijker. Er werd meer en meer vanop afstand gevochten,  en dat was een ontwikkeling waar Cervantes met verachting op neerkeek. Elke lafaard kon een kanon doen ontbranden, vond hij. De held van Lepanto dacht met weemoed terug aan de tijd dat er écht gevochten werd, mano a mano zoals de Amerikanen zeggen. Maar hij moet tegelijk hebben ingezien dat zo’n weemoed iets belachelijks had. Cervantes spotte in de figuur van Don Quichot dus met zichzelf, met zijn oorlogsverleden, en met zijn onvermijdelijke trots op dat verleden.
     Ik zal mijn uitleg over Don Quichot volgend jaar wat bijschaven, want zelfspot vind ik iets moois en iets belangrijks.

 

maandag 10 december 2018

Zwarte Piet en de Wetenschap

     En ik had nog gezworen om niets over Zwarte Piet te schrijven (maar zie hier en hier) en mij toe te leggen op het verbeteren van examenkopij – en nu overkomt me dit. Een van mijn examenopdrachten is dat de leerlingen een verhandeling schrijven over ‘een controversieel onderwerp naar keuze’. Ze kiezen dan voor ‘abortus’, ‘euthanasie’, ‘doodstraf’, ‘wapenbezit’ … onderwerpen die al enige tijd meegaan. Eentje had het over Zwarte Piet. In de inleiding werd gesteld dat sommigen ervoor waren en anderen ertegen. Ook die inleiding gaat al enig tijd mee.
     Maar dan stootte ik op zinnen als ‘In de maatschappelijke debatten over Zwarte Piet gaat het in wezen om indringender onderliggende vragen dan of hij/zij een racistische figuratie is.” Ik begon al te noteren dat die ‘hij/zij’ overbodig was,  maar toen dacht ik – hola, nee, die stijl, die ken ik, dat komt uit De Wereld Morgen.
     Normaal mijd ik die Wereld Morgen-site als de pest. Als ik daar begin te lezen, kan ik niet meer ophouden. Overal ziet de polemist in mij laaghangend fruit van kromme redeneringen en onzinnige uitgangspunten. Er is meteen materiaal voor tien stukjes die zichzelf schrijven en ik wil het mijzelf niet te gemakkelijk maken. Maar nu moest ik wel eens gaan loeren om te zien wat mijn leerlinge nu zelf geschreven had, en wat ze geleend had van die Wereld Morgen-mensen.

     Het stuk dat mijn leerlinge zo geïnspireerd had, bleek te dateren van oktober 2014 en heet ‘Acht wetenschappelijk onderbouwde argumenten tegen Zwarte Piet’. Wetenschappelijk onderbouwd. Acht. Het is geschreven door de ‘gerenommeerde sociaal en cultureel antropoloog Gloria Wekker van de Universiteit van Utrecht.’ En we vernemen nog meer over Gloria. Ze is auteur van  I Am a Gold Coin; The Construction of Selves, Gender and Sexualities in a Female, Working-Class, Afro-Surinamese Setting (1992) en de ‘transcontinentale vervolgstudie’ erop The Politics of Passion; Women's sexual Culture in the Afro-Surinamese Diaspor (2006). Zij is ook co-auteur van ‘Je hebt een kleur, maar je bent Nederlands. Identiteitsformaties van geadopteerden van kleur. Ik zal die boeken allemaal later wel eens lezen.
    Over Zwarte Piet zelf zeg ik liever niets. Gloria heeft immers duidelijk gemaakt ‘dat het palaver daarover onderhand mag stoppen.’ The science has spoken, zoals Obama ooit eens treffend zei. Of zoals Kerk het stelde, met haar nog treffender Gloria locuta, causa finita.

dinsdag 5 december 2017

Gewetensnood om Sinterklaas

Luns (links) en Bomans als Sinterklaas (rechts)
     Van Godfried Bomans heb ik alle stukjes meermaals gelezen, behalve die over Sinterklaas. Die vind ik kinderachtig. Ik heb nochtans in Sinterklaas geloofd tot in het derde leerjaar. Toen meester Bernard in de godsdienstles zei dat er in de moderne tijden geen mirakels meer gebeurden – het was de tijd van het tweede Vaticaans Concilie –  wees ik hem op het jaarlijkse wonder van de schoorsteen. Daar wist onze meester niet zo gauw een antwoord op. In de klas waren gelovige kinderen zoals ik, en ongelovige, die al door hun ouders waren ingelicht. Wat moest je nu als meester zeggen als je niemand wilde kwetsen?
     Dus gelóven deed ik. Maar geloven is één ding, en respecteren is een ander. Gerespecteerd heb ik Sinterklaas nooit. Ook toen ik nog in hem geloofde, vond ik hem een potsierlijke verschijning, en zijn knecht Zwarte Piet ook. Goed, de man was heilig, en hij had kinderen weer tot leven gewekt die eerder in stukken waren gesneden en ingezouten, en dat kon niet iedereen. Maar ik had meer ontzag voor Romeinen, ridders, zeerovers en musketiers, zoals ik die kende van de films, en waarvan mijn tante nochtans beweerde dat ze níet echt waren. Die films waren maar prentjes, zei mijn tante telkens weer.

     En zo komt het dat ik rond deze tijd van het jaar in gewetensnood verkeer. Ik lees dan hier en daar een stukje van de anti-Zwarte-Piet-club. In die club heeft zich het meer kinderachtige deel van de anti-racistische beweging verzameld. Een moeder denkt met pijn in het hart terug aan die keer toen haar zwarte zoontje schreiend thuiskwam van school. Sinterklaas was op bezoek geweest, herinnert ze zich, en zijn vriendjes hadden gevraagd of hij ook zo stout was als Zwarte Piet. Mens, denk ik dan, raap jezelf bij elkaar. Dat een kind voor zoiets schreit is niet ongewoon, maar daarom moet jíj nog niet beginnen janken.
     Of ik lees van een freelance journalist die in Taiwan – of all places – te horen kreeg dat Zwarte Piet ons koloniale verleden symboliseert.* Voor die journalist is dat aanleiding om daar enkele alinea’s lang over te zaniken. Het is door die kolonies van vroeger, beweert hij, dat we nu ‘extreem rijk’ zijn.  Och jongen, vloek ik stilletjes, kijk eens om je heen, daar in Taiwan. Daar zijn ze ondertussen toch ook flink rijk en ze hebben géén koloniaal verleden. Die rijkdom heeft alles te maken met de productiviteit van nu, en heel weinig met de rooftochten van toen.

     Ik zou op die stukjes willen antwoorden, maar iets houdt me tegen. Als ik antwoord, is het alsof ik de verdediging op mij neem van die hele zes-decembertraditie, en ik eet nog liever mijn hoed op. Zeg ik evenwel niks, dan lijkt het alsof ik mij laat afdreigen door flauwe moeders en door freelance journalisten. Wat moet ik doen? Ik zou aan Sinterklaas raad kunnen vragen, maar die doet daar niet aan. Marsepein en speculaas en zo, dat is meer zijn ding. En die lust ik niet.


* Het stuk van freelance journalist Jeroen Deckmyn verscheen op de radicaal-linkse site van De Wereld Morgen. Het begint met een aardige taalkundige uitweiding over de vraag : hoe vertaal je Zwarte Piet in het Chinees? Leuk. Ook vertelt de journalist over zijn verleden. Dat hij vroeger moest lachen met naïeve Amerikanen die in Zwarte Piet een racistisch symbool zagen. Voor een stuk in De Wereld Morgen, vond ik dat allemaal op een verrassend menselijke toon verteld. Daarna wordt het iets minder.

woensdag 16 november 2016

Zwarte Piet en pikzwarte Frank


     Omdat mijn eigen baas, Lieven Boeve, het Pietenpact mee heeft ondertekend, heb ik de woordelijke tekst van het verdrag eens opgezocht, want de stijl zegt altijd wel iets over de steller. In dit geval moet er minstens een ambtenaar en een jolige oom bij de redactie betrokken zijn geweest. 
      “Het uitgangspunt is dat we Sinterklaas vieren zonder raciale stereotyperingen. Voor de rest is de invulling van het feest vrij: de Sint kiest lekker zelf* of hij zonder of met pieten - roetveegpieten, regenboogpieten, ongeschminkte pieten - jong en oud komt verblijden.”

     De lezer merkt dat hier een moeizaam compromis is bereikt. De radicaal-politiek-correcten, zoals professor Verene Shepherd van de Verenigde Naties, willen helemaal geen Piet, en eigenlijk ook geen Sint, en de behoudsgezinden willen het recht bewaren om Piet zijn gezicht helemaal zwart te schilderen, behalve het gebied om de lippen, dat helemaal rood wordt geschilderd. De middenweg is dan een roetveegpiet, op voorwaarde dat je hem geen roetmop** noemt, want dan zijn we even ver van huis. En nu is er zelfs een nieuw compromis: de initiatiefnemers hebben beloofd over Piet te zwijgen tot na 6 december. Dat mogen ze van mij nog iets langer doen.
     Alhoewel ik de politiek-correcten graag eens een tik uitdeel, laat de hele geschiedenis mij onberoerd. Ik deel ongeveer de mening van
Toon Hermans die ‘Snieklaas’ een ‘vervelend personage’ vond en die knecht van hem ‘een zak’ en ‘een idioot’. Als ik een bundel van Godfried Bomans ter hand neem, sla ik de stukjes over de Sinterklaas altijd over. En of Zwarte Piet wordt opgevoerd met dikke lippen of dunne lippen, dat houdt mij ook niet zo bezig. Ik heb zelf lippen van, ik zal niet zeggen het negroïde, maar dan toch van het wellustige type.
     Waar ik mij als leraar wel voor interesseer is de taalkundige kant van de zaak, want ook daar zijn de politiek-correcten lichtgeraakt. Is Zwarte Piet nu een schoorsteenveger of een … ja wat eigenlijk? Een neger? Een zwarte? Een ex-gekoloniseerde? Een medemens oorspronkelijk afkomstig uit Afrika? En zijn we dat laatste niet allemaal?
     Ik werd ooit getroffen door een lovend stuk van Karel van het Reve over de Surinaamse politicus Frank Essed (1919-1988). Die Essed, die door Van het Reve ongeneerd een bosneger werd genoemd, was een onvermoeibare bouwer geweest. Een paar keer minister, meestal tewerkgesteld als hoge ambtenaar, en altijd aan het bouwen: vliegvelden, wegen, waterkrachtcentrales, spoorwegen ... Daarbij was hij, naar het schijnt, onkreukbaar. Met de sergeantenrevolutie van 1980 werd hij gevangengenomen. Maar zelfs na drie jaar folteren en speuren kon men geen snippertje bewijs van corruptie vinden.
     Essed heeft als jonge man nog enige tijd in Nederland verbleven en heeft toen op Karel van het Reve een grote indruk gemaakt.
      “Hij was heel groot en heel dik,” schreef Van het Reve bij het overlijden van Essed.  “Maar hij was vooral verschrikkelijk zwart. Ik heb zelden zo’n pikzwarte neger gezien. Hij lachte graag, en omdat hij zo groot en dik was schudde het hele huis wanneer hij lachte. Hij was een bosneger en groeide op in een bosnegerdorpje aan zo’n Surinaamse rivier. Veel scholen schijnen er daar in de buurt niet geweest te zijn, maar als je daar aanleg voor hebt kun je ook lezen en schrijven leren uit een oude krant of uit oud verpakkingsmateriaal.”
     Daarna legt Van het Reve nauwgezet uit hoe Essed een middelbare schoolopleiding volgde met een schriftelijke cursus waarvan de afleveringen per boot werden bezorgd. Die afleveringen kwamen soms maanden te laat, waardoor de opleiding telkens onderbroken werd. “Maar,” voegt Karel eraan toe, bosneger of niet,“als je goed kunt leren doet het er niet veel toe wat voor opleiding je volgt.***”
     Essed ging tenslotte studeren in Nederland en behaalde daar twee academische titels - die van ingenieur en die van doctor in de wis- en natuurkunde. In Paramaribo is een voetbalstadion naar hem genoemd, het Dr. Ir. F. Essed Stadion. Ga daar maar eens tegenaan staan Piet!
 
     Postscriptum
     Ik kreeg van Facebookvrienden twee anekdotes cadeau.
     Dokter  Jan van Duppen schreef hoe hij ooit van een Surinaamse bosneger uitleg kreeg over het raciale vraagstuk in zijn land: “‘Zeg nou zelf, doc,” zei die man, “wat een oetlul moet je toch zijn om bij die Hollandse slavendrijvers aan de kust te blijven zitten en niet het bos in te vluchten. Strandnegers, dat zijn pas echte sukkels.”
     Simon Gelten schreef hoe hij in zijn studietijd bevriend was met een jongen van de Nederlandse Antillen. “We volgden verschillende studies maar woonden in de zelfde studentenflat, hielden beiden van voetbal, film en mooie vrouwen. Hij was erg zwart, maar dat was niet zo'n geweldig probleem, want racisme was in die tijd geen issue, nette mensen deden daar niet aan en je hoorde er ook niet zo veel over, een enkele keer bij Sonja (Barend), maar dat was al. Maar Surinamers en Antillianen mochten elkaar niet. Ik herinner me dat hij door Surinamers (of andere Antillianen die lichter van kleur waren) weleens ‘bosneger’ werd genoemd.
    
Een derde Facebookvriend, Mark de Mey, schreef al eerder een mooie blogpost over de kwestie hoe een zwarte medemens benoemd best benoemd wordt.

__________

* Politiek-correcte organisaties zouden beter voorzichtig zijn als ze iemand toelaten ‘lekker zelf te kiezen’, al is het dan de Sint. Je weet waar je begint, maar je weet niet waar je eindigt.
**‘Roetmop’ zou anders een mooie compromis-naam voor Piet kunnen zijn want het woord betekent volgens encyclo.nl zowel ‘nikker’ als ‘schoorsteenveger’.
*** Het stuk van Karel van het Reve is afgedrukt in de bundel Luisteraars en in het zevende deel van het Verzameld Werk.