Posts tonen met het label Michel Berger. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Michel Berger. Alle posts tonen

zondag 13 maart 2022

Zou een Russische annexatie erg zijn voor de Oekraïense bevolking?

     Bij experts kom ik allerlei zaken te weten over geostrategie waar leken zoals ik geen kaas van hebben gegeten. Wat heeft Poetin toen en toen en toen gezegd? Hoe zijn zijn vorige militaire acties verlopen? Hoe zit dat met de betrekkingen tussen Rusland en China? Ik lees dan die gestoffeerde stukken over de krijgskansen, over risico op escalatie en over de waarschijnlijkheid of onwaarschijnlijkheid van een diplomatieke doorbraak. ’t Zijn stukken waarin de feiten aangevuld worden met speculatie – vaak niet meer dan ‘educated guesses’, maar dat is nog altijd beter dan feitenvrije speculatie en ‘ignorant guesses’.
     Daar tegenover staat dat de leek vragen durft stellen waar de geostrategische expert zijn neus voor ophaalt. Gerard Bodifee stelde onlangs de vraag of een mens het morele recht heeft om een soldaat van een invallend leger dood te schieten. Ook over díe soldaat zingt Willem Vermandere immers dat hij altijd iemands vader is (wat niet waar is) en altijd iemands kind (wat wél waar is, zelfs als het om een wees gaat). Het antwoord van Bodifee is geloof ik dat je die soldaat niet mag doodschieten, behalve als hij een weerloze vrouw probeert te verkrachten of op eigen initiatief aan het moorden slaat.
      Mijn Facebookvriend Michel Berger stelt een nog veel interessantere vraag. Hoe erg zou het eigenlijk zijn als Oekraïne onder controle komt van de Russen, niet voor het geostrategisch evenwicht, maar voor het belang van de gewone Oekraïense burger? Ik laat Michel even aan het woord.

“Dat er Oekraïners zijn die niet onder Russisch gezag willen leven is een feit. Er zijn er die dat niets kan schelen en er zijn er die dat willen. Het is ook een feit dat grote delen van de wereld onder Russisch gezag leven en geleefd hebben (dat laatste onder een regime dat vele malen nietsontziender was voor de eigen burgers dan het huidige). Kortom, dat Oekraïne terug onder Russisch gezag zou vallen is misschien vanuit democratisch oogpunt te betreuren maar hoeft niet erger te zijn dan dat al die Chinezen zuchten (doen ze dat?) onder Xi Yinping. Langer verzet kan alleen maar meer dode Oekraïners opleveren, meer verwoesting van hun infrastructuur … ?”

     In zijn film Love and Death – een parodie op Oorlog en vrede – laat Woody Allen een Russiche sergeant zijn troepen als volgt toespreken: ‘Imagine your loved ones conquered by Napoleon and forced to live under French rule. Do you want them to eat that rich food and those heavy sauces? Do you want them to have soufflé every meal and croissants?’ De soldaten antwoorden luidkeels: No! Die Russische sergeant doet denken aan de ‘What have the Romans ever done for us’-sketch van Monthy Python, over hoe de Joden onder de Romeinse bezetting te lijden kregen van … aquaducten, sanitaire voorzieningen, een puik wegennet, betere geneeskunde en vrede. Los van de satire is het verhelderend om oorlog en bezetting te benaderen vanuit de prozaïsche vraag: wat zijn de alledaagse gevolgen voor de burger?
    Dus – welke alledaagse gevolgen mogen de Oekraïners verwachten van een halve of hele Russische annextie? Wat hebben ze te verliezen? Hun welvaart? Maar in BBP per inwoner gerekend zijn de Oekraïners twee keer zo arm als de Russen. Hun vrijheid? Maar op de vrijheidsindex scoort Oekraïne amper beter dan Rusland (6.86 tegen 6.23)*. Hun nationale onafhankelijkheid? Maar zo’n verlies kun je vergelijken met jeuk: je voelt het vooral als je eraan denkt. Zo zijn er, naast Vlamingen die zuchten onder de onnatuurlijke unitaire staatsstructuur, ook veel anderen die daar nooit aan denken.
     Dat is allemaal wel waar. Ik wil evenwel niet al te vlug zaken als welvaart, vrijheid en onafhankelijkheid afdoen als een kwestie van graadverschillen of inbeelding. Een economische integratie in het Westen zou de Oekraïners op middellange termijn ongetwijfeld meer welvaart brengen dan een oriëntatie op de noordelijke buur. En misschien is die vrijheidsindex niet zo nauwkeurig – Oekraïne kent ten minste verkiezingen die af en toe een
ándere regering aan de macht brengen dan de vorige, wat in Rusland al lang niet meer het geval is, als het ooit zo is geweest.
     Ook zou de misschien lage Oekraïense vrijheidsindex nog veel lager worden als het land bezet wordt en een regimewissel wordt opgelegd. 
In 2014 kwamen de Oekraïners op straat tegen het Janoekovytsj toen die terugkwam op zijn belofte om een vrijhandelsakkoord te sluiten met de Europese Unie en zich wou integreren in de Euraziatische Economische Unie die Poetin wou oprichten. Janoekovytsj was weliswaar democratisch verkozen, maar manifestaties tegen een verkozen regering zijn een courante praktijk in landen die hoog op de vrijheidsindex scoren. De politie heeft toen 108 mensen gedood. We moeten er niet aan denken wat er onder een nieuwe Janoekovytsj zou gebeuren bij pogingen om antiregeringsdemonstraties te houden.
     We kunnen het ook anders verwoorden. Nationale onafhankelijkheid is meer dan alléén een idee; in het geval van Oekraïne, waar bij een in 1991 gehouden referendum een meerderheid van 92,3 % zich uitsprak voor het verlaten van de Russische Federatie, is onafhankelijkheid ook een noodzakelijke voorwaarde om zaken zoals welvaartsgroei en meer vrijheid te garanderen.
     Als de Oekraïeners hun verzet verderzetten, zullen de onmiddelijke verliezen in mensenlevens, infrastructuur en comfort erg groot zijn. Misschien kunnen ze later de vruchten van dat verzet plukken als ze de invaller verslaan. We zouden die vruchten – vrijheid en welvaart – kunnen afwegen tegen die verliezen. Zo’n afweging zou enige speculatie vergen, maar er zullen wel experts rondlopen die dat voor ons willen doen. Zelf stel ik mij echter een andere vraag,  namelijk of mensen in het werkelijke leven op die manier voor- en nadelen afwegen. Orwell, in zijn essay ‘New Words’, dacht van niet. 

 ‘Het hele Westerse denken sinds de eerste wereldoorlog nam impliciet aan dat mensen niets anders wensen dan zekerheid, een gemakkelijk leventje, en zo weinig mogelijk pijn. In zulke visie is geen plaats voor patriottisme en militaire deugden … Maar Hitler voelt in zijn eigen vreugdeloze geest zeer goed aan dat mensen niet alleen confort willen, zekerheid, kortere werktijden, hygiëne, gezinsplanning en, meer algemeen gesproken, gezond verstand. Mensen willen, minstens af en toe, ook strijd en zelfopoffering. Terwijl het socialisme en het kapitalisme tegen de mensen zeiden: ‘Wij beloven u een fijn leven’, zei Hitler: ‘Ik beloof u strijd, gevaar en dood’, en als gevolg daarvan wierp een hele natie zich aan zijn voeten.’

         Wellicht stelt Orwell de zaken wat te scherp. Maar het is opmerkelijk dat Hitler slechts kon worden verslagen toen hij aan de overkant met eenzelfde mentaliteit te maken kreeg, de mentaliteit van ‘I have nothing to offer but blood, toil, tears and sweat’. Dat is de mentaliteit van Zelensky en van vele Oekraïners nu. Of het voldoende is voor een overwinning is helemaal niet zeker. Of het een reden is om toegevingen te weigeren evenmin. Maar zeker is wel dat ik die mentaliteit liever zie bij mensen die hun land verdedigen dan bij mensen die een ander land aanvallen. 

 

* Voor BBP zie hier en voor Freedom Index zie hier. Overigens is de vergelijking van de BBP’en van Rusland en Oekraïne misleidend omdat in dat eerste land een veel groter deel van het inkomen bij de rijksten terechtkomt. Rusland heeft een Gini-coëfficiënt van 37,5, waar Oekraïne er een heeft van 26,6. Zie hier.

vrijdag 14 mei 2021

Eurocentrisme in de geschiedenisles

 


     Geschiedenisleraar Benjamin Verdru* (zie ook hier) prijst het nieuwe geschiedenisonderwijs omdat het ‘het eurocentrisme heeft losgelaten.’  Daarmee plaatst hij zich aan de goede kant van, welja, de geschiedenis, maar zijn woordkeus is niet heel gelukkig. Hij wil minder aandacht besteden aan ‘het rurale West-Europa van de vroege middeleeuwen’ omdat er op dat ogenblik ‘complexere beschavingen’ bestonden. Zal Verdru hier geen last mee krijgen van de antidiscriminatiepolitie? Mogen minder complexe beschavingen achtergesteld worden tegenover de complexere? Zijn hier privileges in het spel? En zal hij geen last krijgen met de antropologen die beweren dat die meerdere of mindere complexiteit een illusie is die alleen een meerdere of mindere feitenkennis verraadt? Allemaal heel gevaarlijk. Ontvlambare materie.
     ’t Is anders ook echt een moeilijke discussie. Verdru beweert dat geschiedenisonderwijs die vooral westerse feitenkennis aanreikt leidt tot een superioriteitsgevoel. Dat is niet onmogelijk. Een interessante vraag hierbij is in welke mate dat superioriteitsgevoel, met betrekking tot het verleden, terecht of onterecht is. Charles Murray scheef indertijd een dik boek waarin hij die superioriteit probeerde aan te tonen met objectieve, statistische methodes. Woke-achtigen kunnen zich daarover wel boos maken en elke idee van een superieure (of complexere?) beschaving verwerpen. Maar vaak zijn ze dan de eersten om bijvoorbeeld de superioriteit te benadrukken van de Arabische cultuur tijdens onze vroege middeleeuwen. Als men zo begint, is men niet zover meer verwijderd van de Europese ‘zelfhaat’ waar Verdru, naar eigen zeggen, niet aan mee wil doen.
     Theoretisch bestaan er goede redenen om het geschiedenisonderwijs verder open te trekken naar andere delen van de wereld. Iedereen die wat in geschiedenis geïnteresseerd is, betreurt het dat er zoveel is dat in de geschiedenisles niet aan bod kwam. Ik kijk graag Chinese historische films: spannende politieke intriges, mooie dilemma’s van ambitie en trouw, prachtige duels, epische veldslagen. Maar verder ken ik alleen de namen van enkele dynastieën die op een ng-klank eindigen: Tang, Song, Ming, Qing. Ik zou geen enkele ervan op een tijdlijn kunnen plaatsen, al mocht ik er 500 jaar naast zitten. Dat is jammer, want ik ben er, dankzij Simon Leys, van overtuigd geraakt dat de Chinese beschaving en geschiedenis minstens even interessant is als de onze. Maar ’t is te laat. Ik had zoiets op de schoolbanken moeten leren. Als ik er nu nog aan begin is het ten koste van mijn pianospel en mijn blogstukjes.
     Mocht het aantal uren geschiedenis nu worden opgetrokken tot 4 uur per week, dan zag het er anders uit. Dan mochten van mij 2 uur worden besteed aan de Westerse highligts en de andere 2 uur aan de Chinese highlights. Maar als het aantal uren geschiedenis níet wordt opgetrokken, zou ik het voornamelijk bij het Westen houden*. Het is de Westerse geschiedenis die ons gemaakt heeft tot wat we zijn, met de Griekse filosofen en de Romeinse advocaten, de kerstening van de Germanen, de feodaliteit en de kloosters, de riddercultuur en de machtsstrijd tussen kerk en staat, de stedelijke nijverheid en de handelscentra in Vlaanderen, Duitsland en Italië, de ontdekkingsreizen en de kolonisatie, de Reformatie en de godsdienstoorlogen, het absolutisme en de Verlichting, het Engelse parlementarisme en de Amerikaanse en Franse revolutie, de industrialisatie en het sociale vraagstuk, het nationalisme en de Eerste Wereldoorlog, met daarnaast de kunststromingen van gotiek, renaissance, barok, classicisme, romantiek en modernisme. Dat zijn de highlights die ik verkies voor ónze geschiedenislessen. En als ik in China woonde, zou ik kiezen voor de Chinese highlights.
     Is die beperking echt nodig? Zouden we ook bij slechts 2 uur geschiedenis geen eerlijke verdeling kunnen doorvoeren: één uur Westers en één uur Chinees? Dat zou ten koste gaan van de diepgang vrees ik. Iedereen die iets over geschiedenisonderwijs zegt, begint na twee zinnen al op de noodzaak te hameren om de leerlingen ‘verbanden’ te laten zien. Men overdrijft daar zelfs in. Ik kan mij nogal vinden in de uitspraak van mijn facebookvriend Michel Berger die historische verbanden als volgt samenvatte: ‘Eerst deed men iets, en daarna deed men iets anders, en toen deed men weer iets en daarna deed men weer iets anders.’ 
     Maar we zijn vandaag allemaal, of we willen of niet, kinderen van Hegel. We zien overal thesen, antithesen en synthesen, en of die er nu in werkelijkheid geweest zijn of niet, ze zijn in elk geval een uitstekend middeltje om een en ander te onthouden. Ze geven ons de illusie dat we er toch iets van begrijpen. Maar die thesen, antithesen en synthesen tekenen zich maar af als er voldoende materiaal is aangeleverd waaruit ze kunnen worden afgeleid: voldoende feiten, anekdotes, verhalen, motieven, verklaringen die met elkaar samenhangen in ruimte en tijd, en waarvan we om ons heen vaak nog de materiële sporen zien. 

* Mijn andere stukjes over Benjamin Verdru staan hierhier en hier.
 ** In die traditie komen vreemde beschavingen zijdelings aan bod als ze op een betekenisvolle manier met de Westerse verstrengeld raken: de Arabische beschaving tijdens de kruistochten, de Azteekse beschaving tijdens de ontdekkingsreizen, en verder de hele wereld tijdens de geglobaliseerde twintigste eeuw.  Wil men dat wat uitbreiden tot de Barbarijse zeeroverij, de Afrikaanse samenlevingen tijdens de slavenhandel, en de Ottomaanse beschaving die het Westen eeuwenlang bevochten heeft, dan is dat voor mij geen probleem. Ook heb ik er geen probleem mee dat de zaken zowel van ons standpunt als vanuit het andere standpunt bekeken en besproken worden.

zaterdag 8 mei 2021

Pedagogische tik*


      Theo Francken heeft zich weer in de actualiteit geblogd met zijn reactie op een CD&V-wetsvoorstel om kinderen een ‘geweldloze opvoeding’ te garanderen ‘zonder toepassing van enig geestelijk of lichamelijk geweld of andere vormen van … vernederende behandelingen of straffen.’ Theo schreef: ‘Ik heb flink wat pedagogische tikken en oortrekken gehad, en vaak meer dan terecht. Er is alvast niets van blijven hangen. En laat me duidelijk zijn, ik keur geweld op minderjarigen ondubbelzinnig af. Maar een pedagogische tik gelijk stellen aan kindermishandeling?!’
     Er is enige discussie of het wetsvoorstel van CD&V wel over de pedagogische tik gaat. Indiener Franky Demon vindt van wel, en indiener Koen Geens vindt van niet. Valerie van Peel kwam in Ter zake uitleggen wat het échte N-VA standpunt was (zie hier). Ze was goed op dreef en ik kon akkoord gaan met ongeveer alles wat ze zei**. En ook Theo zal wel gelijk hebben wanneer hij zegt dat hij als kind flink wat aan zijn oor werd getrokken en dat dat vaak meer dan terecht was. Hij ziet er niet uit als het braafste jongetje van de klas.
     Je zou de reactie van Theo zowel populistisch als conservatief kunnen noemen, twee kwalificaties waar ik weinig problemen mee heb. Populistisch omdat de kinderen in volkse milieus, geloof ik, vaker klappen kregen dan die in de hogere milieus***. De vader van Carl Jozef von Trotta in de Radetzkymars is onmenselijk streng, maar hij sláát zijn zoon niet, zoals de boeren dat doen in De Witte of in Doctor Vlimmen. Als kind in een middenstandsgezin heb ik misschien drie keer een klap gekregen van mijn ouders. Maar ik kende verhalen! ‘Sate’ bijvoorbeeld, een arbeider van enkele huizen verder, die kwam niet eens van zijn stoel als hij een van zijn kinderen wou slaan. Hij gooide zijn pet naar dat kind, dat die pet moest terugbrengen en dan meteen een hengst voor zijn kop kreeg waar het woord ‘pedagogische tik’ geen recht aan doet. Zou dat verschil tussen volkse en hogere milieus nog altijd bestaan?
     Misschien is de reactie van Theo ook populistisch in een andere betekenis. Je zou kunnen vermoeden dat nogal wat mensen zulke uitspraken graag horen. Mensen van mijn generatie, of zelfs van de generatie van Theo, die in hun jeugd wel eens een tik kregen en die niet willen dat hun ouders nu met terugwerkende kracht impliciet als halve misdadigers worden weggezet****. En mensen van die generaties die zelf wel eens een tik hebben gegeven, en die niet bereid zijn om zich daarvoor als zondaars in het stof te wentelen en op te biechten dat ze ‘fout waren’ of dat ze ‘uit onmacht hebben gehandeld’.
     Dan conservatief. Het lijdt geen twijfel dat het aantal pedagogische tikken al honderd jaar flink aan het dalen is in álle milieus.  De richting van de geschiedenis is duidelijk. Geweldloosheid is de goede kant van de geschiedenis, de rechterkant van de tijdlijn, de stralende toekomst. Maar conservatieven hebben het wat moeilijk met die goede kant. Zij zijn er bijvoorbeeld niet van overtuigd dat de richting van het moment ook altíjd de juiste richting is. Misschien is het ogenblik aangebroken om even stil te staan of zelfs even de tegenovergestelde richting te nemen. In de jaren 60 dacht men dat de opvoeding niet antiautoritair genoeg kon zijn. Je moest niets opleggen. Je moest luisteren naar je kind. Het spontane gedrag niet veranderen, maar begrijpen. Je hoort zoiets nog altijd, maar toch minder vaak dan vroeger. De unanimiteit over de ‘goede kant’ is hier weg. Er is een stap terug gezet.
     Die antiautoritaire opvatting kwam ik onlangs toch weer eens tegen in een reeks dubbelinterviews in Het Nieuwsblad van 24 april: ‘Wokers en hun ouders.’ Drie blagen van 17 tot 19 met de wijsheid in pacht mochten vertellen wat ze vinden van Zwarte Piet, de flietchinees, het klimaat, veganisme, seksisme, transfobie, en Indiaantje spelen. De brave moeders hoorden dat allemaal bewonderend, leergierig en een beetje verschrikt aan. Ja, eigenlijk hadden hun kinderen gelijk, maar zelf stonden ze nog niet zo ver. Als ze hun best deden en bleven communiceren, kwam het wel goed. Mijn eigen ouders waren nogal begripvol, maar gelukkig is díe vorm van begrip mij bespaard gebleven.
     Nu is antiautoritair en geweldloos niet hetzelfde, zul je zeggen. De richting naar geweldloosheid, dat is dan toch in elk geval de goede richting?  Ja, dat geloof ik ook, maar dan als scepticus, die veel gelooft en weinig zeker weet. Zo heb ik niet meteen een antwoord op het onderzoek Marjorie Gunnoe die 2600 mensen onderzocht heeft, waarvan een kwart als kind nooit een klap kreeg, en de rest wel. Bij kinderen die tot hun zesde af en toe een klap kregen, werden op latere leeftijd betere academische prestaties vastgesteld en geen negatieve gevolgen. Kinderen die tot hun elfde af en toe een klap kregen, hadden later ook betere academische prestaties maar waren tegelijk meer betrokken bij vechtpartijen. En bij kinderen die na hun elfde klappen bleven krijgen, werden alleen negatieve resultaten vastgesteld.
     Daar komt nog de vraag bij wat de ‘alternatieven’ zijn voor de pedagogische tik. Een goed gesprek? Een preek? Een vader-is-niet-boos-vader-is-verdrietig-gezicht? Een uur geen Wifi? En mag het kind kiezen tussen een klap en een uur geen Wifi? Ik lees in het wetsvoorstel van CD&V dat straffen niet vernederend mogen zijn. Dat is erg moeilijk hoor. H.L. Mencken hield in 1928 een vurig pleidooi voor het behoud van lijfstraffen in het onderwijs. Hij vond het de enige straf waarbij zowel de bestraffer als de bestrafte zijn waardigheid behield. En in de min of meer onpersoonlijke context van het onderwijs van die tijd had hij misschien gelijk.
    In de Ter Zake-uitzending met Van Peel werd gezegd dat minstens de term ‘pedagogische tik’ verkeerd was, omdat er aan die tik weinig pedagogisch was, en dat die vaak niet eens pedagogisch bedoeld was. Ouders slaan, zo luidt de redenering,  om ‘hun frustratie af te reageren’. Of dat laatste waar is, weet ik niet, maar ik hoop het in elk geval. Niets lijkt mij erger dan ouders die hun tikken verstandelijk overwegen en plannen. Er bestaat een mooi verhaal van John Collier over een tandarts die zijn zoontje op een rationele manier wil opvoeden en bij verzet een pak slaag aankondigt dat hij enkele uren later pas toedient. Het verhaal heet Thus I refute Beelzy en heeft een zeer bevredigend einde dat ik hier niet zal verklappen. Nee, als ouders slaan, moet er persoonlijke boosheid mee gemoeid zijn.
     Maar boosheid en instinctieve pedagogie sluiten elkaar niet uit. Ik ga mijn vrouw niet slaan als ik boos ben, want daar is geen pedagogische context – en ze zou terugslaan. Jan heb ik bij drie verschillende gelegenheden een  klap gegeven*****. Slechts in één geval herinner ik mij de aanleiding, een brutale uitspraak, maar in alle gevallen herinner ik mij de emotionele context. Hij had iets gedaan of gezegd dat echt slecht was, en toen ik hem in mijn boosheid een klap gaf, heeft hij heel heftig geweend. Ik heb altijd gedacht dat hij niet weende om de klap, maar minstens gedeeltelijk om de spijt dat hij voelde. Hij moet geweten hebben dat hij iets slechts gedaan of gezegd had en de klap zorgde ervoor dat de spijt om het zo maar eens te zeggen ‘vrij kwam’. Zo kwam het bij mij over. De klap bracht orde aan in de chaos van het geweten. Ikzelf had geen spijt. Ik heb hem getroost. We doen en zeggen immers allemaal wel eens iets dat echt slecht is.
 

*Ik kreeg op dit stukje volgende interessante reactie van Michel Berger: ‘Een tik is niet het probleem. Het is het eventuele machtsmisbruik - let wel: misbruik, niet gebruik - dat erbij komt. En dat kan evenzeer aanwezig zijn in opvoeding zonder tikken. Er zijn ouders die zelfs zonder een woordenstroom hun kinderen vernederen met blikken of door hen geen blik waardig te keuren in hun noden. Die hen uitlachen, die hen niet ernstig nemen enz., ouders die hun ambities aan de kinderen opdringen, die de natuurlijke interesses van hun kinderen fnuiken omdat het zaken zijn die hen niet interesseren enz. Daarnaast zijn er ouders genoeg die zelf de eigen kindertrauma's niet verwerkt hebben en ze doorgeven aan de kinderen, zelfs met de beste bedoelingen. En wat met de psychologische terreur van uw kinderen aan hun lot over te laten, het lot van vele kinderen die nooit een lap krijgen en die om een lap zouden smeken als blijk van tenminste enige aandacht? Een groep kinderen die vaak te vinden is bij ouders met hoge functies waardoor ze nooit thuis zijn, terwijl ze dat compenseren door de kinderen te verwennen met materieel comfort. Al dergelijke psychische terreur of mismeestering of verwaarlozing is erger dan een tik bij een ongezeggelijk kind door een ouder die wél zichzelf en z'n kind kent. In ieder geval: de staat heeft zich er niet te mee te moeien omdat ze zich daar niet mee kan moeien wegens de enorme complexiteit ervan. Het is gemakkelijk wetten te maken met grootse doelstellingen. Maar … ik weet niet hoeveel beperkingen en sociale en juridische controle gaan opleggen aan ouders die met vallen en opstaan wél met hun kinderen inzitten ... mij lijkt het een teken van een zieke en bemoeizieke overheid.

** Van Peel vond dat het wetboek niet te veel met symbolische artikels moet bevatten. Dat vind ik ook. Elk kind heeft recht heeft op liefde, warmte, genegenheid, een verse onderbroek en een evenwichtige voeding, maar ik wil dat ook niet in het Burgerlijk Wetboek. Ook vond ze dat de indruk moest worden vermeden dat de staat zich zou mengen met de thuisopvoeding. I second the motion. Uit alles wat ze verder zei, kreeg ik de indruk dat ze niet al te dwars zal liggen over het CD&V-voorstel. Dat zou ik ook niet doen.

*** Uiteraard met heel veel uitzonderingen in de twee milieus.

**** ‘Als misdadiger worden weggezet …’ is figuurlijk want het wetsvoorstel van CD&V betreft het Burgerlijk Wetboek en niet het Strafwetboek.

***** Ik heb Jan wel vaak gebeten. Als hij in mijn duim beet, beet ik gelijktijdig terug in zijn duim. Als hij harder beet, beet ik ook harder. Als hij losliet, liet ik los.

 

woensdag 21 maart 2018

Récht op mijn pensioen

     Ik behoor tot de club van de babyboomers. Of je die naoorlogse generatie nu strikt omschrijft – geboren tussen 1945 en 1955 – of er voor de zekerheid ook nog de volgende tien geboortejaren bijtelt, ik hoor erbij. Ik ben geboren in 1955.
     Over die generatie wordt veel slechts verteld, onder andere op de Facebook*. De babyboomers, las ik, zijn profiteurs die stelen van de volgende generatie. Ze hebben te weinig gewerkt, te weinig belasting betaald en te veel uitgegeven. Ze hebben in het zwart bijgeklust. Ze hebben een huis gekocht voor 50 000 euro en ze verkopen dat nu belastingvrij voor 200 000 euro. Ze laten een staatsschuld na die even groot is als het jaarlijkse bruto nationaal product. Ze gingen op 55 op pensioen en ze zijn van plan om tot 90 te blijven leven. Zelf hebben ze tijdens hun beroepscarrière elk twee gepensioneerden onderhouden en nu vragen ze dat iedereen van de volgende generatie er zes onderhoudt. Ik vond dat misschien een beetje overdreven, maar er stak ook veel waarheid in de aanklacht en ik heb het bericht geliket.
    Wat later echter las ik op hetzelfde Facebook een welsprekend antwoord. De babyboomers, dat waren de stakkerds die zich blauw moesten betalen om een keertje per vliegtuig te reizen,  die bij hun afstuderen gingen werken om het ouderlijk gezin te ondersteunen, die eerst tien jaar met de fiets rondreden voor zij zich een gezinswagentje aanschaften. Het waren de zielenpoten die na vijftien jaar sparen een bouwlening aangingen tegen 12 procent, waardoor ze uiteindelijk het dubbele van de oorspronkelijke prijs betaalden. Daartegenover staan de verwende knapen van generatie X (geboren tussen 1965 en 1980) en de millennials (geboren tussen 1980 en 2000). Dat zijn de gozers die met het vliegtuig reizen voor de prijs van een treinticket, die zich na hun afstuderen in hotel Mama installeren, die hun loon of uitkering voor zichzelf houden, en die, als ze nog maar net getrouwd zijn, meteen al over twéé gezinsauto’s beschikken en daar bovenop nog een pastoriewoning laten bouwen met een lening tegen 1,5 %. Ook dat antwoord was wellicht overdreven, maar ik heb het bericht toch geliket omdat ik veel van die toestanden zelf heb meegemaakt of gezien heb bij anderen.
     Als babyboomer ga ik binnen twee jaar op pensioen en nu begin ik mij zorgen te maken. Er wordt mij verteld dat de hoogte en de uitbetaling van dat pensioen welbeschouwd een kwestie is van solidariteit tussen de generaties. De jongere generatie betaalt goedgezind voor het onderhoud van de oudere omdat ze weet dat ze zelf ooit die oudere wordt. En dat is allemaal mooi wettelijk vastgelegd.
     Die solidariteit vind ik prima maar na de woordentwist van hierboven tussen babyboomers en millennials ben ik er niet gerust meer in. Op zo’n bouwgrond van solidariteit zet je, vrees ik, geen pastoriewoning. Een wettelijke regeling biedt meer vastigheid, maar – helaas – ook wetten kunnen gewijzigd worden. Als de verwende millennials hun luxeleventje bedreigd zien door al te hoge bijdragen, dan zouden ze wel eens en masse voor een anti-pensioenpartij kunnen stemmen om zo de profiterende babyboomers een pittig lesje te leren. Ik zeg niet dat zoiets zál gebeuren, maar áls zoiets gebeurt, dan zullen mooie woorden over solidariteit niet genoeg zijn om dat tegen te houden.
     Eigenlijk komt het hierop neer. Welk pensioensysteem er ook gevolgd wordt, er is altijd een deel van de bevolking dat werkt en consumeert, en een deel dat alleen consumeert. Het werkende deel van de bevolking bakt brood, koffiekoeken en taartjes en dat lekkers moet worden verdeeld onder datzelfde werkende deel én het gepensioneerde deel. Er bestaat een oude, eerbiedwaardige manier om die verdeling tot stand te brengen en dat is het eigendomsrecht. Dat is iets moois. Het geld dat je verdient is van jou en je koopt daar zoveel koffiekoeken voor als je wilt. Een deel van dat geld spaar je om later, als je niet meer werkt, nog altijd koffiekoeken te kunnen kopen. Als je veel gespaard hebt, kun je later veel koffiekoeken kopen, en als je weinig gespaard hebt moet je je op je oude dag tevreden stellen met brood van de Aldi. En om zeker te zijn dat iedereen genoeg spaart, en dat niemand alleen brood van de Aldi moet eten, kan dat sparen desnoods bij wet worden opgelegd en geregeld.
     Een pensioensysteem volgens het eigendomsrecht, zoals ik hierboven heb uitgetekend, noemt men een ‘kapitalisatiestelsel’. In Holland, waar het stelsel van kracht is, spreekt men van ‘kapitaaldekking’. Wat de straatveger of de nefroloog spaart voor zijn pensioen is en blijft zijn eigendom. Dat geld wordt op de een of andere manier geïnvesteerd, en op een zekere leeftijd – die de straatveger of de nefroloog liefst zelf mag kiezen – krijgt hij een rond bedrag van tienduizenden of honderdduizenden euro’s. Hoe langer hij gewerkt heeft, en hoe meer hij heeft afgedragen, hoe hoger dat bedrag.
     Er is ook een tweede mogelijkheid. In plaats van een rond bedrag, krijgt de gepensioneerde burger een lijfrente die berekend wordt op dat ronde bedrag. Hij geeft bij wijze van spreken zijn geld aan een private of openbare verzekeringsinstelling, en in ruil daarvoor krijgt hij een vaste maandelijkse uitkering. De burger gaat daarbij een soort weddenschap aan op zijn levensverwachting. Leeft hij na zijn pensionering nog slechts enkele jaren, dan wint de instelling. Wordt hij zo oud als Methusalem, dan wint de burger. Een dergelijk stelsel wordt natuurlijk zó berekend dat de verzekeringsmensen ietsje meer kans maken om te winnen dan de burger, want zij hebben de wet van de grote getallen achter zich. Met dat ietsje meer kans, kunnen zij overigens heel rijk worden, volgens het principe van Theofiel Boemerang: kleine procentjes, rijke ventjes**. De gemiddelde pensioentrekker daarentegen verliest een kleinigheid, maar daarvoor geniet hij de zekerheid van het ‘win-for-life’-principe. Zelfs de liberale econoom Friedrich Hayek verkoos les te geven aan een universiteit die een veilige lijfrenteregeling aanbod in plaats van een risicovol rond bedrag dat vroeg of laat opgesoupeerd kan raken. Hayek had, zoals wel vaker, gelijk, want hij werd 93. En ook die lijfrente kan desnoods wettelijk geregeld worden zodat elke burger minstens gedeeltelijk in het veilige systeem stapt. Als het moet kan zelfs een staatswaarborg worden afgesproken.
     Indertijd werd bij ons, anders dan in Nederland, niet gekozen voor de kapitalisatie, maar voor de zogeheten repartitie. Dat stelsel werkt niet volgens het solide beginsel van het eigendomsrecht, maar volgens het vluchtige beginsel van de solidariteit. Wat de werkende betaalt, wordt niet opzij gelegd voor zijn eigen latere pensioen, maar wordt rechtstreeks doorgestort aan de huidige gepensioneerden. De werkende moet erop vertrouwen dat de volgende generatie even solidair, of even volgzaam, zal zijn als de zijne.
     De keuze voor repartitie was, geloof ik, een fout, en zo’n fout achteraf rechtzetten is een heel karwei. Misschien kan links daarbij meehelpen. Links beschouwt de rechtse partijen als anti-pensioenpartijen. Ik geloof dat dat een foute inschatting is. Maar stel dat links gelijk heeft en dat die centrumrechtse partijen inderdaad anti-pensioen zijn, zou links dan niet beter meehelpen om de toekomstige werknemerspensioenen in veiligheid te brengen achter de betrouwbare muren van het eigendomsrecht? Voor zo’n stevig metselwerk kan centrumrechts immers nog altijd enig ontzag opbrengen.

* Met name op de pagina van Filip De Mey. Het antwoord dat ik verder parafraseer vond ik bij Michel Berger.

** Vandersteen, W. (1959), De Texasrakkers, passim.

zondag 27 augustus 2017

Van Louis Tobback naar Robert E. Lee

     Voor mij is het allemaal begonnen in 2006 met Louis Tobback die in Leuven het Maarschalk Fochplein wilde laten omdopen tot het Plein van de Hemelse Vrede.
     Daarvoor was ook wel eens iets in die richting gebeurd. In Duitsland werd in 1945 een Adolf-Hitler-Straße plots weer gewoon Marienstraße; in Rusland werden borstbeelden van Stalin eind de jaren vijftig discreet verwijderd uit openbare gebouwen; en op TV hebben we zelf gezien hoe een klein groepje Irakezen in 2003 het standbeeld van Saddam Hoessein neerhaalde. Ik vond dat normaal want Hitler, Stalin en Saddam waren geen frisse jongens. Ze hadden joden laten vergassen, boeren laten verhongeren en politieke gevangenen laten folteren. Straatnamen, borstbeelden en standbeelden die er gekomen waren om die mannen te eren, werden veranderd, verwijderd of neergehaald om ze te onteren. Net goed.
     Maar hoe zat dat met maarschalk Foch (1851-1921) waar Tobback zo op gebeten was? Die had geloof ik niemand laten vergassen, verhongeren of folteren? Tobback voerde aan dat de maarschalk ‘tijdens de eerste wereldoorlog miljoenen doden op zijn geweten had.’ Dat is niet geheel bezijden de waarheid. In veldslagen die door Foch werden geleid, kwamen honderdduizenden om, waaronder zijn zoon en zijn schoonzoon. Toch was het niet Foch die tot die oorlog besloten had. Het waren de autocraten, de politici, de diplomaten en de journalisten die het kwaad hadden gesticht. De generaals hadden er weinig mee te maken – die voerden uit – behalve misschien die halve gare Oostenrijker Conrad von Hötzendorf (1852-1925) die graag een oorlog wilde om indruk te maken op zijn minnares.
     Foch werd verweten dat hij bij zijn aanvallen honderdduizenden van zijn soldaten opofferde voor enkele kilometers terreinwinst, zoals bij de slag aan de Somme. Maar die kilometers terreinwinst waren niet het doel van de aanval geweest. Foch wou die Duitsers helemaal uit Frankrijk verdrijven. Had Foch op voorhand geweten dat zijn leger slechts enkele kilometers terreinwinst zou maken, had hij die hele aanval wel afgeblazen. Wat je Foch en zijn collega’s wél kunt verwijten, is dat hun aanval mislukte. Maar ’t was ook niet gemakkelijk. Als twee ongeveer even sterke legers tegenover elkaar ingegraven zijn, is het inderdaad erg moeilijk om meer dan enkele kilometers terreinwinst te boeken en om daarbij minder slachtoffers te hebben dan de partij die in de loopgraven blijft. Ludendorff (1865-1937) slaagde daar soms in, maar ik geloof niet dat de burgemeester van Leuven met een Ludendorffplein genoegen had genomen.
     Nu, misschien kun je Foch als militaire leider wel een misdadige lichtzinnigheid aanwrijven. Had hij het anders aangepakt, dan waren misschien een paar honderdduizend Fransen minder, en een paar honderdduizend Duitsers meer gesneuveld. Dat lijkt het moderne inzicht te zijn. Het was niet de mening van mijn grootoom die vier jaar at, dronk, rookte, sliep en gebombardeerd werd in de loopgraven, en die veel achting had voor Foch. Het was niet de mening van Boorman die vond dat ‘de tous les généraux de la grande guerre, le maréchal Foch est certes celui qui offre au prodigieux et inépuisable thème de la gloire nationale les plus admirables ressources.’
     Ik wil graag aannemen dat mijn grootoom en Boorman zich vergisten. Bovendien is er niets dat ons belet om vandaag een ander, misschien hoger moreel standpunt in te nemen dan toentertijd. Wie dat graag wil kan vandaag zijn verontwaardiging uitspreken over elke misstand uit het verleden die hij kan bedenken: de galeislaven in het oude Rome*, de wrede hertog Alva (1507-1582) en zijn bloedraad te Brussel, Giordano Bruno (1548-1600) op de brandstapel na veroordeling door de Inquisitie. Die toestanden kunnen allemaal, zoveel jaren na dato,  aanleiding zijn tot gerechtvaardigde woede. Het is weliswaar beter om de geschiedenis van de mensheid te verkennen ‘sine ira et studio’, maar we zijn ook maar mensen en wrok en sympathie zijn nooit ver weg uit ons hart.
     Er bestaat een andere omgang met de geschiedenis die mij veel verwerpelijker lijkt: men neemt een hedendaags dispuut over ethiek, politiek of maatschappij en dan gaat men oude stukken geschiedenis oprakelen om zijn tegenstrever een vlieg af te vangen. Je wil het onder grote mensen hebben over de godsdienst in de samenleving –  en daar komt iemand aandragen met Giordano Bruno. Je wil iets zeggen over het islamisme –  en de kruisvaarten (1096-1271) worden erbij gesleurd. Ik heb een Spaanse vriendin die  in een discussie over de Brexit plots over het perfide anti-Spaanse beleid van Elizabeth I (1533-1603) begon. Het gesprek krijgt door zulke geschiedkundige verwijzingen een symbolische lading waardoor men geen stap verder meer geraakt. Het is beter geloof ik in zulke gevallen de geschiedenis thuis te laten.
     De trammelant in Charlottesville rond het standbeeld van Robert E. Lee (1807-1870) en het naar hem genoemde park lijkt mij van dezelfde aard. De Zuidelijke generaal was één van de weinige aantrekkelijke leiders in de Amerikaanse burgeroorlog, tussen al die onbenullen, dronkaards, narcisten en psychopaten. Maar actievoerders en leden van het stadsbestuur van Charlottesville willen het standbeeld weg en het park hernoemen. Lee was immers een voorstander van de slavernij. Wordt aangetoond dat Lee géén voorstander van de slavernij was, dan moet men iets verder gaan zoeken – zeker als men in de geschiedenisles niet goed heeft opgelet omdat men met actievoeren bezig was. Goed dan:  Lee was tegen stemrecht voor analfabete zwarten. Ongetwijfeld. En als men alle standbeelden van Amerikanen die tegen dat stemrecht waren wil weghalen, is men nog even aan de gang. Misschien kan men beginnen met die van Woodrow Wilson (1856-1924), nochtans een icoon van het humanisme en de progressiviteit.
     Het rassenvraagstuk in de Verenigde Staten is 150 jaar na de burgeroorlog nog lang niet opgelost. De gemiddelde zwarte heeft bijvoorbeeld een lager inkomen dan een gemiddelde blanke. Hoe komt dat? Welke mechanismen zijn hier aan het werk? Gaat het om een – eventueel onbewuste – racistische reflex van blanken die zwarten niet willen aannemen voor goedbetaalde banen? Of gaat het om een verongelijkte houding van zwarten die racisme als excuus gebruiken om geen moeite te moeten doen om zo’n goedbetaalde baan te krijgen? Dat is een ernstige discussie.
     In Charlottesville zagen we de twee mechanismen tegelijk. De Alt-right, de Ku Klux Klan en de neonazi's, die om beurten in Charlottesville door de straten trokken, staan voor een blank racisme dat in die vergaande vorm een randverschijnsel is, maar in mildere vorm breder aanwezig kan zijn.** De actievoerders tegen het standbeeld van Lee staan voor een verongelijkte instelling die de zwarte bevolking wordt aangepraat. Als de zwarte activist Rick Turner het in zijn hoofd haalt Lee een ‘terrorist’ te noemen, is dat niets meer dan slechte geschiedenis. Je kunt het vergelijken met Tobback die Foch een ‘massamoordenaar’ noemt: geschiedkundige verontwaardiging die niet al te duur betaald werd. Maar als de vice-burgermeester Wes Bellamy spreekt over een standbeeld dat ‘beledigend is voor bepaalde delen van de gemeenschap’ – als hij klaagt dat ‘veel mensen geen voet in het park willen zetten vanwege de naam en waar ze symbool voor staat,’ dan is dat een oproep tot rancune en ressentiment, gevoelens waar de zwarte bevolking in het verleden weinig voordeel mee heeft behaald.
 
* Classicus Michel Berger laat mij weten dat galeislaven in het oude Rome, in weerwil van wat de Nederlandstalige Wikipedia beweert, heel uitzonderlijk waren. Goed dan: slaven in de zoutmijnen. Als Ben Hur (1959) niet accuraat is, dan misschien toch Spartacus (1960).

** Het is wrede ironie dat een zo beschaafd en edelmoedig man als Lee werd gehuldigd door lieden die in ongeveer alle opzichten zijn tegenbeeld zijn.

zaterdag 28 januari 2017

Alle leraren 22 uur les?*

     De baas van het katholieke onderwijs Lieven Boeve wil al geruime tijd de lesopdracht van leraren in het middelbaar onderwijs gelijkschakelen. Vandaag geeft een leraar in de laagste klassen 22 uur les, in de hogere 21 uur en in de hoogste 20 uur. Boeve wil 22 uur voor iedereen en minister Crevits lijkt hem daarin nu te volgen**.
     Ik begrijp de minister. Door de opdracht van de meeste leraren met 5 of 10 % uit te breiden, krijgt ze een mooie besparing voor elkaar van 150 miljoen. Die zou ze willen gebruiken om het leven aangenamer te maken voor beginnende leerkrachten, want anders lopen die weg uit het onderwijs. Ook zouden oudere leerkrachten wat minder moeten werken.
     Voor mijzelf maakt het weinig verschil. In het huidige systeem geef ik 20 uur les, en in het nieuwe systeem 22 uur min 2, want ik ben boven de zestig. Dat komt dus, geloof ik, ongeveer op hetzelfde neer. Voor mijn facebookvriend Michel Berger maakt het nog minder verschil – want hij is gepensioneerd – maar toch windt hij zich over die gelijkschakeling op (hier). En hij heeft gelijk. Natuurlijk heeft hij gelijk. Als leraar klassieke talen kwam hij zowel in de laagste als in de hoogste jaren, wat bij andere leraren niet zo vaak voorkomt. Uit ondervinding weet hij dat lesgeven in die hoogste jaren aanmerkelijk meer voorbereiding en verbeteringswerk vraagt dan in de laagste jaren. De collega’s klassieke talen op mijn school zeggen hetzelfde. En nu ik erover nadenk: mijn lessen in het 6de jaar kosten mij ook meer dan die in het 4de jaar.
     Daar komt nog iets bij. In de hoogste jaren wordt vooral lesgegeven door masters, en in de laagste jaren bijna uitsluitend door bachelors. Die bachelors hebben een lerarenopleiding gevolgd en zijn dus min of meer aan het beroep gebonden. Maar die masters hebben een wetenschappelijke opleiding gevolgd waardoor velen van hen ook in een ander beroep terecht kunnen. Het is dus niet erg verstandig om juist van die laatste groep de arbeidsvoorwaarden minder aantrekkelijk te maken. Zo’n chemielerares zou dan wel eens de voorkeur kunnen geven aan een loopbaan als chemical sales account manager in plaats van voor de klas met beamer en bord, maar vooral met handen en voeten, de reactievergelijkingen uit te leggen. 
      Wat mij bij Boeve het meest gestoord heeft, is zijn uitspraak dat de verschillende lesopdrachten een ‘historisch onrecht’ waren. Ik probeer altijd begrip op te brengen voor egalitair ingestelde medemensen, want zij zijn vaak de kwaadsten niet, maar soms ben ik er ook bang van. Velen onder hen dromen, geloof ik, van een onderwijssysteem waarin alle lesgevers gelijkgeschakeld worden, van kleuterleidster tot leraar in het zesde middelbaar – hetzelfde aantal lesuren, hetzelfde loon en dezelfde opleiding. ‘We maken er allemaal masters van, want het opvoeden van peuters is misschien nog de moeilijkste discipline van allemaal’***, zoals een vriendin mij ooit toevertrouwde.
     Ik moet in het onderwijs zo’n Nieuw Jeruzalem niet, met eenvormige opdracht, beloning en opleiding voor iedereen. Een mastergraad voor elke lesgever en opvoeder, het kan – meer zelfs, het bestaat in sommige landen – maar dan zijn er twee mogelijkheden: ofwel worden heel wat van mijn sociaal-technische leerlingen van het beroep van kleuterleidster uitgesloten, terwijl ze er juist erg geschikt voor zijn – ofwel wordt de hele masteropleiding uitgehold, met erg ongunstige gevolgen voor het onderwijs in wiskunde, wetenschappen en vreemde talen. Ik heb ooit een cursus gevolgd met Amerikaanse leraren Frans en Spaans en die konden noch Frans, noch Spaans, behalve één dame van Mexicaanse origine die een beetje verliefd op mij was.
     Als minister Crevits zo nodig het lesurenbeleid wil aanpassen, dan heb ik dus liever dat dat losgemaakt wordt van een of ander ideologisch gelijkheidsstreven. Als ze met alle geweld een besparing van 150 miljoen rond wil krijgen, dan zou ze beter alle leerkrachten één uur meer laten werken. Voor de vakbonden – ik geef het graag toe – is het dan wel gemakkelijker om daartegen solidair verzet te ondernemen. Dat zal de minister niet fijn vinden. Maar dan moet ze maar eens heel duidelijk komen uitleggen hoe die 150 miljoen echt bij de startende leraren zal terechtkomen, en niet zal worden besteed aan een of andere ‘omkadering’ met nog maar eens extra uren vergadering, ondersteuning, bijscholing, portfolio-evaluatie en coaching. Ik zal die uitleg van de minister heel aandachtig aanhoren. En de minister mag ook eens uitleggen hoe de jonge leraren hun baan zullen behouden, als de oudere plots vijf procent meer werken. Volgen er dan geen vijf procent afdankingen? Ook die uitleg zal ik heel aandachtig volgen.

 * De werkweek van de leraar is gemiddeld minstens het dubbele van het aantal lesuren. Daar schrijf ik misschien mijn volgende stukje over.
 
** Wat eigenaardig! In Nederland, waar anders zoveel onderwijswijsheid vandaan wordt gehaald, heeft men net nu beslist het lesurenpakket in het middelbaar te verminderen tot – wait for it – 20 uur.
 
*** Dat het opvoeden van peuters misschien wel de moeilijkste discipline is, wil ik desnoods nog aanvaarden, maar het lijkt mij niet het soort ‘moeilijk’ dat je met een wetenschappelijke master te lijf gaat.


(Dit stukje verscheen ook op De Bron.)

dinsdag 2 augustus 2016

Bart De Wever over Xenofon

In De Morgen van 30 juli vertelt Bart De Wever een spannend verhaal van 400 jaar voor Christus (hier).  Een leger van tienduizend Griekse soldaten zit ingesloten, diep in het Perzische rijk, honderden dagreizen verwijderd van thuis. Hun veldheren worden tijdens onderhandelingen vermoord. De soldaten weten amper waar ze zich bevinden. Vijanden zijn alom. Is de situatie dan hopeloos? Dan ken je die oude Grieken nog niet. Zo’n oude Griek, dat was geen lulletje rozenwater. Je kon er bij wijze van spreken mee naar de oorlog. De soldaten blijven dus niet bij de pakken zitten, ze roepen een vergadering bij elkaar, kiezen een paar nieuwe veldheren, en vechten en plunderen zich een weg naar de Zwarte Zee. Onder die nieuw verkozen veldheren was een zekere Xenofon, die een meeslepend verslag schreef van die avontuurlijke tocht.
     Als je dat verslag leest, krijg je een levendig beeld van het Griekse leger. Een stelletje ongeregeld, huurlingen, slaven, vrouwen, schandknapen. Vóór alles willen ze op tijd en stond te eten krijgen. Verder hebben ze over alles een mening en hebben ze op alles kritiek. Ze vergaderen graag, maken ruzie, konkelen achter elkaars rug, doen mooie beloftes. Ze kiezen zelf hun veldheren en zetten ze daarna weer aan de kant. De Wever omschrijft de bende als een ‘marcherende democratie’ en dat is nog niet zo slecht samengevat. Hij ziet in tocht van de onsterfelijke tienduizend een heel vage schijn van wat later de Europese democratie wordt. (1)
     Ik dacht – dat komt nooit goed. Hier moet één van onze Vlaamse intellectuelen toch iets tegen in te brengen hebben. Wat precies, dat wist ik niet, maar dat zou die intellectueel ons wel vertellen. Ik heb niet lang moeten wachten. De dag na het stuk van De Wever verscheen een antwoord van oudheidkundige Koert Debeuf  (hier) (2).
     Het eerste zinnetje van de oudheidkundige begreep ik al niet goed. ‘Ik verslikte mij in mijn koffie,’ schrijft hij. Weet de goede professor dan nog altijd niet hoe gevaarlijk het is om gelijktijdig een kopje koffie te drinken en een stuk van De Wever te lezen? Hopelijk heeft hij nu zijn lesje geleerd. Maar voor de rest vertelt Debeuf erg interessante dingen over de oudheid: dat Xenophon geen democraat was, en dat hij een biografie schreef over de Perzische koning Cyrus, dat die Cyrus de godsdienstvrijheid in zijn land invoerde, dat de oude Grieken heel wat geleerd hebben van de Perzen, dat de Perzen ook heel wat geleerd hebben van de Grieken. Ik denk dat dat allemaal heel erg waar is, want zo leerden we het ook op school. Alleen, De Wever had nooit het tegendeel beweerd. Om het met de woorden van mijn Facebookvriend Michel Berger te zeggen: ‘BDW heeft nergens de lof gezongen van Xenofon, maar van het Griekse systeem dat flexibel met een crisis omsprong en nieuwe leiders koos toen de oude geliquideerd werden. En zo overleefde. De hele argumentatie is bijgevolg naast de kwestie.’
     Trouwens, als De Wever de lof van Xenofon niet gezongen heeft, wil ik het wel in zijn plaats doen. Die Xenofon was een kranige kerel! Ziedaar, ik heb het gezegd! Hij was van het goede hout gesneden! Hij was een generaal die geloofde in leidinggeven door voorbeeld! Wie ooit zijn tent heeft opgeslagen op de ijsvlakten van Elsenborn, of in het Schotse laagland bij zware regenval, die zal het volgende verhaal naar waarde schatten. Het speelt zich af in Armenië, tijdens de barre winter van 401. –  Xenofon, zoals Caesar, spreekt over zichzelf in de derde persoon.
     ‘Tijdens de nacht was  er een groot pak sneeuw gevallen, dat de wapens, de lastdieren en de op de grond liggende mannen bedekte. ’s Ochtends hadden de soldaten dan ook helemaal geen zin om op te staan, want de sneeuwlaag hield hen lekker warm. Maar Xenofon vermande zich en stond in zijn blootje op (gymnos anastas) om hout te hakken. Toen kwam er algauw een ander overeind om hem dat werk uit handen te nemen. Toen volgden er meer. Ze staken een vuur aan (pyr ekaion) en wreven zich in met zalf, die ze daar in grote hoeveelheid hadden gevonden. Ze was vervaardigd van zwijnenvet, sesam (sèsaminon), bittere amandelen (amygdalinon) en terpentijn (terminthinon).’
     Zo, nu konden ze er weer tegenaan. Maar eerst een stukje eten natuurlijk.

______

(1) De Wever zijn stuk past in het nva-pleidooi voor een krachtiger optreden tegen moslimextremisme. Ernstige bedenkingen daarbij zijn geformuleerd door onder andere Rik Torfs (hier), Etienne Vermeersch (hier), Walter Pauli (hier) en Lode Cosaer (hier). Bryce De Ruyver en Mark Elchardus dragen argumenten aan vóór dat ‘gewapend bestuur’ (hier).
 
(2) De dag na Debeuf reageerde ook politicoloog Jonathan Holslag (hier). Holslag sleurt er allerlei zaken bij die naar mijn smaak weinig met het onderwerp te maken hebben: de Pokémonrage, halalvlees, zijn doctoraat, de robotisering, de goedkope import uit Azië, het glazen plafond op de arbeidsmarkt, de druk op het gezinsleven en John F. Kennedy. Ik denk dat de politicoloog wat opgenaaid was die dag.