Posts tonen met het label migratie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label migratie. Alle posts tonen

donderdag 28 januari 2021

Van Grieken en Annouri over migratie


     Tom van Grieken (VB) en Imade Annouri (Groen) hebben met elkaar gemeen dat ze trots een filmpje hebben gepost over hun deelname aan hetzelfde ‘omvolkingsdebat’ op ATV. Ik heb, tegen mijn gewoonte in, die filmpjes bekeken, ook omdat ze zo kort zijn (hier), (hier) en (hier).
     Die Annouri is een vlotte jongen. Je kunt zijn schoenen en sokken niet zien, want hij zit aan een tafel, maar hij koopt die laatste ongetwijfeld gewoon in de winkel, zoals ik, en breit ze niet van geitenwol zoals een eerdere generatie Groenen dat deed. Annouri doet zijn best, en slaagt erin, om eruit te zien als een dynamische O-Vld’er, zoals de tegenwoordige O-Vld’ers hun best doen, en erin slagen, om te klinken als dynamische Groenen.
    Zijn discours valt tegen als je hem uittikt. Annouri heeft het over ‘internationale vastsellingen’, ‘majority-minority cities’, het ‘verdwijnen van meerderheden’. Hij wil van Antwerpen een ‘topstad’ maken, een ‘New York aan de Schelde’, en geen ‘Bokrijk naast de parking’. Hopelijk wil hij de vastgoedprijzen van New York niet mee importeren. Hij heeft gezien dat New York een diverse én welvarende stad is, en lijkt te denken dat het tweede het gevolg is van het eerste.* Maar zo eenvoudig is dat niet. Antwerpen nu is al héél divers is, diverser dan een topstad als Tokio bijvoorbeeld die ook heel welvarend is. Gelukkig geeft Annouri wel blijk van goede intenties. Als we allemaal samenwerken op deze lap grond kunnen we er een welvarende regio maken, zegt hij. Dáár ben ik het mee eens.
     Annouri vindt dat de retoriek van Tom van Grieken ongunstig afsteekt tegen die van VB-leden en VB-stemmers, ‘met wie hij regelmatig in gesprek gaat.’ Dat blijkt echter niet uit het filmpje van Van Grieken. Ik stoot op Facebook soms op commentaren van VB-stemmers die, omgekeerd, ongunstig afsteken bij de retoriek van Van Grieken.** Ik citeer, die laatste enigszins verkort: ‘Wij willen de migratie stoppen … en met de mensen die hier zijn, ongeacht hun huidskleur, daar maken we het Vlaanderen van morgen mee, maar niet met de mensen die hier komen om criminele feiten te plegen, om te profiteren van onze sociale zekerheid en om een extreme vorm van de islam aan te hangen.’
     Ik ben bijzonder verguld met de nuance die Van Grieken maakt tussen ‘de migratie stoppen’ en ‘de mensen – dat wil zeggen de migranten – die hier zijn’. Ook de nuance tussen de islam en ‘een extreme vorm van de islam’ mag Van Grieken voor mijn part nog een paar keer herhalen. Ik zal daarom niet voor hem stemmen, maar wel telkens instemmend knikken.
     Van Grieken geeft kort en accuraat drie pijnpunten aan van de migrantengemeenschap: een oververtegenwoordiging in de misdaadcijfers, een oververtegenwoordiging bij de uitkeringstrekkers, en een te grote aanhang van de extreme islam. Als ik die zaken zelf zou aankaarten, zou ik ze, als mijn opponent mij niet onderbreekt, nog verder nuanceren. 
     Een oververtegenwoordiging bijvoorbeeld is bijlange na nog geen meerderheid. Van Grieken heeft dat niet gezegd, maar ik weet uit ervaring hoe snel de vergissing gemaakt wordt. Ook mijn leerlingen hadden de drogreden niet altijd onmiddellijk door. Dan gaf ik twee voorbeelden. Het is niet omdat de meerderheid van de militairen mannen zijn, dat de meerderheid van de mannen militairen zijn. En het is niet omdat de meerderheid van wie in de gevangenis zit allochtonen zijn, dat de meerderheid van de allochtonen in de gevangenis zit. Of thuishoort.
    Verder bewijst een feitelijke toestand nog geen intentie. Naar hier komen ‘om’ te profiteren van de sociale zekerheid, dat komt zeker voor. Maar er zijn ook andere redenen waarom migranten op vervangingsinkomens terugvallen: onvoldoende scholing voor onze arbeidsmarkt, discriminatie bij aanwervingen, een fatalistische aanvaarding van een lager inkomen – een inkomen dat immers nog altijd veel hoger ligt dan dat in het thuisland.
     Ook is de extreme islam niet de enige bron van de achterlijke opvattingen die ermee samenhangen. Van Grieken haalt aan dat sommige moslims ‘homoseksuelen van gebouwen willen gooien.’ Dat is waar. Maar die extreme moslims zijn niet de enigen die zoiets willen en ze vormen geen meerderheid in hun gemeenschap. Uit onderzoek blijkt dat 23 procent van de moslim scholieren het eens is met de stelling ‘agressie tegen homo’s is aanvaardbaar’, tegen 8 procent van de niet-moslim scholieren. 8 procent bij de niet-moslim scholieren … dat was voor mij een grotere verrassing dan die 23 procent bij de andere groep**.
     In hoofdzaak komt het erop neer dat een gezond beleid geen onderscheid maakt tussen autochtonen en allochtonen, niet in de gunstige, en niet in de ongunstige zin. Homofoob geweld is áltijd fout, van wie het ook komt. Crimineel gedrag moet áltijd worden bestraft, of het nu van kut-Vlamingen of van kut-Marokkanen komt. En te grote afhankelijkheid van vervangingsinkomens moet worden vermeden bij álle gemeenschappen.
     En om het nog sterker te zeggen: we zullen het ‘Vlaanderen van morgen’ óók moeten opbouwen met ex-crimineeltjes die tot de jaren van verstand zijn gekomen, met allochtonen die na enig trekken en duwen toch een baantje vinden of aannemen, en met homohaters die foute antwoorden geven op enquêteformulieren maar op straat hun fatsoen houden. Want we kunnen die vervelende mensen, behoudens een klein aantal uitzonderingen, niet terugsturen naar het land van herkomst. Iets anders beweren – ik zeg niet dat Van Grieken dat deed – zou grove demagogie zijn: onrealistisch, en een rechtstaat onwaardig.

 

* Zo’n verband tussen diversiteit en welvaart zal wel bestaan. De luxehotels in New York zouden niet draaien zonder de goedkope Mexicaanse schoonmaaksters. Mij hoor je daarover niet klagen, want ik vind het win-win voor die schoonmaaksters én voor de hotelgasten. Maar is het ook het model dat Annouri voor ogen heeft? 

** Ik lees natuurlijk ook veel fatsoenlijke commentaren van VB-leden en VB-stemmers. 

*** Het verschil is groter als het gaat om de vraag over homo’s die de doodstraf krijgen in sommige moslimlanden. Bij de Vlaamse moslim scholieren gaat 21 procent daarmee akkoord, en slechts 4 procent van de niet-moslims. Het onderzoek werd uitgevoerd door Vettenburg, Elchardus en Put, en wordt geciteerd in Koopmans, R. (2019). Het vervallen huis van de Islam.

donderdag 24 december 2020

De moslimminderheid: que (ne pas) faire?


      Wie pessimistisch is in verband met de islam heeft daar goede redenen voor. Sinds 40 jaar neemt het islamitisch fanatisme* in de wereld toe, en is het zichtbaarder en gewelddadiger geworden. Ook daarvoor was er endemisch geweld in islamitische landen en gebieden, maar dat geweld heeft vandaag vaker dan vroeger een religieus en sectair karakter. Veel islamitische landen zijn een arena waar islamitische populisten het opnemen tegen seculiere dictators. Soms wint het ene kamp, soms het andere, en geen van de twee kampen oogt erg aantrekkelijk.
     Sam Van Rooy vreest dat een dergelijk scenario ons ook te wachten staat. Hij  haalt een studie aan van het Rensselaer Polytechnic Institute dat het volstaat dat 10 procent van een groep een onwrikbaar geloof koestert opdat  de meerderheid van de groep dat zou overnemen. Dat sluit aan bij wat Nassim Taleb schrijft over de invloed van fanatici (hier). Het sluit aan bij hoe Gibbon de opkomst van het christendom beschrijft. Het sluit aan bij de beelden die we zagen van woedende moeders die aan de schoolpoort te keer gingen tegen Juf Magalie. Dat waren wellicht zoals de meesten onder ons in wezen vriendelijke mensen, vredelievend, hartelijk voor vrienden, goede echtgenotes, liefhebbende moeders, maar als ze een keer geïntimideerd en gehersenspoeld zijn door fanatieke geloofsgenoten, veranderen ze in een hysterische menigte. Dat was geen prettig gezicht. Het verontrust mij meer dan het beeld van jonge relschoppers die een auto in brand steken, een winkelruit inslaan of vechten met de politie.
     Hoe de 10-procent-regel werkt binnen een groep die zelf 10 procent en op termijn misschien 20 procent van de gehele samenleving uitmaakt, is weer een andere zaak. Maar ik ben er niet gerust in. Uit onderzoek van Koopmans blijkt dat 52 procent van de Belgische moslims van Marokkaanse en Turkse afkomst een fundamentalistische opvatting hebben over de onveranderbaarheid van de islam, over de dogmatische interpretatie van de heilige boeken en de over voorrang van religieuze wetten op seculiere wetten. 52 procent - dat is een ruime vijver voor fanatici om in te vissen.
     ‘Que faire?’ zou Lenin zeggen, maar dan in het Russisch. En ook: ‘que ne pas faire?’. Laat ik met dat laatste beginnen. Moslims mogen geen feitelijke of juridische voordelen krijgen onder de vorm van ‘positieve discriminatie’, mogen ook niet achtergesteld worden;  er mag hen – als ze genaturaliseerd zijn – geen enkel recht ontzegd worden dat andere burgers genieten.  Het beleven van hun godsdienst mag niet aan banden worden gelegd, tenzij door proportionele, algemene wetten die gelden voor alle godsdiensten. Ook moet je hen niet beledigen, jennen of uitschelden, behalve als je cartoonist, columnist, blogger of clown bent, want dan stel je zelf niet veel voor en moeten ernstige mensen je niet serieus nemen. Maar een politicus moet beleefd blijven als hij over moslims spreekt, vooral als zijn boodschap streng is. Heel strenge leraars spraken hun leerlingen vroeger aan met ‘meneer’. De Amerikaanse politieman-met-zonnebril in de film spreekt verdachte autobestuurders aan met ‘please’ en ‘sir’. Met schelden ondermijn je je eigen gezag, en met vernedering creëer je wrok waar de haatbaarden hun voordeel bij doen.  
     Wat moet er wél gebeuren? Als er  87 maatregelen mogelijk zijn, worden de nummers 1 tot en met 60 ingenomen door hervormingen in de immigratiepolitiek**. Die alleen kunnen de groei van de moslimminderheid afremmen – groei die echter om demografische redenen nog een poosje verder zal gaan. Met een moslimminderheid van 30 procent krijgen fanatici veel meer kans om door intimidatie en sociale druk grote groepen mensen in hun greep te krijgen. Blijft het percentage lager, dan kunnen individuele moslims makkelijker contact onderhouden met de ‘buitenwereld’***, zich onttrekken aan de fanatici, en zich ontwikkelen tot wat we allemaal willen worden: welvarende burgers en goede buren.
        Veel van de andere maatregelen – inburgeringscursus, getto-bestrijding, taalcursussen, enzovoort – zijn vormen van social engineering waar we zeker op korte termijn geen wonderen van mogen verwachten. Eén punt echter is wel belangrijk: de onwrikbare verdediging van de seculiere maatschappij. Vandaag betreft die verdediging grotendeels op een symbolenstrijd, maar beter nu een gevecht om symbolen dan later echte vechtpartijen op straat. Dus: geen geen hoofddoeken achter de loketten, geen door religieuze autoriteiten goedgekeurde halal-voeding op de scholen****, geen afwijkingen van het lesrooster voor zwemlessen of biologie, geen private sharia-rechtbanken om familiegeschillen te regelen. Groen-links moet afleren om gehoofddoekte kandidaten aan te trekken of aldus uitgedoste dames op hun folders te plaatsen.
     Er bestaan verschillende manieren waarop een moderne maatschappij op een faire manier met godsdienst probeert om te gaan. De ene is de pluralistische. In Engeland zijn er gemeenteraden die om beurt worden ingeleid door een voorganger van een of andere godsdienst: een priester, een rabbi, een imam, enzovoort. Sharia-rechtbanken worden er gezien als een soort arbitrage zoals die ook in onderling akkoord tussen bedrijven gebeurt. Daar tegenover staat de Franse traditie van strikte neutraliteit van de staat, de laïcité van de Franse revolutie, oorspronkelijk afgedwongen door wrede kerkvervolging. Mijn spontane sympathie zou gaan naar de pluralistische opvatting. Maar nu we met de islam te maken hebben die traditioneel godsdienst met politiek verbindt, en weinig scheiding aanbrengt tussen de private en de publieke ruimte, is de laicité, met enkele redelijke, proportionele vrijheidsbeperkingen de betere oplossing. Ik ben bereid daarvoor om de lat gelijk te leggen voor alle godsdiensten. Geen muezzin voor de moslims, geen klokkengelui voor de katholieken. Ik doe met dat laatste overigens geen grote toegeving.

     

* In een vorig stukje sprak ik van ‘islamitisch extremisme’. Bij nader inzien vind ik ‘moslimfanatisme’ een beter woord om in één net te vangen wat mij in bepaalde belevingen van die godsdienst niet bevalt.

** De essentie van een nieuwe migratiepolitiek moet bestaan in veel strengere voorwaarden voor huwelijksmigratie en gezinshereniging, een vluchtelingenstatuut dat geen recht geeft op permanente vestiging en de arbeidsmigratie afstemmen op gespecialiseerde arbeidskrachten. Die drie algemene maatregelen zouden op een ingrijpende manier de immigratie uit moslimlanden beperken. 

*** Meisjes uit moslimmilieus die naar een hoofdzakelijk autochtone school gaan, ervaren dat schoolgaan vaak als een bijzonder aangename afwisseling en een grote opluchting.

**** Moslimkinderen moeten uiteraard maaltijden kunnen krijgen zonder varkensvlees en bloedworst.

zaterdag 19 december 2020

Tien morele argumenten voor migratie



      De Rooms-Katholieke Kerk heeft bij een voorgenomen heiligverklaring de gewoonte om een advocatus diaboli aan te stellen, een advocaat van de duivel. Dat is een geestelijke die tijdelijk afstand doet van zijn eigen mening, om zoveel mogelijk argumenten te verzamelen waarom een verdienstelijke christen niet heilig mag worden verklaard. Misschien dronk die kandidaat-heilige wel eens een glas te veel, of keek hij een meisje te diep in de ogen. Ik probeer hier hetzelfde te doen voor de migratie-kwestie: afstand doen van mijn mening en argumenten verzamelen vóór immigratie. Ik denk daarbij niet aan praktische zaken zoals de economie, de demografie, de culturele verrijking, de wetgeving en de grenscontroles, want dat is iets voor specialisten. Nog minder denk ik aan emotionele impulsen, want dan moet ik beginnen wenen, of roepen, en dat is mijn stijl niet. Ik wil mij vooral bezinnen over mogelijke morele argumenten.
     Een eerste argument zou je het loterij-argument kunnen noemen. Wij in Europa leven toevallig in een rijk deel van de wereld, maar daar hebben we als individu geen speciale verdienste aan. Wij zijn geboren in een rijk gezin, we zijn lang naar school kunnen gaan, en in ons beroepsleven gebruiken we materiële en andere hulpmiddelen waardoor we met beperkte inspanningen een grote productiviteit te bereiken. Wie toevallig in een arm land geboren is, heeft al die voordelen niet. Wie zijn wij om die voordelen voor ons alleen te claimen – voordelen, ik herhaal het, waar we geen speciale verdienste aan hebben?
      Nauw verwant hieraan is het reïncarnatie-argument. Veronderstel dat ik zou reïncarneren in een wereld met een kleine groep rijke landen en een grote groep middel-arme en arme landen. Als ik niet wist in welk land ik zou herboren worden, zou ik een vrij migratiesysteem verkieslijk vinden, zodat ik bij pech de mogelijkheid had betere oorden op te zoeken.
    Dan heb je het concentrische cirkels-argument. David Hume had al opgemerkt dat onze empathie volgens concentrische cirkels georganiseerd is. We leven meer mee met onze huisgenoten dan met onze buren, meer met onze buren dan met onze stadsgenoten, meer met onze stadsgenoten dan met onze landgenoten enzovoort. Wij hebben weliswaar het beste voor met de arme drommel aan de andere kant van de wereld, maar we liggen niet wakker van zijn lot. Als die arme drommel echter van de andere kant van de wereld tot bij ons komt, dan is hij enkele cirkels dichterbij gekomen. Wie zijn wij om hem de toegang te weigeren als hij vlak voor onze deur staat? (Zie ook hier)
    Vervolgens heb je het weegschaalargument. Dat komt uit de utilitaristische denkwereld. Welke regeling zorgt voor het grootst mogelijke geluk van zoveel mogelijk mensen? Vrije migratie lijkt hier op het eerste gezicht goed te scoren. Voor het land van aankomst zijn er misschien kleine nadelen, voor het land van herkomst – voor de achterblijvers – zijn er misschien ook kleine nadelen, maar voor de migranten zelf is de verhuis naar een rijk land een zo groot voordeel, dat de nadelen meer dan gecompenseerd worden. De weegschaal slaat door naar de kant van de voordelen.
     Het gammele bootjes-argument verwijst naar de gevaarlijke overtocht die de migranten maken om in het gewenste land te komen. Daarbij staan die gammele bootjes voor alle gevaarlijke aspecten van de reis, of het nu gaat om een tocht over zee waarbij ze kunnen verdrinken, koelwagens waarin ze dood kunnen vriezen, busjes die door de politie achtervolgd en beschoten kunnen worden, of mensensmokkelaars die hen kunnen uitbuiten of vermoorden. Als immigratie vrij was, konden migranten het vliegtuig nemen, of de trein, of liften tot iemand hen meeneemt in zijn SUV. De mensensmokkelaars, dat is waar, zouden hun broodwinning kwijt zijn, wat dan weer in rekening moet worden gebracht bij het weegschaalargument.
     Het holocaust-argument zou je ook het Samy Mahdi-argument kunnen noemen omdat die laatste dat gebruikte bij zijn beleidsverklaring als staatssecretaris voor Asiel en Migratie. Het komt hierop neer dat migranten die een vluchtelingenstatuut aanvragen genereus ontvangen moeten worden, aangezien hen anders een vergelijkbaar lot wacht als de Joden tijdens de tweede wereldoorlog. Algemener geformuleerd komt het erop neer dat slachtoffers van politieke repressie en oorlog er zo erg aan toe zijn, dat alle andere consideraties vervallen. Net zoals de gammele bootjes en de  weegschaal, kan het in utilitaire termen geformuleerd worden.
     Het altruïsme-argument gaat ervan uit dat je de belangen van de ander niet afweegt tegen die van jezelf, maar er altijd onvoorwaardelijk voorrang verleent. Geen offer is te groot als je de ander kunt helpen. Het mooiste is als je, zoals Jezus, je leven geeft voor een ander. ‘Greater love hath no man than this, that a man lay down his life for his friends’, heet het in de King James Version, waarbij de vriendenkring zich over de hele wereld uitstrekt aangezien ‘there is neither Jew nor Greek, there is neither bond nor free, there is neither male nor female: for ye are all one in Christ Jesus.’ (Zie ook hier). 
     Het Romeo en Julia-argument betreft de huwelijksmigratie. Als een Vlaams-Marokkaanse Romeo verliefd wordt op een Marokkaans-Marokkaanse Julia dan is het niet aan de staat om als Montagues en Capulets die liefde te dwarsbomen. Bij uitbreiding is het niet aan de staat om door hardvochtige grenzen de heilige band tussen moeder en kind, of tussen ouders en grootouders te breken, en misschien zelfs tussen ooms, tantes, neven en nichten, want heilige banden reiken in extended family-culturen verder en dieper dan bij ons.
     Het schuld en boete-argument leeft vooral onder linkse activisten. Die gaan ervan uit dat de miserie in de arme landen onze schuld is, of althans de schuld van onze kolonialen vroeger en onze multinationals nu. De oorlogen worden veroorzaakt door onze imperialisten die uit zijn op goedkope grondstoffen en strategische partners. De lamentabele toestand van de landbouw komt door de klimaatopwarming die wij met onze CO2 veroorzaken. Het is niet meer dan normaal dat we openstaan voor mensen die de miserie ontvluchten die we zelf hebben veroorzaakt.
     Het vrijheid-blijheid-argument zal linkse activisten dan weer minder aanspreken. Men kijkt in die milieus meestal niet op een verbodsbepaling meer of een verscherpte controle minder. Maar vrijheid-blijheid is op zich een sterk principe. Ieder mens heeft recht op zelfbeschikking. Hij kan van iemand anders geen cadeaus eisen om een gemakkelijker leven te hebben, maar hij mag, zonder iemand lastig te vallen, zelf, met eigen inspanning, een leven opbouwen waar hem dat goed uitkomt. Ik ben van West-Vlaanderen naar Vlaams-Brabant verhuisd omdat mij dat goed uitkwam en niemand heeft mij dat verboden. Oost-Duitsers wilden graag naar West-Duitsland verhuizen omdat hen dat goed uitkwam, en we spreken er nog altijd schande van dat hen dat verboden werd. Waarom dan het IJzeren Gordijn tussen Oost en West vervangen door een Grote Muur tussen Noord en Zuid?
     Als ik goed mijn best doe, en veel opzoekingswerk verricht, en herlees wat ik vroeger geschreven heb maar weer ben vergeten, dan denk ik dat ik de meeste van die argumenten wel aankan. Zouden er nog zijn die ik over het hoofd heb gezien?

dinsdag 8 december 2020

Het nationalisme, de profiterende kosmopoliet en de plumpudding


      Ik heb mij af en toe negatief uitgelaten over de Belgisch-nationalistische retoriek van Open-Vld. Dat is niet erg moeilijk, want tegen élke nationalistische retoriek is wel iets in te brengen, zeker ook tegen de Vlaamse. Die bezwaren worden voor mij goed samengevat door Boudewijn Bouckaert: ‘Als Vlaamsgezinde liberale politicus zag ik Vlaanderen … als een Gesellschaft, een civiele politieke entiteit verbonden door een rechten- en plichtenstructuur, maar niet als een Gemeinschaft verbonden door wederzijdse diepe affecties. Gemeinschaften zijn voor mij families, vriendschappelijke verbanden en verenigingen waarin de leden elkaar kennen ...* Wie een Geselschaft zoals Vlaanderen behandelt alsof het een Gemeinschaft zou zijn, komt terecht in gevaarlijk collectivistisch en zelfs totalitair vaarwater. Op de veronderstelde solidariteitsgevoelens … worden dan beleidslijnen geënt en wie die niet volgt is een slechte Vlaming die zijn gemeenschap verraadt.’**
     De waarschuwing van Bouckaert is terecht. Naties en nationalisme kun je niet wegtoveren, maar ze kunnen verstikkend zijn en aanleiding geven tot uitsluiting, discriminatie, xenofobie en racisme tegenover wie niet als lid van de natie wordt bekeken. Als er dan toch nationalisme moet zijn, dan hoort het inclusief te zijn. Tot daar ga ik akkoord. Maar is de strikte tweedeling Geselschaft-Gemeinschaft ook terecht?
     Ik geloof het niet. Het boek van Paul Collier*** heeft mij overtuigd dat veel zaken best geregeld worden binnen het kader van de natiestaat. Stamverbanden zoals in Afrika bieden niet de juiste schaalgrootte, en supranationale instellingen zoals de Europese Gemeenschap en de Verenigde Naties zijn politiek te heterogeen.
     Nu kun je in principe die natiestaten bij elkaar houden met redelijke argumenten en democratisch gestemde wetten, een ‘rechten- en plichtenstructuur’. ‘Diepe affecties’ lijken daarbij niet noodzakelijk. Burgers die solidair belastingen betalen, ambtenaren die hun best doen ook al staat daar geen loonsverhoging tegenover, jongeren die gehoorzamen aan politiebevelen, parkbezoekers die geen vuilnis laten slingeren – het kan allemaal rationeel worden verantwoord en in wetten en reglementen worden gegoten. 
     Maar zo werkt het niet, zegt Collier. Zo autistisch zijn de mensen niet. Gevoelens zet je niet tussen haakjes. Nochtans, als het om zijn gevoelens gaat, is Collier allesbehalve een nationalist. Hij voelt zich een wereldburger. In zijn gezin hebben ze paspoorten met drie verschillende nationaliteiten. Hij werkt meer in het buitenland dan thuis. Hij kent Afrika wellicht even goed als zijn eigen land. Kortom, zijn levensstijl is die van een kosmopoliet.
     Maar, en dat is het leuke, Collier beseft dat hij tot de uitzonderingen behoort. Hij voelt zich een beetje een profiteur, een parasiet.**** Hij denkt dat zijn levensstijl maar mogelijk is omdat zijn uitvalsbasis Engeland wordt samengehouden door het nationaal gevoel van de gewone burgers die geen kosmopolieten zijn, mensen die zich in een nationale identiteit herkennen, die emotioneel gehecht zijn aan gewoonten en tradities: the queen, plumpudding, cricket, snooker, ingewikkelde inhoudsmaten, een gecentraliseerd gezondheidssysteem, alsook de rationele waarden van democratie, rechtsstatelijkheid, tolerantie en wetenschap.
     Wie, zoals Collier en ik, die rationele waarden als de kern van onze westerse beschaving beschouwt, moet niet spuwen op de verdedigingsmuur errond. Die muur staat daar goed. De stenen ervan moeten niet te gelijkvormig zijn. En de muur mag natuurlijk af en toe worden opgekalefaterd. In Vlaanderen heeft men het vendelzwaaien achter zich gelaten. In Engeland mag het gezondheidssysteem wel wat vrijer. En als ik in London kom, eet ik liever een Indische rijsttafel dan een pudding met – bah – pruimen.

 

* De constante van Dunbar stelt dat het aantal personen met wie we een zinvolle relatie kunnen onderhouden, ongeveer 150 is.

** Professorale belevenissen van Boudewijn Bouckaert (2017), Acco, Leuven.

*** Zie ook hier, hier en hier.

**** ‘Levensstijlen zoals die van mijn gezin,’ schrijft Collier, ‘zijn afhankelijk van – en parasiteren mogelijk op – de mensen van wie de identiteit wél vast ligt en die ons daardoor de levensvatbare samenlevingen bieden waaruit wij kunnen kiezen.’

vrijdag 27 november 2020

Immigratie, ontwikkelingshulp en de kost-voor-ons

  

   Helemaal aan het begin van zijn boek, schrijft Collier (zie ook hier en hierdat er een morele verplichting bestaat om arme mensen van andere landen te helpen, maar dat dat niet inhoudt dat die mensen zich vrij in ons land mogen vestigen. De twee delen van de stelling zijn een aardig doelwit voor wie tot kritiek geneigd is.
     Neem het eerste deel. Móeten we de armen in andere landen helpen, meer zelfs, kúnnen we de armen in andere landen helpen? Collier is een specialist ter zake en geeft toe dat die hulp vaak erg weinig zoden aan de dijk zet. Toch blijft hij voorstander van zo’n hulp, omdat ze toch iets oplevert – alle beetjes helpen – en omdat hij zich beter in zijn vel voelt  in een hulpvaardige, solidaire samenleving, dan in een egoïstische elk-voor-zich maatschappij.* 
     Zo’n houding komt dicht in de buurt van het ‘helpen voor het eigen goede gevoel’ dat Jan Van Duppen graag over de hekel haalt. Maar dat goede gevoel is natuurlijk de reden waarom we bijna alles doen: eten, drinken, seks, hardlopen met douche achteraf, op Youtube naar filmpjes kijken waarin iemand uitglijdt over een bananenschil. Waarom dan niet lekker allemaal samen mensen helpen? Excuses verzinnen om niet te helpen, doe je ook voor het goede gevoel, en dat lijkt mij moreel iets minder. Dan liever helpen.**
     Daarmee komen we aan deel twee. Het binnenlaten van immigranten uit arme landen is zonder enige twijfel een vorm van hulp. Voor de migranten zelf, want als ze in een Westers land werken, kunnen ze met dezelfde arbeidsinspanning gemakkelijk 400 % meer verdienen dan in het land van herkomst, zonder dat daar iemand anders iets bij verliest. Het is, zegt Collier, wat in de economie het dichtste komt bij een ‘free lunch’. Bovendien zullen ze een deel van dat inkomen doorstorten naar de familie in het land van herkomst, gemiddeld jaarlijks 1000 dollar per persoon***, samen 400 miljard dollar per jaar, wat vier keer meer is dan alle ontwikkelingshulp samen.
     Toch zijn die geldstortingen vandaag geen argument voor een ruimer immigratiebeleid. Het tegenovergestelde is waar. Het is juist een strikt immigratiebeleid dat samengaat met hogere stortingen, en een ruim migratiebeleid met lagere stortingen. Dat komt vooral doordat men in dat laatste geval gewoon de familieleden laat overkomen, in plaats van geld voor hen te storten.
     Die geldstortingen laten zien dat willen helpen onvoldoende is voor goed beleid. Voor je het weet, bereik je het tegenovergestelde van wat je nastreeft. En dat is een eerste reden om hulp aan arme landen en vrije immigratie niet op één hoopje te gooien. De tweede reden ligt voor de hand: met een ruim immigratiebeleid helpen we alleen een beperkt aantal individuen uit de arme landen, en dan nog degenen die de hulp minder nodig hebben dan de achterblijvers. Wellicht kunnen we dus, als we goed nadenken, met eenzelfde kost voor ons, meer hulp bieden aan hen die ze het meest nodig hebben.
    Die kost-voor-ons is een belangrijk gegeven in de redenering van Collier en beslaat deel twee van het boek. Weegt die kost op tegen het onmiskenbare voordeel die migranten halen uit hun verhuis? Zo’n vraag schept een utilitaristisch kader, en Collier wil het moreel debat niet tot dat kader verengen. Hij betrekt er het bestaansrecht van de natie bij, en past een soort Gouden Regel toe op de betrekkingen tussen gemeenschappen, waarbij de voordelen niet uitsluitend aan één kant mogen liggen.  Maar zelfs zonder de omweg van de Gouden Regel en het bestaansrecht van naties, brengt hij genoeg elementen aan om een afweging te maken.
     Langs de kant van de migrant wordt het torenhoge economische voordeel enigszins getemperd door de lage sociale positie die hij inneemt in de nieuwe maatschappij. En langs de kant van de autochtoon stapelen de nadelen zich op. Wellicht is er ooit een direct economisch voordeel geweest, in de tijd van de ‘gastarbeid’, maar dat veranderde in een nadeel naarmate de tewerkstellingsgraad van de migranten verminderde. Belangrijker nu zijn de sociale nadelen: meer wantrouwen, verhoogde criminaliteit, vandalisme, profitariaat ... Dat zijn allemaal kwalen die ook zonder immigratie voorkomen, maar ze nemen er wel door toe, zowel onder allochtonen als, misschien verrassend, onder autochtonen.
     Uiteindelijk moeten die sociale nadelen ook tot economische nadelen leiden. Meer wantrouwen bijvoorbeeld leidt tot stijgende ‘transactiekosten’. Er zijn altijd maar meer advocaten nodig. Leraren en scholen moeten zich beter indekken met papierwerk en dossiers, ziekenhuizen moeten een groter deel van hun inkomsten apart leggen voor processen wegens – soms kleine –  medische fouten. En wie gaat de schade betalen die juf Magalie geleden heeft? Niet de ouders die klacht neerlegden, want die hebben, naar het schijnt, ‘correct en zorgvuldig gehandeld.’ **** Moet er dan een fonds worden aangelegd voor de toekomstige Magalies?
     Hoe hoog lopen die sociale kosten eigenlijk op als je ze samentelt? Collier klaagt niet graag over het verleden. Wat gebeurd is, gebeurd. Gedane zaken nemen geen keer. Maar als het om de toekomst gaat, hoopt hij vurig op een succesvol afremmen van de migratie en op een spoedige en succesvolle integratie van de diaspora. Als praktisch ingesteld man, heeft hij voor die integratie een aantal redelijke voorstellen, maar hoe snel die resultaat kunnen opleveren, daarover durft hij niet te speculeren.
     Ik zie op Facebook soms landkaarten passeren, gepost door global warmers, waarop heel Vlaanderen in de toekomst overspoeld is door de Noordzee. Dat is sneu voor Vlaanderen. Wat zijn de equivalente doemscenario’s voor migratie? Die bestaan: de ‘rivers of blood’ van Enoch Powell, de ‘soumission’ van Houellebecq, de rechtse dictaturen in dystopische films als ‘Children of Men’ of ‘V for Vendetta’, waar respectievelijk de migranten en de moslims gewelddadig worden onderdrukt. Je weet niet wat erger is: die rivieren, die onderwerping of die onderdrukking.
         Dystopische voorspellingen komen meestal niet uit. Dat weet Collier, en hij is voorzichtig. In zijn slot verwoordt hij het zo: ‘Het is mogelijk dat een permanent toenemende culturele diversiteit  geleidelijk de zorg voor elkaar ondermijnt en dat niet-geïntegreerde diaspora’s blijven vasthouden aan disfunctionele aspecten van de sociale modellen van hun thuislanden … Zoiets zou wel eens verrassende gevolgen kunnen hebben.’ 
     Wie het gehele stuk doorneemt, zal zien wat met die verrassende gevolgen bedoeld wordt: een blijvende economische ineenstorting en stagnatie. Dat is dan een serieuze kost-voor-ons.

  

* Hij geeft terloops nog een derde argument. Een deel van de ontwikkelingshulp zou kunnen worden gezien als een compensatie voor de opleiding die migranten ontvangen hebben in de landen van herkomst, waar de landen van aankomst dan van profiteren. De kost van die opleiding is volgens Collier van dezelfde ordegrootte als de ontwikkelingsbudgetten. 

** Er is natuurlijk een heel verschil tussen de morele plicht om te helpen en de wettelijke verplichting om belastingen te betalen voor ontwikkelingshulp. Dát is weer een heel ander probleem. 

*** De bedragen die migranten storten aan familie in de landen van herkomst variëren erg. Senegalezen in Spanje storten 50 procent van hun inkomen, Salvadoranen en Mexicanen in de VS respectievelijk 38  en 31 %, Marokkanen in Frankrijk 10 procent en Turken in Duitsland 2 procent. 

**** Dat was de uitspraak van de rechtbank. ‘Correct en zorgvuldig’ verwijst hier naar juridische normen, de enige die mogen meespelen in een proces. De rechter had dus waarschijnlijk gelijk. Maar in een gewone morele context, was het gedrag van de ouders allesbehalve ‘correct en zorgvuldig’.

 

donderdag 26 november 2020

19 waarheden over migratie

      Het is altijd aardig als een topeconoom – Paul Collier in dit geval (zie ook hier) – tot dezelfde conclusies komt als jijzelf. Hij pluisde daarvoor lijvige studies en rapporten uit, en jij hebt het met stukken uit de krant gedaan, en toch is het resultaat hetzelfde. Aardig. Misschien is het gewoon de waarheid?
     Het is wel een nadeel als je er een stukje over wil schrijven. Je wil dan voortdurend stellingen citeren en zeggen: zie je wel, Collier zegt het ook. En met die stellingen overtuig je niemand, want ze zijn eindpunten van telkens een hele rij argumenten die je moeilijk allemáál kunt kunt weergeven. Dan zou je immers het hele boek moeten overschrijven.
    Maar omdat er zoveel specialisten en politici zijn die het niet zeggen, voor één keer een lijstje stellingen van één die het wél zegt. 

1.     De grote inkomenskloof tussen arme en rijke landen houdt de migratie op peil en versnelt ze. Volgens de bekende Gallup-enquête zou 40 procent van de arme Afrikanen willen emigreren. Collier denkt dat dat een onderschatting is.

2.     Het zijn niet de armsten uit de arme landen die naar hier komen, maar zij die voldoende financiële middelen hebben om de reis te financieren.

3.     Als de inkomenskloof tussen arme en rijke landen in de eerste decennia verder vermindert, zal de immigratie tóch toenemen. De kloof zal nog lang groot genoeg blijven om de migratie aan te drijven, en tegelijk zullen er meer mensen zijn die de reis kunnen bekostigen.

4.     De Westerse landen zullen in de toekomst ongetwijfeld de immigratie veel strikter gaan beperken. De vraag is alleen of ze dat tijdig (en doordacht) zullen doen.

5.     De enigen die economisch grote winst halen uit migratie zijn de migranten zelf. Hun inkomen stijgt met honderden procenten. Andere spelers – de autochtonen, de achterblijvers – kunnen door immigratie enkele procenten aan inkomen winnen of verliezen. De arme autochtonen verliezen.

6.     Als migranten vanuit arme landen ongeschoold en ongemotiveerd arriveren, is dat nadelig voor het land van aankomst. Zijn ze geschoold en gemotiveerd, dan is het nadelig voor het land van herkomst.

7.     De migratie creëert een niet-geïntegreerde diaspora in het land van aankomst. Hoe groter die diaspora, hoe meer mensen zij verder aantrekt uit het land van herkomst, en hoe moeilijker ze te integreren valt.

8.     De groei van de diaspora wordt voor een groot deel bepaald door de zogenaamde ‘gezinshereniging’.

9.     Een niet geïntegreerde diaspora vergroot het wantrouwen tussen autochtonen en allochtonen en tussen autochtonen onderling. Dat gebrek aan vertrouwen ondermijnt de algemene levenskwaliteit, de sociale solidariteit en de productiviteit van de economie.

10.   Multiculturalisme betekent in de praktijk apartheid. Collier spreekt van ‘separatisme’, maar dat heeft in de Belgische context een andere betekenis.

11.   Voor migranten zijn vervangingsinkomens aantrekkelijker dan voor autochtonen. Die inkomens zijn wel laag, maar nog altijd veel hoger dan wat de migranten gewoon waren in het land van herkomst.

12.    Migranten stemmen in het land van aankomst met een grote meerderheid voor linkse partijen.

13.  Vanuit economisch standpunt zijn culturen en instituties niet gelijkwaardig. De zakelijke burgercultuur van het Westen heeft gezorgd voor de economische welvaart waardoor de migranten aangetrokken worden.  De eer- en clancultuur* van het land van oorsprong veroorzaakt de economische stagnatie waar migranten van wegvluchten.

14.   Ook als de inkomenskloof tussen arme en rijke landen verdwijnt, en de migratie stilvalt –  zeg binnen 100 jaar –, dan kan een grote niet-geassimileerde diaspora voor problemen blijven zorgen.

15.   Vrijhandel, vrije investering en vrije immigratie zijn verschillende dingen. Ze hebben elkaar niet nodig. Meer zelfs, met vrijhandel en vrije investering bereik je dezelfde economische voordelen van immigratie, maar zonder de sociale nadelen.**

16.   Immigratie is geen remedie tegen de vergrijzing – of hoogstens heel tijdelijk.

17.   Het aantal asielzoekers is vermoedelijk tien keer groter dan het aantal dat echt aan de criteria voldoet. Dat is een heel andere verhouding dan die tussen geweigerde en toegelaten asielzoekers die vaak fifty-fifty is. In de woorden van Collier: ‘Het aantal asielzoekers is waarschijnlijk een orde van grootte meer dan het wettige aantal. Dat komt omdat het zo moeilijk het is om verklaringen [van asielzoekers] over vervolging te controleren.’***

18.  De criteria voor uitwijzing zijn te streng. Britse rechtbanken willen slechts uitwijzingen uitspreken naar 4 van de 54 Afrikaanse landen. Alle andere regimes zijn niet democratisch genoeg.

19.   Het standpunt van een groot deel van links kun je als volgt samenvatten: stel de kwestie als onbelangrijk voor, laat zoveel migratie toe ‘as you can get away with’, en zeg dat iedereen er voordeel bij heeft.



* De eer- en clancultuur is nauw verbonden met het victimisme. Een typische Westerse houding is die van Clinton, die verkiezingen won met het zinnetje ‘It’s the economy, stupid’. Plaats daartegenover een typisch Afrikaans zinnetje: ‘De Dinka is onrecht aangedaan door de Nuer.’ Vroeger waren alle culturen eerculturen.

** Collier heeft het voorbeeld van de textielindustrie. Op een bepaald ogenblik is die industrie niet meer productief genoeg om voldoende hoge lonen uit te betalen. Dan kun je arbeiders aantrekken uit lage loonlanden. Je kunt echter beter meteen die industrie verplaatsen naar dat lage loonland.

*** Het is uit de context niet duidelijk wat Collier met asielzoekers bedoelt: iedereen die een aanvraag doet, of iedereen die goedgekeurd wordt. Ik denk het eerste.


dinsdag 24 november 2020

Lezen en schrijven over migratie

 


     Over ernstige kwesties zoals de migratiestroom van arme naar rijke landen, is het goed af en toe een écht boek te lezen en dat heb ik nu gedaan. Exodus van Paul Collier probeert een redelijke middenweg te zoeken tussen xenofobie en multiculturalisme, en mag dus op veel tegenstanders rekenen. Die tegenstanders kunnen, als ze geen andere argumenten vinden, erop wijzen dat het boek ‘gedateerd’ is. Het is immers van 2013.
     Dat het boek zeven jaar oud is, mag voor mij geen bezwaar heten. Collier beklaagt er zich over dat het cijfermateriaal inzake immigratie erg gebrekkig is. Het zou mij verwonderen als het sindsdien zoveel beter was. De coronastatistieken hebben mij daaromtrent enig pessimisme bijgebracht. Bovendien werkt hij, als econoom, met logica, analyse en morele beginselen*, en met de houdbaarheid daarvan valt het nogal mee.
     Vanuit mijn standpunt bekeken is Collier een man van links, met een sterk geloof in ‘herverdeling’ en staatsingrijpen. Een rechts-liberaal als ikzelf moet dan op de tanden bijten: als ik het boek doorloop, erger ik mij voortdurend aan hier een baksteen en daar een steunbalk, maar het grondplan, de muren, het dak en het huis in zijn geheel, daar heb ik minder moeite mee. Collier heeft bovendien dezelfde boeken gelezen als ik, en dat schept een band: Acemoglu & Robinson, Pinker, Haidt, Putnam, Kahneman. Ook heeft hij de moed, die ik niet altijd heb maar altijd in anderen bewonder, om verder te redeneren ‘wherever the argument leads’.
     Je moet het boek met een zekere welwillendheid lezen. Collier schrijft ongedwongen en niet al te precies. Als hij spreekt over immigratie, bedoelt hij soms alle immigratie, en soms alleen immigratie vanuit arme naar rijke landen, en soms rekent hij er zelfs het tijdelijk verblijf van buitenlandse studenten bij. Als hij spreekt van arme landen, bedoelt hij soms de héél arme landen, ‘the bottom billion’ – een term die hijzelf gemunt heeft, maar soms rekent hij er ook de middengroep bij: landen als Turkije en Mexico. Hij verduidelijkt dat niet altijd. Als je wil kun je hem dus gemakkelijk op tegenstrijdigheden betrappen, maar dat zijn er, geloof ik, meer naar de letter dan naar de geest. Neem je de context erbij, dan lossen ze zichzelf meestal op.
     Collier heeft gezocht naar wetenschappelijke boeken en artikels over het onderwerp, maar dat is tegengevallen. ‘De literatuur,’ schrijft hij, ‘is op enkele uitzonderingen na ofwel beperkt en technisch, ofwel sterk ideologisch gekleurd.’ Bij dat laatste kan ik mij iets voorstellen. Sociologen die migratie als een ‘onomkoombaar gegeven’ voorstellen, dat ‘van alle tijden is’, en bovendien ‘verrijkend’. En die daarrond dan een verzameling aanleggen van goed geselecteerde feiten die mooi in het gelid worden opgesteld. 
     Collier heeft anders gewerkt. Migratie is voor hem geen ‘onomkoombaar gegeven’ maar een kwestie van keuzes, van individuen, van families en van het beleid. En keuzes hebben gevolgen die voordelig en nadelig kunnen zijn en meestal zijn ze de twee tegelijk. Die voor- en nadelen kunnen tegen elkaar worden afgewogen, en moreel getoetst. En met dat afwegen en toetsen heeft hij zich beziggehouden, met cijfers waar het kon, met speculaties waar het moest. En als hij speculeert, dan zegt hij dat erbij. Dat vind ik eerlijk.
     Morgen schrijf ik misschien wat meer over wat er in het boek staat.

    

* Het morele beginsel van de economie is het utilitarisme: het grootst mogelijke geluk voor het grootst mogelijke aantal. Collier heeft daar veel bedenkingen bij, maar ook bij hem is het de grondmelodie.

woensdag 16 september 2020

Betere opvangkampen op Lesbos

   


 
Vluchtelingen en migranten uit het Midden-Oosten en Afghanistan die graag naar Europa willen, verkiezen de korte oversteek vanuit Turkije naar het vlakbije Griekse Lesbos boven de lange en gevaarlijker zeereis van Libië naar een Italiaans eiland. In 2015-2016 belandden een half miljoen van hen op Lesbos. Nu is het veel minder, maar de vluchtelingen en migranten blijven toekomen en de kampen zijn overvol. Het Moria-opvangkamp is officieel berekend voor 2. 800 mensen maar er verblijven er 12.500. En dat kamp is nu vernietigd door een grote brand.
     Het is mogelijk dat bewoners de brand zelf hebben aangestoken om te protesteren tegen de Corona-maatregelen, mogelijk dat ze Griekse huizen plunderen, mogelijk dat ze relletjes uitlokken met de politie, mogelijk dat ze daar illegaal zijn of geen kans maken om als ‘vluchteling’ te worden erkend.  Dat alles is best mogelijk. Maar er is ook iets dat zéker is: de toestand in de kampen is schrijnend en mensonterend, en dat op een stukje Europees grondgebied.
     Wat kan er gebeuren om verlichting te brengen?
     Er is de NGO-oplossing van open grenzen. Caroline Willemen van Artsen zonder Grenzen sympathiseert in Het Nieuwsblad van 15 september met de ‘vrouwen en kinderen die vragen om [na de brand] géén nieuw kamp op te richten, maar die hun vrijheid vragen.’ Dat is dan de vrijheid om naar het Europese vasteland te trekken. Die vrijheid is een mooi ideaal, maar aangezien ik in discussies met links altijd hoor dat ‘niemand voor open grenzen is’*, ga ik daar niet verder op in.
     De EU-oplossing is om quota af te spreken om de minderjarigen uit de kampen over verschillende landen te verdelen. België zou twaalf minderjarigen laten overvliegen. Groen en SP.A vinden dat het er meer moeten zijn, zonder daar een concreet getal aan te verbinden, en Maggie De Block belooft dat het niet bij die twaalf zal blijven**. Maar als de toestand in de Griekse kampen zo schrijnend is, zou men eigenlijk alle bewoners ervan over de verschillende Europese landen moeten verdelen, en ik vrees dat het niet lang zou duren voor de kampen weer vol zouden lopen met nieuwe vluchtelingen en migranten.
 
     De Theo Francken-oplossing is om financiële steun te geven zodat de toestand in de kampen kan worden verbeterd voor alle bewoners, zonder zelf nieuwe migranten op te nemen. Hij verwijst naar de Oostenrijkse regering van christendemocraten en groenen die de zaak zo wil aanpakken. Dat vind ik een redelijke, efficiënte, haalbare  maar verre van ideale  oplossing. De opvang van twaalf of vijftig of vijfhonderd kinderen, zou enig geld kosten. Goed, we verdubbelen die som, en die gaat rechtstreeks naar betere infrastructuur en voorzieningen. Wil Groen en S.PA het tienvoudige schenken, mij ook goed, als ze de grenzen maar dicht laten.
     Peter Mijlemans van Het Nieuwsblad is het niet met Francken eens. ‘Dan is het cynisch’, schrijft hij in het hoofdartikel van 16 september, dat er nog steeds stemmen opgaan – met op kop die van Theo Francken (N-VA) – dat financiële hulp beter is dan twaalf kinderen over te brengen.’ Waarom het voorstel van Francken cynisch is, wordt verder met geen enkel argument onderbouwd.
     Zou ik zelf zo’n argument kunnen verzinnen? Misschien dit. Geldelijke steun voor een grote groep heeft iets onpersoonlijks. Er is een heel verschil tussen aan de ene kant een bedelaar iets toestoppen, en aan de andere kant een bepaald bedrag storten in een fonds waarmee soep of alcohol voor alle bedelaars van de stad wordt aangekocht. Wie een bedelaar iets toestopt heeft een persoonlijk engagement aangegaan, heeft een mens in de ogen gekeken, en heeft een gêne moeten overwinnen. Men denkt vaak dat iets geven aan een behoeftige de gever  een goed gevoel bezorgt. In mijn ervaring is het omgekeerd: de persoonlijke gift zorgt voor een slecht gevoel en een slecht geweten, want je weet hoe weinig je hebt gedaan. Maar je hebt het toch gedaan, en dat was flink en misschien zelfs goed.
     Onpersoonlijke geldelijke steun daarentegen is geen daad van Goedheid, Liefde of Caritas. In de klas van meester Bernard lazen we het toneelstuk ‘L’annonce faite à Marie’ van Claudel. Het is een stuk over de middeleeuwen. Violaine Vercors ontmoet de lepralijder Pierre en geeft hem een kus. Het is een mooi voorbeeld van Caritas, een daad van onmiddellijke, onberedeneerde solidariteit, waarbij de laatste druppel eigenbelang verdwijnt in een oceaan van Liefde. Door de kus krijgt Violaine zelf ook lepra en is Pierre ondertussen geen stap verder. Dat wil zeggen, Pierre geneest, maar dat komt geloof ik niet door die kus maar door een miraculeuze tussenkomst van God  of van Maria, dat wil ik kwijt.
     Maar op mirakels zou ik niet rekenen als het om het migratie- en vluchtelingenprobleem gaat. Ook zijn de quotabeslissingen van Merkel, Macron, Michel en Maggie De Block ongeveer even onpersoonlijk als financiering van een betere infrastructuur. Het enige verschil is dat het opvangen van kampbewoners in Frankrijk, Duitsland, België enzovoort eigenlijk is wat die mensen zélf vragen. Die willen geen infrastructuur of voorzieningen. Die willen naar Europa***. En daarmee zijn we weer bij de open grenzen beland. Maar daar is niemand voor. Toch?

* In werkelijkheid is de toestand zo: links en een deel van het centrum is in principe voorstander van gecontroleerde grenzen ... die echter telkens weer onvoorwaardelijk moeten worden geopend als van één bepaalde groep de ellende in de actualiteit komt, zoals bij een grote brand.
** Het gaat ondertussen om 150 kampbewoners die naar ons land kunnen komen.
*** Alhoewel sommigen van hen die voorzieningen achteraf - begrijpelijkerwijs - weer missen. Zie 
hier.