zaterdag 14 september 2019

Het Nieuwsblad ziet maar één democratie

     Hoewel ik nogal dweepzuchtig ben aangelegd, heb ik weinig voeling met het nationalisme. Ik krijg geen tranen in de ogen bij het horen van enig volkslied, behalve dan bij dat van het vroegere Oost-Duitsland (hier). Maar toen ik voor het eerst Bart De Wever de uitdrukking hoorde gebruiken van ‘de twee democratieën’, begreep ik onmiddellijk wat hij bedoelde. Hier werd loodrecht op de kop van de spijker geklopt.
     De zaak is immers eenvoudig. Er gaat elk jaar zeven miljard euro van Vlaanderen naar Wallonië in het kader van de sociale zekerheid. Dat komt omdat Wallonië een nogal socialistisch beleid voert. Zo’n beleid heeft als gevolg dat een relatief groter deel van de bevolking van uitkeringen leeft, en het geld voor die uitkeringen wordt dan door Vlaanderen bijgepast. De Vlamingen kunnen dat trekken want bij hen wordt een een wat liberaler economisch beleid gevoerd en wordt dus wat meer rijkdom voortgebracht.
     De Vlamingen geven de indruk de hele toestand redelijk stoïcijns op te vatten. Onderzoekers hebben uitgerekend dat slechts tien procent van de Vlamingen onafhankelijk wil worden van Wallonië. Dat is niet zoveel. Maar er zijn naast die tien procent nog heel wat Vlamingen die misschien geen volledige onafhankelijkheid willen, maar die er in elk geval geen bezwaar tegen hebben dat de landsdelen méér eigen verantwoordelijkheid zouden krijgen. Men spreekt soms van een Vlaamse grondstroom. Je zag en ziet die grondstroom opduiken op de meest onverwachte plaatsten, zoals in de helaas lang vergeten burgermanifesten van Guy Verhofstadt, of bij CD&V’ers die verder over niets een mening hebben.
     Die Vlaamse grondstroom wordt gevoed door verschillende bijrivieren. Er is de oude taal-en-cultuurkwestie die traditionele flaminganten wakker houdt. Maar dat is lang niet het enige. Mijn broer bijvoorbeeld had nooit iets met taal, cultuur of flamingantisme te maken gehad. Toen ging hij in Brussel werken in een groot tweetalig bedrijf. Het duurde niet lang of het contact met het Waalse chauvinisme had hem al snel enig Vlaams gevoel bijgebracht. En voor mensen als ik ten slotte, mensen zonder taal, cultuur of gevoel, is er nog altijd de centenkwestie en dat socialistische blok aan ons been. Zo hebben we allemaal onze eigen redenen om enigszins Vlaams te denken.
     Bij de Walen is het eenvoudiger. Die zijn vrij eensgezind belgicistisch, en tegen eigen verantwoordelijkheid, en dat vanwege slechts één reden: de centen. PS-man Marc Uyttendaele, de man van Laurette Onckelinx, zei het onlangs nog in De Standaard (hier): ‘De sociale zekerheid is dé meerwaarde van het federale België voor de Franstaligen … Geen enkele Franstalige politicus gaat beslissingen nemen die zijn kiezers minder comfortabel laten leven … Als de sociale zekerheid springt, en ze kan springen, moet je niet verwachten dat er nog één Franstalige [toelaat] dat anderen iets te zeggen hebben over zijn eigen toekomst.’* Slechts één reden: dat is duidelijk. En als die wegvalt kan de splitsing niet snel genoeg gaan. Beter dan die PS-man kan ik het niet uitleggen.
     Vóór de verkiezingen hoorde je ook in Vlaanderen wel eens Alexander De Croo of Kristof Calvo iets zeggen over ‘herfederalisering’. Maar de recente erg verschillende verkiezingsuitslag in Vlaanderen en Wallonië maakt het moeilijk om dat verhaal vol te houden. De vorming van een Vlaamse regering gaat vlot, de vorming van een Waalse regering eveneens, maar een Belgische regering, dat wordt véél moeilijker. Hier wordt het verhaal van de twee democratieën met prenten geïllustreerd voor wie traag is van begrip - of van prenten houdt (hier).
     Allerlei politicologen en journalisten worden er wanhopig van. Knack (hier) bracht een groot stuk onder de titel ‘Confederalisten voeren de hoge tonen in het debat: waar zijn de Belgen gebleven?’  Wel, bij Het Nieuwsblad lopen er enkele van rond.  Pieter Lesaffer schrijft in een commentaar van 10 september (hier) dat Wallonië géén andere democratie is dan Vlaanderen omdat het regeerakkoord van Di Rupo ‘zo veel gelijkenissen met de Vlaamse startnota’  vertoont. En in de krant van de dag erop staat een groot artikel van Farid el Mabrouk onder de kop ‘Meer gelijkenissen dan verschillen tussen politiek Vlaanderen en Wallonië’ (hier). Daar komt onder andere politicoloog Sinardet aan het woord die zijn gelijkenissenverhaal al in 2014 aan de man bracht (hier).**
     Om het overzichtelijk te houden heeft Het Nieuwsblad een lijstje gemaakt met de gelijkenissen en de verschillen tussen de Vlaamse en Waalse programma’s. Het lijstje van de gelijkenissen is langer.*** Het Vlaamse programma wil de werkgelegenheid verhogen, wil investeren in energie, mobiliteit en klimaat, wil lucht- en waterkwaliteit verbeteren en wil dat Vlaanderen tot de meest performante regio’s behoort. En nu denk je: de Walen willen natuurlijk minder werkgelegenheid, minder investeren in mobiliteit, willen slechtere lucht en slechter water en willen tot de minst performante regio’s behoren. Maar nee, de Walen willen hetzelfde als de Vlamingen: méér werkgelegenheid enzovoort. Quod erat demonstrandum.
     Nou ja, er zijn ook verschillen, geeft Het Nieuwsblad toe, maar dát lijstje is korter: Franstalig België heeft weinig aandacht voor integratie en inburgering van nieuwkomers, wil gratis bussen inleggen, en wil niet investeren in wegen, want ze hebben er genoeg. En een laatste verschil: in Wallonië heeft men ‘een andere visie op de overheid’. Een andere visie op de overheid … dat is mooi gezegd.
    Eigenlijk komt het hierop neer: zoeken naar gelijkenissen en verschillen is een delicate aangelegenheid. In de kleuterklas kun je de kleintjes nog vragen om twee prenten te vergelijken en zeven verschillen te zoeken. Dat heet een ‘gesloten opdracht’. Er zijn zeven verschillen, niet meer of niet minder. Maar als ik in het middelbaar twee gedichten laat vergelijken is dat een heel andere zaak. Dat is een ‘open opdracht’. De leerlingen moeten dan zoeken naar significante verschillen en gelijkenissen, want ja, de gedichten bevatten allebei letters en die letters vormen woorden, en er is veel witte ruimte aan de linker- en de rechterkant van de tekst. Maar de meeste leerlingen voelen aan dat het daar niet om gaat.
     Hannah Arendt heeft indertijd een interessant boek geschreven over de gelijkenissen tussen nazisme en communisme. ’t Is een mooi voorbeeld van hoe je door vergelijken dieper kunt nadenken. Op elke bladzijde bewijst Arendt haar finesse, eerlijkheid en onderscheidingsvermogen. Ze dringt door tot de kern van het totalitarisme. Maar je kunt natuurlijk ook gemakkelijk een lijstje maken van de vele gelijkenissen tussen het Engeland van Churchill en de het Duitsland van Hitler. ’t Zou iets voor Lesaffer zijn. Er werd in de twee landen met de auto gereden, maar vaker nog gefietst. Men ging naar de cinema. Als men buitenkwam droeg men een hoed.





Niet willen dat anderen iets te zeggen hebben over je eigen toekomst, is dat geen redelijke definitie van het nationalisme, waarvan Uyttendaele beweert dat het in Wallonië niet bestaat?

** Zo heeft Sinardet wetenschappelijk vastgesteld dat Vlamingen en Walen ongeveer hetzelfde denken over ... het rookverbod. Anderzijds blijkt uit de lijstjes van Sinardet dat er meestal 5 tot 10 procentpunten verschil is tussen wat Vlamingen en Walen over bepaalde politieke kwesties denken. Zulke verschillen in procentpunten zijn geloof ik voldoende om een heel andere mentaliteit af te bakenen, en méér dan voldoende om een heel ander beleid te sturen. 

*** Je ziet gemakkelijk in dat de lengte van zo’n lijstje niet erg belangrijk is. Geleerden hebben lijstjes opgesteld van de gelijkenissen tussen het DNA van een mens en dat van een chimpansee, een hond en een banaan. Dat zijn héél lange lijstjes, en in het geval van de chimpansee veel langer dan het lijstje met de verschillen. Toch moet niemand – ook Sanctorum niet – mij een aap noemen.

zondag 8 september 2019

Finnegans Wake

     Vorige week plaatste ik een kort stukje over de opsomming als een van de leukste stijlfiguren. Ik gaf enkele bekende voorbeelden. Simon Gelten antwoordde daarop met iets wat misschien niet helemaal een opsomming was, maar toch een aardig voorbeeld van iets anders. Het was een amplificatie uit de Ulysses van James Joyce: ‘The sea, the snotgreen sea, the scrotumtightening sea.’ Volgens Simon was Joyce misschien wel de grappigste auteur na Lewis Carol en Gogol.
      Dat Joyce een erg grappige auteur is, dat geef ik graag toe. Ik ken weinig stukken die zo grappig zijn als het Cyclopshoofdstuk uit Ulysses. Maar 
’t is ook een moeilijke auteur vind ik, omdat hij zoveel grappen maakt die een lezer wel een beetje aanvoelt maar niet helemaal begrijpt. Simon vond dat ook. Hij las al twintig jaar regelmatig in Finnegans Wake en hij was nu aan bladzijde 15. 
     Tiens, dacht ik, iemand die Finnegans Wake léést. Aan mijn leerlingen vertel ik altijd dat ik níemand ken die dat boek leest, en dat zulke mensen misschien niet eens bestaan.
     Twee dagen later stootte ik dan op een blogpost van de oude trotskist Flor Vandekerckhove
*. Ook hij leest regelmatig in Finnegans Wake, schrijft hij, vooral tijdens barre winternachten als ‘de wind rond het huis giert, de regen de luiken geselt, het haardvuur knettert en de clichés zich opstapelen.’
     Simon en Flor, dat waren er al twee.*
     Die twee gaan bij hun lectuur ook allebei op zoek naar de betekenis of oorsprong van de rare woorden waarvan  Joyce er in elke zin enkele binnensmokkelt. Simon kent, geloof ik, veel vreemde talen. Dat komt goed uit want Joyce gebruikt veel vreemde talen als inspiratie voor zijn woordkronkels.
     Flor zoekt naar sporen van het Oostends (hier). Dat komt goed uit want Flor is van Oostende. Tot nu toe heeft hij al één zinnetje gevonden, en wel in een van Joyces gepubliceerde kladboekjes: ‘All the shups ware to, staat daar ergens. Flor weet niet met zekerheid waar het zinnetje vandaan komt, maar hij heeft een vermoeden. ‘Hoor ik daarin de stem van een Oostendenaar, schrijft hij,  die in een soort Oostends-Engels probeert uit te leggen dat alle winkels dicht waren?’ Ik vraag mij af wat zou de geleerde Geert Lernout van die verklaring zou denken?
     Zelf heb ik Finnegans Wake niet in de kast staan. Ik heb wel een uitgave van de ‘Portable James Joyce’ en dat bevat een paar fragmenten uit dat boek. Ik begin erin te lezen, een stuk dat ‘Here comes everybody’ heet. Ik begrijp er niet veel van, tot ik aan de tweede bladzijde kom:

This the way to the museyroom. Mind your hats goan in! Now yiz are in the Willingdone Museyroom. This is a Prooshious gunn. This is a ffrinch. Tip. This is the flag of the Prooshious, the Cap and Soracer. This is the bullet that byng the flag of the Prooshious. This is the ffrinch that fire on the Bull that bang the flag of the Prooshious.

     Als je het stuk een paar keer half luidop leest wordt het iedere keer een klein beetje grappiger. ’t Is dan ook een opsomming. En een amplificatie.

* Enige tijd geleden ontving ik een mail van Flor waarin hij zijn nieuwe e-boek voorstelt. Of ik in mijn ‘rechtse middens’ iemand kende die het wou recenseren. Flor weet niet dat ik eigenlijk heel weinig mensen ken, of het nu in  rechtse middens is, of in linkse. Maar ik heb een facebookpagina en Flor heeft er geen. Daarom plaats ik hier een link die doorverwijst naar een voorstelling van het boek. http://florsnieuweblog.blogspot.com/2019/01/rond-het-vuurtorenvuur.html. Trotskist of niet, veel van Flors stukjes lees ik graag.

* Ik weet uit ervaring dat er binnenkort een derde volgt.

dinsdag 3 september 2019

Een eenvoudige stijlfiguur


    Wie schrijft kan zijn ‘stijl’ verbeteren door af een toe een zogenaamde stijlfiguur te gebruiken. Je gooit er eens een epanadiplosis tussen,  of een epanalepsis, of desnoods een epanofoor, een epanodos, een epanopthosis. Als je het echt niet meer weet, doe je maar een epifoor of een epizeuxis. De lezer kan die moeilijke termen gemakkelijk zelf opzoeken; ik heb het daarnet ook gedaan. Het komt er vaak op neer dat je een woord, of iets anders, op een beetje een speciale manier herhaalt.
     Karel van het Reve heeft mij de ogen geopend voor de charme van de eenvoudigste aller stijlfiguren: de opsomming. Karel gebruikt die zelf vaak, en als hij er een mooie ziet bij andere schrijvers, citeert hij ze. Maar eigenlijk hebben we Karel en die andere schrijvers niet nodig. Zelf zo’n opsomming neerschrijven is erg gemakkelijk. Een kind kan het. Er een hele móóie te verzinnen, dat is wat anders; dan moet je wat in huis hebben. De Engelse filosoof Hobbes beschrijft ergens hoe ons leven er zou uitzien zonder beschaafd gezelschap om ons heen: ‘solitary, poor, nasty, brutish, and short’. Dat kan moeilijk verbeterd worden, geloof ik. Eén adjectief meer of minder, en het zou verknoeid zijn. Woordkeus, ritme, volgorde, alles is goed zoals het is.
    Waar je opsommingen ook vaak tegenkomt, is in poëzie. ‘Marc groet ’s morgens de dingen’, bijvoorbeeld, is niets anders dan lijstje van wat Marc ’s morgens ziet. Mijn broer las dat gedicht in het tweede leerjaar – zo eenvoudig is het. Toch is Van Ostaijen een echte dichter.
     Wat is het geheim van een móóie opsomming? Dat weet niemand, anders nam die er een patent op en mochten alleen nog betalende schrijvers ze gebruiken.  Dat zou jammer zijn. C. Buddingh gelooft dat het helpt als er in de opsomming géén verbindingswoorden voorkomen. Misschien. Maar Multatuli heeft er een hele mooie in zijn beschrijving van de zon die opgaat terwijl Saïdjah op Adinda wacht, en daar komen er nu net heel veel verbindingswoorden in voor. Professor Van Gorp gelooft dat de verschillende leden van de opsomming verbonden moeten zijn door een algemene gedachte. 
t Is mogelijk. Zelf heb ik graag dat de opsomming een beetje bont is, en voor kleine verrassingen  zorgt. 
     Of dat ze begint of eindigt met het woordje ‘zon’. De voorbeelden liggen voor het grijpen.

     Die Rose, die Lilje, die Taube, die Sonne,
     Die liebt’ ich einst alle in Liebeswonne.
                                               H. Heine

     Dan voel ik éénzelfde adoratie branden
     Voor Zon, Bach, Kant, en haar vereelte handen.
                                                         J.A. dèr Mouw


     Zo zult gij maken aan ‘t schreien de bron,
     De bomen, de bloemen, de zuivere zon.
                                                        P.C. Hooft

zondag 1 september 2019

Domweg gelukkig in de Bosstraat

Laatst liep ik van mijn school naar de parkeerplaats aan de Bosstraat en terwijl ik daar zo liep werd ik plots een lichte opwinding gewaar. Ik voelde mij een heel klein beetje gelukkig, en ik wist niet waar het vandaan kwam. Toen ik mijn auto zag, wist ik het: ik zou in de auto naar muziek luisteren, en die muziek daar was iets leuks mee. Op dat leuke nam ik nu een voorschot.
     Daar hoort een hele uitleg bij.
     Eigenlijk luister ik alleen naar muziek als ik met de auto rij. Vroeger deed ik dat ook thuis tijdens het opruimen en het schoonmaken op zaterdagavond (hier), maar we hebben nu een poetsvrouw. Het schoonmaken is dus weggevallen; de auto is gebleven.  Als Jan meerijdt, moet ik af en toe naar heel moderne muziek luisteren, muziek waar zoiets als ‘beat drops’ heel belangrijk zijn. Dan moet ik even op mijn tanden bijten. In ruil daarvoor moet Jan af en toe luisteren naar Franse of Duitse chansons die ík uitkies in de hoop zijn talenkennis te verbeteren. Rij ik echter alleen, dan is dat allemaal anders. Dan kies ik klassiek.
     Ik ben daarin breed begonnen. Alles was goed: middeleeuwse polyfonie, renaissance, Italiaanse barok, romantiek. Als ik in de juiste stemming was, mocht het gerust Carl Orf zijn, of Wagner. Ik had al die muziek vlijtig op audiocassettes opgenomen. Alleen gregoriaans vond ik wat saai, en alles van de classicistische periode: Mozart, Haydn, Philippe Emmanuel Bach. En modernistisch natuurlijk, dat lustte ik ook niet.
      Zoetjesaan echter werd mijn smaak eenzijdiger. De 19de en 20ste eeuw vielen eerst af af, dan de middeleeuwen, dan de renaissance. En binnen de barok luisterde ik na een poosje alleen nog naar de oude Bach – álles van de oude Bach – behalve de orgelmuziek. Ik ben vele jàren zoet geweest met de cantates. Maar ook hier werd de cirkel van belangstelling kleiner en kleiner. Precies twee jaar geleden begon ik naar de preludes en fuga’s van het Wohltemperierte Klavier te luisteren (hier). En ik bleef aan die vier cd’s vasthaken. Af en toe probeerde ik iets anders uit, een cantate of een cellosuite bijvoorbeeld.  Na een paar minuten werd ik dan ongeduldig, de cd werd eruitgehaald en één van de Wohltemperierte-cd’s kwam in de plaats.
     Nu is er laatst weer iets veranderd. Ik had ergens een stuk gelezen over pianist Ivo Janssen die, vóór hij het spelen moest opgeven door een ziekte aan zijn handen, de zogenaamde Keltische klauw, nog eens alle klavierwerken van Bach had opgenomen. Janssen heeft zich nu omgeschoold tot klusser-timmerman, maar die cd’s heb ik besteld en daar luister ik nu naar. Ik ben begonnen met de Inventions, Preludes and Symphonies, wat Engels is voor Inventionen, Präludien und Sinfonien.
    
En het waren die Inventionen enzovoort die op mij wachtten in de auto waar ik naartoe liep. Inventionen en geen Wohltemperierte. De verandering had voor een lichte opwinding gezorgd. Ongeveer zoals bij baby’s die harder gaan zuigen op een fopspeen wanneer een eentonige reeks klanken onderbroken wordt door een nieuwe klank.

dinsdag 20 augustus 2019

De Vlaamse canon

     Vorige week zat ik op restaurant met mijn vader (96). Omdat ik juist het boek van Van Loo over de Bourgondiërs gelezen had, vroeg ik hem of hij wel wist dat Karel de Stoute in de kerk van Lier getrouwd was. Mijn vader keek even voor zich uit. ‘Was dat niet zijn kleinzoon, Filips de Schone,’ vroeg hij ten slotte.
     Hoe mijn vader zoiets weet? Dat komt zo. Zijn moeder, mijn grootmoeder die ik nooit gekend heb, had voor haar mooie studieresultaten in de lagere school twee prijsboeken gekregen. Een Atlas illustré – Géographie en images en een Geschiedenis van België in prenten – Histoire de la Belgique en images. Toen het gezin in 1917 door de Duitsers uit Menen werd gedeporteerd, moest huis, have en goed worden achterlaten, maar die twee boeken nam mijn grootmoeder mee. Later heeft mijn vader er als kind vaak in gebladerd.
      Die Geschiedenis staat nu nog altijd in de kast. En jawel: op prent 184 trouwt Filips de Schone met Johanna de Waanzinnige in de Sint-Gummaruskerk van Lier. De uitleg staat erbij in het Nederlands en het Frans. ‘Philippe le Beau accueille Jeanne d’Espagne à Lierre où le marriage est célébré le 21 octobre 1496.’ Zelf heb ik als kind ook vaak de prenten bekeken. Hoe een Frankische koning op een schild werd gezet en opgeheven. Hoe de lange haren werden afgeknipt van de onttroonde Childerik III. Hoe Brunhilde van Austrasië werd voortgesleurd door een paard waaraan één arm, één been en haar haren waren vastgebonden.
     Zo’n boek, zou je kunnen zeggen, bevatte de Belgische canon van omstreeks 1905.
     Bart De Wever heeft nu voorgesteld om zo’n canon op te stellen voor het Vlaanderen van nu, een lijst van ankerpunten uit onze Vlaamse cultuur en geschiedenis. Er kwam, niet geheel onverwacht, veel kritiek op het voorstel. Sommigen vonden het idee van een canon te ‘te romantisch’.  Anderen vreesden dat de opstelling ervan voor ‘controverse’ zou zorgen. En nog anderen wisten blijkbaar al wát er in die canon zou staan en tekenden met vooruitziende blik bezwaar aan tegen een lijst van namen, data en plaatsen ‘die het superioriteitsdenken zou bevorderen’ en die de ‘zwarte bladzijden van de geschiedenis zou weglaten’. Vooral een aantal historici maakten veel misbaar. Zoiets heet ‘territorial pissing’, geloof ik.
     Zelf voel ik mij in mijn territorium ook wel een beetje bedreigd. In het zesde jaar geef ik in de Nederlandse les uitleg over de literaire canon. Ik zeg dan dat dat een ‘denkbeeldige’ lijst is. En nu komt er, althans voor geschiedenis en cultuur, een échte lijst op papier, opgesteld door een of ander comité van geleerden. Wat is het nu? zullen mijn leerlingen vragen. Is het een denkbeeldige lijst of een echte lijst?
     Maar om de inhoud van de lijst maak ik mij vanuit mijn vak niet veel zorgen. De Nederlandse canon, die De Wever als voorbeeld neemt, bestaat uit een lijst van vijftig thema’s en telt maar twee of drie literaire auteurs: Erasmus, Multatuli en Annie M. G. Schmidt. Als die Vlaamse lijst ook maar drie auteurs telt, wil ik die in mijn lessen graag opnemen. Daarnaast kan ik blijven onderwijzen wat ík wil. Verplicht men mij om Hugo Claus als verplichte lectuur op te geven, vooruit dan maar. Ik heb nog ergens een mooi verhaal van Hugo klaar liggen.
     Die nieuwe Nederlandse canon is, dat moet ik toegeven, een modern en veelzijdig werkstuk. In Multatuli’s tijd bestond hij nog uit de Batavieren, de Bey van Tunis, de hertog van Alva ‘die een ondier was’ en de eb van 1672 waardoor Nederland de Frans-Engelse vloot kon verslaan. Dat was nog een heuse ‘histoire de batailles’ – en Droogstoppel, leren we uit het eerste hoofdstuk van de Havelaar, had een hekel aan al die heldhaftigheid. IJver, spaarzaamheid en godsvrucht, dáár ging het om en dan zou Nederland wel Nederland blijven. Vandaag zijn die heldhaftigheid en die godsvrucht allebei uit de mode. De nieuwe canon gaat meer over dingen als ‘het moderne volkenrecht’, ‘mensenhandel’, ‘rijk wonen buiten de stad’, ‘vrouwenemancipatie’ en het ‘veelkleurige Nederland.’
     Ik vind die Nederlandse Canon anders niet slecht. Wel is er naar mijn smaak te veel twintigste eeuw bij. Michel Berger schreef op zijn Facebookpagina een lang stuk waarin hij betoogde dat om een onpartijdige blik aan te leren oudere geschiedenis beter geschikt is dan de hedendaagse. Ik ben het zoals vaak met Michel eens.
     Ook is die Nederlandse canon zo verdomd leerzaam. De anekdote wijkt helemaal voor de instructie. Floris V staat erin, Jan van Schaffelaar, die van de toren sprong, niet. Als onverbeterlijke middlebrow vind ik dat niet fijn. Ik wil graag iets bijleren, maar het moet niet te moeilijk zijn en een verhaaltje heb ik nog het liefst. Ik lees liever een boek van Bart van Loo dan een van Jan Dumolyn.
     Als je de Nederlandse lijst bekijkt, begrijp je hoe men te werk is gegaan. Van Gogh, Annie Schmidt en Eise Eisinga (die heb ik moeten opzoeken) hebben er hun plaats; Vermeer, Nescio en Huizinga niet. Dat komt omdat de namen als ‘vensters’ moeten dienen om daardoor naar een groot verhaal te kijken. Door het venster van Van Gogh, Schmidt en Eisinga zien we in alle duidelijkheid ‘de moderne kunstenaar’, opdoemen, of ‘de tegendraadsheid in een burgerlijk land’, of ‘de Verlichting in Nederland’. Met Vermeer, Nescio en Huizinga is het moeilijker om de vinger op het grote verhaal te leggen. Ik ken het probleem. Als leraar ga ik ook zo te werk bij het opstellen van een literatuurlijst. Eigenlijk wil ik Zola en Hardy er liever buiten houden, maar tegelijk wil ik graag íets zeggen over het naturalisme, dus dan neem ik ze er maar bij.
       Misschien, bedenk ik nu, kan de tegenstelling tussen anekdote en instructie worden opgelost door de canonlijst wat langer te maken dan vijftig. De Nederlanders zijn hier krenten geweest. Het boek van mijn grootmoeder bevat geen vijftig maar 312 prenten! Dat is andere koek. ‘Mensen willen geen lijstje historische figuren of kunstwerken,’, schrijft Gie Goris in MO-Magazine. Dat kan. Wat ‘de mensen’ willen, weet ik niet zo goed; maar déze mens houdt in elk geval wél van zulke lijstjes, vooral als er mooie prenten bij staan. (Zie ook hier)
     Ik lees in de nota van Bart De Wever dat de Vlaamse canon het ‘identiteitsbesef’ moet bevorderen van de jongere generatie. Daar kan ik mij iets bij voorstellen. Die 
identiteit een beetje vaag, maar ik heb uit het nieuwe boekje van De Wever begrepen dat dat nu net de aard van het beestje is. Professor van Oostrom, die de Nederlandse canon samenstelde, werd over de kwestie naar zijn mening gevraagd door een journalist van vrt nws. Van Oostrom zei  dat er niet zoiets bestaat als een ‘gebeitelde’ nationale identiteit. Er zijn wel ‘dominante kenmerken’. Ook vond hij dat die canon  ‘een rol kan spelen in wat ik noem “burgerschap”.’ En verder: ‘Ik vind het evident dat als mensen leven, werken en opgroeien in een bepaald land, dat ze dan iets weten van de geschiedenis en de cultuur van dat land.’ Dat is niet zó verschillend van wat De Wever zegt.
      De Wever wil dat de canon een onderdeel wordt van een inburgeringscursus voor nieuwkomers. In zo’n geval moeten thema’s als verlichting, secularisatie, vrouwenemancipatie een in het oog springende plaats in de canon krijgen, al is Vlaanderen op geen van die gebieden een echte voortrekker geweest. Dat moet dan maar.
Alweer voorrang aan de instructie, zul je zeggen. Tja, ik zal er mij neer bij moeten leggen. En zo erg is het niet. Een beetje leraar maakt van élk canonthema een leuk verhaaltje.

zondag 11 augustus 2019

Autocorrect en Mme de Pompidou

Deze dame heet volgens mijn Kindle ‘Madame de Pompidou’
     Jaren geleden werkte ik als nederige klerk bij het advocatenkantoor Loeff Claeys Verbeke. Toen ik daar begon te werken heette het kantoor anders, en toen ik er stopte met werken ook, maar ik herinner mij het kantoor toch vooral als Loeff Claeys Verbeke. Als ik brieven typte, moest ik altijd opletten met die namen. De spellingcorrectie verving, zonder dat even te vragen, de naam ‘Verbeke’ door ‘Voerbak’. Sommige industriëlen van dit land hebben ongetwijfeld wel eens een brief ontvangen van het kantoor Loeff Claeys Voerbak.
      Ik krijg de laatste tijd weer te maken met die automatische spellingcorrectie, maar dit keer bevind ik mij ‘at the receiving end’. Dat komt zo. Ik lees af en toe in de briefwisseling van Mme Du Deffand. Mijn Kindle-uitgave, waar ik € 7,95 voor heb betaald, is eigenlijk niets meer dan een gescande en omgezette versie van de uitgave van 1865. ‘Classée dans l’ordre chhonolouique’, staat er op het voorblad. Dat voorblad alleen al maakt duidelijk dat de tekst niet langs een echte corrector is gepasseerd en elke bladzijde bevat tientallen fouten. Na een twintigtal bladzijden begin je  enige systematiek in de fouten te ontdekken. Kleine ‘l’ apostrophe wordt meestal grote ‘Y’ en kleine ‘y’ wordt meestal ‘v’. Yan moet je dus lezen als l’an en il va moet je dus lezen als il y a, behalve als het hij gaat betekent. Je raakt eraan gewend.
      Bij eigennamen gaat de autocorrectie wilder tekeer. Als in een brief wordt gesproken over ziekte en genezing komt vaak een zekere ‘Gertrude’ ter sprake. Het heeft even geduurd voor ik erachter kwam dat hiermee dokter Antoine Mertrud bedoeld werd. Soms gaat het over een ‘princesse de Robe’. Je denkt even aan het fameuze onderscheid tussen de ‘noblesse de robe’ en de ‘noblesse d’épée’, maar dat heeft er niets mee te maken want wat later wordt de naam correct gespeld en blijkt het te gaan om ‘la princesse de Robecq’.
      Bekende namen kun je vaak raden. Menig lezer zal onmiddellijk weten wie bedoeld wordt met Madame de Pompidou. Soms helpt de context. Een zekere ‘Swing’ heeft een verhaal over een ton geschreven. Dat moet Swift zijn. De eerste drie keer dat je de naam ‘Malpolie’ tegenkomt, krab je in je haar, tot de voornaam Horace alles duidelijk maakt: Sir Horace Walpole. Over die ‘Malpolie’ heeft de ‘historien démocratique Macula’ een venijnig stuk geschreven. Dat stuk ken ik en het is van Macauley. Er wordt een anekdote verteld die ons door ‘Chambart’ is overgeleverd. Ook die anekdote herken ik; ze is van Chamfort. 
         Sommige verwarringen zijn vooral grappig als je ze uitspreekt. De minnaar en vriend van Madame Du Deffand heette Hénault, maar in mijn uitgave wordt dat ‘Hérault’, terwijl de man voor nogal laf doorging. Madame de Genlis wordt ‘Madame de Genepis’. Het loont de moeite om dat eens op zijn Nederlands uit te spreken.
     In alle vorige gevallen kun je je nog voorstellen hoe de spellingcorrectie te werk is gegaan. Maar soms zijn haar wegen ondoorgrondelijk. De brief van Deffand van 5 september 4760 bijvoorbeeld is gericht aan de ‘Marquis de Pavlov’. Dat 4760 moet 1760 zijn, dat is geen kunst, maar een ‘Marquis de Pavlov’? Het kan natuurlijk. Deffand interesseerde zich wel enigszins voor de Russische geschiedenis. Maar wacht. Die Pavlov zou ook de tragedie ‘Tancrède’ geschreven hebben. Wat zouden die Russen in 1760 tragedies schrijven die ‘Tancrède’ heetten? Zou die niet veeleer geschreven zijn door de beroemdste tragedieschrijver van die tijd, de  verlichtingsdenker François-Marie Arouet, wiens naam door hemzelf als ‘Voltaire’ gespeld werd, maar in mijn uitgave wel eens voorkomt als ‘Voiture’?
     Zo is dat. De grote schrijvers van de Franse verlichting zijn Rousseau, Diderot en Voiture. Die Pavlov heeft er niets mee te maken.

vrijdag 9 augustus 2019

19de-eeuwse toestanden

     Veel van wat we weten of menen te weten over ‘19de-eeuwse toestanden’ komt uit films. Sommige van die films heb ik gezien, vaak in meerdere versies : Daens, Les misérables, Oliver Twist …  Daar is nu Peterloo bijgekomen van Mike Leigh, de regisseur van het aangrijpende Naked en All Or Nothing.
     Peterloo gaat over de grote vreedzame demonstratie voor algemeen stemrecht die in Manchester gehouden werd op 16 augustus 1818. Ze werd op brute wijze uit elkaar gejaagd door de burgermilitie en soldaten te paard. Er vielen 18 doden.  Omdat de demonstratie plaats vond op het St-Peter’s Field en de krachtmeting van Waterloo nog vers in het geheugen lag, kreeg de slachtpartij de naam van ‘Peterloo’.
     Zoals het de gewoonte is in dat soort films maak je kennis met de verschillende betrokken milieus: armen, rijken, gematigde hervormers,  revolutionaire drijvers, conservatieve politici, het hof. Veel personages doen denken aan figuren uit de boeken van Charles Dickens of J.K. Rowling, wat een beetje vloekt in een film die sociaal realisme wil brengen.
     Wel erg realistisch zijn de toespraken. De helft van de film bestaat uit typisch 19de-eeuwse toespraken: in het parlement, in kroegen, in vergaderzalen, soms ook gewoon in de open velden van het mooie Lancashire. Je ziet bewogen sprekers die hoogdravende taal gebruiken, met veel gebaren, veel moeilijke woorden, uitgesponnen metaforen en ingewikkelde verwijzingen. Feitelijke inhoud is grotendeels afwezig. Het arbeiderspubliek herkent hier en daar een woord, wordt meegesleept door de emotie en begrijpt de algemene betekenis: zo kan het niet verder, we moeten iets dóen.
     Doordat de toespraken geen feitelijke inhoud bevatten, hebben ze geen waarde voor wat in toneel en film de ‘expositie’ wordt genoemd. Het moderne publiek leert er niets uit over de achtergrond van de gebeurtenissen. Leigh heeft dat proberen op te vangen met een bijzonder vals klinkend gesprek tussen een aantal leden van een arbeidersgezin.
 
       
-   Men zegt dat ze de lonen weer gaan verlagen volgende maand.
-  Verlagen tot hoeveel?
-   Tot drie keer niks.
-    Ja, en de broodtaks helpt ook al niet.
-    Het helpt wel iemand.
-    Wie?
-   De rijke smeerlappen.
-   Die boeren zijn klootzakken.
-   Het zijn niet alleen de boeren.
-   Wat bedoel je?
-   ’t Is de regering.
-    ’t Zijn de landeigenaars. De landeigenaars hebben het voor het zeggen in de regering. Het grootste deel van de regering zijn zelf landeigenaars. Ze mesten zich vet op het land dat ze van ons gestolen hebben. En ja. Dan heb je de prijs van het brood. Ze hebben een slechte oogst en dan er is graan te kort. Maar ze laten ons geen graan importeren uit Frankrijk of Amerika, en dan moeten wij sukkelaars vijf keer meer betalen voor een brood.
-   Komt dat niet door de graanwetten?
-   Ja, daardoor. Ze waren bedoeld om ons te helpen, maar ze maken juist alles erger.*

     Het is moeilijk om zo’n stuk te aanhoren zonder iets van plaatsvervangende schaamte te voelen. (Zie ook hier). Andere scènes zitten beter in elkaar, zoals de manifestatie zelf, met de arbeidersvrouwen in hun witte zondagse kleren, en het tegelijk onhandige en wrede optreden van de burgerwacht en de huzaren.
     Een vraag die ik mij bij zulke films stel, en bij de gebeurtenissen die er aanleiding toe geven, is deze. Wat heeft al dat straatprotest opgeleverd?
     Laten we beginnen met de armoede. De textielarbeiders aan het begin van de 19de-eeuw waren zo arm dat ze bijna geen brood, eieren of vlees konden kopen. Tweehonderd jaar later is dat helemaal anders en besteden ze minder dan 10 % van hun inkomen aan eten. Wat is er ondertussen gebeurd? Mijn verklaring is dat de productiviteit ondertussen vele keren groter is geworden. Maar ik ken heel wat mensen die met grote zekerheid weten dat die verandering er gekomen is door straatprotest en ‘sociale strijd’. Ik betwijfel dat.
     In een voetnoot van Piketty’s Le capital au XXI° siècle vond ik een verwijzing naar zekere Arthur Bowley. Die had, legt Piketty uit, berekend dat de verhouding tussen kapitalistische winsten enerzijds en arbeidersinkomsten anderzijds gedurende de 19de en 20ste eeuw nogal gelijk bleef: 37 % voor de kapitalisten tegen 63 % voor de arbeidersinkomens. Die kapitalisten nu vormen een beperkte club. Als ze  37 % onder elkaar moeten verdelen, blijft er zowel in 1818 of 2018 genoeg over voor een mooi huis en een mooie koets of auto. Maar voor de arbeiders is dat anders. Hun stuk moet onder velen worden verdeeld. 63 % van de productie van 1818, gedeeld door miljoenen arbeiders komt neer op bittere ellende, straatprotest of niet.**** 63 % van de huidige productie daarentegen betekent een aanvaardbaar leven.
     De Peterloo demonstratie, kun je tegenwerpen, ging niet om hogere lonen; ze ging om het onrechtvaardige verkiezingsstelsel*** en de onrechtvaardige graanwetten. Maar ook hier zien we niet meteen een gunstig gevolg. Het Britse verkiezingsstelsel is pas in 1832 voor de eerste keer hervormd en de graanwetten zijn pas afgeschaft in 1846. Dat is veel later dan 1818. Volgens veel geschiedkundigen heeft Peterloo de hervormingen trouwens eerder verlaat dan vervroegd. Dat kwam zo. Hervormingen in een democratie worden uiteindelijk beslist door het parlement. Daar hebben ze voor- en tegenstanders. Het is de krachtsverhouding tussen die twee die maakt of ze er vroeger dan wel later komen. En daar is het in het geval van Peterloo fout gelopen. Conservatieven die in eerste instantie een hervormingsbeweging wilden gedogen binnen het kader van de liberale wetgeving, werden opgeschrikt door hun eigen geweld en stemden een reeks repressieve wetten, ze verboden samenkomsten en publicaties en ze gooiden de leiders van de beweging in de gevangenis. Als je het zo bekijkt was Peterloo, om het met een modern woord te zeggen, ‘contraproductief’.
     Maar zijn de tastbare resultaten het enige, of zelfs maar het belangrijkste, waar we naar kijken als we massa-demonstraties tegen ongerechtigheid beoordelen? Is het de enige maatstaf waarmee we Tiananmen beoordelen, of de huidige straatprotesten in Hongkong? Dát weet ik niet.



* Het script van de film vind je hier

** Piketty betwijfelt die gelijke verhouding 37%-63%. Volgens neemt het gedeelte dat naar werknemersinkomens gaat juist áf. Dat zou, in marxistische termen, betekenen dat de ‘uitbuiting’ nu gróter is dan in de 19de eeuw. Als Piketty gelijk heeft, ondersteunt dat mijn redenering. Ik weet overigens niet in welke mate sociale zekerheid en fiscaliteit in die verhouding zijn opgenomen. Misschien zouden die vormen van ‘herverdeling’ enkele procenten kunnen opleveren ten voordele van de werknemersinkomens. Veel verschil kan het niet maken.

*** Het Engelse stelsel was naast onrechtvaardig ook archaïsch. Nieuwe arbeiderssteden zoals Manchester hadden geen recht op vertegenwoordigers, maar amper bewoonde gebieden waar een landheer de baas was, hadden wel een vertegenwoordiger. In zo’n gebied durfde niemand tégen de landheer stemmen, want stemmen moesten openbaar worden uitgebracht.

***** En dat gold zeker voor tijden van economische crisis. Als de inkomsten uit de textielproductie daalden, gingen niet alleen de winsten van de ondernemers, maar ook de lonen van de arbeiders omlaag. Een weekloon van 15 shilling in 1806 was in 1818 al gedaald tot 5 shilling. 

dinsdag 6 augustus 2019

De moeizame Vlaamse regeringsformatie

    In Het Nieuwsblad  vraagt Peter Mijlemans zich af waarom Bart De Wever treuzelt met de Vlaamse regeringsformatie. Is het omdat hij eerst ‘het eigen partijhuishouden op orde wil krijgen’? Of wil hij de andere partijen zenuwachtig maken om ze tot meer toegevingen over te halen?
     Mijlemans denkt dat het laatste het geval is. Hij waarschuwt De Wever ervoor om zo’n aanpak niet te ver te drijven, want partijen die bij het opstellen van het regeringsprogramma of bij de samenstelling van de regering te veel moeten toegeven, gaan achteraf uit wraak het regeringswerk ondermijnen. Mijlemans formuleert het met allerlei metaforen, maar daar komt het op neer, geloof ik. Misschien denkt Mijlemans aan het gedrag van Kris Peeters in de vorige regering.
     Het is in elk geval allemaal wáár wat Mijlemans schrijft.
     Maar laten we de zaak wat breder bekijken. Bart heeft de keuze tussen vijf mogelijke Vlaamse regeringen.*
       
              1.    N-VA + VB + ? (Vlaamse coalitie)
      2.     N-VA + CD&V + Open Vld (Zweedse coalitie)

      3.       N-VA + CD&V + SP.A (Slecht-weer coalitie)®** 
             4.       N-VA + Open Vld + SP.A (Bourgondische coalitie)
      5.       N-VA + CD&V + Open Vld + SP.A (Regenboog coalitie)

     Die eerste mogelijkheid is wat moeilijk vanwege dat vraagteken. Sommigen die VB goed gezind zijn, menen dat achter dat vraagteken een echte partij schuil gaat, maar wélke dat is weten zij niet. Er zal wel één partij ‘overstag gaan’, lees ik soms. Misschien. Misschien ook niet. En dan blijft de vraag welke invloed zo’n coalitie met VB zou hebben op de federale formatie.
Laten we de zaak alweer wat breder bekijken. Met welke coalitie kan Bart best zijn doelstellingen bereiken? Onder die doelstellingen treffen we wellicht zaken aan als:

1.       een stabiele meerderheid
2.       min of meer loyale regeringspartners
3.       een ernstige kans om in de federale regering te komen
4.       de realisatie van een gedeelte van zijn partijprogramma
5.       een publieke opinie die in de toekomst  zijn partij gunstig gezind is ***.

  Ik wil Bart, als hij dat op prijs stelt, best een aantal wenken meegeven. Een coalitie met één stem op overschot is voldoende, maar een ruime meerderheid is beter. CD&V is niet erg betrouwbaar, maar Open Vld en SP.A zijn dat ook niet. In de SP.A zitten veel ‘sossen’, maar in andere partijen vind je er ook. Voor Vlaanderen is een Zweedse coalitie iets te rechts, een Slecht-weer coalitie iets te links, een Bourgondische coalitie iets te vrijzinnig, een Regenboog coalitie iets te vermoeiend een een Vlaamse coalitie iets te Vlaams.
     En verder. Een federale regering met N-VA én PS is moeilijk, maar ze is niet onmogelijk. De partij mag haar liberale kiezers niet afstoten door onverantwoorde staatsuitgaven en belastingverhogingen, maar ze mag ook haar sociale kiezers niet verliezen door strikte besparingen. Ze moet elke coalitiegenoot laten scoren, maar het mag ook niet te veel geld kosten. Meer Vlaamse autonomie dwing je niet af met dreigementen, maar je moet de Walen ook niet te veel hun zin geven. Voor een strikt immigratiebeleid moet je niet op Europa wachten, maar helemaal zónder Europa zal het ook niet gaan. Het onderwijs moet worden hervormd, maar ook zinnige hervormingen zullen op weerstand stuiten van leraren en ouders.    
         Voilà. Dat alles op de weegschaal – zo moeilijk kan dat allemaal niet zijn. En nog eentje om het af te leren. Bart moet met de regeringsformatie niet te lang treuzelen. Maar hij moet zich ook weer niet overhaasten. En als hij nog meer goede raad nodig heeft, weet hij waar hij mij kan vinden. Ik sta aan wal.






* En dan heb ik Groen niet eens meegeteld. Björn Rzoska vindt dat toch ‘één van de winnaars’ van de laatste verkiezingen in de regering zou moeten komen. 

** Geïnspireerd op de weercodes. Geel: gevaarlijk. Oranje: extreem. Rood: alarm.  


*** En minder gunstig gezind tegenover zijn concurrenten binnen en buiten de regering.

maandag 5 augustus 2019

Leuke gedichtjes over Stalin


Toen ik twijfels kreeg over mijn communistische geloof, begon ik een aantal boeken te lezen die ik tot dan toe gemeden had. Twee daarvan waren Karel van het Reves Geloof der kameraden en Robert Conquests Great Terror. Een voordeel van die boeken was dat ze beter geschreven waren dan dan het soort dat ik daarvóór las. Ik heb zojuist nog eens gebladerd in dat Ludo Martensboek over Stalin. ‘De officiële woordvoerders van de Amerikaanse oorlogsmachine, Kissinger en Brzezinksi, hebben niets dan lof voor de werken van Solzjenitsijn en Conquest, die als bij toeval ook twee favoriete auteurs zijn van de sociaal-democraten, de trotskisten en de anarchisten.’ * Nou, nou. En zo gaat dat verder, zin, na zin, alinea na alinea, bladzijde na bladzijde, hoofdstuk na hoofdstuk.
    Wat Conquest en Reve schreven lag minder zwaar op de hand. En de twee schrijvers hadden nog meer gemeen. Het waren allebei grappenmakers. Reve schreef op de achterflap van zijn boeken lovende of kritische teksten die hij ondertekende met de naam van bestaande journalisten die hij  niet kon luchten. Conquest stuurde aan een vriend, de bekende dichter Philippe Larkin, een brief op briefpapier van de Zedenpolitie, waarin gemeld werd dat Larkins naam was aangetroffen op een adressenlijst van een in pornografie gespecialiseerde uitgeverij. Larkin, die net als Conquest een groot liefhebber was van pornografie, vreesde toen dat hij zijn baan zou verliezen als universiteitsbibliothecaris.
     Ook hebben Conquest en Reve allebei ooit hun mening over het communisme in dichtvorm gegoten.** Reve deed dat in 1948, in een sonnet dat hij opdroeg aan een fabriekseigenaar waarmee hij samen de Sovjet-Unie bereisde. De schrijver was toen zelf nog een halve communist, maar ironie had duidelijk al een eerste bresje geslagen. 

Gewend om links en rechts te commanderen 
En iedereen te zetten naar uw hand 
Waart gij te gast in ’t Rode Vaderland, 
Gij, Kind der Bourgeoisie, maar ’t kan verkeren
  
Gij zaagt met eigen ogen hoe de heren 
Van Stalins bent aan lieden van uw stand 
Schijt hebben tot en met. Tot aan de rand 
Vult u de weerzin tegen hun begeren
  
Om allen in het arm Moscovisch Rijk 
Te doen geloven dat het Koninkrijk 
Der Hemelen daar is. Zou dit hun wens 

Of ook de waarheid zijn? Wie zal het zeggen? 
Wij weten weinig. Is er soms één mens 
Die het Geheim der Schepping uit kan leggen?

       Conquest leverde zijn dichterlijke bijdrage in een limerick, een genre dat hij goed in de vingers had, vooral als het schunnige materie betrof. Die schunnige durf ik hier niet afdrukken, maar déze moet kunnen.  

“There was an old bastard named Lenin 
Who did two or three million men in. 
That’s a lot to have done in 
But where he did one in 
That old bastard Stalin did ten in.”

       Let erop dat niet alleen het metrum en het aabba-schema correct zijn, met dat ‘Lenin’ waar je moeilijk een rijmwoord op vindt, maar ook de aangehaalde cijfers, die Conquest zelf, als historicus, voor het eerst op een betrouwbare manier berekend heeft.


* Dat Ludo Martens hier de liberalen en conservatieven onvermeld laat, kan ik begrijpen. Hún gedachtegoed hield hem niet zo bezig. Maar waarom hij hier niets over de ‘fascisten’ zegt, dat vind ik vreemd. 

** Deze proeven van light verse staan natuurlijk niet op dezelfde hoogte als het beroemde gedicht van Mandelstam. (hier). Maar Reve en Conquest hebben dan weer niet, zoals Mandelstam, hun gedicht met hun leven moeten bekopen

zondag 4 augustus 2019

Een slecht klimaatargument

      Op mijn en andere facebookpagina’s lees ik soms hevige discussies tussen klimaatontkenners en klimaatalarmisten. De tussenkomsten in die discussies zijn niet altijd peer-reviewed en bevatten vaak erg informele argumenten. Zelf gebruik ik ook geen andere.
     Er is daarbij een argument dat aan de twee kanten opduikt: de waarschuwing voor overmoed of zelfoverschatting, de befaamde hubris van de Grieken – die in hun mythologie en hun toneelstukken zo’n grote rol speelde.
     Bij de klimaatalarmisten gaat dat argument zo. De mens moet zich bescheiden opstellen tegenover de Grote Natuur. Als de mens teveel activiteit ontwikkelt, zeeën drooglegt zoals Faust, grondstoffen wint, energie verbruikt, vissen vangt en opeet, dan zal hij moeder Aarde ‘uitputten’. Het verminderen van onze CO2-productie is in die zienswijze een manier om het natuurlijk evenwicht te herstellen.
     Sommige klimaatontkenners hoor je iets gelijkaardigs beweren. De mens moet zich, alweer, bescheiden opstellen tegenover de Grote Natuur. Die is zelf groot genoeg om de Aarde op te warmen als ze dat wil en ze weer af te koelen als ze van mening verandert. Kijk maar naar de Grote en de Kleine IJstijd en de warme zomer van 1833. De mens moet niet denken dat hij met zijn industriële CO2 – jaarlijks 0,0004 % van de atmosfeer – ook maar iets te betekenen heeft, vergeleken met de onvoorstelbaar grote bewegingen van de planeten en de gigantische activiteit van de zon.
     De lezer heeft gemerkt dat klimaatalarmisten en klimaatontkenners het hubris-argument op een verschillende manier gebruiken. De eersten beweren dat de mens overmoedig hándelt, de anderen dat de mens overmoedig dénkt. Maar de wortel van het kwaad is in de twee gevallen dezelfde.
     Ik vind het argument niet op zijn plaats in discussies met een grote wetenschappelijke of technische component. De waarschuwing voor hubris kan heilzaam zijn als we ons persoonlijk, spiritueel of beroepsleven inrichten, of als politieke veranderingen moeten worden doorgevoerd waarvan we de gevolgen niet goed kunnen overzien. Maar als Icarus of de gebroeders Wright willen vliegen, hebben ze niets aan een preek over zelfoverschatting.  Wat zij nodig hebben, zijn een goede cursus over aerodynamica en materiaalkunde. Daarin mag ook het smeltpunt van was niet onvermeld blijven.