Posts tonen met het label Richard Dawkins. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Richard Dawkins. Alle posts tonen

zaterdag 29 augustus 2020

De meeste mensen deugen (6)



      La Rochefoucauld wou indertijd in zijn ‘Maximes’ dolgraag laten zien dat de mensen dóór een dóór egoïstisch en slecht waren. ‘Onze deugden zijn meestal vermomde gebreken,’ schreef hij. ‘Vriendelijkheid is het gevolg van ijdelheid, luiheid of angst. Eerlijkheid is een list om het vertrouwen van anderen te winnen.’ Het is briljant geformuleerd, er zit bittere waarheid in, maar het is allemaal erg eenzijdig. Iemand die geld geeft aan een bedelaar, doet dat om geprezen te worden, of om er een goed gevoel aan over te houden, uit egoïsme dus. Tja,  akkoord. Iemand die een bedelaar vermoordt om met het vet van het nog warme lijk zijn laarzen in te smeren, doet dat om warme voeten te hebben, eveneens uit egoïsme dus*. Ook akkoord. Toch is er een aanmerkelijk ethisch verschil tussen de twee handelswijzen.
     Bregman** doet iets soortgelijks als hij het Milgram-experiment bespreekt. Iemand die weigert elektrische schokken toe te dienen doet dat uit empathie met het slachtoffer, iemand die die schokken wél toedient doet het uit empathie met de bevelvoerder. In de twee scenario’s is hij een ‘supersamenwerker’, zoals Dirk van Duppen dat noemde. Met dat ‘samenwerken’ kan dan elke slechte daad worden verantwoord. Zo geeft Bregman toe dat er in New Orleans, in de crisissituatie veroorzaakt door de orkaan Katrina, wel degelijk een en ander misliep. ‘Er was veel geplunderd’, schrijft hij, ‘maar vooral door groepen die samenwerkten.’ (blz. 26, mijn cursivering) Is dat nu een verzachtende of verzwarende omstandigheid, vraag ik mij af?
     Het is anders niet verwonderlijk dat mensen als Bregman en Van Duppen de bereidheid tot samenwerken zo hoog op hun waardenhiërachie plaatsen.  Hun vijand is de ‘neoliberale’ maatschappij en die werkt naar hun mening uitsluitend volgens het tegenovergestelde principe: dat van competitie. Die moet weg. En dan zijn er twee mogelijkheden: ofwel geloof je in de ‘maakbare mens’, waarvan je het egoïsme, individualisme, en competitieve streven door chirurgie, pillen of opvoeding kunt verwijderen, ofwel geloof je dat dat egoïsme een laagje vernis is dat door de 1 procent machthebbers over de overige 99 procent wordt gespoten. In dat geval volstaat het om de machthebbers onschadelijk te maken om het vernis spuiten te stoppen.
     Een maatschappelijk ideaal dat eenzijdig uitgaat van een álgoede of álslechte mens is onrealistisch en alleen daarom al gevaarlijk. Als de mens slecht is, moet de verdorven meerderheid worden onderdrukt door een deugdzame elite (waar gaat men die vinden?) en als hij fundamenteel goed is, moet een kleine slechte minderheid worden onderdrukt (door wie?) zodat de goedheid van velen kan opbloeien. Lukt het met dat opbloeien niet zo goed, dan moet de zoektocht naar de vijanden van het Goede worden uitgebreid van 1 procent naar 2 procent en zó verder, en raak je op de duur opgescheept met Robespierre, Stalin en Mao. 
     Is onze huidige samenleving gebaseerd op een álslecht mensbeeld, op de egoïstische homo economicus, zoals Bregman beweert? Dat geloof ik niet. Een groot deel van het maatschappelijk verkeer – liefdesleven, vriendenkring, betrekkingen tussen ouders en kinderen – hebben weinig met de goede of slechte, maar alles met de complexe mens te maken. En de economie zelf, die we ‘kapitalistisch’ noemen – een term uitgevonden door haar vijanden – drijft tegelijk op doelbewust teamwerk binnen één bedrijf, competitie tussen vergelijkbare bedrijven, en nog het meest op win-winrelaties tussen complementaire bedrijven, en tussen verkopers en klanten.  Sommige van die win-winrelaties, zoals die in een supermarkt, zijn onpersoonlijk en spelen zich af tussen mensen die onverschillig staan tegenover elkaar. Het zij zo. Ook dát ligt in de menselijke aard, en het was iets wat Rousseau bijvoorbeeld heel goed wist.
     En dan: zijn samenwerken in teamverband wel het summum bonum, en individualisme en competitie het summum malum die Bregman ervan maakt? In het onderwijs vond ik dat er wel eens te véél werd samengewerkt, in vakgroepen en zo, met overbodige ruzie als gevolg. Anderzijds zou ik niet álle samenwerking door competitie willen vervangen. Dat lijkt mij vermoeiend. Toch heb ik met die competitie niet zon groot probleem mee als Bregman. Die wordt al zenuwachtig van een titel als ‘The Selfish Gene’ terwijl die zich hoogstens aan een doorzichtig antropomorfisme bezondigt. Bregman is heel gelukkig als Dawkins later toegeeft dat ‘The Cooperative Gene’ een even goede titel was geweest. Maar wat doet dat er allemaal toe? Bregman moet toch ooit gehoord hebben van de drogreden van compositie, waarbij eigenschappen van onderdelen met eigenschappen van het geheel worden verward. Wat kan het mij schelen of spermatozoïden al concurrerend of samenwerkend naar de eicel zwemmen. Zelf ben ik nooit een goede zwemmer geweest.
     De eenvoudige waarheid is dat competitie een aardige manier is om de menselijke luiheid te compenseren.*** Misschien hebben we die luiheid wel van onze voorvader de jager-verzamelaar geërfd. Ik moet in elk geval noch de jager-verzamelaar, noch de hedendaagse Homo Sapiens grondig bestuderen om die luiheid geïllustreerd te zien. Ik moet er niet eens mijn geliefde sofa voor verlaten. Maar Bregman denkt een andere oplossing te hebben om de menselijke luiheid te omzeilen: de intrinsieke motivatie. Die zou sterker doorwegen dan financiële afwegingen en er zelfs omgekeerd evenredig aan zijn.  Hij citeert bekende psychologische experimenten die laten zien dat stoppen met roken slechter werkt als me ervoor betaald wordt, of dat men zich minder houdt aan de afgesproken uren van de crèche als men daar een boete voor betaalt. 
     Maar er bestaan ook psychologische experimenten die aantonen dat een combinatie van extrinsieke en intrinsieke motivatie de beste resultaten geeft. Die sluiten goed aan bij wat we om ons heen zien. Veel wielrenners zouden ook zonder bolletjestrui of prijzengeld met gehijg en gesteun de Tourmalet, de Mont Ventoux of de Alpe d’Huez oprijden. Dat doen wielertoeristen ten slotte ook. Maar dromen van prijzengeld en gele, groene en bolletjestruien helpt in elk geval om het daar in Frankrijk 20 etappes lang vol te houden, ondanks de soms felle zon.
     Extrinsieke motivatie, materiële beloning, winstprikkel, concurrentie en competitie wérken. Ongetwijfeld krioelt het bij Apple en Microsoft van gedreven programmeurs en technici die ook in hun vrije tijd niets liever doen dan programmeren en ontwerpen, en wordt het bedrijf geleid door ceo’s die los van mogelijke bonussen een zo goed mogelijk product willen maken. Maar als er ter wereld maar één computerbedrijf bestond, met mooi afgesproken loonschalen volgens anciënniteit, dan zouden onze computers nu trager, groter, lelijker en duurder zijn dan in een systeem mét concurrentie. Het zouden Sovjetcomputers zijn.
     De mooie, snelle computer waar ik dit stukje op heb getypt, is het gevolg van samenwerking én competitie, van en tussen mensen met goede en slechte eigenschappen, en die gedreven zijn door idealisme, intrinsieke motivatie, inhaligheid en eerzucht.  Ik ben hen dankbaar.


* Het beeld komt van Arthur Schopenhauer.
** Mijn andere Bregman-stukjes vind je hierhierhier en hier en hier
*** Luiheid, gedefinieerd als aversie van onaangename maar nuttige activiteiten. De econoom Galbraith schreef ooit dat het meeste werk repetitief, vervelend, pijnlijk vermoeiend en mentaal uitputtend’ is. Mensen met een leuk werk, zoals leraren of kunstenaars, hebben daar minder last van en hebben bijgevolg een grotere intrinsieke motivatie. Hopelijk zorgt de technologie ervoor dat de onaangenaamste soorten werk stilletjes aan verdwijnen.  


zaterdag 23 juli 2016

Schrijfadvies

     Enige tijd geleden wou ik een stukje schrijven over het stijlhandboek van Robert Graves en Alan Hodge – The Reader Over Your Shoulder. Ik wist al hoe ik dat stukje zou beginnen: ‘Ik hou van handleidingen over stijl’. Dat kan nu niet meer. De psycholoog en taalkundige Steven Pinker heeft ondertussen zijn eigen stijlhandboek geschreven en hij begint met die zin.
     Steven Pinker behoort tot die rationalistische geleerden die zich bekwaamd hebben in het schrijven van boeken voor het grote publiek: Richard Dawkins, Daniel C. Dennett, Daniel Kahneman. Bij ons – Maarten Boudry. Die geleerden schrijven allemaal een erg heldere stijl, en als stijl alleen kwestie van helderheid was, verdienden ze allemaal een Nobelprijs voor de Literatuur. Dat vinden ze zelf ook, geloof ik. Dawkins stelde in een interview ooit voor om die prijs eindelijk maar eens aan zijn collega Pinker toe te kennen. En Pinker zelf opent zijn handboek met een stuk proza van ‘grootmeester’ Dawkins, als voorbeeld van ‘uitmuntende’ stijl*. Het tweede stuk proza dat hij geeft als voorbeeld van uitmuntende stijl is van zijn vrouw. Pinkers vrouw, niet die van Dawkins.
     Ik heb het handboek met instemming en ergernis gelezen. Instemming, omdat ik het ongeveer met alles eens ben, en ergernis, vanwege … de stijl. ‘Le style, c’est l’homme même’, schreef Buffon, ‘de stijl is de mens zelf’ en die mens is, in Pinkers geval, een lichtjes geniale, maar ook lichtjes puberale, betweter. Ik zal het nog sterker zeggen, als ik hem lees, kom ik een onuitstaanbaar deel van mijzelf tegen. Hij schrijft woorden die ik ook zou schrijven en gebruikt wendingen die ook zou gebruiken – maar die ik bij herlezing weer zou schrappen, in de hoop mij beter voor te doen dan ik ben. Pinker schrapt die woorden en wendingen niet en is dus een eerlijker schrijver.
     Het boek van Pinker heet The Sense of Style – A Thinking’s Person’s Guide to Writing. In minder politiek correcte tijden zou dat A Thinking Man’s Guide geweest zijn, waarbij je onwillekeurig denkt aan Playboy-interviews, mooie schoenen en martini cocktails ‘shaken not stirred’. De ondertitel is echter meer dan alleen een ironische verwijzing naar glamoureus snobisme. Het is de samenvatting van Pinkers opzet. Hij wil niet alleen stijladviezen geven, hij wil die adviezen ook met redenen omkleden, zodat de ‘denkende persoon’ voor zichzelf kan uitmaken of hij in een welbepaald geval een advies al dan niet volgt. Die redenen worden gestaafd met hedendaags wetenschappelijk onderzoek.
     Ik ben het boek nu aan het herlezen omdat ik het wil gebruiken in mijn Nederlandse lessen. Het bevat veel van de regels die je ook in andere handleidingen vindt. Ik doe maar een greep:

-          Vervang passieve werkwoordsvormen door actieve
-          Gebruik werkwoorden in plaats van substantieven die van die werkwoorden
         zijn afgeleid
-          Leg verbanden door middel van verbindingswoorden
-          Schrap overbodige woorden
-          Varieer de zinsconstructie
-          Vermijd ‘elegante variatie’ met synoniemen.
     Andere handleidingen voegen daar een algemene waarschuwing aan toe dat je die regels ‘niet al te strikt mag volgen’. Niet overdrijven is de boodschap en mate is tallen spele goed. Dat is wel juist, maar daar heb je niet veel aan. Pinker doet dat anders. Hij legt nauwgezet uit wanneer je die regels niet mag volgen – wanneer je passieve werkwoorden moet laten staan – wanneer je substantieven afgeleid van werkwoorden wél gebruikt, verbindingswoorden schrapt, overbodige woorden toevoegt, zinsconstructies eentonig houdt en, ondanks alle waarschuwingen, synoniemen gebruikt. Hij weet zelfs welke synoniemen dat moeten zijn. Dat moeten woorden zijn met een ruimere betekenis dan het te vervangen woord.
     Als mijn leerlingen al die adviezen en tegenadviezen van Pinker volgen, dan zullen ze zeker helderder leren schrijven. Of er onder hen ook toekomstige Nobelprijswinnaars zijn, dat zal de tijd leren.

* Deze zin heb ik enkele malen herschreven om beter te beantwoorden aan de adviezen van Pinker.

zaterdag 4 juni 2016

Strijdende godloochenarij

    Onlangs was ik bij iemand op bezoek. Op de koffietafel lag een mooi uitgegeven boek van van Richard Dawkins. ‘Nog altijd atheïst?’ vroeg ik benieuwd. ‘Ja,’ antwoordde de gastheer, ‘maar ik doe er niets mee.’
      Dat zou mij, toen ik atheïst was, niet overkomen zijn –  dat ik er niets mee deed. Iedereen moest het horen. Ik kwam als zeventienjarige op een jeugdkamp terecht dat werd geleid door enkele ‘christenen voor het socialisme’, priesters en uitgetreden priesters. Wat heb ik die mensen de oren van de kop gezeurd met mijn ‘godsdienst is opium van het volk’. Of was het ‘voor het volk’? Er staat mij vaag voor dat daar een belangwekkend verschil tussen was. In elk geval, die christenen bleven beaat glimlachen, daarbij af en toe in een andere richting kijkend, in plaats van mij met mijn hele hebben en houden het kamp uit te gooien. Christelijke lankmoedigheid. Bah!
     In de Franse les moesten we een gedicht kiezen en voordragen. Ik koos een stuk uit de lange tirade ‘La crosse en l’air’ van Jacques Prévert (1900-1977)

     Je ne suis pas libre penseur dit le veilleur
     je suis athée
     A comme absolument athée
     T comme totalement athée
     H comme hermétiquement athée
     É accent aigu comme étonnamment athée
     E comme entièrement athée
     pas libre penseur
     athée
     il y a une nuance.


     De leraar vond het niet erg.
     Later, veel later, werd ik dan zelf zo’n vrijdenker, of, met een geleerder woord, een agnost. Dat kwam omdat ik de boeken van Schopenhauer (1788-1860) las. Schopenhauer beweerde twee dingen. Eén: alle godsdiensten zijn eigenlijk verzinsels, het ene al wat krankzinniger dan het andere. Maar, twee, in al die godsdiensten zit ergens, goed verborgen, een vage waarheid – dat de stoffelijke wereld niet de enige wereld is, dat er áchter die stoffelijke wereld – mit allen ihren Sonnen und Milchstrassen – een zedelijke wereld staat, die groter is, en duurzamer, en verhevener.
     Schopenhauer kon het bestaan van die wereld niet bewijzen. Wat hij wel kon was een groot aantal vaak originele inzichten over zielkunde, kennisleer, moreel aanvoelen en schoonheidsbeleving in overeenstemming brengen met het bestaan van zo’n onzichtbare zedelijke wereld. Ik dacht, se non è vero, è ben trovato. De knorrige filosoof legde zijn leer bovendien over met een groot gevoel voor humor, een brandende overtuiging en in een glashelder Duits dat zelfs ik, ondanks of misschien wel dankzij de lange, kronkelende zinnen, prima begrijpen kon. En zo werd ik een agnost – iemand die het niet weet – want over die andere wereld, zegt Schopenhauer, weten we eigenlijk – niets.
     Van agnosten beweert men dat het angsthazen zijn. Friedrich Engels (1820-1895) vond agnosten beschaamde atheïsten. De al vermelde Richard Dawkins vindt ze bangelijke twijfelaars – fence-sitters. En Flor Vandekerckhove noemt ze op zijn blog, die ik altijd met genoegen lees, kort en krachtig ‘lafaards’ (hier).
     Als ik naar mezelf kijk, moet ik Friedrich en Richard en Flor gelijk geven. Er zal wel eens een moedige agnost bestaan hebben, maar voor een bepaald soort dapperheid moet je vooral bij de Ware Gelovige zijn – de moslim die zichzelf opblaast, de vroege christen die zich bereidwillig door wilde dieren laat verscheuren in de arena. Ook een strijdende godloochenaar zie ik, als het moet, vastberaden het schavot beklimmen, om nog een laatste keer uit te schreeuwen dat Hij luister-dan-toch-eens niet bestaat!!
     Ik zie het mij niet doen, op het schavot luid staan roepen: ‘Ik weet het niet!’