Posts tonen met het label milieu. Alle posts tonen
Posts tonen met het label milieu. Alle posts tonen

zondag 28 juli 2019

Het volgebouwde Vlaanderen van de bouwmeester

 ‘Vlaanderen raakt stilaan volgebouwd,’ zegt de bouwmeester*. ‘Er moet dringend meer open ruimte komen.’ Bij die eerste mededeling kun je de vraag stellen: is dat zo? En bij de tweede kun je je afvragen: waarom? Laat ik met dat tweede beginnen. Waarom moet er dringend meer open ruimte komen? 
     In het Verre Oosten wordt al eeuwen nagedacht over de vraag welk geluid een omvallende boom maakt in een verlaten bos. Sommige wijsgeren denken dat die géén geluid maakt omdat er niemand is om dat geluid te horen. Je kunt je hetzelfde afvragen van de open ruimte van de bouwmeester. Hoe zal die eruitzien als geen menselijk oog die nog kan bezichtigen**. Het mensenras heeft zich in de utopie van de bouwmeester teruggetrokken in dorpskernen en steden en heeft de natuur overgelaten aan de vroeger bedreigde diersoorten. De mens heerst in stad en dorp en op het platteland heerst de wolf. Alleen in heel strenge winters komt die laatste wel eens de stad binnengeslopen om een kind op te eten dat op weg is naar school. Vooral kinderen van huizen met een lage mobiscore omdat ze ver van een school liggen, zullen daar het slachtoffer van zijn. 
     Of misschien krijgen we het platteland wél te zien, met name als we langs de fietsostrades van de ene dorpskern naar de andere, en van de ene stad naar de andere snorren. Met een goede speedelec haal je een snelheid van 45 kilometer per uur. Daarmee maak je een redelijke kans tegen een uitgehongerde wolf. En je kunt ten volle genieten van de schoonheid van de natuur, niet gehinderd door autoverkeer of door de aanblik van villa’s, landhuizen, fermettes en andere open bebouwing.
     Die schoonheid van de natuur is mij anders wel wat waard. De vraag daarbij is echter ook: hoe veel? Economen hebben geloof ik manieren ontwikkeld om zoiets te berekenen. Ik ken die manieren niet; ik doe het dus op mijn manier. Als ik naar school fiets en ik neem de kortste weg, dan doe ik daar een half uur over. Ik kom dan langs heel veel lintbebouwing en ik heb voortdurend te maken met lawaai en stank van auto’s en vrachtwagens. Ik zou ook een andere weg kunnen nemen. Dan rijd ik bijna uitsluitend door velden en zelfs bossen. Bij een stukje van die weg zing ik altijd: ‘Dit is klein Zwitserlá-ánd.’ Maar ik neem die weg haast nooit want ik zou er dan, schat ik, zeven minuten langer over doen. Dat heb ik er blijkbaar niet voor over.
     Je kan het meer algemeen benaderen. Als we een half uur rondrijden met de fiets of de auto, dan wordt het plezier dat we putten uit de aanschouwing van bossen en velden vergald door elk huis langs de weg. Maar in dat huis wonen mensen die vele uren per dag plezier putten uit dezelfde aanschouwing van bossen en velden. We zouden dat plezier van die fietsers, autobestuurders en bewoners kunnen optellen, vermenigvuldigen en delen en dan met elkaar vergelijken. In de lagere school kreeg ik les in een klaslokaal op de tweede verdieping. Vandaaruit had ik een mooi uitzicht op een nabij bos. Ik heb daar vaak met veel genoegen naar gekeken. Maar misschien was mijn school wel gebouwd op de plaats waar vroeger ook een bos lag. Wat weegt het zwaarste?
     Maar er móet meer open ruimte komen, zegt de bouwmeester, en hij haalt er de Verenigde Naties bij. Die hebben namelijk bepaald dat, omwille van de biodiversiteit, 25 procent van Vlaanderen uit natuur moet bestaan, terwijl het nu maar 6 procent is. Ik vind dat om twee redenen raar. Zouden de Verenigde Naties echt een quotum hebben opgelegd voor Vláánderen? Je zou denken dat die instelling werkt met lánden, en niet met regio’s, provincies, arrondissementen of kantons. Of neemt men daar in de VN al een voorschot op de Vlaamse onafhankelijkheid? En dan: die 6 procent natuur lijkt mij nogal weinig als ik het vergelijk met wat ik zag door het vliegtuigraampje bij onze reis naar Wenen enkele weken geleden. Zo volgebouwd leek ons land toen niet. 
     Laten we daarom de cijfers van de overheid eens bekijken. Dan ziet het Vlaamse bodemgebruik er zo uit:  

- Wegen én industrie: 10 % 
- Woongebied: 15 %
- Bos: 15 % 
- Landbouwgebied: 60 % 

     Dat lijkt al beter op mijn vliegtuigraampjesindruk. Ik heb die cijfers hier wat afgerond**, zodat ik ze zelf kan onthouden, maar er blijkt in elk geval uit dat er in Vlaanderen heel wat meer ‘natuur’ aanwezig is dan de 6 procent van de bouwmeester laat vermoeden.
     De bouwmeester zegt in het interview met De Morgen (hier) dat er dringend 19 procent extra natuurgrond moet komen. 19 procent van de totale Vlaamse oppervlakte ... waar moet die vandaan komen? Met het innemen van de smalle strookjes lintbewoning en het afbreken van enkele oude hoeves zullen we vrees ik niet aan één procent komen. Dan valt toch al één reden weg om daar zo tekeer over te gaan. De bouwmeester wil tegelijk de industrieterreinen saneren. Daar kan misschien ook een procent gewonnen worden. Anderzijds kunnen er ook nieuwe industrieën bijkomen die juist meer terrein nodig hebben. Dan zijn we dat procent weer kwijt.
     Elk kind dat de cijfers ziet, begrijpt dat bijna alles van die 19 procent nieuw natuurgebied van de landbouw zal moeten komen. Ach ja, misschien is 60 % wel wat veel voor een sector die slechts 0,7 % van onze bbp voortbrengt. Misschien kunnen betere technieken, genetische manipulatie en een slimmere keuze van de gewassen wel meer halen uit een kleinere oppervlakte. Maar dat soort oplossing past niet goed bij het extremistische inborst van de bouwmeester. Hoe het dan wel moet? ‘Begin vorige eeuw,’ zegt hij in het interview, ‘ging de helft van het gezinsbudget naar eten, vandaag nog 5 procent****. […] We moeten naar een lokale duurzame biolandbouw, met voedsel dat minstens drie keer duurder wordt.’ Die berekening van het het gezinsbudget is wellicht niet helemaal juist. Volgens Statistiek Vlaanderen besteedden de inwoners van het Vlaamse Gewest in 2022 gemiddeld 12,7 procent van het huishoudbudget aan voedingswaren. Dat komt overeen met 2.226 euro aan voeding per jaar per inwoner. Dus 189 euro per maand.
     Was dat geen mooie kop geweest voor het interview in De Morgen?  ‘Bouwmeester eist dat voedsel minstens drie keer duurder wordt.’ Of ‘Bouwmeester wil dat 38 % van gezinsbudget naar eten gaat.’ Of nog ‘Bouwmeester wil meer biolandbouw en daling van koopkracht met 30 %.’ 
     Mocht morgen de bouwmeester bij zijn dagelijkse wandeling van zijn appartement naar zijn werk overreden worden, dan zal ik in de eerste plaats aan een spijtig ongeluk denken. Maar mocht er toch boos opzet in het spel zijn, dan kijk ik meteen in de richting van Groen. Dat zijn geloof ik heel brave mensen, maar ook die hun geduld met dergelijke provocateurs in eigen rangen moet vroeg of laat uitgeput raken.



* Over de bouwmeester schreef ik ook al (hier) en (hier).

** Zaken die we niet kunnen bezichtigen of ervaren, hebben ook hun waarde voor de mens. Economen spreken van existence value’, we halen voldoening uit de wetenschap dat ze bestaan. Ik denk aan de ongerepte ijsvlakten van Antarctica. Alleen al de gedachte dat daar lelijke onderzoeksstations staan opgesteld doet mij huiveren. Maar als er een goedkope en schone energiebron zou worden ontdekt, zou ik toch niet aarzelen. 

*** Voor exactere cijfers verwijs ik naar de blog van Andreas Thirez en naar het Vlaamse Milieurapport. Uit dat laatste blijkt bijvoorbeeld dat de werkelijke oppervlakte die in 2017 werd ingenomen door woongebied slechts 12,31 % bedraagt. Dat is dan in tegenstelling met het geplande woongebied dat 16,7 % bedraagt. 

**** Wellicht heeft de bouwmeester het gemiddelde bruto-inkomen gedeeld per inwoner gedeeld door de som die aan voedingswaren wordt besteed. 

       
    

zaterdag 27 juli 2019

De Vlaamse bouwmeester versus ons landhuis

     Als ik aan niets in het bijzonder aan het denken ben, komen mijn gedachten soms uit bij onze Vlaamse bouwmeester Leo Van Broeck (hier). Dat komt goed uit zul je zeggen, die man is ook niets bijzonders. Dat is mogelijk. Maar enige weken geleden moest ik mij geweld aandoen om geen sympathie voor hem te krijgen. Hij werd om zijn onvoorzichtige uitspraken aangevallen door lui als Joël De Ceulaer, Bart Eeckhout, Mark Van de Voorde en zelfs Bert Bultinck. Dat is een gezelschap waar ik mij niet erg thuis voel en van de weeromstuit vroeg ik mij af of de architect-ambtenaar misschien toch ergens iets verteld had dat de moeite waard was.  Ik heb toen een aantal stukken van hem gelezen (hier en hier),  en de aanzet tot sympathie was meteen al weer weg.
     De Vlaamse bouwmeester wil, dat is bekend, komaf maken met wat hij minachtend ‘Fermettegem’ noemt. Villa’s, landhuizen, open bebouwing in tuinwijken of langs de weg, dat moet allemaal op termijn verdwijnen. Wonen doe je voortaan in een rijtjeshuis of op een appartement, het eerste voor wie de dorpskern verkiest, het tweede voor wie voorkeur geeft aan de grote stad. Rijtjeshuizen en appartementen, dat is het ware.
     Zelf voel ik daar niet voor.
     Ik heb mijn jeugd in een rijhuis doorgebracht en mijn jonge volwassenheid in een appartement;  mijn rijpere jaren breng ik nu door in een landhuis aan de rand van een bos. Ik ben op alle drie de plaatsen gelukkig en ongelukkig geweest, maar aan dat landhuis heb ik mijn hart verpand, nog vóór de koop gesloten was.  ‘Als jij het niet koopt, koop ik het,’ zei ik tegen mijn vrouw. De eerste vijftien jaar dat ik er woonde, had ik elke dag het gevoel dat ik op vakantie was, vooral na die tien jaar in het drukke Brussel. Dat vakantiegevoel is nu wat minder, maar het is er nog altijd een beetje.  Als we soms een winterse boswandeling maken en bij de terugkeer zie ik van in de verte ons huis tussen de bomen, dan zeg ik luidop tegen wie naast mij loopt – meestal is dat mijn vrouw – : ‘De mensen die daar wonen, dat moeten de gelukkigste mensen ter wereld zijn.’
     Maar voor de bouwmeester is onze manier van wonen ‘crimineel’. Hij heeft zijn uitspraak later genuanceerd. Crimineel is niet het gedrag van de landhuisbewoners maar dat van de overheid die toelaat dat nieuwe landhuizen worden gebouwd. Aangezien wij een huis gekocht hebben dat er al stond, hebben mijn vrouw en ik dus geen criminele daad gepleegd. Maar we hebben wel voor verzwarende omstandigheden gezorgd: het aanleggen van een gazon en het planten van een haag. Die zaken noemt de bouwmeester een ‘toonbeeld van individualisme’. Je zegt daar immers mee: ‘Laat mij gerust achter mijn haag’. Nou ja, misschien heeft hij daar wel gelijk in. We worden graag gerust gelaten.

     Onze Vlaamse manier van wonen, beweert de bouwmeester, is door de grote verplaatsingen die ze meebrengt, slecht voor het milieu. Dat weet ik nog zo niet. Toen we op een appartement in Brussel woonden, reed mijn vrouw elke dag 51 kilometer naar haar werk in Antwerpen. Toen ze later van bij ons nieuwe huis in Keerbergen vertrok, moest ze maar 35 kilometer rijden. Ze had in Brussel natuurlijk ook de trein kunnen nemen, zoals het eerste jaar dat we daar woonden. Ons appartement lag op een kwartier lopen van het Noordstation. Maar mijn vrouw had een grote hekel aan die dagelijkse treinreis. Het had iets met de schommeling van de wagons te maken. We leefden dus zo zuinig mogelijk en met ons eerste geld kochten we een tweedehands Skoda (hier) waardoor die trein niet meer nodig was.
     Mijn geval was anders. Ik was in Brussel gewoon om naar het werk te gaan met tram en metro en dat kostte mij veertig minuten heen en veertig minuten terug.  Op die tram zat ik samen met VRT-mensen die onder elkaar een correct maar nogal onnatuurlijk Algemeen Nederlands praatten. Toen we echter naar Keerbergen verhuisden, kwam een einde aan die tram-metrogeschiedenis. Ik probeerde het eerst met de auto, maar dan kwam ik in een file terecht die mij gemakkelijk twee keer anderhalf uur per dag kostte. Ik probeerde het met het openbaar vervoer maar dan duurde het nóg langer. Ik wist toen nog niet wat ik nu dankzij de bouwmeester wel weet: dat zulke lange verplaatsingen de oorzaak zijn van echtscheidingen, stress, burn-outs en obesitas, en wellicht ook van hoofdschilfers, verweking van het ruggenmerg en harige handpalmen. Toch vond ik dat woon-werkverkeer vervelend genoeg om van werk en van beroep te veranderen. Nu ga ik elke dag met de fiets naar de school waar ik lesgeef.
      ’t Is waar, er zijn nog andere verplaatsingen. Waar we nu wonen hebben we onze dichtstbijzijnde winkel op 2,4 kilometer. In Brussel konden we op de hoek van de straat terecht in de winkel van Madame Mirkos, die tot ’s avonds laat open was. Daar staat tegenover dat de Colruyt nu dichterbij ligt. De bouwmeester pocht dat hij vanuit zijn Brussels appartement tweehonderd restaurants binnen wandelafstand heeft. Zoiets hebben wij niet. Maar in Brussel gingen we altijd naar hetzelfde Italiaanse restaurant dat weliswaar in het verlengde van onze straat lag, maar wel zo ver dat we toch de auto moesten nemen. Dat deden wij wekelijks, terwijl we nu amper nog op restaurant gaan.
      De bouwmeester beweert dat wonen op het platteland een enorme kost betekent voor de maatschappij. ‘De thuiszorg,’ zegt hij bijvoorbeeld, ‘rijdt op het platteland 600 000 kilometer per dag. Vijftien keer de planeet rond.’* En hoe kunnen we die misstand de wereld uit helpen? Eenvoudig genoeg. ‘Als je al die vereenzaamde bejaarden in hun verkavelingsvilla’s naar woonzorgcentra in het centrum verhuist, los je veel op.’ Zo staat het er.
     Hoe zal dat verhuizen in zijn werk gaan, vraag ik mij bezorgd af. Als mijn vrouw en ik binnen twintig jaar vereenzaamde, zorgbehoevende verkavelingsbejaarden zijn, hoe zal de bouwmeester ons dan naar het woonzorgcentrum krijgen? Komt hij ons persoonlijk overtuigen van de voordelen van dat centrum dat ongetwijfeld alle mogelijke collectieve voorzieningen zal bundelen? Met een wandelpark met bankjes, een zaaltje om te schaken en een zaaltje om naar muziek te luisteren terwijl we rustig de dood afwachten. Misschien kan de bouwmeester zijn licht opsteken bij de mooie televisiereeks Chernobyl. Daar zagen we Sovjetsoldaten van huis tot huis trekken om de mensen te evacueren. Een weerbarstige boerin bleef liever wonen waar ze woonde. Dat stralingsgevaar kon nooit zo erg zijn als wat ze al had meegemaakt: witte gardisten, rode gardisten, georganiseerde hongersnood door Stalin, nazibezetters. Ten einde raad nam de soldaat zijn pistool en … schoot haar koe dood.
     Maar wij, wij hebben geen koe, en wij zijn ook niet van plan er in de toekomst een te nemen. Díe oplossing is dus al uitgesloten. 


  * Dat vijftien keer de planeet rond maakt op mij weinig indruk. Als je alle rode bloedcellen van één mens naast elkaar legt, kom je ook al vijf keer de planeet rond. Liever weet ik bijvoorbeeld waar ik die cijfers kan controleren. Of wat de cijfers zijn voor de ons omringende landen. Of wat die 600 000 kilometer betekenen in het geheel van de dagelijkse autokilometers in Vlaanderen. (Dat zou 0,4 procent zijn als ik even nareken; dat is nogal veel.) Nóg liever zou ik weten om hoeveel kilometer het gaat per zorgbehoevende. En hoeveel nieuwe woonzorgcentra er dan moeten komen om de villa- en landhuisbewoners op te vangen.  En welke hoeveelheid CO2 er bij de bouw daarvan in de atmosfeer terecht zal komen.

maandag 15 juli 2019

Wat gelooft de Vlaamse bouwmeester?

 In de televisieserie How I Met Your Mother is er een personage dat Garrison Cootes heet. Cootes is een advocaat die zijn hele loopbaan processen heeft gevoerd om de natuur te beschermen en het klimaat te redden. Op een bepaald moment raakt hij ervan overtuigd dat er niets meer aan te doen valt. ‘I’ve seen the research,’ zegt hij. Hij trekt daaruit de enige logische conclusie. In plaats verder te zwoegen op dossiers en wetboeken, geeft hij voor zijn medewerkers elke dag een feest met taart. En als de taart op is, bestelt hij een nieuwe, nog grotere taart.
     Zelf geloof ik dat het met het klimaat wel goed komt.  We zullen, een beetje laattijdig, overschakelen op kernenergie, wat de CO2-productie gevoelig zal verminderen. We zullen technieken ontwikkelen om als dat nodig is de aarde af te koelen, en die technieken zullen binnen twintig jaar goedkoper zijn dan de zonnepanelen en windmolens van nu, omdat binnen twintig jaar álles goedkoper zal zijn. Ik ben daar misschien te optimistisch in, maar dat is nu eenmaal wat ik geloof. Ik heb dus geen reden, of excuus, om elke dag taart te eten.
     Maar hoe zit dat met de klimaatalarmisten, de vijf-voor-twaalf-mensen? Wat geloven die? Zullen die op taart overschakelen als hun deadline overschreden is? Wat zal Nic Balthazar doen als de groene revolutie binnen 20 jaar niet heeft plaatsgevonden? Want daarna is het volgens hem te laat om nog iets te beginnen.
     Er zullen natuurlijk klimaatalarmisten bestaan die overdrijvingen gebruiken als strategie om ‘de mensen wakker te schudden’. Maar vele anderen geloven écht in hun sombere voorspellingen. Alleen, wat is écht geloven? Toen ik twintig was geloofde ik samen met mijn vrienden écht in de komende communistische revolutie. Onze deadline was vijftien-twintig jaar. Tegelijk moet toch ook, diep verborgen onder metersdikke ideologie, het besef geleefd hebben dat er misschien wel helemaal geen revolutie zou komen.
     Onze Vlaamse bouwmeester Leo van Broeck is, geloof ik, goed bevriend met Anuna Dewever en Nic Balthazar. En wat zei hij onlangs in Het Nieuwsblad: ‘
Het wederopbouwen van goed gelegen woningen is iets minder urgent, aangezien de creatie van natuur en open ruimte nog net iets dringender is dan het terugdringen van onze uitstoot.’ Ik moest het twee keer lezen. Het bestrijden van lelijke lintbebouwing en het creëren van leefruimte voor wilde dieren is dus ‘nog net iets dringender dan het terugdringen van onze uitstoot.’* Terwijl volgens zijn vriend Nic Balthazar niets minder dan het voortbestaan van de mensheid afhangt van die uitstoot. Wat maakt die bouwmeester zich toch druk om autostrada’s en verkavelingen als straks heel Vlaanderen toch door de zee wordt overspoeld?
     Of gelooft de bouwmeester die klimaatalarmisten toch maar half? 
 


* Ik ken overigens genoeg mensen die nu zouden aanhalen dat die lintbebouwing, autostrada’s en verkavelingen alles te maken hebben met onze uitstoot. Dat zo’n bewering, waar of onwaar, geheel buiten de discussie valt, lijken ze niet te begrijpen.

woensdag 27 februari 2019

Kerncentrales of brandhout

     Laatst werd ik getroffen door een wat ongelukkige kop in  Het Laatste Nieuws: ‘Experts maken brandhout van voorstel op N-VA-congres.’ ’t Ging over de nieuwe kerncentrales die ‘volksverlakkerij’ werden genoemd. Dat woord ‘verlakkerij’ vind ik wel aardig, maar ik had met de kop twee problemen. Ten eerste, dat brandhout. Dat is in de context een ongelukkige metafoor. Als we iets aan het milieu willen doen, moeten we juist van dat brandhout af zien te komen. En twee, die experts. Zoals het er staat, lijkt het wel of álle experts, of laten we zeggen 97 % ervan, tegen nieuwe kerncentrales zijn. In werkelijkheid laat Het Laatste Nieuws vier experts aan het woord. Als ik wat zoek, vind ik misschien vier experts die het tegenovergestelde beweren.
     Een van die experts is Alex Polfliet die consultancy aanbiedt over hernieuwbare energie. Hij vindt – wie had dat ooit kunnen vermoeden?– dat hernieuwbare energie beter is dan kernenergie. Een andere expert is Axel Verbruggen die milieu-econoom is aan UAntwerpen. Hij heeft zijn informatie van de ceo van Engie. Die heeft hem gezegd dat kernenergie ‘een aflopend verhaal’ is. Dat kan natuurlijk, maar ik vind dat de expert zoiets aan de ceo moet vertellen en niet andersom.
     Dan hebben we Pieter Vingerhoets van Energieville. Die vindt dat gascentrales beter zijn dan kerncentrales. ‘Efficiënte’ gascentrales, zegt hij, stoten weliswaar CO2 uit, maar nu hebben wij onze rechten op CO2-uitstoot verkocht aan andere landen. Als we die rechten nu terugkopen, moeten die andere landen hun CO2-uitstotende installaties sluiten. Ja, dat is waar. Overigens vraag ik mij af waarom we eigenlijk efficiënte gascentrales zouden bouwen. Onefficiënte centrales zouden beter zijn, want daarmee stoten wij nog meer CO2 uit, kunnen we nog meer rechten terugkopen en moeten die anderen landen nog meer installaties sluiten.
    Ten slotte hebben we Tomas Wyns van de VUB. Hij is het die het mooie woord ‘volksverlakkerij’ gebruikt. Zijn argumentatie wordt door de krant op zo’n manier weergegeven, dat je er kop noch staart aan krijgt. Hij lijkt het te hebben over de bouwtijd van nieuwe centrales, maar wellicht heeft hij het in werkelijkheid over de kostprijs. We zouden het aan hemzelf moeten vragen, want uit het krantenstuk komen we het niet te weten.
    Maar Tomas zegt ook iets dat mij doet mijmeren. De kernenergie, zegt hij, kan bij ons niet binnen de private markt. Het zou alleen kunnen met een ‘overheidsvehikel’. ‘Zoiets kan wel in China, maar niet bij ons,’ verduidelijkt hij.
     Als voorstander van de private markt en tegenstander van ‘overheidsvehikels’ moet ik zo’n argument even laten bezinken. Is de private markt niet in staat om de grote investeringen te doen die de bouw van een kerncentrale meebrengt? Dat zou me verwonderen. In de Noorse tv-serie ‘The State of Happiness’ (Lykkeland) kun je zien hoe Amerikaanse bedrijven hele grote bedragen investeren om de Noordzeebodem af te speuren naar olie en om boorplatforms te bouwen. Waarom zouden ze zulke bedragen niet kunnen investeren in kerncentrales?
    Daar zijn natuurlijk verschillende redenen voor. Zolang gascentrales goedkopere elektriciteit leveren, kun je beter dáár je centen in investeren. Maar als die elektriciteit uit gas duurder wordt gemaakt door CO2-taksen, valt die reden weg. Maar dan blijft er een andere reden: de onzekerheid over de toekomst. Nu moet wie investeren wil, zijn zenuwen onder controle hebben en om kunnen gaan met economische onzekerheid, anders zoekt hij beter een andere hobby. Maar met politieke onzekerheid ligt dat anders.
     Stel, je wil een kerncentrale bouwen. De prijs van een kerncentrale wordt voor een heel groot deel bepaald door de veiligheidsvoorschriften. Je  gaat bijvoorbeeld een centrale bouwen waarbij de kans op een meltdown is teruggebracht tot 1 op 10 miljoen jaar. Maar halverwege de bouwwerken, beslist de regering dat die kans moet verminderd worden naar 1 op 100 miljoen jaar. Daar sta je dan. Je kerncentrale kost dan niet drie keer meer dan je eerst had gedacht – want je had de kosten onderschat – maar dertig keer meer. Of nog sterker. Groen komt in de regering en dwingt een kernuitstap af. Het enige wat je nog kunt doen, is een schadevergoeding te eisen.

     Die politieke onzekerheid lijkt mij de belangrijkste reden waarom de private sector eerst nog een poos de kat uit de boom zal kijken. En het is meteen de verklaring waarom de zaken er in China anders voorstaan. Beslist de Chinese regering om kerncentrales te bouwen, dan moet niemand vrezen dat die beslissing en cours de route wordt herzien, na een tegenvallende verkiezing.
     Ik verwacht eigenlijk veel van de Chinese kameraden. Of kerncentrales nu economisch rendabel zijn of niet, zal daar in de praktijk worden uitgemaakt. Een staatseconomie als de Chinese is niet het beste systeem om de noden van de consumenten te kennen, sectoren op elkaar af te stemmen of om de totale behoefte aan energie correct in te schatten. Maar men moet er wel min of meer in staat zijn om af te wegen hoe eenzelfde product – elektriciteit – op de meest kostenefficiënte manier wordt geproduceerd.
     In mijn revolutionaire jeugd wist ik het al: het Rode China is een lichtbaken voor de hele wereld.

donderdag 27 oktober 2016

CETA, de vrije handel en de milieuvervuiling

Nobelprijswinnaar Economie Krugman vindt de vrijhandel
van Adam Smith en David Ricardo nog altijd actueel
          Hoewel veel deelnemers aan het debat over CETA beweerden dat ze de 1.600 bladzijden van het akkoord niet gelezen hadden, kwam je bij hen toch verrassend vaak erg gedetailleerde argumenten tegen. Zo leerde je ook een keer wat nieuws. Tot voor kort kende ik het verschil niet tussen ISDS-arbitrage en ICS-arbitrage. Ik geloof dat ik voor ISDS ben, maar pin me er niet op vast. ’t Was allemaal erg vermoeiend.
     Het was dan ook met opluchting dat ik een stuk las van professor De Grauwe die ruimhartig bekende dat die details er niet zoveel toe deden, want dat het akkoord in wezen om de wereldwijde vrije handel ging. Dat was ‘des Pudels kern’ en dat vond ik ook. Maar Professor De Grauwe was tegen die wereldwijde vrije handel – die hij ‘globalisering’ noemde –  of toch min of meer tegen, net als professor Holslag die een paar dagen eerder een soortgelijk stuk publiceerde (1).
      Dat is eigenaardig, want de voordelen van vrije handel zijn gemakkelijk te begrijpen. Als Portugal beter is in het maken van wijn, en Engeland is beter in het maken van katoentjes, dan moeten die twee landen zich maar specialiseren in wat ze het beste doen en daarna hun overschot naar elkaar uitvoeren. Dat is de vrije handel. Er moeten helemaal geen afspraken worden gemaakt over hoeveel wijn Portugal naar Engeland mag of moet uitvoeren. Alles wordt geregeld door de consument die prijs en kwaliteit vergelijkt. De Engelse wijnliefhebber ziet in de winkel goedkope Portugese wijn liggen en besluit, na uitgebreid proeven thuis, dat die beter smaakt en minder hoofdpijn geeft dan het inheemse bocht (2). Hij moet dus geen twee keer nadenken over welke wijn hij voortaan koopt. Het gevolg is dat de Engelse wijnproducent met zijn Engelse wijn blijft zitten, bankroet gaat en overschakelt op het maken van eerteklas katoentjes die hij dan in Portugal gaat verkopen.
     En het mooie is dus – nogmaals – dat daar geen afspraken voor moeten worden gemaakt. Er moet niet worden afgesproken dat de ene iets van de andere koopt op voorwaarde dat de andere iets terug koopt. Als de Portugezen zo dwaas zijn om geen goedkope Engelse katoentjes te kopen, dan is dat jammer voor de Portugezen, maar dat is voor de Engelsen nog geen reden om dure, slechte Engelse wijn te drinken. Die Engelse katoentjes die de Portugezen niet willen, moeten dan maar aan iemand anders worden verkocht, desnoods aan de Engelsen zelf, die nu toch geld teveel hebben sinds ze goedkoop wijn kunnen drinken.
     Nu zegt u misschien – Clerick, dat zijn praatjes van lang geleden, toen er nog geen mobieltjes werden ingevoerd vanuit Korea en de katoentjes nog niet uit China kwamen. Die praatjes over Portugal en Engeland, en over de wijn en de katoentjes, waren misschien wel toepasselijk in de tijd van Adam Smith en James Mill en David Ricardo en Frédéric Bastiat. Maar de economische wetenschap weet ondertussen beter.
     Wel – eigenlijk niet. De productietechnieken zijn de laatste 200 jaar veranderd, maar de wetten van de logica niet, en de menselijke drijfveren evenmin. Als ik een mobieltje wil kopen, kijk ik ook naar prijs en kwaliteit, net als die 19de-eeuwse Engelse wijnliefhebber.
     Paul Krugman, die in 2008 de Nobelprijs voor de Economie won en die zeker geen neoliberaal is, schreef in 1997 een artikel over de vrije handel. Hij geeft aan dat de oude theorie van Smith en Ricardo weliswaar niet volmaakt is, maar nog altijd veruit de beste is, en dat die aangehangen wordt door bijna iedereen die economie heeft gestudeerd, of hij nu neoliberaal of Keynesiaan is (3).
     De Grauwe is neoliberaal geweest, en is nu Keynesiaan, maar was altijd een econoom, en in die hoedanigheid  is hij in zijn hele academische carrière, zoals hij zelf zegt, ‘altijd een voorstander geweest van de vrijhandel’ want ‘die vrijhandel ligt aan de basis van de materiële welvaart in Europe en heeft het ook mogelijk gemaakt dat honderden miljoenen mensen in de wereld uit de extreme armoede werden gerukt.’
    De vrije handel zorgt dus voor materiële welvaart. Tot hier zijn Krugman en De Grauwe en uw dienaar het eens.  Maar dan komt De Grauwe met het argument van de milieuvervuiling: ‘Globalisering leidt tot extreem veel transport. En die leidt tot heel veel milieukosten die niet verrekend worden in de prijs van het finale product.’ Op de blog van Ivan Janssens vond ik een krachtig antwoord op dat argument (4). Ik vat dat antwoord even samen: (a) milieuschade door transport moet samen gezien worden met de milieuschade door productie; (b) milieuschade door buitenlands transport is redelijk klein vergeleken met die door binnenlands transport; en (c) vrije handel verhoogt de welvaart en verhoogde welvaart zorgt voor meer ecologische keuzes (5). 
     Dat laatste denk ik ook vaak, als ik die welvarende burgers zie rondrijden in hun chique Teslas. Zelf zitten wij er thuis evengoed warmpjes bij, ik met mijn lerarenwedde en mijn vrouw met haar journalistenwedde, en we denken er waarachtig aan om geld te gaan steken in een meer ecologische isolatie van ons huis, vooral nu een spaarrekening niets meer opbrengt.
     Dat transport een mineur probleem is 
(6) en dat welvaart leidt tot ecologische keuzes, dat moet professor De Grauwe ook weten. En toch doet hij die milieu-uitspraak. Wat mij nu interesseert is de psychologische kant van de zaak. Ik wil hier voor een keer een ‘procès d’intention’ voeren. Misschien zit het zo. De Grauwe is stilletjesaan geëvolueerd van een neoliberaal naar een herverdeler en een voorstander van meer staatstussenkomst in de economie. Maar hij kent als econoom de argumenten voor een laissez-faire systeem erg goed. Hij weet even goed als Krugman dat het argument vóór de vrije handel niet kan worden weerlegd – Holslag weet dat wellicht niet, maar De Grauwe wel, geloof ik. Dan komt de milieuvervuiling goed uit. En hoe groter die vervuiling is, hoe beter – ik bedoel: als argument. Dan is er toch al één reden om de staat te laten tussenkomen in de economie.
     Het doet mij denken aan de econoom Robert L. Heilbroner. Zijn hele leven lang heeft hij getwijfeld tussen het liberalisme dat hem wetenschappelijk aansprak en het marxisme dat hem emotioneel aansprak. En op het einde van zijn leven wist hij het zeker. De liberalen hadden gelijk. Hayek en Mises hadden het socialisme weerlegd. Alleen bleef staatsinterventie nodig … vanwege het milieu.

__________

(1) Holslag haalt net als De Grauwe de milieuschade door transport als reden aan om het CETA-akkoord tegen te houden.

(2) Het doet er voor de Engelse wijnliefhebber niet toe waarom die Portugese wijn goedkoper is: vanwege de Zuiderse zon, het leem in de grond, de lagere lonen, de eeuwenoude traditie, het efficiënt stapelen van de eikenhouten fusten of de subsidie die de staat verleent aan de wijnboeren.

(3) Alleen is geen enkele econoom er ooit in geslaagd een politicus te overtuigen om de economische theorie strikt toe te passen. Vandaar dat economen soms komen aandragen met tweede-beste theorieën, in de hoop dat ze zo politici kunnen overtuigen toch een beetje vrijhandel toe te passen. Krugman laat zien dat handelsakkoorden als CETA wel  praktisch nut hebben, al zijn zij volgens de economische theorie niet nodig. Volgens de theorie volstaat het immers dat een land eenzijdig zijn grenzen openstelt om te profiteren van de goedkope producten van een ander land. Maar het zit er kinderachtig ingebakken dat een land zijn grenzen niet wil openstellen voor een ander land als dat andere land niet hetzelfde doet. Dat is niet eerlijk van dat andere land, vindt men. Dan komt een tweezijdig handelsakkoord goed van pas om die verontwaardiging te sussen.

(4) Janssens beantwoordt ook het tweede argument van Paul De Grauwe – dat de vrije wereldhandel meer ongelijkheid in het leven roept.

(5) Janssens citeert een studie van Antweiler (2001) die stelt dat voor elk procent inkomenstijging er een vermindering van de vervuiling optreedt van 1,25 tot 1,5 procent, grotendeels dankzij schonere productietechnieken.

(6) ‘Mineur’ is natuurlijk betrekkelijk. Voor een vorig stukje heb ik opgezocht wat het aandeel was van de scheepstransport in de wereldwijde CO2-uitstoot. Het is 2,2 %. 

zaterdag 11 juni 2016

‘De rotte appel van de vrijhandel’*

     Als groot liefhebber van buitenlandse appels werd ik van de week pijnlijk getroffen door een stuk in De Morgen van Wouter Torbeyns, een tweeëntwintigjarige student in de politieke wetenschappen (hier). Wouter sprak zich uit tegen de Pink Lady’s, en daar heb ik niets mee te maken want ik eet alleen Granny Smiths, maar het gaat mij en Wouter om het beginsel. ‘Door Pink Lady’s te eten,’ schrijft Wouter, ‘schaden we niet alleen onze binnenlandse economie maar ook ons klimaat.’ En hij ziet het breed. We moeten overwegen in welk ‘soort van wereld … we onze kinderen en kleinkinderen willen zien opgroeien.’ 
     Wouter is wellicht niet oud genoeg om de tv-reeks Yes Minister gekend te hebben. Zelf heb ik vaak moeten lachen als minister Jim Hacker weer eens een toespraak besloot met ‘our future and that of our children, and our children’s children’? Hij trok daarbij een gezicht alsof hij Churchill was, gebruikte een stijgende stembuiging en hield met zijn linkerhand de omslag van zijn jas vast. Je moet het eens proberen.

     Wouter appelleert bij het begin van zijn artikel aan mijn zuinigheid. Hij beweert dat ik veel geld zou besparen als ik meer appels van eigen bodem at. Hij voegt er enkele cijfers aan toe van honderdduizenden tonnen appels en honderden miljoenen euro’s en hij nodigt mij uit om snel even mijn voordeel uit te rekenen. Maar daar heb ik nu eens helemaal geen zin in. Bovendien is het niet nodig. Een van de vele voordelen van de vrije markt is dat ik al die grote getallen mag vergeten. Ook moet ik niets afweten van de gastarbeiderslonen in Nieuw-Zeeland, de wereldprijs van insecticiden, of de weersvooruitzichten voor Haspengouw. Het enige wat ik moet doen is de prijs van een kilogram appels vergelijken van verschillende merken en in verschillende winkels, en, aangezien ik bij Colruyt koop, is ook dat laatste overbodig.
     Ik wil niet spotten met Wouters denkbeelden over het klimaat. Misschien is hij in dat geloof opgevoed en dan is het moeilijk om daarvan los te komen. Maar dit keer wil ik wel naar de cijfers kijken, want je leest zo vaak over ‘voedselkilometers’**.  ‘Schepen en vliegtuigen,’ schrijft Wouter, ‘produceren 8 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot.’ Dat was heel sluw van hem, om schepen en vliegtuigen samen te nemen. Voor schepen alleen echter – wat voor mijn appels toepasselijk is – geeft Wikipedia 2,2 procent. Dus al die tankers en containerschepen en vrachtboten produceren samen maar 2,2 procent van de werelduitstoot van CO2. Zoveel is dat niet.
     Dan worden die appels op die schepen ook nog eens heel vakkundig gestapeld. Zo’n reuzenschip zal op zijn reis vanuit Nieuw-Zeeland of Zuid-Afrika heus wel wat diesel verbruiken, maar je moet dat omslaan per appel en zo’n schip vervoert miljoenen appels. Het zou me verbazen als er meer dan 10 à 20 cent vrachtschipdiesel in een kilogram appels zit die helemaal vanuit Nieuw-Zeeland naar hier is gebracht. 10 cent – dat is ongeveer wat ik aan diesel verbruik om van en naar de plaatselijke Colruyt te rijden. En nogmaals, ik moet dat niet allemaal uitrekenen. Het prijskaartje in de Colruyt geeft mij die inlichtingen. Dat de meerprijs voor een product van bij onze tegenvoeters zo klein is, of onbestaande, of negatief, laat meteen de betrekkelijkheid van de milieuschade zien.
     Wouter begrijpt dat er een probleem is met de seizoenen. In februari groeien er geen appels in Haspengouw, terwijl ze in Nieuw-Zeeland uitnodigend aan de takken hangen en smeken om over de oceaan te worden vervoerd. Wouter overweegt even om Limburgse appels voor de Belgische winter te bewaren ‘met de nieuwe technologie’ maar de milieukost daarvan doet hem terugdeinzen en hij kiest dan maar voor de ‘drastische oplossing’ om ‘buiten het seizoen gewoon geen appels te eten’.  ‘Appels zijn niet onmisbaar,’ voegt Wouter eraan toe. Dat is zo. Maar als we alleen maar onmisbare zaken mogen kopen, behoren we binnenkort allemaal tot de 10 % armsten van de samenleving. Is dat immers niet de betekenis van ‘arm zijn’ in een land als het onze: dat je je alleen maar het onmisbare kunt veroorloven?
      Ik durf niet voorspellen hoe ik zou omgaan met de vergaande versterving die Wouter voorstelt om ’s winters geen appels meer te eten. Wie weet grijp ik op kleurloze tv-avonden naar chips of Suzy wafels en word ik obees. Over dat maatschappelijk agendapunt kan Wouter dan weer ander een stuk schrijven.



_______________

 
* Dat is de titel van Wouter zijn stuk in De Morgen. Wouter studeert onder professor Jonathan Holslag, en dan lijkt het mij wel zo verstandig om kwaad te spreken van de vrijhandel, zeker in een stuk dat eerst bij de professor wordt ingediend. Ik sprak ook kwaad van het marxisme op het examen van professor Lode Wils. Als Wouter uit louter wetenschappelijke interesse, dus niet voor de punten, ook graag de bewijsvoering voor de vrije markt wil leren kennen, kan hij terecht bij Adam Smith, The Wealth of Nations, boek 4. Mochten de cursussen van professor Holslag hem te weinig tijd laten voor de studie van obscure achttiende-eeuwse teksten, kan hij volstaan met van dat boek alleen het tweede deel van hoofdstuk 3 te lezen. Het is maar tien bladzijden en is best onderhoudend geschreven.

* Een goed gedocumenteerd stuk hierover verscheen in De Correspondent (hier). De auteur benadrukt onder andere de voordelen van schaalvergroting bij het verminderen van CO2-uitstoot. Hoe groter de vrachtwagen, hoe langer de trein, hoe dieper het schip, te minder wordt het milieu belast. Dat is slecht nieuws voor Wouter, want grote transportmiddelen vragen grote investeringen en grote investeringen vragen grote bedrijven.  Terwijl onze student schrijft: “We hebben een mentaliteitswijziging nodig om niet volledig afhankelijk te worden van grote bedrijven.” Grote bedrijven, ts ts.