Posts tonen met het label Gerard Reve. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gerard Reve. Alle posts tonen

donderdag 20 mei 2021

Ik word zesenzestig


      Vandaag verjaar ik. Ik heb de gewoonte om over die jaarlijkse gebeurtenis een stukje te schrijven. Ik werd daarbij geïnspireerd door Gerard Reve’s ‘Gedicht voor mijn 47ste verjaardag’, alhoewel ik zelf meestal een minder sombere toon dan die van Gerard zoek.
     Ik ben dus zesenzestig geworden en dat valt tegen. Vorig jaar werd ik vijfenzestig, en dat viel beter mee. Vijfenzestig was een mijlpaal, één met een dubbele gevoelswaarde: ik werd officieel oud, maar ik ging ook met pensioen. Voortaan zou ik geld krijgen om niet te werken. Ik trad binnen in het Rijk der Vrijheid.  Ik heb graag gewerkt maar, daar niet van, maar zoals Mises het stelt in een van de axioma’s waar zijn economische leer op berust: een mens waardeert vrije tijd toch altijd hoger dan verplicht werk. De meeste leraren die ik ken geven gráág les, maar de royale vergoeding helpt toch om ze ’s morgens uit bed te krijgen.
    Het is echter juist omdat vijfenzestig zo’n mijlpaal was, met zo’n heftige gevoelswaarde, dat zesenzestig nu tegenvalt. Ergens moet ik het in mijn hoofd gehaald hebben dat de teller eeuwig op vijfenzestig zou blijven staan. Het is niet zo. De teller loopt door. Het is nu zesenzestig. And counting.
     Laatst kreeg ik van een oud-collega, die mijn leeftijd heeft, vervroegde verjaardagswensen. ‘Het is nu ook voor jou ‘route 66,’ schreef hij. Dat was een aardige formulering. Woorden hebben een bezwerende kracht. ‘Route 66’ … ik voelde mij even weer een beginnende dertiger. Hopelijk vind ik volgend jaar weer zo’n mooie formulering.
     Hoe mijn pensioenjaren er echt uit zullen zien, weet ik niet. Het is nog even afwachten tot de coronamaatregelen verdwijnen. Ik heb al een voorlopig verslagje gemaakt van mijn leven. in mijn stukje over de ‘actieve gepensioneerde’*. De belangrijkste les die ik tot nu toe geleerd heb, is dat ik moet proberen vóór twaalf uur te gaan slapen en vóór zeven uur op te staan. Als ik later op sta, blijft er te weinig over van de voormiddag, en in de namiddag kun je niet veel doen. Voor je het weet is het drie uur, en dan vijf en dan zeven en dan komt de ‘weemoedigheid die niemand kan verklaren’ waarvoor alleen de televisie het gepaste soelaas brengt.

* Zie hier, hier, hier, hier, hier en hier.
** Zie hier.

donderdag 11 maart 2021

Losse invallen over 'woke'


 1.  De Oxford English Dictionary definieert ‘woke’ als ‘alert to injustice in society, especially racism’. Ik voeg eraan toe  ‘and gender questions’. Je kunt ook alert zijn voor de rugbelasting van vrachtwagenchauffeurs, lucht- en bodemvervuiling, gebrekkige fietspaden, dierenmishandeling, afstompend werk aan ‘de lopende band’,  en lage lonen voor pakjesbezorgers. Maar die dingen schijnen mij niet tot de kernbetekenis van het woord te behoren.

2. ‘Woke’ heeft een tweede leven gekregen als scheldwoord* waarbij het verwijst naar een extreme vorm van politiek correct denken over bovenvermelde kwesties. Het wordt als dusdanig gebruikt door stromingen die zich afzetten tegen woke: extreemrechts, rechts, centrumrechts, traditioneel links, links-liberaal en traditioneel politiek correct. Ilja Leonard Pfeijffer nam afstand van woke als lid van die laatste categorie, Barack Obama als lid van de voorlaatste**.

3. Voorbeelden. Bij boeken van Pipi Langkous hoort een verwittiging dat ze racistisch kunnen worden geïnterpreteerd. Enkele kinderboeken van Dr. Seuss verdwijnen uit het aanbod. De VRT excuseert zich voor een flauw mopje over de ‘flietchinees’. Een Nederlandse schrijfster twittert dat ze geen boeken van Gerard Reve in huis wil hebben omdat ze hoorde dat hij een racist, een viezerik en een blasfemist is. Een Vlaamse schrijfster heeft gewetensproblemen als ze een Woody Allen-film ziet waarin vrouwen ‘stereotiep’ geportretteerd worden***. Een Amerikaanse studente die op Prom Night een Chinees ogende jurk draagt, wordt op sociale media beschuldigd van ‘cultural appropriation’. J.K. Rowling wordt door Harry Potter-acteurs verketterd nadat zij bezwaar maakte tegen een nieuwe, ‘neutrale’ term om vrouwen aan te duiden: ‘wezens die menstrueren’.

4. Eigenlijk moet dat allemaal kunnen. De bibliotheek mág een inlegvelletje in de Pipi Langkous-boeken stoppen. De steenrijke erfgenamen van Dr. Seuss mógen vrijwillig zes van de zestig boeken uit hun portefeuille opstoken. Die Nederlandse schrijfster móet Reve niet lezen. Die Vlaamse schrijfster mág gewetensproblemen hebben als ze naar Woody Allenfilms kijkt. Die twitteraars mógen kritiek hebben op elke Prom-jurk die hen om welke reden ook niet aanstaat. De Harry Potter-acteurs móeten niet levenslang bevriend blijven met de schrijfster van de boekenreeks. Toch erger ik mij blauw.

5. Blaise Pascal weet waar die ergernis vandaan komt. ‘D’où vient qu’un boiteux,’ schrijft hij, ‘ne nous irrite pas et un esprit boiteux nous irrite ? À cause qu’un boiteux reconnaît que nous allons droit et qu’un esprit boiteux dit que c’est nous qui boitons. Sans cela nous en aurions pitié, et non colère.’

6. Naast de ‘esprit boiteux’ van de woke-mensen is er nog hun onverdraagzaamheid om je aan te ergeren, hun morele zelfgenoegzaamheid en soms hun lafheid. Maar mij gaat het toch vooral om die ‘esprit boiteux’. Ik heb al gemerkt dat het geen verschil maakt of die mensen vrouw zijn of man, gekleurd of blank, en of ze zichzelf zien als slachtoffer dan wel als sympathisant met de slachtoffers. Ik discrimineer niet in deze.

7. Marieke Lucas Rijneveld, die eerst was aangezocht om gedichten van Amanda Gorman te vertalen, heeft de opdracht teruggegeven toen er protest kwam dat ze als ‘witte’ vrouw niet geschikt was om dat te doen. Enig gewetensonderzoek leert mij dat ik hetzelfde zou doen. De koppigheid van Rosa Parks is niet aan iedereen gegeven, vooral als je geen applaus kunt verwachten in de huizen waar je normaal komt.

8. Ik lees soms dat woke zal omkomen in de lawine van haar eigen belachelijkheid. Dat is te optimistisch. Om een Franse zegswijze te variëren: le ridicule tue, mais ne se suicide pas. En sommige voorbijgaande modes doen er heel veel tijd over om voorbij te gaan.

9. Sommigen denken dat woke het einde inluidt van ‘de heerschappij van de witte rijke mannen’. Dat is wat snel gedacht. Waar woke succesvol is, zullen genoeg ‘witte rijke mannen’ op het wagentje springen om mee te liften op dat succes. 

10. Woke zal in Europa wel een cultureel luxeprobleem blijven vergeleken met het veel grotere probleem van de islam. Hoe de islam evolueert, radicaliseert, moderniseert en seculariseert zal onze toekomst meer bepalen dan de opwinding van de woke-mensen en de ergernis erover van mensen zoals ik. Er zijn wel raakvlakken tussen de twee kwesties. Woke drijft op victimisme – de zwarte, de vrouw, de holebi, de transgender als slachtoffer****– en victimisme kan met een islamisme tot een erg giftige cocktail worden gemixt. Maar de islam op zich is allesbehalve woke.

11. In de Verenigde Staten is dat anders. Daar kan woke aansluiten bij de oudere generatie van race mongers, demagogen die van victimisme een – soms lucratief – beroep hebben gemaakt.

12.  Tegenstanders van woke wordt verweten dat zij mensen van kleur geen ruimte gunnen. ‘Voor witte mensen’, zei Daan Roovers op Klara, ‘is het pijnlijk dat ze een beetje plaats moeten maken, dat ze een beetje op moeten schuiven.’ ’t Is het zoveelste voorbeeld van zero sum denken van links. Als zwarten te weinig kansen krijgen in het onderwijs, op de arbeidsmarkt of op de huurmarkt, dan zal de oplossing er niet in bestaan om de blanken minder kans te geven. Men kan dat proberen met positieve discriminatie, maar zoiets zal veel kwaad bloed, en weinig zoden aan de dijk, zetten.

13. Misschien moeten we dat ‘plaats maken’ eerder figuurlijk en symbolisch opvatten. Meer mensen van kleur op de podia en in film en televisie. Daar heb ik geen problemen mee, als men de quota en de moedwil er buiten laat. (Zie ook hier).

14. Over hetzelfde. Paul Baeten schreef in Knack Focus een stuk waarin hij in de titel meegeeft dat ‘woke niet ver genoeg gaat.’ Het stuk zelf gaat meer over de moeilijkheid van literaire vertalen, maar dan eindigt hij als volgt: ‘Waarom stromen in Vlaanderen en Nederland nog steeds zo weinig mensen van kleur door naar de eretafels der Letteren? Waarom blijft dat nog steeds grotendeels de speeltuin voor witte middenklassezonen en -dochters?’ Ja, waarom? Ik kan een aantal redenen bedenken, en die zijn meest van tijdelijke aard. Discriminatie door uitgeverijen, recensenten en jury’s is er niet bij. Ook denk ik niet dat veel schrijvende middenklassezonen en –dochters bezwaren hebben tegen mensen van kleur. Juist bij die zonen en dochters heb je een nogal flinke vertegenwoordiging van de wokies. Maar dat bij hen een zekere naijver heerst jegens literaire concurrenten van álle kleuren, dat kan natuurlijk. En verder blijf ik de boeken lezen die ik wil.

15. Je kunt woke van links vergelijken met, geloof ik, alt-right van rechts. Woke heeft een zeker verlengstuk in linkse, links-liberale en links-groene politieke partijen, zoals alt-right een zeker verlengstuk heeft in de extreemrechtse partijen. Dat is een gelijkenis. Een verschil is dan weer dat woke tot op zekere hoogte aansluit bij de eerder politiek-correcte sfeer van de grote redactielokalen, terwijl alt-right daar in Europa geen aanknopingspunten heeft.

16. Woke wordt pas echt gevaarlijk als de beweging zich keert tegen de vrije meningsuiting en oproept tot censuur. Dan komen we bij de cancel cultuur, de knevelcultuur zoals Marc Vanfraechem ze noemt. Een treffend voorbeeld vind je in een interview met de afro-feministe Rachael Moore in De Standaard van 6 maart. Moore zegt daarin: ‘Wat mij betreft gaat de vrijheid van meningsuiting ver, maar ze stopt als je mijn menselijkheid aanvalt.’ ‘Menselijkheid niet aanvallen,’ dat klinkt redelijk als beperking. Maar dan volgt het voorbeeld. ‘Denk maar aan de Birther Movement van Donald Trump, die in twijfel trok dat Barack Obama in de Verenigde Staten was geboren. Door altijd maar weer documenten te vragen die konden bewijzen dat Obama in de VS was geboren, ontken je niet alleen zijn identiteit als Amerikaan, maar zijn bestaansrecht.’ Op welke manier, vraag de verbijsterde lezer zich af ‘ontkent’ een Birther ‘het bestaansrecht’ van Obama? Die Birther ontkent alleen de authenticiteit van zekere papieren. Er bestaan tegen de Birther-beweging veel, heel veel, goede argumenten, maar dit is er geen. Het is een voorbeeld hoe elk redelijk klinkende beperking van de vrije meningsuiting heel snel op oneigenlijke manier wordt misbruikt. Al gaat niet iedereen daarin zo ver als onze wokies.

 

* Ik heb niets tegen scheldwoorden, zolang ze niet gebruikt worden als surrogaat voor argumentatie. Iedereen mag mij bijvoorbeeld een neoliberaal noemen. (Zie hier).

 ** Pfeijffer schreef in De Standaard van 24 februari:  Het woke denken is een religie geworden … De cancel culture is geen activisme, maar een kwalijke uitwas van absolutisme. Liesbeth van Impe citeert in Het Nieuwsblad van 6 maart de raad die Obama aan een groep studenten gaf om de idee van woke zijn, zo snel mogelijk achter zich te laten. Vitten over woordgebruik en over ‘micro-agressies brachten volgens hem geen verandering te weeg.

 *** Alsof de mannen in Woody Allen-films minder stereotiep geportretteerd worden.

 **** Natuurlijk zijn die mensen ook soms slachtoffer. In het geval van holebi’s hebben we het marginale maar hardnekkige verschijnsel van gay bashing. Pinker wijst erop dat in de VS de homoseksuelen er veel beter aan toe zijn dan vroeger: afschaffing van wettelijk vervolging, afname van discriminatie, morele aanvaarding door een steeds groter deel van de bevolking, minder intimidatie op straat, maar dat anderzijds gewelddadige aanvallen door homohaters, niet afgenomen zijn.  

zaterdag 29 december 2018

Mijn behoefte aan liefde en erkenning

     Vrees niet, lieve lezer, dat ik hier mijn dromen zal vertellen. Tell a dream, lose a reader, zei Henry James, die trouwens in zijn late periode wel andere middelen had om lezers af te schrikken. Maar James had gelijk. Als ik De Avonden herlees, sla ik de droomscènes over.
     Heel in het algemeen wil ik over mijn dromen wel iets kwijt, zaken die de lieve lezer misschien zal herkennen, zoals dat ik in mijn dromen vaak tegelijk toeschouwer als hoofdrolspeler ben, of dat ik diep ontroerd kan worden door locaties als zalen, gangen en trappenhuizen die me in het werkelijke leven amper beroeren. Ook lijkt het of ik in een droom over een aparte voorraad herinneringen beschik die voortkomen uit vroegere dromen. Maar dat zal dus maar een indruk zijn.
     Wat mij vooral verbaast is dat ik in mijn dromen iemand anders ben, met andere kenmerken en andere mogelijkheden, dan in wakende toestand, een minder fraai mens lijkt mij, maar misschien is ook dat maar een indruk*. Ik kan vlotter Frans praten maar kan geen tekst lezen. Ik ben tot allerlei slechte daden in staat, zoals iemand het hoofd inslaan, maar na een slechte daad voel ik een eindeloos schuldgevoeld. Mijn inzichtelijke vermogens zijn die van een erg jong kind – of van een erg seniele grijsaard. Ik geloof niet dat ik een eenvoudige rekensom zou kunnen oplossen. En toch ben ik er in mijn dromen soms van overtuigd dat ik de sleutel tot enig wereldraadsel heb gevonden. En vóór alles word ik bezeten door een kinderlijke behoefte aan liefde en bewondering. Ik wil dat de mensen naar wie ik opkijk, mij zouden erkennen en naar míj zouden opkijken. Ik wil dat mijn vijanden aan mijn voeten liggen en uitroepen dat ze spijt hebben van wat ze mij hebben aangedaan.
     In the televisieserie House M.D. komt een droomscène** die op mij een diepe indruk maakte. De cynische ziekenhuisarts House – ruwe bolster, blanke pit – vecht over vele afleveringen een bittere ruzie uit met de voorzitter van de raad van bestuur Edward Vogler. Vogler is de gewetenloze eigenaar van een farmaceutisch bedrijf. Hij haat House vanwege zijn opstandigheid en nog meer vanwege zijn nietsontziende eerlijkheid en wil hem uit het ziekenhuis laten ontslaan. En dan droomt House dat hij Vogler op consultatie krijgt. Vogler heeft leverkanker en House, die begrip en medeleven uitstraalt, zal er alles aan doen om hem te reden. ‘Thank you doctor,’ zegt Vogler. ‘You’ve been so good te me. When I think about how I treated you …’ House geniet zienderogen van het geslijm.
     Een droom zoals hier beschreven heb ik bij mijn weten nog niet gehad, maar mijn onirische ik gelijkt donders goed op de onirische dokter House.
    


* Eigenaardig genoeg ben ik ook in de dromen van mijn vrienden een ander en minder fraai mens.
** Aflevering 1/18 ‘Babies and Bathwater’. Hier vind je het fragment.

maandag 23 juli 2018

Subsidies voor de letteren

     Hoewel ik over zulke zaken les geef, had ik tot voor kort nooit gehoord over het bestaan van een Vlaams Fonds voor de Letteren. Ik legde mijn leerlingen uit dat er literaire ‘werkbeurzen’ bestaan, en ‘commissies’ die die toekennen, en ‘criteria’ waar je aan moet voldoen om zo’n beurs te krijgen. Maar hoe die instelling heette die zich met die dingen bezighield, wist ik niet.
     Dat is nu veranderd. Eerst verscheen in Het Nieuwsblad van 16 juni een artikel over het Fonds en de bedragen van die beurzen. Daaruit bleek dat een beperkt clubje schrijvers en dichters - Leonard Nolens, Elvis Peeters, Paul Claes, Marita De Sterck, Paul Verrept, Luuk Gruwez, Klaas Verplancke – al sinds 1999 élk jaar een subsidie ontvangen van 10 000 tot 20 000 euro per jaar.* Leonard Nolens had de laatste achttien jaar 368 192 euro aan literaire subsidies ontvangen. Ik vond dat veel geld.
     En dan ontstond er vorige week enige herrie omdat Mia Doornaert door N-VA voorgedragen was als nieuwe voorzitter van het Fonds. Allerlei politiek correcte lieden maakten zich ongerust of boos. Ik begrijp dat. De vorige voorzitter, Jos Geysels (Groen), was één van hen geweest, en nu wordt die afgelost door iemand die niet één van hen is. Toch zou ik mij niet al te veel zorgen maken. De lezers van Doorbraak weten dat zowel tegenstanders van Mia Doornaert (Johan Sanctorum) als voorstanders (Marius Meremans) al overtuigend hebben betoogd dat er aan het beleid van het Fonds niet veel zal veranderen.
     Moet dat beleid dan veranderen? Sterker nog: zijn al die subsidies aan romans, verhalen en dichtbundels überhaupt wel nodig? Als de lezer zich over die kwestie een eigen mening wil vormen verwijs ik hem graag naar de mooie polemiek die de broers Van het Reve daarover met elkaar hebben gevoerd in 1962. De argumenten tegen subsidies vind je bij Karel van het Reve in ‘Het verweesde boekenbal’ en die vóór subsidies bij Gerard van het Reve in ‘Brief uit schrijversland’, respectievelijk verschenen in Marius wil niet in Joegoslavië* wonen en Op weg naar het einde. Klaarder dan de Van het Reves kan ik de argumenten niet uiteenzetten, en ik geloof niet dat er in Vlaanderen en Nederland veel rondlopen die dat wel kunnen.
     Een vraag in dit verband wil ik echter wel even aanraken: worden er nu te veel of te weinig boeken geschreven? Subsidies, lijkt het wel, worden vandaag vooral gebruikt om de literaire productie te vermeerderen. Maar er verschijnen jaarlijks al zoveel boeken. Ik volg dat niet nauwgezet, maar daar moeten toch dingen bij zijn die eigenlijk niet de moeite waard zijn om gedrukt of gelezen te worden. Heeft men er al eens over nagedacht hoe men subsidies zou kunnen gebruiken om die slechte boeken ván de markt te houden?**
     We kennen uit de oudheid allemaal het voorbeeld van Maecenas die zijn fortuin gebruikte om dichters als Vergilius, Propertius en Horatius te onderhouden. Minder bekend is het voorbeeld van de Romeinse dictator Sulla. Die Sulla was een verdorven man, die lange lijsten aanlegde van tegenstanders en rivalen die moesten worden vermoord en wier bezit hij dan binnenrijfde. Maar hij was ook een groot kenner van de literatuur (‘Graecis atque Latinis eruditis’) en een vriend van schrijvers (‘amans virorum litteratorum’). Hij reikte daarbij niet alleen geld uit aan de goede schrijver, maar ook aan de slechte schrijver (‘mali poetae’), op voorwaarde echter dat die daarna niets meer zou schrijven (‘ea tamen lege ne quid postea scriberet’). Kan Doornaert hier inspiratie halen om een subsidiebeleid te voeren op twee fronten tegelijk?
     Maar als Doornaert liever een bescheiden start neemt, heb ik nog een ander voorstel. Het Vlaams Fonds voor de Letteren heeft een website waar het zichzelf voorstelt in een taal die elke literatuurminnaar een gruwel zal zijn. Ik citeer uit de ‘missietekst’: ‘Het VFL draagt via een geïntegreerd letterenbeleid zorg voor een dynamisch en divers letterenveld, waarbij de auteur en de lezer centraal staan. Het wil een breed toegankelijk literair landschap mogelijk maken en …’ Ik ben zeker dat sommige van mijn lezers al hebben afgehaakt op die afschuwelijke clichés. Kan de nieuwe voorzitter dáár ten minste iets aan doen?


* Dat bedrag komt boven hun andere inkomsten uit auteursrechten en lezingen, als die tenminste niet hoger liggen dan 40 000 euro per jaar.

** Ook in Verzameld Werk 3.
***Gerard van het Reve was ervan overtuigd dat zijn eigen subsidievoorstel zou leiden tot een kieskeuriger uitgavenbeleid.


vrijdag 27 april 2018

Moet een biografie zo dik zijn?

     Ex-VRT-journalist Johan Op de Beeck, die geloof ik verre familie is van mijn vrouw*, heeft net een biografie geschreven over Lodewijk XIV. Naar wat ik er in Het Nieuwsblad over lees, moet het er een zijn in het Franse genre. Iets als Amours et amourettes du Roi Soleil. ‘Geen detail blijft onvermeld,’ schrijft de krant goedkeurend. ’t Boek telt 735 bladzijden. Dat is niet mis. Zelf ben ik nu de Dostjojevskibiografie van Joseph Frank aan het lezen – 959 bladzijden, kleine druk. En ’t is dan nog een ingekorte versie van een werkstuk dat oorspronkelijk in vijf delen werd uitgegeven en drie keer zoveel tekst bevatte.
     Dat een biografie zo dik is, kan moeilijk als bezwaar gelden. Als je voor een Belangrijk Persoon geen interesse hebt, kun je beter niets over hem lezen, en als je die interesse wel hebt: hoe meer hoe beter. De Elsschotbiografie van Vic Van de Reijt bijvoorbeeld vond ik veel te beknopt. Vic zal gedacht hebben: ‘Elsschot schreef beknopt, dus als ik over hem schrijf moet ik ook beknopt blijven.’ Dat is een treurig misverstand. Het is niet omdat Hitler een hystericus was, dat je over hem alleen hysterisch kan schrijven. Als je iets wil vertellen over een saai familiefeest, in een verhaal of op café, kun je er beter voor zorgen dat je beschrijving zelf niet saai is, anders zal men je verhaal niet lezen, of zal men op café je gezelschap mijden.
     Mijn ontgoocheling over de beknopte Elsschotbiografie was zo groot dat ik lange tijd elke korte biografie gemeden heb. Een literaire biografie kort houden was ipso facto verkeerd, dacht ik. De auteur heeft de regels van het genre niet begrepen. Hij denkt dat de lezer uit is op een korte kennismaking, terwijl de lezer juist álles wil weten over een bewonderde schrijver en dus best die drie delen van Nop Maas wil lezen over Gerard Reve, of die bijna duizend bladzijden van Richard Ellmann over Joyce. Misschien is die biografie van Ellmann zelfs meer gelezen dan de Ulysses zelf.
     Maar onlangs had ik moeite om een of andere lijvige biografie over Proust te bestellen. Ik bestelde dan maar het dunne boekje van Edmund White en kijk, daar stond warempel meer in van wat ik over de schrijver wou weten dan in menige uitgebreide biografie die ik gelezen had over andere schrijvers. Je begrijpt ook hoe het komt. ‘Er bestaan al zoveel boeken over Proust,’ zal White gedacht hebben, ‘waar alles, álles, in staat. Ik vertel hier lekker alleen wat ikzelf de moeite vind. Wie daar niet tevreden mee is, moet die andere boeken maar lezen.’ Als je een beetje talent hebt, kun je met dat recept een aardig boekje voor elkaar krijgen.
     Het tegenovergestelde bestaat ook. Over een Belangrijk Persoon bestaan nog géén biografieën. Een auteur die dan als eerste een levensbeschrijving wil plegen voelt de verantwoordelijkheid als een loden last op zijn schouders wegen. De hele wereld kijkt mee, denkt hij. En hij werpt zich op de archieven, pluist brieven en dagboeken na, en onderzoekt de stamboom van zijn onderwerp tot in het zevenentwintigste geslacht. Zo moet het Wayne Franklin vergaan zijn toen hij de Amerikaanse schrijver James Fenimore Cooper onder handen wilde nemen. De professor schreef uiteindelijk twee dikke delen van respectievelijk 708 en 805 bladzijden – dit terwijl over Cooper in de archieven niet zo verschrikkelijk veel te vinden is. Maar wat te vinden is, heeft Wayne gevonden. Cooper heeft ooit een winkeltje gehad waar de Amerikaanse Frontiermen spijkers, textiel, medicijnen, thee, tabak en voedingswaren konden kopen. Wayne toont over talrijke bladzijden aan dat het winkeltje niet anders dan failliet kón gaan vanwege een roekeloze financiering, een verkeerd aankoopbeleid en een ondoordacht voorraadbeheer. Elke beginnende winkelier zou die bladzijden moeten lezen.
     Ikzelf lees ondertussen dapper verder in de Dostojevskibiografie, terwijl zich op mijn bureau andere ongelezen boeken opstapelen. Misschien moet ik maar eens doen wat mijn vader altijd doet: hier een daar een stuk overslaan. Ik heb zojuist met enige moeite 20 bladzijden literaire analyse gelezen van Misdaad en straf. Dat is allemaal heel degelijk gedaan, maar ik merk dat mijn oordeel over dat boek niet veel veranderd is door die analyse. Misschien sla ik de analyse van De idioot en De broers Karamazov maar eens over. Het hoofdstuk over Boze geesten wil ik wel helemaal lezen. Ik ken dat boek niet.

* Een vergissing. Dat verre familielid is Johan De Poortere. 

donderdag 15 maart 2018

De mondaine feestjes van Marcel Proust

     Menig Proustlezer zal, net als ik, opgelucht ademhalen als Swann of Marcel zich naar een mondain feestje begeeft.* Het onderwerp van de seksuele jaloezie wordt even verlaten, de stijl ontspant zich, er komt ruimte voor wat spreektaal, de zinnen worden korter en je moet minder vaak in de tekst terugkeren om te weten of ‘son’, ‘sa’, ‘lui’ en ‘l-apostrophe’ verwijzen naar de dame dan wel naar de heer die voorafgaand ter sprake kwamen.**
     In Du côté de chez Swann hebben we natuurlijk de onvergetelijke ‘avondjes’ van de onnozele Verdurins, die met elkaar wedijveren in om ter langst lachen om de geestige opmerkingen van henzelf of die van hun gasten. Alletwee hebben ze hun trucjes. Madame bedekt haar gezicht met de handen en schokt daarbij met de schouders, en Monsieur doet alsof hij zich in de rook van zijn pijp verslikt en eindeloos moet hoesten.
     Ja, die avondjes bij de de Verdurins zijn onovertroffen. Maar een feestje bij Mme de Sainte-Euverte, wat verder in het boek, is anders ook niet mis. Proust beschrijft één voor één de oogglazen van de mannelijke gasten, die bij chique gelegenheden hun gewone bril thuislaten, en brengt verslag uit van wat die oogglazen aanrichten in het gezicht van de dragers ervan. Dat is bij iedereen anders. Er wordt op het feestje ook muziek gespeeld – veel Chopin – en Proust merkt op dat die componist toen – rond 1880 – uit de mode was. Dat doet mij plezier, want ik hou niet van Chopin. Ik reageer op die muziek zoals bij Proust de jonge Mme de Cambremer ‘qui souffrait quand elle en entendait jouer’.
     Rond die naam ‘Cambremer’ weeft Proust een mooi scènetje. De mooie, geestige, hooggeboren Mme de Guermantes is in al haar goedheid bereid gevonden om een half uurtje acte de présence te geven op het feest. Ze is aan het praten met een generaal die zijn ogen niet kan afhouden van de jonge Mme de Cambremer. Hij zou liever met haar in bed liggen, zegt hij, dan opgegeten worden door de wilden. Mme de Guermantes heeft daar begrip voor, maar merkt op dat ‘Cambremer’ toch een wonderlijke naam is. Dat begrijpt de generaal niet goed. ’t Is een oude, degelijke naam, vindt hij. Maar goed, die Guermantes hebben veel ‘esprit’. Dan moet je aanvaarden dat je niet altijd meteen kunt volgen. ‘Vous n’êtes pas Guermantes pour des prunes,’ antwoordt hij galant.
     Mme de Guermantes gaat dan naar Swann en probeert bij hem haar zelfde geestigheid uit. Deze keer heeft ze meer succes, want er ontspint zich volgend gesprekje.

- Enfin ces Cambremer ont un nom bien étonnant. Il finit juste à temps, mais il finit mal! dit-elle en riant.
- Il ne commence pas mieux, répondit Swann.
- En effet cette double abréviation!...
- C’est quelqu’un de très en colère et de très convenable qui n'a pas osé aller jusqu'au bout.

     Dat is nogal subtiel. Waarom eindigt de naam Cambremer ‘juist op tijd’? Waarom is het een een ‘dubbele afkorting’? Waarom zou je de naam willen uitspreken ‘als je erg boos bent’, en waarom zou je niet tot het einde durven gaan ‘als je erg fatsoenlijk bent’? Wie de zeventiende voetnoot gelezen heeft bij mijn stukje ‘Aanschouwelijk geschiedenisonderwijs’ kent het antwoord op die vragen. De uitdrukking ‘le mot de Cambronne’ is een eufemisme voor het vloekwoord ‘merde’. ‘Cambremer’ is dan, in de lezing van Mme de Guermantes en Swann, een samenvoeging van Cambr(onne) en mer(de). Verder moet je het niet gaan zoeken.
     Veronderstel nu, lieve lezer, dat je in een gezelschap komt waar dergelijke subtiliteiten schering en inslag zijn. Je hebt geen idee waarover het gaat, en toch word je om je mening gevraagd. Het beste wat je kunt doen is dan zeggen zoals Mme de Guermantes:  ‘Je n’ai pas de lumières à ce sujet.’  Je moet die woorden enigszins uit de hoogte uitspreken. Probeer het maar eens: ‘Je n’ai pas de lumières à ce sujet.’ Als de lezer van het mannelijk geslacht is, moet hij daarbij ook een oogglas dragen. Het effect zal vernietigend zijn.

 
*Het half jaartje Proust dat ik in de eerste kandidatuur gedoceerd kreeg van Roland Beyen bestond hierin dat de brave professor een stukje voorlas uit zo’n feestscène, onbedaarlijk begon te lachen, zich verontschuldigde met een ‘c’est tellement drôle’, en dan weer verder ging met lezen tot de volgende lachbui. Veel tijd voor diepergravend commentaar bleef er op die manier niet over.

**Die lange, opzettelijk moeilijke zinnen vond ik ook bij andere ‘modernisten’ zoals de late Reve (Op weg naar het einde), de late Salinger (Raise High the Roofbeam) en Thomas Pynchon.

woensdag 10 mei 2017

Is het nu 'blank' of 'wit'?

     Waar ik vandaan kom spraken we van blanken, negers, indianen en Chinezen. In de jeugdboeken van P. en J. Nowee werden die indianen ook ‘roodhuiden’ genoemd, maar met dat kleurwoord kon je in een normaal gesprek niets aanvangen. Voor afzonderlijke Chinezen bestond zelfs helemaal geen kleuraanduiding, al kon je gebeurlijk wel spreken van het ‘gele ras’.
     Dat is nu allemaal anders en dat komt door de Amerikanen. Die gingen in de jaren zestig de benaming indianen vervangen door ‘native Americans’, wat een beter woord was omdat Amerika en Indië heel verschillende continenten zijn. Aan de andere kant was ‘native American’ evenmin ondubbelzinnig omdat veel blanke Amerikanen ook in Amerika geboren zijn. Zo komen we er natuurlijk nooit. Want als je ook ‘native Americans’ gaat vervangen, spreek je voor je het weet van ‘American Indians’, en dan zit je weer met dat Indië opgescheept en met die vreselijke kolonialist Christoffel Columbus.  
     Met die negers was ook iets mis. Je had in het Amerikaans ofwel het ruwe ‘nigger’ ofwel het wat chiquere ‘negro’. Dat ‘negro’ had in de loop der jaren een neerbuigende bijklank gekregen en ‘nigger’ kon natuurlijk helemaal niet, waardoor de noodzaak van een andere benaming zich opdrong. Veel mogelijkheden lagen open en werden uitgeprobeerd: blacks, Afro-Americans, African Americans en ten slotte weer blacks. Daar konden wij in onze taal ook iets mee doen, en onze eigen onderdanige neger werd een trotse zwarte.
     Dat waren allemaal pogingen, geloof ik, om de gevoelens van de betrokken rassen niet te kwetsen. ’t Is misschien een beetje belachelijk, want je kunt best wel van ‘zwarten’ spreken en toch een ontzettende racist blijven en omgekeerd kun je je zwarte medemens van harte het beste toewensen terwijl je hem naar oude gewoonte een ‘neger’ noemt. De bedoeling van de naamverandering was evenwel goed.
     Maar hoe zit dat met de recente mode om het woord ‘blank’ door ‘wit’ te vervangen? ‘Rectoren willen minder witte aula’s,’ las ik in het Nieuwsblad. Waarom niet ‘blanke aula’s’? De woorden ‘wit’ en ‘blank’ betekenen toch precies hetzelfde? Is dat nu ook een poging om het betrokken ras niet te kwetsen?
     De nieuwlichterij met ‘wit’ heeft in elk geval velerlei nadelen. ‘Wit’ toegepast op mensen heeft immers al een betekenis. Waar ik vandaan kom, was ‘een witte’ geen exemplaar van een bepaald ras, maar iemand die tijdens de tweede wereldoorlog bezwaren had tegen de Duitse regering en haar leger. Terwijl de zwarten hoopten dat de Duitse troepen Sebastopol zouden veroveren, hoopten de witten – tevergeefs –  dat dat niet gebeuren zou. Nog jaren na de oorlog was het erg uitzonderlijk dat een meisje uit een witte familie trouwde met een jongen uit een zwarte familie, en dat had met de huidskleur weinig te maken.
     Een verder nadeel betreft de literatuur. Gerard Reve schreef over onze ‘roomblanke’ dochters. Moeten dat nu onze ‘roomwitte’ dochters worden? Elsschot schreef over zijn Poolse schoonzoon en meneer Van Schoonbeke die ‘zo gemoedelijk praten als twee blanken die elkander onverwacht in Congo ontmoet hebben’. Wordt dat nu ‘als twee witten die elkander onverwacht in Congo ontmoet hebben’. En laten we vooral het bekende lied van Willem Vermandere niet vergeten waar hij in de laatste verzen de ‘bange Blankeman’ oproept om open te doen voor de bonte menigte die op zijn ‘deure’ klopt. Met ‘bange Witteman’ in plaats van 'bange Blankeman' verliezen we tegelijk de alliteratie, de assonantie en de consonantie. Dat is wat veel, vind ik.
     Het belangrijkste nadeel van de vervanging van ‘blank’ door ‘wit’ wordt echter aangedragen door Ming Li Foo, in de strip  Het twintigste cavalerie.  De ijverige wasserijuitbater wijst er geheel terecht op dat de huid van het melanine-arme ras noch blank, noch wit is, maar roze. Lucky Luke vraagt hem of het woord ‘bleekgezicht’ dan niet geschikt is. ‘Niet voor hen wier delicate tint aan oud ivoor herinnert,’ zegt Ming. ‘Niet voor ons.’

zondag 2 april 2017

Nationalisme en loyaliteit

     Op mijn eigen facebookpagina las ik onlangs een heftige discussie tussen een voor- en een tegenstander van het nationalisme – en van het Vlaamse nationalisme in het bijzonder. Ik hou mij in zo’n geval voorzichtig op de achtergrond. Wel blijft die kwestie dan weken rondspoken in mijn hoofd.
     Want wat is nationalisme? Misschien komt dit in de buurt: een speciaal gevoel van loyaliteit tegenover het eigen volk. Dat is dan wel een wonderlijk gevoel want het is meestal niet erg duidelijk waarin dat eigen volk nu precies verschilt van een ander en wat het juist gedaan heeft om die loyaliteit te verdienen.

     Zo’n onredelijke loyaliteit bestaat echter niet alleen bij naties. Je vindt ze bij politieke partijen, bij geloofsovertuigingen, bij voetbalclubs. In het Romeinse rijk had je ze bij het wagenrennen. In de arena bestreden de ‘blauwe’ en de ‘groene’ wagenmenners elkaar en achteraf leverden de supporters slag in de straten van Rome of Constantinopel. Plinius de Jongere vond dat belachelijk, maar Plinius was een snob.
     Ondertussen mogen we aannemen dat bij de nationalisten redelijke en onredelijke mensen bestaan. En bij de antinationalisten ook. Er bestaat een facebookgroep ‘Slechte Vlamingen’ en zelfs een groep ‘Extra Slechte Vlamingen’. Van die laatste weet ik het niet zeker, maar bij de eerste, de gewone Slechte, vind je wel eens een redelijke opmerking. Redelijke mensen zijn er namelijk overal. Je vindt ze bij de supporters van Stormvogels Haasrode en je vindt ze bij de supporters van – nou ja – Royal Sporting Anderlecht. De redelijk-loyalen zien de betrekkelijkheid van hun eigen standpunt, begrijpen dat de eigen club in de fout kan gaan en geven toe dat niet alles de schuld is van de scheidrechter. Boven alles schuwen de redelijk-loyalen het gebruik van geweld om hun trouw te bewijzen aan volk, partij, geloof of club.
     Je zou die loyaliteit – ook de redelijke – een vorm van tribalisme kunnen noemen. Dat is een wat negatief geladen woord. Maar je kunt het ook anders bekijken. ‘Tribalisme’ verwijst naar het begin van de menselijke beschaving. Gewoontes en gedragingen die toen ontstonden zijn diep ingesleten in onze natuur. Jonathan Haidt* bijvoorbeeld gelooft dat het gevoel voor loyaliteit evolutionair ontstaan is uit de noodzaak om coalities te vormen en hij noemt het een van de vijf of zes grondslagen van de moraal.
     Niet iedereen heeft een gelijke behoefte aan loyaliteit. Er loopt hier en daar wel een vaderlandsloze gezel rond, agnost in geloofszaken en strikt onpartijdig in de politiek en de sport. Maar of hij van geen énkele club lid is, durf ik betwijfelen. Misschien behoort hij net als ik tot de Reve-lezers-Mulisch-hatersclub of tot het Leve-Schopenhauer-weg-met-Hegelbroederschap, of tot nog een ander geheim genootschap – zo geheim dat zelfs de leden ervan niet weten dat het bestaat.
     Nee, niet iedereen heeft eenzelfde talent voor wij-en-zij-denken. Maar wie dat talent beslist in grote mate bezat, was Dr. Johnson (1709-1784) waar Marc Vanfraechem** altijd over schrijft. Toen hij in de havenstad Plymouth logeerde, had hij gezien dat er in de buurt een nieuw havenstadje was opgerezen dat ‘The Dock’ werd genoemd. Hij kantte zich onmiddellijk tegen de nieuwkomers. Als toerist in Plymouth vond hij het zijn plicht om op te komen voor de Oude Stad. Bij elke gelegenheid sprak hij kwaad van de ‘Dockers’. Toen hij hoorde dat de nieuwe stad had gevraagd om een deel van Plymouths watervoorraad te mogen gebruiken, riep hij, half voor de grap, maar met luide stem: ‘Nee, nee! Ik ben tegen die Dockers! Ik ben een Plymouth-man. De schurken. Dat ze omkomen van de dorst. Ze krijgen geen druppel.’
     Kijk, zo ver moet men het nationalisme niet drijven.
 
*Zie The Rightheous Mind (2012) en hier.
**Zoals hier bijvoorbeeld.


Dit stukje verscheen ook op Doorbraak.