De beroemde
dichter Dante Alighieri (1265-1321) kende geen Grieks. Dat is geen schande. Weinig geleerden
in zijn tijd kenden Grieks. Zelfs Petrarca die een halve eeuw later leefde en
heel vlijtig studeerde, kende geen Grieks en kwam daar rond voor uit. Maar
Dante spreekt over de taal alsof hij ze wél kent. Ergens schrijft hij terloops
over de onvertaalbaarheid van gedichten. De muzikale eigenschappen kan men niet
overbrengen van de ene taal naar de andere, zegt hij. En als een kenner gaat hij verder:
‘Hierdoor komt het dat men Homerus niet uit het Grieks in het Latijn heeft
vertaald, zoals men dat met de andere geschriften van de Grieken wel heeft
gedaan.’ Dan krijg je toch een beeld van Dante die voor het ontbijt een zang van de Illias leest, met de lintjes van zijn kap speelt en dan zucht: ‘Nee, dàt vertalen, daar is geen beginnen aan. Zoals Homeros het houwen van de zwaarden weergeeft in de klanken van zijn woorden, dat kunnen wij niet in ons Latijn of ons Italiaans.’
Het doet me denken aan die keer dat Hugo Claus ontvangen werd in het boekenprogramma van Bernard Pivot. Pivot prees de schitterende vertaling van Het verdriet van België - Le chagrin des Belges – waarop Claus hem vroeg of hij, Pivot, dan Nederlands kende. Claus ergerde zich merkbaar aan het bekakte sfeertje van het programma. Toen het gedaan was, slaakte hij een zucht. Minstens een luisteraar meent gehoord te hebben dat Claus bij die gelegenheid stilletjes zei: ‘Krabbelanmegatski’.