Posts tonen met het label Daniel Kahneman. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Daniel Kahneman. Alle posts tonen

zaterdag 6 oktober 2018

Sp.a belooft bijna-gratis hoorapparaten

     De Gentse professor Carl Devos heeft van de week voor zijn college politicologie de partijvoorzitters uitgenodigd. Ik las daar een stukje over in Het Nieuwsblad. ‘John Crombez (sp.a) zette van bij het begin de toon,’ schrijft HN. ‘Hij deinsde er niet voor terug om de gehele sociale zekerheid met zijn partij te claimen.’ Van mij mag Crombez alles claimen. Zijn partij heeft in de ontstaansgeschiedenis van die sociale zekerheid haar rol gespeeld. Als Crombez wil mag hij op die manier ook het algemeen stemrecht claimen. De werkelijkheid is echter dat álle partijen – ook n-va en de liberalen –  ondertussen voorstander zijn van de sociale zekerheid – én van het algemeen stemrecht. De socialisten zitten al vier jaar in de oppositie, en toch zijn de sociale uitkeringen in die tijd alweer met 8 procent gestegen.* Die uitkeringen vertegenwoordigen de helft van alle staatsuitgaven en 25 % van ons bruto binnenlands product. Het grootste deel ervan gaat naar pensioenen** en geneeskundige zorg.
     Die sociale zekerheid is een erg ingewikkelde materie. Jan moest daar vorig jaar een en ander over leren, en hij deed dat al zuchtend en steunend, om dan zo snel mogelijk de monoklonale antilichamen en de cytokinen weer op te zoeken. Maar voor de burger valt het mee. Ik moest laatst een heelkundige ingreep ondergaan. Ik werd onder handen genomen door een team van hooggeschoolde en duurbetaalde specialisten die daarbij gebruik maakten van kostbare apparatuur. Een maand later kregen we met de post een belachelijke lage factuur toegestuurd. De rest was al allemaal betaald door de sociale zekerheid. Bij de huisarts is het iets ingewikkelder. Daar moet ik eerst betalen, en krijg ik later een deel van het geld teruggestort. Ook dan krijg ik de indruk dat ik wel erg goed wegkom.
     Maar die indruk is bedrieglijk. Met de geneeskunde is het gesteld als met een ontbijt – je krijgt ze nooit écht gratis, ook niet in Cuba. Er is altijd iemand die betaalt, en die iemand is, in laatste instantie, de patiënt die zijn geld stort in de sociale zekerheidskas. De sociale zekerheid kun je zien als een verzekering die je verplicht bent te nemen – en te betalen – zoals je ook verplicht bent een autoverzekering te nemen – en te betalen. Maar er is een verschil. Die autoverzekering moet je nemen zodat iemand ánders, die door jouw toedoen schade lijdt, zeker mag zijn dat die schade vergoed wordt. Je wordt dus verplicht je te verzekeren om een derde partij te beschermen. In het geval van ziekteverzekering is dat niet zo. Daar word je verplicht jezélf te beschermen.*** Om in de sfeer van de auto te blijven: het is alsof de staat je verplicht een omniumverzekering af te sluiten, iets wat slecht is voor je financiën maar goed voor je gemoedsrust. Inzake gezondheid weegt de staat in jouw plaats financiën en gemoedsrust tegen elkaar af en neemt een beslissing voor je eigen bestwil.
     Elke regeling waar je je verplicht aan moet onderwerpen ‘voor je eigen bestwil’ mag gerust paternalistisch worden genoemd. Dat is een lelijk woord, maar de zaak zelf heeft zo zijn voordelen. Daniel Kahneman heeft uitvoerig geargumenteerd dat de emotionele homo sapiens soms beslissingen neemt die aantoonbaar in zijn eigen nadeel zijn. Een paternalistische overheid kan de sapiens dan met harde verplichtingen of zachte wenken in de ‘juiste’ richting duwen. Misschien is dat ook wat gebeurt met de ziekteverzekering. Misschien gaan we allemaal wat sneller en wat vaker naar de dokter nu we toch verzekerd zijn, en misschien is dat terecht en zijn we daardoor allemaal een klein beetje gezonder en misschien zelfs een heel, heel klein beetje gelukkiger.****
     Toch zou ik met paternalisme ook niet overdrijven. Ik zag onlangs een advertentie van sp.a passeren die hogere terugbetalingen voor brillen, lenzen en hoorapparaten eiste. ‘Sp.a. – we zorgen ervoor,’ stond erbij. Er stond een foto naast van een hardhorende bejaarde die schrok van de prijs van zijn hoorapparaten: 675 euro. Daar hebben veel mensen op gereageerd. De meesten wilden weten waar je die hoorapparaten aan 675 euro kon krijgen. Ik zou dat ook wel willen weten, want ik ben zelf een hardhorende bejaarde. Ik heb me enkele jaren geleden geïnformeerd over die kwestie. Zo’n paar hoorapparaten waarmee je ook in gezelschap de gesprekken kunt volgen, kost al gauw 5000 en niet  675 euro. Ik heb toen maar beslist dat ik eigenlijk ook niet álles wil horen.*****
     We vinden in het verleden van de sp.a geen aanwijzingen, dat die partij in de toekomst van plan zou kunnen zijn zelf de kosten van onze hoorapparaten terug te betalen uit de partijkas. Dat geld zal ergens anders vandaan moeten komen. Eenvoudig gesteld: als we bijna-gratis hoorapparaten willen, dan zal de verzekeringspremie die we betalen omhoog moeten. Zoals het nu is moet ik zelf de beslissing nemen en voorlopig haalt de gierigheid het van mijn wens om alles te verstaan wat om mij heen wordt gezegd. Met het sp.a-voorstel is mijn keuze sterk verminderd: ik moet dan hoe dan ook de verhoogde premie betalen. Ik kan alleen nog beslissen of ik die bijna-gratis hoorapparaten nu wil of niet, en díe beslissing zou snel genomen zijn.
     Is die verhoogde premie de enige oplossing om bijna-gratis hoorapparaten te krijgen? Ik geloof het wel. Je kunt die hoorapparaten natuurlijk ook terugbetalen door pvda-gewijs hogere belastingen te heffen op de rijken, of door de patronale bijdragen bovenop de werknemerslonen te verhogen. Maar dat verandert niets aan het paternalisme. Als men geld van de rijken wil doorsluizen naar de hardhorenden, kan dat nog altijd cash gebeuren. Dan kan de hardhorende zelf beslissen wat hij met dat geld doet. Of als de loonkosten moeten stijgen, dan kan die stijging evengoed rechtstreeks naar de werknemers gaan, in plaats van naar een kas waarop de werknemer later, als hij oud en grijs of kaal is, een beroep kan doen om zijn hoorapparaat te betalen. ******
     Anderzijds is het hele sp.a-voorstel misschien écht wel in mijn voordeel als hardhorende. Misschien moet ikzelf maar een klein bedrag bijbetalen en wordt de kost verder mooi gespreid over mijn niet-hardhorende buren. Maar, ten eerste, put ik weinig troost uit de gedachte dat mijn buren voor mij moeten opdraaien. En, ten tweede, misschien hebben die buren allerlei andere zorgen nodig, waar ik dan weer voor moet opdraaien. Ik wil, zoals elke solidaire Vlaming, heel gráág voor die kosten opdraaien, als het gaat om duur onderzoek, om levensreddende operaties, of om dure, experimentele medicijnen. Maar als het gaat om hoorapparaten, neussprays, kinesibeurten voor een frozen shoulder, of mooie tandheelkundige kronen, dan moeten die buren zelf maar beslissen of ze hun goede geld daarvoor over hebben. Ze kunnen in plaats daarvan ook hun hand achter hun oorschelp brengen, hun neus wat vaker snuiten, enkele maanden wachten tot die schouderpijn vanzelf weggaat, of zich tevreden stellen met een vals gebit.
     Voor de rest zou ik het mooi vinden als mijn buren en ik voor onze medische uitgaven konden kiezen tussen een reeks omnium verzekeringsformules. Ikzelf zou kiezen voor de zogenaamde ‘kleine omnium’. Daar zijn geen hoorapparaten bij, geloof ik.



* Perscommuniqué van de Nationale bank van 2018-04-20 en Kerncijfers. De sociale uitkeringen bedroegen 101.301 miljard in 2014 tot 110.092 miljard in 2017. De sociale uitkeringen zijn ook gestegen als percentage van de totale staatsuitgaven: van 46 % naar 48 %. De stijging van de staatsuitgaven is volledig toe te schrijven aan en stijging van de sociale uitkeringen. Er is alleen een heel kleine daling van de sociale uitkeringen vergeleken met het bbp: van 25,3 % naar 25,1 %. Die relatieve daling is wellicht een gevolg van de dalende werkloosheid en de verhoogde pensioenleeftijd.
** Over de pensioenen heb ik al eens een stukje geschreven. (Hier)
*** Anders dan bij sommige andere verzekeringen, ben je met de ziekteverzekering bijna zeker dat je niet alleen veel geld betaalt, maar ook veel geld of diensten terugkrijgt. Gemiddeld zal iemand met een zwakke gezondheid of een hypochondrische aanleg er wat meer uithalen dan iemand anders, maar iedereen is wel eens ziek en niemand is veilig voor de streken van het noodlot.
**** Misschien ben ik niet alleen gelukkiger omdat ik gezonder ben, maar ook omdat ik niet te veel zélf moet beslissen. Of misschien ben ik daardoor juist ongelukkiger, wie weet. Sp.a-politici lijken in elk geval gelukkiger als zij over mijn lot mee kunnen beslissen en voor mij kunnen ‘zorgen’. ‘Horen, zien en lachen is geen luxe,’ schrijft sp.a, waarmee ze verwijst naar hoorapparaten, brillen en tandzorg. De onderliggende redenering is dat alles wat geen ‘luxe’ is, geregeld moet worden door de staat, zodat we het niet ‘uit eigen zak’ moeten betalen.
***** Sp.a beweert dat ze gemiddelde prijzen genomen heeft. In haar resolutietekst over de kwestie lijkt ze niet goed te beseffen dat hoorapparaten meestal met twee stuks tegelijk worden gekocht: één voor elk oor. Eén stereofoon toestel kost al snel € 2500, samen dus € 5000. Met een totale terugbetaling van € 1317 betaal je dus zelf  € 3683. Sp.a stelt voor de tussenkomst van de verplichte verzekering ‘significant’ te verbeteren. Dat is vaag. Wil sp.a bijvoorbeeld € 4500 terug laten betalen? Dan zal het aantal kandidaten erg snel de hoogte ingaan. Ik zal er zeker ook bij zijn. Overigens heeft sp.a nog een reeks voorstellen om de toestellen aan lagere prijzen aan te bieden, zoals openbare aanbesteding, maximumprijzen, controle van de audiciens en aanmoedigen van goedkopere technieken. Ik heb daar allemaal niet zo veel vertrouwen in.

zaterdag 15 april 2017

Terreur - de expert en de gewone burger

     Wij zullen in de komende jaren, helaas, nog vaak stukken lezen waarin een socioloog of een politicoloog iets zegt over het erg kleine risico op terreuraanvallen en het erg grote risico op obesitas en verkeersongelukken. Zo’n professor of docent zal dan laten verstaan – maar zal het niet met zoveel woorden zeggen – dat we minder middelen moeten besteden aan terreurbestrijding en meer aan die andere bedreigingen die zoveel gevaarlijker zijn. Voor mijzelf weet ik het niet. Over obesitas bijvoorbeeld maak ik mij de laatste tijd weinig zorgen aangezien ik enkele jaren geleden flink vermagerd ben.
     Nu geloof ik niet dat de stukjesschrijvende socioloog of politicoloog veel expertise heeft in risicoanalyse en risicobeheersing. Hij deelt gewoon het aantal terreurslachtoffers in een land door het aantal inwoners en houdt dan een cijfer over met een kleine teller en een grote noemer. Dat noemt hij het risico. Maar hij is niet goed op de hoogte van indirecte gevolgen. Hij weet niet welke factoren het risico doen toenemen of afnemen. Hij kent de budgetten van terreur- en obesitasbestrijding amper. Hij kan de economische impact niet berekenen van twee kort na elkaar ontplofte vliegtuigen.
     Daar tegenover staat de echte expert. Dat is de man die al die dingen wel weet. Die moet toch ook bestaan. Waar zou zo’n échte expert de middelen aan besteden: obesitas of terreur? Het antwoord is wellicht … obesitas. Een zekere Paul Slovic heeft dat onderzocht en Daniel Kahneman brengt verslag uit van dat onderzoek in zijn wondermooie boek Ons feilbare denken. Slovic meent dat experts in hun oordelen en voorkeuren aangaande risico’s vaak afwijken van die van andere mensen. Hij wijst erop

“dat experts de risico’s vaak meten aan de hand van het aantal verloren mensenlevens (of levensjaren), terwijl het grote publiek een fijner onderscheid maakt, bijvoorbeeld tussen een ‘goede’ en ‘slechte’ dood of tussen willekeurig, toevallig overlijden en overlijden door vrijwillig uitgevoerde activiteiten (zoals skiën). Dergelijke legitieme vormen van onderscheid worden in de statistieken meestal genegeerd. Slovic concludeert op basis van zijn observaties dat het grote publiek zich een rijker beeld van riscico’s kan vormen dan de experts.”*
[Aan die fijne onderscheiden van het grote publiek zou ik nog het verschil toevoegen tussen ‘passieve’ en ‘boosaardige’ bedreigingen. Misdaad en terreur horen bij die laatste categorie.**]

     Naar wie moet een verstandig bewindsman nu luisteren: naar de expert die een ‘juistere’ kijk heeft op de cijfers of naar de gewone burger die een ‘rijker’ beeld heeft van de risico’s? Slovic bepleit een tussenoplossing waarbij ‘beide partijen de inzichten en kennis van de andere partij respecteren’. Dat is redelijk. Maar in elk geval moet een verstandig beleid ten minste rekening houden met het grote publiek, ook als het irrationeel reageert.
     Ikzelf behoor tot dat grote publiek. Veronderstel dat morgen moslimterroristen erin slagen om, door betere organisatie van hun kant of door verslapte waakzaamheid van onze kant, jaarlijks tien vliegtuigen vanop Zaventem op te blazen. Een expert kan dan netjes uitrekenen dat de kans om opgeblazen te worden niet meer is dan 1 op 16 000, dus vergelijkbaar met de kans die ik jaarlijks loop om om te komen in een verkeersongeval. Toch krijg je mij dan met geen stokken meer in een vliegmachine. Ik ben nu al niet erg op mijn gemak als ik vlieg.
     Een beleid moet daarenboven niet alleen verstandig zijn maar ook een klein beetje democratisch. Het is misschien best mogelijk om iets te doen aan het onveilig skiën. In een slecht jaar vallen tot 100 dodelijke slachtoffers in de Alpen. Daar kan iets aan gedaan worden door meer voorlichting, betere en verplichte opleiding, meer controle, grote infrastructuurwerken. Dat kan aardig wat kosten. Is het dan billijk om de niet-skiënde belastingbetaler mee te laten betalen in de kosten? Het mooiste is dat er in zo’n geval een nieuwe partij opkomt voor Veilig Skiën. Dan kunnen de stemmen worden geteld. Zo kunnen de sociologen en politicologen zich ook verenigen in de partij Minder Geld Voor Terreurbestrijding. Heel veel stemmen zullen ze niet halen, geloof ik.  

*  De samenvatting is van Kahneman, hoofdstuk 13. – Het boek verscheen eerst in het Engels onder de titel  Thinking, Fast and Slow.
** Zie Charles Murray, In Pursuit of Happiness, hoofdstuk 5. Murray spreekt van ‘passive threats’ en ‘predatory threats’.

zaterdag 23 juli 2016

Schrijfadvies

     Enige tijd geleden wou ik een stukje schrijven over het stijlhandboek van Robert Graves en Alan Hodge – The Reader Over Your Shoulder. Ik wist al hoe ik dat stukje zou beginnen: ‘Ik hou van handleidingen over stijl’. Dat kan nu niet meer. De psycholoog en taalkundige Steven Pinker heeft ondertussen zijn eigen stijlhandboek geschreven en hij begint met die zin.
     Steven Pinker behoort tot die rationalistische geleerden die zich bekwaamd hebben in het schrijven van boeken voor het grote publiek: Richard Dawkins, Daniel C. Dennett, Daniel Kahneman. Bij ons – Maarten Boudry. Die geleerden schrijven allemaal een erg heldere stijl, en als stijl alleen kwestie van helderheid was, verdienden ze allemaal een Nobelprijs voor de Literatuur. Dat vinden ze zelf ook, geloof ik. Dawkins stelde in een interview ooit voor om die prijs eindelijk maar eens aan zijn collega Pinker toe te kennen. En Pinker zelf opent zijn handboek met een stuk proza van ‘grootmeester’ Dawkins, als voorbeeld van ‘uitmuntende’ stijl*. Het tweede stuk proza dat hij geeft als voorbeeld van uitmuntende stijl is van zijn vrouw. Pinkers vrouw, niet die van Dawkins.
     Ik heb het handboek met instemming en ergernis gelezen. Instemming, omdat ik het ongeveer met alles eens ben, en ergernis, vanwege … de stijl. ‘Le style, c’est l’homme même’, schreef Buffon, ‘de stijl is de mens zelf’ en die mens is, in Pinkers geval, een lichtjes geniale, maar ook lichtjes puberale, betweter. Ik zal het nog sterker zeggen, als ik hem lees, kom ik een onuitstaanbaar deel van mijzelf tegen. Hij schrijft woorden die ik ook zou schrijven en gebruikt wendingen die ook zou gebruiken – maar die ik bij herlezing weer zou schrappen, in de hoop mij beter voor te doen dan ik ben. Pinker schrapt die woorden en wendingen niet en is dus een eerlijker schrijver.
     Het boek van Pinker heet The Sense of Style – A Thinking’s Person’s Guide to Writing. In minder politiek correcte tijden zou dat A Thinking Man’s Guide geweest zijn, waarbij je onwillekeurig denkt aan Playboy-interviews, mooie schoenen en martini cocktails ‘shaken not stirred’. De ondertitel is echter meer dan alleen een ironische verwijzing naar glamoureus snobisme. Het is de samenvatting van Pinkers opzet. Hij wil niet alleen stijladviezen geven, hij wil die adviezen ook met redenen omkleden, zodat de ‘denkende persoon’ voor zichzelf kan uitmaken of hij in een welbepaald geval een advies al dan niet volgt. Die redenen worden gestaafd met hedendaags wetenschappelijk onderzoek.
     Ik ben het boek nu aan het herlezen omdat ik het wil gebruiken in mijn Nederlandse lessen. Het bevat veel van de regels die je ook in andere handleidingen vindt. Ik doe maar een greep:

-          Vervang passieve werkwoordsvormen door actieve
-          Gebruik werkwoorden in plaats van substantieven die van die werkwoorden
         zijn afgeleid
-          Leg verbanden door middel van verbindingswoorden
-          Schrap overbodige woorden
-          Varieer de zinsconstructie
-          Vermijd ‘elegante variatie’ met synoniemen.
     Andere handleidingen voegen daar een algemene waarschuwing aan toe dat je die regels ‘niet al te strikt mag volgen’. Niet overdrijven is de boodschap en mate is tallen spele goed. Dat is wel juist, maar daar heb je niet veel aan. Pinker doet dat anders. Hij legt nauwgezet uit wanneer je die regels niet mag volgen – wanneer je passieve werkwoorden moet laten staan – wanneer je substantieven afgeleid van werkwoorden wél gebruikt, verbindingswoorden schrapt, overbodige woorden toevoegt, zinsconstructies eentonig houdt en, ondanks alle waarschuwingen, synoniemen gebruikt. Hij weet zelfs welke synoniemen dat moeten zijn. Dat moeten woorden zijn met een ruimere betekenis dan het te vervangen woord.
     Als mijn leerlingen al die adviezen en tegenadviezen van Pinker volgen, dan zullen ze zeker helderder leren schrijven. Of er onder hen ook toekomstige Nobelprijswinnaars zijn, dat zal de tijd leren.

* Deze zin heb ik enkele malen herschreven om beter te beantwoorden aan de adviezen van Pinker.

dinsdag 31 mei 2016

Ik heb niet gestaakt

     Het was gezellig vandaag in de lerarenkamer. Dat kwam door de staking. Een derde van de collega’s had aangekondigd te willen staken, waardoor alle leerlingen een dagje vrij kregen, en wij, de niet-stakers ook – al moesten we dan op school zijn. Aan lange tafels werden toetsen en taken verbeterd, en punten opgeteld. Er werd wat gebabbeld, maar niet te luid. Wie zin had in een koffie stond op om die koffie te halen. Sommige collega’s begonnen al tien minuten vóór het belsignaal hun boterhammetjes op te eten. We voelden ons een beetje als ambtenaren. Toen ik om vier uur naar huis vertrok, was ik ondanks alle verbeterwerk nog zo fris dat ik niet eens de motor van mijn elektrische fiets heb opgestart.
     Onder de collega’s die wél hebben gestaakt, ken ik een aantal mensen van aanzienlijk moreel gehalte. Zeker, zij kwamen op voor een soort eigenbelang. Volgens de vakbond kon een succesvolle staking tot 80 000 euro pensioenwinst opleveren over een periode van twintig jaar (1). Maar de mensen waar ik aan denk zouden nooit tot staking besluiten als hun gevoel voor rechtvaardigheid daarbij geen rol speelde. Wat je in dat verband het vaakst hoorde, was dat de regering, door de pensioenleeftijd van de ambtenaren te verhogen, een soort contractbreuk pleegde.
     Helemaal letterlijk mogen we die contractbreuk niet opvatten. Er bestaat geen geschreven en naar behoren ondertekend contract waarbij de regering voor ambtenaren – of andere werknemers! – een bepaalde pensioenregeling waarborgt. Er is wel een vaag aanvoelen in die zin, maar het contract zelf – zoals Nozick in een andere context schreef – ‘is not worth the paper it is not written on’.
     Het zit zo. Wij allen, of we nu ambtenaar, werknemer of zelfstandige zijn, betalen onze belastingen en sociale bijdragen niet om dat geld later als pensioen terug te krijgen (2). Wij betalen belastingen en bijdragen om onze collega’s te onderhouden die nu op pensioen zijn (3). Wat wijzelf zullen krijgen, zal afhangen van wat het toekomstige geslacht bereid zal zijn te betalen. Ons pensioen – en niet alleen dat van ambtenaren! – hangt volledig af van een toekomstige en onvoorspelbare krachtsverhouding – hangt af van wat een toekomstige regering op dat moment zal willen en kunnen betalen. Als ik nu een vervloekte neoliberaal was, zou ik hieruit een argument halen om het hele pensioenstelsel zoveel mogelijk aan de staat en de regering te onttrekken. Maar neoliberalen bestaan niet. (Zie hier)
     Al kan ze niet letterlijk genomen worden, toch heeft de contractbreuktheorie ook haar verdiensten. Als je gewoon bent iets te krijgen, ga je die gewoonte op de duur als een recht beschouwen (4).  Je mag daar evenwel niet te ver in gaan. Onredelijke toestanden zoals pensionering voor leraren op 55 of 58 jaar moesten weg, verworven recht of niet.  Maar het is één zaak om aan beginnende leerkrachten mee te geven dat ze tot 67 moeten werken; het is een andere zaak om een 58-jarige, die zijn pensioen al kan ruiken, in één klap met 9 jaar extra dienstjaren op te zadelen (5). Dat is ook niet gebeurd. De loopbaanverlenging wordt geleidelijk aan ingevoerd – ‘gefaseerd’ zoals dat heet – en wordt pas vanaf 2030 volledig van kracht.
     Bij een dergelijke loopbaanverlenging hoort een nieuwe pensioenberekening die vertrekt van een langere loopbaan. Zo is er geen plaats meer voor een diplomabonificatie (6), die voor berekeningsdoeleinden de werkelijke loopbaan verlengt met de studiejaren. Iemand die tot zijn 67ste werkt, heeft die bonificatie niet nodig om aan zijn hoogst mogelijke pensioen te komen. Voor leraren met een gemengde loopbaan – eerst iets anders en dan pas leraar bijvoorbeeld – is het een andere zaak. Hun pensioen wordt met één klap een stuk minder dan ze hadden verwacht, ook al werken ze nu tot hun 67ste. Dat is bitter. Daarom wordt ook die maatregel  ‘gefaseerd’ ingevoerd. Maar die fasering valt mij tegen. De meeste leraren-licentiaten van mijn generatie hebben een dossier van vier studiejaren, maar die vier jaren worden al ‘uitgefaseerd’ tegen 2024. Dat is nogal snel.
     Hier ligt, vind ik, een kans voor mijn vakbond. Die mensen gaan toch vaak op de koffie bij de minister. Als ze alleen naar de minister trekken om met een boos gezicht en de vuist op tafel elk idee van verdere besparing te verwerpen, dan hebben zij mijn mandaat niet. Dat heb ik bij de verkiezingen al aan de regering gegeven. Maar hier een tijdelijke uitzondering toevoegen, daar een overgangscurve hertekenen, en nog ergens anders een maatregel wat dunner en breder smeren – voor zoiets krijgen ze wél mijn mandaat.
     Ik mag hopen dat ikzelf profijt trek van een of andere uitzonderingsregel die dusdanig tot stand komt. Als dat niet zo is, dan zal ik berusten. Er moet tenslotte bespaard worden en er is vroeger veel uitgegeven. Maar eerst zal dan de naam van de Heere een paar keer ijdel gebruikt worden.

___________________

 
(1) Ik heb hier enkele bedenkingen neergeschreven bij de bewering als zou de pensioenhervorming leiden tot pensioenverlies. 

(2) Die belastingen en bijdragen op ambtenarenlonen zijn iets grappigs. Eerst betaalt de staat zogezegd een brutoloon, en daarna vordert ze een bepaalde som daarvan terug. In werkelijkheid verandert die som op geen enkel moment van eigenaar en blijft ze de hele tijd in de staatskas liggen. In de private sector is dat even anders.

(2) We betalen nu de pensioenen van degenen die op 55 of 58 hun loopbaan beëindigden. Het weze hen gegund.

(4) Zo kent de wet iets als ‘erfdienstbaarheid’. Een boer die van vader op zoon met zijn tractor over jouw landweg rijdt, kun je na een bepaald ogenblik niet meer vragen om een andere weg te nemen. Je had daar maar eerder iets van moeten zeggen. Dat heet ‘erfdienstbaarheid door verjaring’. De ‘verworven rechten’ waar je dezer dagen vaak over hoort, lijken daar wel de syndicale tegenhanger van.

(5) Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman heeft over die kwestie geschreven in dat prachtige boek Ons feilbare denken (hoofdstuk 28). Ons rechtvaardigheidsgevoel is sterk gebaseerd op een ‘afkeer van verlies’. Mensen vinden het onrechtvaardig dat het loon van een werknemer verlaagd wordt. Een nieuwe werknemer die aan een verlaagd loon wordt aangenomen, vinden ze minder onrechtvaardig.

(6) De diplomabonificatie was op zichzelf een dubbele onrechtvaardigheid. De jaren die je studeerde aan de hogeschool of universiteit werden bij je beroepsloopbaan geteld voor de pensioenberekening, terwijl je die jaren niets geen bijdragen betaald had en tegelijkertijd, op staatskosten, genoten had van bijna gratis onderwijs. Dat was niet alleen discriminerend tegenover werknemers van de private sector maar vooral tegenover werknemers die niet het voorrecht genoten om te studeren.