Posts tonen met het label Tom Meeuws. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Tom Meeuws. Alle posts tonen

zaterdag 5 december 2020

De strijdbijl en de dolk van Lachaert


      In Het Nieuwsblad van vandaag (hier) zegt Lachaert voor de zoveelste keer dat hij geen schuld heeft aan de ruzie tussen hem en De Wever. ‘Jullie bellen nooit eens?’ vraagt de journalist. ‘Nee. Hij moet ergens mijn nummer zijn kwijtgeraakt.’ Goed. Dat kan. Maar het is toch maar een half antwoord. Waarom belt Lachaert immers zelf niet? Boos, beschaamd, verongelijkt, ook nummer kwijtgeraakt? Of heeft hij, nu zijn partij in de regering zit, bij zo’n telefoontje niets te winnen?
     Waar hij in elk geval wel bij te winnen heeft, is dit: zo vaak als mogelijk in de pers herhalen dat hijzelf ‘de strijdbijl met N-VA begraven wil’? Hier wil ik Lachaert even waarschuwen. Die strijdbijl is een gevaarlijke metafoor. Ze komt uit de cultuur van de native Americans, net als de vredespijp roken. Dat komt in de buurt van ‘cultural appropriation’. Misschien kan Lachaert beter iets uit de eigen Europese cultuur nemen. Hij zou De Wever kunnen beloven hem nooit meer een dolk in de rug te steken bijvoorbeeld*. Die dolk is gemunt door George Bernard Shaw, en doet denken aan de moord op Caesar, en aan de Italiaanse renaissance.
     Ik heb nu heel leep die dolk in verband gebracht met Lachaert, en ben daarna gaan uitweiden over George Bernard Shaw en Caesar en de renaissance om de aandacht af te leiden. Maar kan ik mijn insinuatie ook verantwoorden? Eigenlijk niet. Ik was niet aanwezig op de regeringsonderhandelingen en weet dus niet wat daar gezegd is. Heeft Lachaert toen op zeker ogenblik persoonlijke beloftes gedaan die hij achteraf niet gehouden heeft. Dat kan. Zoiets komt voor in de politiek. Bart De Wever heeft indertijd persoonlijke beloftes gedaan aan Jean-Marie De Decker, die hij achteraf verbroken heeft. Hij was daar toen erg beschaamd over. Maar of Lachaert nu ook zoiets gedaan heeft, en daar beschaamd over is? t Is mogelijk, maar ik kan dat niet met zekerheid weten.
     Wat iedereen ondertussen wél weet, is dat, toen de eindstreep in zicht kwam, de beslissing paarsgeel of vivaldi alleen bij Lachaert lag, en dat hij gekozen heeft voor dat laatste. Eén reden voor die keuze was dat hij op die manier het veto van de PS tegen MR kon omzeilen. Je kunt het hem als voorzitter van de Vlaamse liberalen niet kwalijk nemen dat hij graag de Waalse liberalen mee in de regering had. Dat is een begrijpelijke vorm van solidariteit. Maar je kan het N-VA ook niet kwalijk nemen dat ze dat anders zien. Door zijn keuze heeft Lachaert de Vlaamse solidariteit doorbroken – waar CD&V en SP.A wel toe bereid waren –  en heeft hij de centrumrechtse solidariteit doorbroken door Groen en Ecolo te verkiezen boven N-VA. Ik betreur die keuzes, maar, ach, ’t is politiek.
     Ik denk overigens dat alles in de toekomst nog goed kan komen tussen De Wever en Lachaert. Er zijn indertijd erg diepe wonden geslagen tussen De Wever en Tom Meeuws (zie hier) en toch hebben die twee in Antwerpen een coalitie kunnen maken. Dus na 2024, waarom niet?** We mogen veronderstellen dat Open-VLD haar centrumrechtse reflex niet helemaal kwijt is. En misschien is het Belgisch nationalisme van Open-VLD maar een tijdelijke bevlieging waarvan de partij ook wel inziet dat ze erdoor aan de ‘verkeerde kant van de geschiedenis’ kan terechtkomen  dát zou pas erg zijn.
     Ná 2024 dus, dat zou kunnen, maar ook weer niet vóór 2024. Het is grappig om te zien hoe Lachaert er telkens maar op aandringt dat N-VA geen ‘ruzie’ meer zou maken, terwijl zijn partij in de regering zit en N-VA in de oppositie. Ik neem het spek, en jij krijgt het touwtje en we gaan daar geen ruzie over maken. Zoiets ongeveer zei Isengrim tegen Reinaert.
     Kijk, dat Lachaert de vrede wil bewaren binnen zijn coalitie begrijp ik. Dat zal niet altijd makkelijk zijn met De Croo en Vandenbroucke die allebei graag op de televisie komen en allebei graag gelijk hebben, en met Rousseau en Bouchez, tussen wie de verstandhouding ‘gevoelig’ ligt. Maar het moet. Vrede tussen de regering en de oppositie daarentegen, wat is dat nu weer? ‘N-VA heeft ervoor gekozen zich als een oppositiepartij te profileren,’ zegt Lachaert verwijtend. Ook dat nog! Een partij die federaal in de oppositie zit, en die zich federaal als een oppositiepartij gaat profileren! Waar gaan we naartoe? 
     Lachaert heeft veel geluk dat het politieke leven al een hele tijd beheerst wordt door corona, en dat N-VA – helemaal terecht – beslist heeft om rond die kwestie de godsvrede te bewaren. Hier laten zich weer de voordelen voelen van de aanstaande vaccinatie.  Als die achter de rug is, kan de oppositie echt beginnen. Zelf hou ik daar niet zo van (zie hier), maar in een democratie hoort het erbij.

 

* Lachaert gebruikt een moderne versie van de dolk-uitdrukking. Hij zegt in het interview: ‘Ik stoor mij mateloos aan de houding van N-VA die haar eigen ministerspresident in de rug schiet.’ Zou Jambon een kogel gevoeld hebben? Lachaert beweert dat ook dat naast de MR ook andere partijen zich niet achter de maatregelen van het Overlegcomité scharen, en hij geeft het voorbeeld van N-VA. Ik zal Lachaert in dat verband geen leugenaar noemen, maar als hij het verschil niet ziet tussen de houding van MR en N-VA in die kwestie, wil ik het hem wel uitleggen. Heeft hij mijn telefoonnummer? Of had De Wever moeten zwijgen over de desastreuze communicatie van Vandenbroucke? Ik heb ook niet gezwegen. (hier)

** Veel zal afhangen van het verkiezingsresultaat van N-VA. Verliest ze veel kiezers aan Vlaams Belang, dan kan het dubbele cordon sanitaire nog wel even doorgaan.

vrijdag 13 april 2018

Tsjeverij

     Mocht je lid zijn van CD&V, lieve lezer, of van een aanverwante organisatie, dan kreeg je wellicht al een keer het woord ‘tsjeef’ toegevoegd. Aan de toon kon je dan horen dat het geen complimentje was. Het was net het tegendeel van een complimentje. Je werd uitgemaakt – maar voor wat?
     Meestal wordt tsjeverij in verband gebracht met een zekere mate van valsheid, maar het lijkt mij onrechtvaardig om die slechte eigenschap op één politieke partij te betrekken. Zelf spelen we, als het zo uitkomt, allemaal wel eens vals, spreken we met dubbele tong, en planten we een figuurlijk mes in de rug van een collega, en bij politici – van álle partijen –  zie je het wat vaker. Ja, politici zijn soms vals – ’t mag met een krijtje aan de balk hoor.
     En het voortdurende gekuip van CD&V dan in de regering? Met één voet in de regering en met de andere voet in de oppositie? Altijd maar schieten op N-VA-ministers waarmee ze samen in de coalitie zitten? Is dat geen tsjeverij? Ja, misschien, maar ‘t is ook een verstandige politiek. CD&V kan N-VA jennen zoveel ze wil, bij de volgende regeringsvorming kunnen de vlaams-nationalen niet zonder de christendemocraten. Het omgekeerde geldt niet. De christendemocraten kunnen best een regering vormen zonder vlaams-nationalen, maar met groenen en socialisten in de plaats. En, mocht dat niet genoeg zijn, de geheime code om de liberalen erbij te krijgen is 1-2-3-4. ’t Is in die omstandigheden eigenlijk onbegrijpelijk dat CD&V niet nog meer inspanningen doet om N-VA op stang te jagen.
     Zelf denk ik bij tsjeverij aan iets anders – aan iets wat men vaak als ‘schijnheiligheid’ omschrijft. Het gaat mij niet om de vuile streek, maar om het verbaasd-onschuldige gezicht dat men opzet bij het uitvoeren van die streek. Ik zie het niet bij de nijdige Eric Van Rompuy en ik zie het niet bij de schriele Wouter Beke. Ik zie het zelfs niet bij Kris Peeters, ook al lacht die de laatste tijd een beetje als een niet helemaal oprechte oude tante, of, zoals mijn Facebookvriend Ed Van Gasse met meer precisie schreef, als Robin Williams in Mrs. Doubtfire.
     Onlangs zag ik iets op de Facebookpagina van Mark Van de Voorde dat er mij wél vaagjes aan deed denken. Mark heeft een christelijke en christendemocratische achtergrond. Hij was perschef van het bisdom van Brugge, hoofdredacteur van het Parochieblad, adviseur van Yves Leterme en medewerker van Herman Van Rompuy. Op zijn Facebookpagina bepleit hij een plaatsje voor de godsdienst in de publieke ruimte, belicht hij vluchtelingenproblematiek en immigratie vanuit de evangelische waarden, en maakt hij vergelijkingen tussen N-VA en het nazisme van de jaren dertig. En onlangs postte hij een spotprent van Marec over Pol Van den Driessche, ook van de N-VA,  met een naar mijn smaak wat tsjeverige commentaar.
     Die spotprent is erg grappig. Een goed herkenbare Pol heeft een argeloze jongedame achterwaarts benaderd, zijn kruis tegen haar billen geduwd, en, met zijn armen onder haar oksels gestoken, betast hij haar borsten. ‘t Is grappiger als je het ziet. Er staat een tekst bij ‘En zie je van Brugge, zet je van achter*’. Met die tekst wordt verwezen naar de Waals-Brusselse partij ‘Islam’ die voorstelt om vrouwen achteraan te laten plaatsnemen op bus en tram, zodat ze veilig zijn voor ongewenste aanrakingen. En dat Pol vroeger al eens een vrouw ongewenst aanraakte is goed gedocumenteerd. Hij heeft het zelf toegegeven.
     Je kunt nu zeggen dat die spotprent misplaatst is. Dat de handtastelijkheden van Pol tot het verleden behoren. Dat hij daarvoor zijn publieke excuses heeft aangeboden. Dat er geen nieuwe feiten zijn. Dat er geen verband is  tussen Pol en die ‘Islam’-partij. Dat van de ‘Islam’-partij naar dat liedje over de Bruggelingen die zich ‘van achter moeten zetten’ slechts een heel dun, kronkelend, flauwgeel verbindingslijntje loopt. Maar zulke dunne, kronkelende verbindingslijntjes zijn nu net waar het bij spotprenten om gaat. Als ik een politiek ongebonden tekenaar was, en ik was op hetzelfde idee gekomen, ik had de tekening ook gemaakt. En als ik, zoals Mark, een negatief oordeel had over N-VA, ik zou de tekening misschien ook posten. Elk beetje schade dat die partij daardoor zou lijden, zou ik dan mooi meegenomen vinden. 
     Maar goed, ik werd dus vooral getroffen door de commentaar die Mark bij de tekening plaatste.  Mark zegt dat hij het ‘niet kon laten om dit te delen omdat het iets aantoont over de politieke campagne. Als een partij uit alles garen wil spinnen, krijgt ze wel eens de klos in haar gezicht.’ Dat van dat garen en die klos is een mooi spreekwoord dat ik niet kende en dat naar de textielnijverheid verwijst. Als je vezels – van wol, vlas of katoen –  in elkaar wil draaien tot een stevige draad, kun je die draad best vergaren rond een sneldraaiende klos en dan kan het gebeuren dat die klos losspringt en in je gezicht terechtkomt. Het spreekwoord betekent dus dat wie overal voordeel uit wil halen (‘garen spinnen’) ook wel eens een weerbots vangt (‘klos in het gezicht’). Een klos in je gezicht krijgen, is ongeveer hetzelfde als een boomerang in je gezicht krijgen.
     Mark ziet in de afbeelding van Pol Van den Driessche een terugslag die N-VA moet ondergaan omdat de partij zo fel gereageerd heeft op het ‘Islam’-voorstel van gescheiden plaatsen op bus en tram. Ik interpreteer dat anders. Ik zie wel het verband tussen Pol en het ‘Islam’-voorstel maar ik zie geen verband met de N-VA-reactie op dat voorstel. Het was niet Pol die de N-VA-reactie verwoordde. Ook stond N-VA niet alleen met haar reactie. Andere partijen als CD&V, Open-VLD en Groen hebben ook fel gereageerd. Maar over verbanden en voorbeelden kun je blijven discussiëren. Ik vind de verwikkelingen rond Tom Meeuws een veel beter voorbeeld van een terugspringende klos, maar als Mark het voorbeeld van Pol beter vindt, is dat zijn goed recht.
     Het gaat mij trouwens meer om het vervolg van de commentaar. Mark beweert dat hij de tekening plaatste om iets te zeggen over ‘de moraal van het verhaal’ en alvast niet omdat hij  de humor van de cartoon zelf goed zou vinden.’ En hij herhaalt daarna nog verschillende keren dat hijzelf de tekening niet humoristisch vindt. Mark moet daar niet om lachen, om zulke tekeningen.
     Er doemt bij mij een beeld op van twee, nou ja, tsjeven op de trein die samen een boekje met pornografisch fotomateriaal doorbladeren. ‘Kijk hier,’ zegt de een, ‘schandalig.’ ‘Kijk daar,’ antwoordt de ander, ‘nog erger.’ ‘En zeggen dat je zulke boekjes overal vrij kunt kopen,’ zegt de ene weer. En zo gaat dat maar door, bladzijde, na bladzijde, na bladzijde, na bladzijde.**



*Het lied gaat verder als volgt: ‘Ge moet van voren in de reke niet gaan staan.’ In vertaling: ‘En ben je van Brugge, neem dan plaats achteraan / Je moet vooraan in de rij niet gaan staan.’ ’t Is grappiger als je het liedje ook echt zingt.


**Ed van Gasse reageerde op mijn Facebook-pagina met volgende anekdote: ‘Toen ik een jaar of dertien was, leende ik aan een klasgenoot (de latere kunstschilder Paul Morez) een erotisch tijdschrijft uit (De Lach, als je het nu zou zien, kan je je ogen niet geloven, zo flauw en onschuldig). Dat zat verscholen in een plakboek over de Beatles. Beide werden geconfisceerd door onze leraar Latijn die toen ook waarnemend prefect was. Hij ontbood mijn moeder om haar de levieten te lezen over haar seksueel geobsedeerde zoon. Mijn moeder vertelde me later dat hij tijdens het gesprek de hele tijd door heen en weer zat te bladeren in het euvele boekje, alle tieten geringschattend monsterend terwijl hij alsmaar bleef zeggen: “Kijk, dat doet mij nu als volwassen man allemaal niets, zie. Kijk, kijk.” Ik denk dat dit voor mijn moeder toch een beetje een #metoo moment was.’





zaterdag 25 november 2017

Tom Meeuws vs. Bart De Wever

     Bart De Wever heeft dus ‘emotioneel gereageerd’ op het stuk van Tom Meeuws in De Morgen. Zelf heb ik uit dat stuk van Meeuws vooral veel bijgeleerd wat ik eerder niet wist, en met name over stedenbouw. Als ik ooit een wolkenkrabber wil laten neerzetten in Antwerpen, dan zal ik – weet ik nu – een hele procedure moeten doorlopen. Ik zal moeten kijken wat de bouwkundige voorschriften zijn. Mijn bouwplan zal worden beschouwd als schade aan de omgeving die ik moet compenseren door een speciale taks te betalen – de zogenaamde stedenbouwkundige lasten –waarmee dan turnzalen en parken worden gebouwd en aangelegd. En dan zal ik nog een gunstig advies moeten krijgen van de administratie. Als ik dat gunstig advies niet krijg, kan ik nog hopen dat het stadsbestuur een andere beslissing neemt. En als ik dat gunstig advies wél krijg, kunnen bewoners van de omgeving beroep aantekenen bij de provincie.
     ’t Is wat omslachtig, maar de principes zijn redelijk. Schade moet worden gecompenseerd. Verkozenen kunnen ambtelijke beslissingen ongedaan maken. En ook tegen de beslissing van de verkozenen is beroep mogelijk. Wat wil je nog meer? Als het er zo toegaat in Antwerpen, en in andere steden, vind ik dat een prima systeem.
     En Meeuws vindt dat blijkbaar ook, want hij noemt de bovenstaande regeling ‘op zich … een goede zaak’. Maar, zegt hij, het systeem wordt verkeerd toegepast.  Hij gebruikt daarvoor een reeks woorden die veel insinueren zonder iets te bewijzen: ‘perfide systeem’, ‘wie het spel meespeelt, mag meer dan een ander’, ‘geen regels’, ‘willekeur’, ‘wie geld heeft … wordt bediend’.  Meeuws zegt nog net niet dat De Wever en zijn collega’s zich laten omkopen om bouwvergunningen toe te kennen, maar misschien hoopt hij dat precies die gedachte bij de onaandachtige lezer zal blijven hangen.* Of heb ik mij met die laatste opmerking zelf schuldig gemaakt aan insinuatie?

     Meeuws ondersteunt zijn dossier met twee voorbeelden van omstreden bouwplannen: een woontoren in Hoboken en een reeks appartementsgebouwen in Borgerhout. Ik zal daar niets over zeggen. De Wever heeft beloofd dat die bouwdossiers openbaar zullen worden gemaakt en ik heb daar geen probleem mee, zolang ik ze niet moet lezen. Maar dat bouwplannen altijd omstreden zijn, dat wist ik al als kind. Mijn grootouders wilden twee slaapkamers laten bijbouwen, en de buren dienden een dossier in wegens ‘derving van licht en lucht’. In de buurt waar we nu wonen zouden twee percelen worden samengevoegd en op zo’n manier bebouwd dat niet veel meer over zou blijven van onze bosomgeving. Wij hebben daartegen verzet aangetekend en de samenvoeging heeft niet plaatsgevonden. En toen onze vroegere buren een scheidingsmuurtje optrokken van afgedankte pallets heeft het niet veel gescheeld of we hadden de politie erbij gehaald. Dat er dus ook in Antwerpen over bouwplannen geredekaveld wordt, hoeft ons niet te verwonderen.
     Verder schijnt Meeuws bezwaren te hebben tegen hoogbouw in het algemeen, want de bouwprojecten die hij vermeldt gaan over respectievelijk zestien en negen verdiepingen. Dat is een kwestie van smaak. Voor mij kan er niet hoog genoeg gebouwd worden. Ik vind Manhattan de mooiste plek ter wereld. Ik denk nog vaak terug aan die zondagochtend dat ik met mijn toen veertienjarige zoon de grote Avenues van de stad affietste. Een heerlijk gevoel was dat. En ik lees met plezier dat Christian Rapp, stadsbouwmeester van Antwerpen, ook graag in de hoogte denkt. Maar ik woon niet in Antwerpen – ik mag er met mijn oude dieselwagen zelfs niet binnen – en ik maak mij daar dus niet druk over.
     Waar ik mij ondertussen wel druk over maak is de zoveelste onnadenkende en onsamenhangende commentaar in mijn Nieuwsblad. Peter Mijlemans vat de opinie van Meeuws als volgt samen: ‘Het huidige bestuur verkoopt de stad uit aan de hoogste bieder.’ Hij vindt dat ‘gechargeerd’ en ‘niet altijd correct’. Maar de reactie van Bart De Wever vindt Peter ook ‘gechargeerd’ want: ‘Niemand heeft zijn integriteit in vraag gesteld. Een schijn van partijdigheid wel.’ Wat is dat nu voor een zin, die laatste zin? Heeft die ‘schijn van partijdigheid’ nu iets in vraag gesteld, of werd ze zélf in vraag gesteld? Eén ding is zeker: ze was niet het onderwerp van Meeuws zijn stuk.** Dàt, tenminste, zou duidelijk moeten zijn.

     Zó. Nu heb ik ook eens emotioneel gereageerd.

_______________

 * Mocht de onaandachtige lezer nog twijfelen, dan is Meeuws ook bereid om het duidelijker te formuleren zoals hier: “Wie met een zak geld het bureau van schepen Rob Van de Velde binnenwandelt, kan in Antwerpen alles gedaan krijgen.” Over de banden die Tom Meeuws zelf onderhoudt met de bouwsector, zie hier.
 
** De ‘schijn van partijdigheid’ kwam wél ter sprake in de eerdere klacht van Groen tegen het stadbestuur. Maar die ging over een heel andere vraag, namelijk, of leden van het stadsbestuur naar bepaalde feestjes mochten gaan. Of is dat voor Mijlemans allemaal zo ongeveer een beetje hetzelfde?

zondag 1 januari 2017

De PVDA en Noord-Korea


     Ik ben jarenlang geabonneerd geweest op Pékin Information, een wekelijkse uitgave in dundruk die vanuit China over de hele francofone wereld werd verspreid en vermoedelijk het saaiste blad was dat ooit heeft bestaan. De Engelse versie Peking Review was geen haar beter – het lag dus niet aan het Frans. Sommige nummers van De Wachttoren heb ik helemaal uitgelezen, terwijl die getuigen van Jehova mij van geen kanten interesseren, maar met dat berichtenblad uit China is me dat nooit gelukt. Zelfs mijn vader, die alles leest, keek alleen maar even naar de schaarse plaatjes.
     Naar die plaatjes keek ik ook. Op bladzijde drie stond vaak een foto van Mao die een buitenlandse bezoeker de hand schudde. Soms waren dat presidenten of eerste ministers. Dat boeide me niet. Maar soms ook waren het maoïstische leiders uit het Westen, en dan was ik jaloers. Mao poseerde dan met Pal Steigan (Noorwegen), Heduíno Vilar (Portugal) en Ernst Aust (Duitsland). Soms was het niet Mao zelf die op de foto stond, maar een andere lid van het Chinese ‘politburo’, maar daar ging het niet om. Waar het om ging was dat mijn maoïstische partij daar nooit bij was. Je zag nooit een foto van Mao, of van Yao Wen Yuan, met onze eigen voorzitter, Ludo Martens.
     Daar was een reden voor. China had in België al een partij. Dat was een onooglijk klein partijtje dat, met Chinese steun vermoed ik, een blaadje uitgaf dat Clarté heette. Ik heb het in mijn militantenleven maar één keer te koop weten aanbieden. Misschien had die Clarté-groep wel minder dan vijftig leden, terwijl mijn partij wel meer dan vijfhonderd leden had. Maar daar leken de Chinezen zich niets van aan te trekken. Als je zelf vijftig miljoen leden hebt, is het verschil tussen minder dan vijftig en meer dan vijfhonderd niet zo erg belangrijk.

PVDA-leiders worden in 1979 (eindelijk) ontvangen door Chinese
leiders van een lager echelon. Van links naar rechts: Kris Merckx,
Ludo Martens (†2011), Jo Cottenier, Herwig Lerouge.
De laatste twee behoren nog altijd tot de partijleiding.
     Zonder die Chinese erkenning was het voor de PVDA moeilijk om zich in de internationale communistische gemeenschap binnen te wurmen. Maar daar had voorzitter Ludo Martens een recept voor: de aanhouder wint. Terwijl overal elders in Europa de maoïstische partijen uit elkaar vielen, hield hij zijn volgelingen met eindeloze wilskracht en eindeloze vormingsvergaderingen op het rechte pad. Rond 1994 was hij ongeveer de enige communistische leider in Europa die nog het strakke stalinisme aanhield en dat bezorgde hem een uitnodiging van het ongeveer enige communistische land ter wereld dat datzelfde strakke stalinisme aanhield: Noord-Korea. Hij werd er ontvangen door Kim Il Sung, vader van het vaderland en  grootvader van de huidige Grote Leider. Martens zou de laatste buitenlander geweest zijn die met Kim gesproken heeft.

     Wij zijn ondertussen 22 jaar later en er is veel veranderd. De PVDA wil aan de regimes van Stalin of van Noord-Korea geen woorden meer vuil maken*. Stalin is al lang dood en Noord-Korea ligt ver weg. ‘Fuck Noord-Korea,’ zegt Peter Mertens, de opvolger van Ludo Martens. De partij wil voortaan alleen nog praten over een rijkentaks en over al het moois dat daarmee kan worden betaald, zoals: hogere pensioenen, hogere lonen en hogere werkloosheidsuitkeringen, met daarnaast lagere prijzen voor medicijnen, lagere prijzen voor geneeskundige zorgen en lagere prijzen voor water en elektriciteit. Ook op het lijstje staan een vroegere pensioenleeftijd, meer banen in de staatssector, minder werkuren per week en een groter budget om asielzoekers op te vangen. Dat wordt een fameuze taks, die rijkentaks*.
     Maar als de PVDA alleen nog wil praten over haar rijkentaks en wat je daarvoor kunt krijgen, waarom blijft ze dan hardnekkig deelnemen aan die communistische conferenties? Ze krijgen daar immers in de pers niks als last mee? In oktober laatstleden stuurden ze nog iemand naar een conferentie in communistisch Vietnam waar ook een Noord-Koreaanse afvaardiging aanwezig was, naast ander onguur volk. Dan vraag je toch om een pak slaag. Toch begrijp ik het ook. Bij de PVDA-leden en de PVDA-leiding zijn nog heel wat mensen die ik op de foto’s herken. Mensen die net als ik, jaloers waren toen ze week na week moesten vaststellen dat er in Pékin Information geen plaats voor hen was. Die kameraden hebben het wat moeilijk om afscheid te nemen van de wereld van bilaterale contacten en internationale conferenties, de wereld waar ze in de jaren ’90 eindelijk, na al die jaren in de woestijn, een deftig plaatsje hadden bedongen.
     Velen die in hun jeugd arm waren, kunnen in hun latere leven moeilijk afstand doen van centen.

* De Noord-Koreaanse connectie van de PVDA leidde deze week tot een fijn relletje in de pers. Bart De Wever gebruikte sterke woorden (hier) en Maarten Boudry sterke argumenten (hier). De PVDA antwoordde (hier) en (hier). De sp.a-man Tom Meeuws verdedigde de PVDA tegenover De Wever  (hier). In 2011 was er al een relletje geweest toen een PVDA-lid, zonder toestemming van de partijleiding,  op de televisie goedkeurende woorden sprak over het Noord-Koreaanse regime (hier). Ik herkende in dat PVDA-lid een oude strijdmakker. Het gezicht kon ik moeilijk thuisbrengen, maar de rustige stem en klare dictie des te meer, en al zeker de manier waarop hij zich door niets of niemand uit het lood liet slaan. Wie zich een idee wil vormen van de slappe manier waarop de PVDA zich distantieert van Noord-Korea kan hier terecht.


** Zelf raamt de PVDA haar programma op 22 miljard euro. Econoom Philippe Defeyt raamt het programma op 50 miljard  (hier). Ook dat is geloof ik een onderschatting omdat het programma flexibel wordt uitgebreid bij elke nieuwe ‘sociale actie’ en vooral omdat de economische hinder die een rijkentaks meebrengt niet in rekening is gebracht.