Posts tonen met het label Bart Brinckman. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bart Brinckman. Alle posts tonen

zaterdag 3 maart 2018

De vrije schoolkeuze: N-VA gefopt?


     Meestal ben ik niet zenuwachtig als ik een stukje ga schrijven. Gáán neuken en geschreven hébben, zijn leuk, zei Herman de Coninck, maar gáán schrijven vind ik ook best. Deze keer valt het echter niet mee, want het gaat om een onderwerp dat mij na aan het hart ligt en waar het de verkeerde kant mee uitgaat: de vrije schoolkeuze. Door de bittere kou van de week, kreeg het schoolpoortkamperen namelijk een dramatisch gezicht. Ouders die ‘doodvriezen’ voor de schoolpoort is een aanschouwelijk beeld; vrije schoolkeuze is daarentegen een nogal theoretisch concept. Nu reageert ons brein feller op aanschouwelijke beelden dan op theoretische concepten en er verschenen nogal wat ingezonden stukken van lezers die de vrije schoolkeuze graag opofferden als ze op die manier bespaard bleven van ‘schrijnende’ reportages over kamperende ouders.
     Er waren ook andere aanwijzingen dat het de verkeerde kant uitging. Maandag werd ik opgebeld door een mevrouw van Radio Hautekiet. Of ik in het programma mijn standpunt kon toelichten over centrale aanmelding en vrije schoolkeuze? Ze had mijn blogs over die kwestie gelezen. Nu was dat toelichten wat moeilijk, omdat ik op het moment van de uitzending les moest geven, maar ik was vooral bezorgd omdat die mevrouw in haar wanhoop bij mij was uitgekomen. Had ze geen invloedrijker persoon gevonden die bereid was rechttoe rechtaan de vrije schoolkeuze te verdedigen?
     Diezelfde avond las ik verbaasd in de krant dat Lieven Boeve hetzelfde standpunt innam als ik. Vrije schoolkeuze, zei hij, is belangrijker dan ‘sociale mix’. Dat was geen goed teken. Als Boeve het opnam voor vrije schoolkeuze, dan kon dat maar een ding betekenen: dat het begrip vrije schoolkeuze in toongevende kringen een andere betekenis aan het krijgen was dan de traditionele, en met name een heel precaire betekenis.
     Mijn onrust was eigenlijk daarvóór al begonnen met een stuk van Brinckman in De Standaard van 24 februari:  ‘Scholen en N-VA stellen grenzen vrije schoolkeuze in vraag.’ Eerst had ik die kop verkeerd gelezen en dacht ik dat N-VA de vrije schoolkeuze in vraag stelde. Ik schrok me rot. Toen ik evenwel de kop nog eens bekeek, bleek dat het de grenzen aan de vrije schoolkeuze waren die in vraag werden gesteld. Goed zo, dacht ik, die grenzen moeten weg. Maar toen ik het hele stuk gelezen had, voelde ik iets in mijn maag. Spreken van een knagend gevoel is mij te sterk uitgedrukt, maar aangenaam was het gevoel ook niet.
     Volgens het stuk wou N-VA-man Kris Van Dijck in de eerste plaats de dubbele contingentering kwijt. Dat is inderdaad een onzinnige regeling waarbij een school een bepaald percentage kansarme leerlingen moet opnemen. Om te beletten dat scholen die dat percentage niet bereiken toch kansarme leerlingen zouden weigeren, worden stompzinnige regeltjes opgesteld die alles danig in de war sturen. Zo moet een school per studierichting op voorhand aangeven wat het maximum aantal leerlingen is dat ze voor die richting wil toelaten. Dat is onzin. Elke school kent jaarlijks schommelingen per studierichting. Die konden vroeger perfect worden opgevangen, terwijl ze in de nieuwe regeling voor nodeloze moeilijkheden zorgen.
     Wat mij bij dat alles stoorde, was dat Van Dijck alleen de praktische kant van de zaak belichtte. De principiële argumentatie ontbrak ten enenmale. Ik was er dus niet gerust in. Wat als N-VA nu eens akkoord ging met een veralgemeende centrale aanmelding – waarbij een computersysteem uiteindelijk de vrije schoolkeuze vervangt – in ruil voor de afschaffing van de contingentering? Dat zou een wel heel dwaze ruil zijn, want van die contingentering wil iedereen af, ook de bedenkers zelf van de regeling. Die hebben immers begrepen dat hun uiteindelijke doel – de ‘sociale mix’ – op termijn veel makkelijker kan worden bereikt door een cleane centrale aanmelding dan door de warboel van een contingentering?
     En toen kwam Crevits op de televisie. Een centrale aanmelding voor heel Vlaanderen wou ze voorlopig niet opleggen, zei ze, omdat daar nog geen parlementaire meerderheid voor was. Nog geen? Een handig meisje als Crevits zou zoiets niet zeggen, dacht ik, als zo’n meerderheid niet in het verschiet lag. En jawel. Vrijdag lees ik in Het Nieuwsblad dat er een akkoord in de maak is om de contingentering af te schaffen en de centrale aanmelding in te voeren.
     Ik geef graag toe dat de huidige regeling niet goed werkt. Anderzijds is ’t altijd jammer als een slechte regeling vervangen wordt door een regeling die nóg slechter is. Aan de praktische kant zal alles wel in orde zijn met een centrale aanmelding: geen dubbele inschrijvingen meer, soepeler bepaling van de klasgrootte, geen gedoe met iglotentjes in de vrieskou. Maar de kwaliteit van de scholen – en daar gaat het toch om – gaat er volgens mij onder lijden.
    Op Het Nieuwsblad denken ze daar anders over. Farid El Mabrouk lijkt erg in zijn sas als hij schrijft dat de centrale aanmelding ‘de onderlinge concurrentie tussen de scholen overbodig maakt.’ Van zo’n zinnetje word ik diep ongelukkig. Is het dan zo moeilijk om te begrijpen dat juist gezonde concurrentie de scholen beter maakt?* Bart Eeckhoudt schrijft ergens dat het probleem van de schoolkeuze vanzelf verdwijnt als de overheid ervoor zorgt dat alle scholen topkwaliteit bieden. Dat heeft hij waarschijnlijk zelf bedacht. En hoe, beste Bart, moet de overheid dat dan doen? Door nieuwe eindtermen op te stellen? Door meer inspectieteams op de scholen los te laten? Door een wetenschappelijke masteropleiding te vervangen door een pedagogische masteropleiding? Door meer bureaucratie in te voeren om de leraren te ‘ondersteunen’? Door meer bijscholingen aan te bieden? Door een nieuw vak in te voeren en een ander af te schaffen? Al die zaken doen, geloof ik, meer kwaad dan goed.
     Crevits zegt dat de overheid geen scholen zal toewijzen. Ik mag het hopen! Als er op een school voldoende plaatsen vrij zijn, zegt ze, zullen alle ouders die dat willen hun kinderen dáár kunnen inschrijven. Dat zou er nog aan ontbreken! Alleen wanneer er er te veel kinderen voor te weinig plaatsen zijn, voegt ze eraan toe, zal het lot moeten beslissen. En dan zal de overheid – maar dat zegt ze er niet bij – de keuze van de computerloterij met dwang opleggen. En aangezien er volgens de demografen binnenkort veel steden en dorpen zullen zijn met te veel kinderen en te weinig scholen, zal het belang van de loterij, en van de dwang, alleen maar toenemen.
     Ik heb een beter voorstel: doe weer zoals vroeger. Crevits wil vermijden, lees ik in het De Standaard van 1 maart,  ‘dat de directeur het laatste woord krijgt over wie de school binnen mag.’ Dan stel ik mij de vraag: wat is er mis met een directeur die de inschrijvingen in laatste instantie goedkeurt? Dat was de regeling die toegepast werd toen Crevits naar school ging, en het was de regeling  die háár vader indertijd als schooldirecteur moet hebben toegepast.
     Raymonda Verdyck van het Gemeenschapsonderwijs zegt het allemaal wat duidelijker dan Crevits. Ze heeft minder gewetensbezwaren. ‘De strijd tegen de segregatie, verklaart ze in Het Nieuwsblad, moet vanuit de overheid worden opgelegd (mijn cursivering). Anders keren we terug naar de tijd waarin scholen leerlingen konden weigeren.’ Precies, en in díe tijd – de jaren 50, 60 en 70 – heeft de verbazingwekkende democratisering van het onderwijs plaatsgevonden. Al die zogenaamde elitescholen** stelden, vrijwillig, hun poorten open voor arbeiderskinderen die een generatie daarvóór in het beste geval in een ‘vakschool’ terechtkwamen. De zo gewenste ‘sociale mix’ kwam spontaan tot stand, in een redelijke verstandhouding tussen ouders en directies.
     Die ontwikkeling zal toen overigens wel niet probleemloos verlopen zijn. Hier en daar zal ongetwijfeld een directie, uit sociaal snobisme, een kansarme leerling geweigerd hebben, die dan op een andere school met open armen werd ontvangen. Door de bank genomen echter lijkt mij het tweespan van inschrijvingsrecht voor de ouders en aanvaardingsrecht voor de scholen, de beste oplossing. Mocht N-VA dát kunnen afdwingen, zou ik die partij heel dankbaar zijn. Als ze dat niet kan wegens de fameuze ‘politieke krachtsverhoudingen’, tant pis. Als ze daarentegen mee zou glijden op het hellend vlak dat van centrale aanmelding naar een opgelegde schoolkeuze leidt, zou mij dat erg bitter stemmen. Ik vrees niet zozeer voor morgen of overmorgen. Zolang N-VA tot de parlementaire meerderheid behoort, kan ze misschien de kwalijke gevolgen van de centrale aanmelding beperken. Maar door de centrale aanmelding goed te keuren zou ze het instrument helpen smeden waarmee een andere politieke meerderheid – met veel mensen als Raymonda Verdyck erin – in de toekomst de schoolvrijheid helemaal kan afschaffen.
     Quid N-VA?

* Ik citeer hier een fragmentje uit een vorige blogpost.
‘Een lezer reageerde op mijn stukje dat onze maatschappij erin moet slagen ‘alle scholen op hetzelfde hoge niveau te brengen’ en dat het ‘niet verdedigbaar is dat er goede en slechte scholen zijn.’ Daar moest ik even over nadenken. Er zullen, geloof ik, altijd wel goede en minder goede scholen zijn, zoals er goede en minder goede restaurants zijn, goede en minder goede auto’s en goede en minder goede kleurpotloden. Als je om het even welk nummer van Testaankoop openslaat, zie je dat er ook bij gelijkgeprijsde producten grote kwaliteitsverschillen optreden. In scholen, net als in bedrijven, worden bepaalde beslissingen genomen, om de kwaliteit te verbeteren. Je weet niet goed waarheen die beslissingen zullen leiden. ’t Is een proces van gissen en missen, van trial and error. Sommige beslissingen draaien goed uit, andere minder goed. En daardoor komt het, onder andere, dat er goede en minder goede scholen zijn. Het leuke is echter dat de minder goede altijd kunnen leren van de goede en zo kunnen ze er allemaal op vooruitgaan.
Daar komt nog eens bij dat je je kunt afvragen wat een goede school is. Wat is precies de beste school? De moeilijkste? De makkelijkste? De zorgzaamste? De zakelijkste? De strengste? De toegeeflijkste? De meest elitaire? De minst elitaire? Ik ken in elk geval ouders die, net als Tom Naegels, hun kind nooit naar een elitaire dikke-nekkenschool zouden sturen. Dat is voor hen dan zeker niet de beste school. Ook ken ik ouders die hun ene kind naar onze school stuurden – Onze-Lieve-Vrouw-Waver, Bosstraat 9 – omdat die het beste paste bij dát kind, terwijl ze dan hun andere kind naar de concurrentie stuurden, waar het op zijn beurt, hoopten ze, beter op zijn plaats zou zijn.’


** De vlag ‘eliteschool’ kan twee ladingen dekken al naargelang men het heeft over ‘sociale’ en ‘intellectuele’ elite. Ik heb geen groot bezwaar tegen een intellectuele eliteschool. En ik heb er nog minder bezwaar tegen dat binnen een school ‘eliteklassen’ bestaan, klassen waar intellectueel begaafde en schools ingestelde leerlingen worden samen gezet met het oog op extra uitdaging. Ontwikkelingspsycholoog Wim Van den Broeck zegt daar iets over in  De Morgen van 26 februari. Uit ‘robuust onderzoek’, zegt Van den Broeck, blijkt dat leerlingen het beter doen als ze in homogene groepen les krijgen.’ Dat ‘robuust onderzoek’ komt alleszins overeen met mijn eigen ervaring.

zaterdag 5 augustus 2017

Collega Brinckman over feiten en meningen

     In Knack van vorige week interviewt Walter Pauli zijn collega Bart Brinckman van De Standaard. Men moet daar geen gewoonte van maken vind ik, een journalist die een journalist interviewt, maar voor één keertje is het fijn. De geïnterviewde journalist wordt dan een mens van vlees en bloed die ‘zucht’ (eerste woord) en ‘lacht’ (laatste woord). Brinckman, leren we, voelt zich verwant met de kleine jongen uit Road to Perdition die als enige tegen de stroom van vertrekkende fabrieksarbeiders in fietst. Dat is mooi, zo’n zelfbeeld.
      Ook vertelt Brinckman veel wetenswaardigheden. Omdat hij het wat moeilijk heeft om feiten van meningen te onderscheiden, heb ik dat hier zelf gedaan. Feiten:
  •  Brinckman heeft als kind nog op de knie gereden van vader De Wever;
  • sommige anonieme hooggeplaatste N-VA’ers raken zoon De Wever stilletjes aan beu;
  • de redactie van De Standaard heeft in 2010 beslist om de regering Di Rupo te steunen.*
Misschien is dat niet allemaal waar en is er ook wat fantasie bij – wie weet? – maar laten we voor het gemak de fantasieën dan maar onder de feiten rekenen.
     Dan Brinckmans meningen:
  • Bart De Wever heeft het recht om in het openbaar te zeggen wat hij van Brinckman vindt;
  • een burgemeester van Antwerpen moet zijn taak niet combineren met partijvoorzitterschap en marathonlopen;
  • het is onvermijdelijk dat de grens tussen berichtgeving en opinievorming in kranten versmalt.
Dat eerste vind ik ook, over dat tweede heb ik geen mening en over dat derde wil hier iets zeggen.
     Brinckman gelooft dat het door de opkomst van het internet is dat de gedrukte media meer naar opinievorming neigen. De ‘feitelijke berichten, zegt hij, belanden op onze websites, waar ze gratis worden gelezen door iedereen die constant op zijn smartphone checkt of er nog nieuws is’. Dat is juist. Ik doe dat en mijn vrouw doet het nog veel meer. We bevinden ons met deze uitspraak in het rijk van de onweerlegbare feiten. Maar dan voegt Brinckman er een mening aan toe: ‘Een modern krantenbericht moet ‘meerwaarde’ hebben. En dus moet je, als journalist, het nieuws duiden, er extra uitleg bij verschaffen en achtergronden aandragen … Natuurlijk versmalt de grens tussen berichtgeving en opinie dan.’
    Hélà, hola! En wat is duiden? Wat is extra uitleg? Wat zijn achtergronden? Mij lijkt het dat voor duiding, uitleg en achtergrond een journalist juist méér feiten moet opdiepen dan die die je ook in een Belga-bericht vindt. Daarvoor moet je telefoneren, archieven raadplegen, erop uit trekken, getuigen en specialisten spreken, enfin, Brinckman weet dat zelf ook wel. Natuurlijk is het moeilijk om bij die tweede feitenronde even objectief te blijven als bij het korte bericht. De achtergrondfeiten moeten worden gekozen uit een schier eindeloze voorraad. Het ene feit moet als belangrijk worden weerhouden en het andere als niet ter zake doend aan de kant geschoven. En wie bepaalt wat belangrijk is en wat niet ter zake doet? Vanzelfsprekend de journalist, met zijn onvermijdelijke vooroordelen, voorkeuren en overtuigingen. Dat is allemaal waar, maar ik hoop dat Brinckman zelf ook wel inziet dat de ‘meerwaarde’ van zo’n achtergrondsjournalistiek juist niet ligt in die vooroordelen en voorkeuren, maar daarentegen afhangt van de mate waarin de journalist die ter zijde schuift en ze bewaart voor een écht opiniestuk.
     Er is een tweede reden waarom Brinckmans uitleg over het internet niet bevredigt. Het is zeker waar dat we op onze schermen en schermpjes overstelpt worden met feiten; we worden evenwel nog veel meer overstelpt met meningen. Je zou het argument van Brinckman dus heel gemakkelijk kunnen omdraaien: in een tijd waarin we digitaal bedolven worden onder meningen en opinies, moeten kranten zich op hun core business terugtrekken: het aanleveren van harde, betrouwbare data.
     De verklaring van Brinckman mist dus plausibiliteit. Maar daarmee zijn de feiten die hij aangeeft nog niet van de baan. We kunnen allemaal zelf ook wel zien dat de kranten wel degelijk opschuiven van berichtgeving naar opinieverstrekking. Hoe kunnen we dat verschijnsel dan wél verklaren?
     Zoals bij meer ongewenste ontwikkelingen, ligt de verklaring ervan ten dele bij consument. Er loopt ergens wel een enkeling rond die ‘alle theorieën ter wereld zou opgeven voor één feit’, maar de meesten van ons – ‘le commun des mortels’ zoals professor Jozef Mertens altijd zei – zijn dol op meningen. Ik heb zopas een dik boek over Thomas Jefferson gelezen. Dat boek stond vol feiten: over Jefferson als landbouwkundige, als ruiter, als vioolspeler, als architect, als uitvinder, als diplomaat, als president. Maar wat ik eigenlijk wou weten was dit: was die Jefferson nu een fidele kerel of eerder een berekende klootzak zoals we die leren kennen in de roman Burr van Gore Vidal? Ik ben nu weer een dik boek aan het lezen over de Russische revolutie. Ik wil al die feiten er graag bij nemen: die die ik al kende, die die ik vergeten was, en die die ik nooit geweten heb. Maar ik wil ook graag dat de auteur af en toe zegt of suggereert dat die revolutie een ramp was voor de mensheid, want dat is wat ik ervan vind. Als hij zegt dat die revolutie geen ramp was voor de mensheid, maar een zegen: ook goed, want dan kan ik mij over dat standpunt opwinden en dat is voor mijn gezondheid even bevorderlijk.**
     Dat De Standaard de laatste tijd meer opinie brengt, moet ons dus niet verwonderen.*** De klant is koning en de klant wil meningen. Evenmin verwonderlijk is het dat de krant daarvoor beloond wordt met een licht stijgend lezersaantal in een nochtans krimpende markt. Meer opiniëring voldoet aan een vraag.
     Maar naast de vraag, is er ook de kwestie van het aanbod, en meer bepaald de kostprijs om dat aanbod tot stand te brengen. Ik doel hiermee niet zozeer op de geldelijke kostprijs maar op de kostprijs berekend in menselijke inspanning. Feiten verzamelen, ziften, ordenen en zo uitleggen dat de gemiddelde lezer ze begrijpt, is moeilijk. In bijna elk krantenbericht dat ik lees, staan dingen die ik niet begrijp, vooral als het over ‘regeringsmaatregelen’ gaat. Dat heeft twee redenen: mijn trage hersenen én de gebrekkige uitleg van de journalist: te snelle overgangen, lacunes, onduidelijke verbanden, schijnbare tegenstrijdigheden, gebrekkige achtergrondinformatie. Nee, iets goed uitleggen is niet gemakkelijk, ook al omdat je het eerst zelf begrijpen moet. Hoeveel gemakkelijker is het niet voor een journalist om, in plaats van een goed gestructureerd informatief stuk, gauw-gauw een mening neer te schrijven, of om een stelletje magere feiten met enkele pikante meningen op te sieren?
     Erasmus vatte het mooi samen in hoofdstuk XLV van zijn Lof der Zotheid: ‘De zaken zelf moet men zich vaak met grote moeite eigen maken … Maar een mening kan men gemakkelijk opvatten’.**** Dat heeft die oude humanist goed gezien. Meningen zijn inderdaad gemakkelijk. Als dat niet zo was, lieve lezer, zou deze blog niet bestaan.

* Letterlijk formuleerde Brinckman het als volgt: ‘Bij de federale verkiezingen (in 2010) had Bart De Wever de N-VA dat jaar naar een landslide geleid. U kent het vervolg: de N-VA probeerde samen met de PS een regering te vormen en dat mislukte. In die periode heeft De Standaard de kant gekozen van de partijen die hun nek uitstaken om een nieuwe regeringsvorming te laten slagen. Op de redactie leefde het gevoel: ‘Het is goed geweest.’ We vonden ook dat De Wever een historische kans had gemist. Dat is nog altijd onze overtuiging. Dus kwam er in de kolommen al meer kritiek op de N-VA dan zij gewend waren.’
  
** Vroeger was mijn hang naar opinie nog veel heviger. Als zestienjarige was ik verzot op het opinieblad De Nieuwe van de onlangs overleden Mark Grammens. Ik was er trots op dat ik zo’n ‘moeilijk’ blad las. In mijn grootheidswaanzin besloot ik dan ook maar meteen Le Monde Diplomatique te gaan lezen. Dat viel tegen. Het blad was niet alleen in het Frans, het stond ook vol feiten. En die feiten waren niet eens in zo’n slagorde opgesteld dat je zag wie de goeien en wie de slechten waren. Wat kon het mij interesseren wat het hooggerechtshof in Chili beslist had, of hoe de economische situatie in dat land was. Ik wou lezen dat Pinochet een moordenaar was en Allende een verrader. Feiten die die stellingen ondersteunden waren welkom.

***De opiniërende strategie van De Standaard is evenwel niet perfect. De krant zou geloof ik nog meer gelezen worden als de opiniëring wat minder eenzijdig was, wat evenwichtiger gespreid over politiek correct en politiek recalcitrant dus, en als de kwaliteit van die opiniëring wat hoger was … en die van de berichtgeving ook, want de klant is lastig en wil alles tegelijk.

*** Quandoquidem res ipsas aliquoties magno negotio pares oportet … At opinio facillime sumitur.

Dit stukje verscheen ook op https://doorbraak.be/

zondag 30 juli 2017

Brinckman vs De Wever vs Brinckman

      Laatst ontsnapten twee nogal boosaardige gevangenen toen ze moesten verschijnen voor de Antwerpse rechtbank. Journalist Bart Brinckman van De Standaard had kritiek op Burgemeester Bart De Wever omdat die de schuld van zijn eigen politiepersoneel doorschoof naar Justitie. Het was de politie die ‘geblunderd’ had, beweerde Brinckman. (hier)
         Ik zal het antwoord van De Wever niet samenvatten, want je kunt het hier nalezen. Wat mij bezighoudt is De Wever zijn conclusie. Die luidde als volgt: De Standaard zou er beter aan doen de schrijfsels van Brinckman te plaatsen daar ‘waar ze thuishoren: op de opinie-pagina’s.’ Is dat zo? Ik geef daar les over in het vijfde jaar. ‘Het verschil tussen een bericht en een commentaar’ staat er bovenop de dia’s die ik projecteer. En met ‘commentaar bedoel ik ‘opiniestuk’.
     Eerst moeten mijn leerlingen aandacht leren hebben voor de uiterlijke kenmerken van een krantenstuk. Gebruiken we die maatstaf  voor het stuk van Brinckman, dan hebben we geen commentaar maar een bericht: kop én bovenkop, credit (van onze redacteur), vermelding van plaats (Brussel), een ‘lead’ als begin en ten slotte een thematische foto met onderschrift. Eén van die vijf kenmerken is niet genoeg, maar als die vijf  kenmerken samenkomen, ja, dan gaat het meestal om een bericht.
     Die uiterlijke kenmerken zijn natuurlijk niet alles. Anders zou mijn examen wel erg gemakkelijk zijn. Mijn leerlingen moeten ook de taal van een stuk bekijken en daar de verschillen tussen opinie en bericht herkennen. En als we de zaak vanuit de taal bekijken, dan moeten we De Wever minstens ten dele gelijk geven. Het stuk van Brinckman bevat inderdaad veel kenmerken van een opinie. We treffen aan:
  • Hyperbolen*: blunderen, ongemeen felle uitval
  • Ironische aanhalingstekens: de ‘geëngageerde’ voorzitter van het Antwerpse Hof
  • Dode metaforen: het hazenpad kiezen
  • Retorische vragen: Wat bezielde De Wever?**
  • Suggestieve taal: De ontsnapping verleidde BDW tot een uithaal.
  • Ongenuanceerd woordgebruik: De verantwoordelijkheid ligt volledig bij de lokale politie.
  • Geen of vage bronvermelding: Waarnemers denken …
  • Intentieproces: de burgermeester wilde lokaal stoken …
  • Speculaties: door toeval haalde de zaak het nationale nieuws
  • Vage insinuaties: … er wordt gespeculeerd over de rol van ...
  • Afsluiten met een pointe: Ondanks zijn uithaal had De Wever deze week geen tijd voor een gesprek met Geens.***
      Niet alle staaltjes hierboven zijn ondubbelzinnig. Ik zou de meeste niet als voorbeeld in de klas gebruiken. Maar alles samen zijn het er vrij veel voor een artikel van 549 woorden.
    Dat betekent ook weer niet dat het stuk van Brinckman losweg op de opiniepagina kan. Daarvoor bevat het toch wat te veel informatie  over wat Geens beweerd heeft, over wie nu juist verantwoordelijk is voor de transport van gevangenen, over de rol van het GEOV-team daarbij, over de onderbemanning van het Veiligheidskorps ... Dat hoort allemaal thuis in een bericht. Alleen is de informatie die ik van Brinckman krijg onvoldoende voor een lezer zoals ik.
  • Wat wordt nu precies beweerd door Geens en wat door Brinckman?
  • Wat is nu juist de verantwoordelijkheid van het Veiligheidskorps in de hele zaak?
  • Wat is het GEOV? Is dat een onderdeel van de politie of van Justitie?
  • Hoe stond het precies met de onderbemanning omstreeks 20 juli toen de gevangenen ontsnapten?
     Die informatie moet ik ergens anders zoeken. Een redelijk gedetailleerde versie van wat Geens beweert, vind ik op De Morgen.be (23.07.2017). Daaruit blijkt dat Brinckman nogal sterk leunt op Geens zijn versie, zonder al te veel aanhalingstekens te gebruiken. Op de site van de politiezone van Ieper lees ik dat een van de taken van het Veiligheidskorps bestaat uit het ‘overbrengen en bewaken van gevangenen tussen de gevangenissen en de ...  rechtbanken.’  Dus toch niet volledig de verantwoordelijkheid van de poltie? Uit Het Laatste Nieuws (20.07.2017) leer ik dan weer dat GEOV staat voor ‘Gerechtshoven en Overbrengingen’ en dat het een onderdeel is  van de Antwerpse lokale politie. En over de onderbemanning leer ik uit hetzelfde artikel dat op bijvoorbeeld 14 juli slechts 4 van de 36 leden van het Antwerpse Veiligheidskorps beschikbaar waren – en die 36, dat is nog niet de helft van de 77 die gevraagd zijn.****
     Het artikel van Brinckman presenteert zich dus als een bericht, heeft veel taalkenmerken van een opiniestuk, en bevat minder duidelijke informatie dan kortere stukken die ergens anders gepubliceerd zijn. Maar wat moeten we daaruit besluiten? Ik ben het niet zomaar met De Wever eens dat Brinckman zo snel mogelijk moet verhuizen naar de opiniepagina. Dat is al te gemakkelijk. Die jongen kan nog groeien. Als iemand hem nu eens geduldig de verschillen uitlegde tussen een bericht en een commentaar. Misschien komt alles dan nog goed.

* De recente polemiek rond Brinckman-De Wever leverde een aantal fraaie proeven van hyperbool op. De Wever sprak van ‘persoonlijk vendetta tegen hem’, Karel Verhoeven, hoofdredacteur van De Standaard sprak van ‘brutaal pestgedrag jegens zijn krant’. Het verst ging Pol Deltour van de Vlaamse Vereniging van Journalisten (VVJ). Hij had het over een ‘krant helemaal de afgrond in duwen’ en een ‘journalist kaltstellen’. Verder vergeleek hij De Wever met Trump, en op het VTM-nieuws zelfs met Erdogan. Voor een nuchtere benadering: zie Leo Neels zijn bijdrage.

** Dit is geen zuiver voorbeeld van een retorische vraag omdat ze past in een rijtje informatieve vragen, en er ook een antwoord op wordt geformuleerd. De woordkeuze ‘Wat bezielde’ geeft evenwel een retorische klank aan de vraag.

*** Wie het verschil wil proeven met een ‘informatieve’ – zij het wat zware – afsluiter, vergelijke met het artikel in De Morgen (23.07.2017): ‘De minister wil graag opnieuw in overleg met de Antwerpse burgemeester en de minister van Binnenlandse zaken de verzekering van de justitiële veiligheid in de nabije toekomst bespreken’.

**** Geens beweert dat die 77 alleen gevraagd zijn, De Wever beweert dat ze ook toegezegd zijn. Brinckman zou dat eens kunnen uitzoeken. ’t Zou een goede oefening zijn in het schrijven van informatieve berichten.


Dit stukje verscheen ook op http://de-bron.org/