Posts tonen met het label Jonathan Holslag. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jonathan Holslag. Alle posts tonen

dinsdag 13 februari 2018

Nogmaals over schoolpoortkamperen

   Onder mijn stukje over kamperen voor de schoolpoort heeft Tom Naegels een kritisch maar vriendelijk antwoord geplaatst, wat bewijst dat hij niet alleen een Gutmensch is, zoals hij zelf verklaart, maar ook een goeie mens – of toch minstens een vriendelijke mens, wat ook niet te versmaden is. Dat hij het scheldwoord ‘Gutmensch’ als geuzennaam voor zichzelf claimt, bewijst dat hij niet nerveus wordt van woorden, en dat vind ik fijn. Ik word ook niet nerveus van woorden en durf mijzelf desnoods ‘neoliberaal’  of ‘rechts’ noemen als ik daar iemand een plezier mee kan doen.
     Die vrijmoedige omgang met woorden heeft Naegels altijd gehad, geloof ik. Ik las eens, misschien wel twintig jaar geleden, een stuk van hem in een of ander baldadig tijdschrift waarin hij de lezer opriep geen hoge borst op te zetten en moreel niet boven zijn stand te leven. Het stuk eindigde met een krachtig: ‘Laat de fascist in u los’, of woorden van die strekking, maar ‘fascist’ kwam erin voor. Of heb ik mij dat allemaal ingebeeld?
     In zijn antwoord schrijft Naegels dat de schoolpoortkampeerders hun kind blijkbaar ‘uniek’ en ‘onwaarschijnlijk speciaal vinden’. Daar zit iets in. Zelf vind ik mijn zoon (20) ook onwaarschijnlijk speciaal. Hij kan allerlei dingen die ik niet kan: hij voert statistische toetsen uit, voetbalt, staat op de dansvloer als hij uitgaat, en hij begrijpt vrouwen. In de lente heeft hij als eerste een bruin kleurtje, en in de herfst is hij de laatste die dat kleurtje behoudt. Als de zon door zijn haren schijnt, lijkt hij op de antieke stripheld Alex. Weliswaar is die gelijkenis de jongste jaren wat afgenomen, want zijn haar wordt nu donkerder. Maar ik dwaal af.
     Naegels maakt van het schoolpoortkamperen een financiële kwestie. Rijke mensen kunnen een mobilhome huren, schrijft hij, en ze kunnen het zich makkelijker veroorloven om enkele dagen vrij te nemen. Een collega van mij vertelde zelfs dat rijke autochtonen soms allochtonen inhuren om in hun plaats te kamperen. Een beetje zoals een 19de-eeuwse rijkaard die, als hij uitgeloot was voor legerdienst, een arme boerenzoon kon inhuren om in zijn plaats drie jaar soldaat te spelen.
     Maar de meeste kampeerders doen het geloof ik zonder mobilhome; en als die allochtonen kunnen worden ingehuurd om te kamperen voor andermans kinderen, kunnen ze, denk ik dan, ook tijd maken om voor hun eigen kinderen te kamperen. De enigen die volgens mij echt benadeeld zijn in het kampeersysteem zijn alleenstaande ouders, mensen met een klein netwerk, en inwijkelingen zoals mijn vrouw en ik, die hun geboortestreek hebben verlaten waar hun ouders, ooms, tantes, neven en nichten zijn blijven wonen.
     Ik heb in mijn vorige stukje nagelaten om iets te zeggen over de kwestie van de solidariteit. Naegels wijst mij daarop in zijn antwoord, want dat is voor hem is het ‘essentiële punt’, des Pudels Kern om ook Goethe te citeren. Solidariteit … tja, wat kan ik daar ook over zeggen? Ik ben in elk geval bereid om elke vorm van vrijwillige solidariteit te prijzen. Ik ben ook bereid toe te geven dat zelfs een opgelegde solidariteit soms tot een aanvaardbare oplossing leidt. Maar ik geloof vooral, met Adam Smith, dat het op een redelijke wijze nastreven van eigenbelang vaak de beste uitkomst oplevert voor iedereen.
     Naegels betwist dat laatste als het om schoolkeuze gaat. Ouders die gaan kamperen voor een school berokkenen volgens hem schade aan ouders die dat niet doen. Een school die niet meedoet aan het centrale aanmeldingssysteem, vergroot de schaarste voor de rest. Dat is ‘wiskundige logica’, schrijft hij.
     Die wiskundige logica betwijfel ik. Ik zie het zo. Als een derde van de ouders door flink te kamperen hun kind kunnen binnenloodsen in de school van hun voorkeur, dan hebben die allemaal, dus 100 procent, hun eerste keuze gekregen. Ouders die het centrale systeem gebruiken –  de overige twee derde dus –  zullen misschien maar in 60 procent van de gevallen hun eerste keuze krijgen. Een heel verschil. Maar alles samen genomen krijgt in zo’n scenario 73 procent van de ouders hun eerste keuze, als ik dat tenminste goed heb uitgerekend.* Als alle ouders daarentegen gedwongen worden aan de centrale aanmelding meedoen, krijgt slechts 60 procent van de totale groep hun eerste keuze. Mij lijkt een totale tevredenheid van 73 procent beter dan een totale tevredenheid van 60 procent.
     Is het rechtvaardig als in de eerste groep een tevredenheid heerst van 100 procent en in de tweede slechts van 60 procent? Ik vind van wel. In de twee groepen heersen andere spelregels, dat is waar. Aan de eerste groep worden bijzondere eisen gesteld, met name de bereidheid om te kamperen. Maar de rechtvaardigheid bestaat erin dat iedereen de kans krijgt om te kiezen voor een van de twee groepen, en voor de spelregels die erbij horen.
     De wiskundige kant van het probleem blijft mij achtervolgen. Klopt het dat de tevredenheid van de ouders die in het centrale systeem stappen gelijk blijft – bijvoorbeeld 60 % – als er meer of minder scholen aan deelnemen? In zekere zin wel. Als 2000 leerlingen zich inschrijven in 40 scholen via een centrale aanmelding, of 3000 leerlingen in 60 scholen, moet dat eenzelfde aantal eerste keuzes, tweede keuzes, enzovoort opleveren, en eenzelfde algemene tevredenheid. Aangezien ik indertijd slecht heb opgelet in de wiskundeles, heb ik het probleem eens voorgelegd aan enkele wiskundige en wetenschappelijke collega’s en die gaven mij gelijk.
     Maar het klopt ook niet helemáál – dus weer heeft Naegels een beetje gelijk. Als ik binnen eenzelfde oppervlakte – Antwerpen – tussen minder scholen kan kiezen, dan wordt de kans wat kleiner dat ik een school vlakbij de deur vind. Ook kunnen het juist de beste scholen zijn die zich uit het systeem terugtrekken en wat heb je aan een eerste keus binnen het systeem als dat niet je échte eerste keus is? Niet veel natuurlijk. Maar dan kun je je afvragen:  wat is precies de beste school?** De moeilijkste? De makkelijkste? De zorgzaamste? De zakelijkste? De strengste? De toegeeflijkste? De meest elitaire? De minst elitaire? Ik ken in elk geval ouders die, net als Tom Naegels, hun kind nooit naar een elitaire dikke-nekkenschool zouden sturen. Dat is voor hen dan zeker níet de beste school. Ook ken ik ouders die hun ene kind naar ónze school stuurden – Onze-Lieve-Vrouw-Waver, Bosstraat 9 – omdat die het beste paste bij dát kind, terwijl ze dan hun andere kind naar de concurrentie stuurden, waar het op zijn beurt, hoopten ze, beter op zijn plaats zou zijn.
     Toch blijft er, als je wil, iets oneerlijks kleven aan een regeling waarbij sommige scholen wél en andere niet aan een centrale aanmelding meedoen.*** Ouders die de nabijheid van de school boven alle andere eigenschappen stellen, worden een beetje benadeeld. En omgekeerd.**** Bovendien worden ouders die heel veel moeite willen doen om de school van hun keuze te krijgen, door de regeling bevoordeeld. Dat zijn dan ouders die, om het alweer met de woorden van Naegels te zeggen, ‘na eerst de hele procedure van het aanmeldingsysteem te hebben doorlopen, ook nog eens gaan kamperen.’ Hij voegt eraan toe: ‘Zo gek is niemand.’
    Maar dat weet ik nog zo niet.



* 100 % tevredenheid van bijvoorbeeld 1000 ouderparen, en 60 % tevredenheid van 2000 ouderparen levert een gemiddelde tevredenheid op van (100 % x 1000 + 60 % x 2000) / 3000 = 73 %.

** Een lezer reageerde op mijn stukje dat onze maatschappij erin moet slagen ‘alle scholen op hetzelfde hoge niveau te brengen’ en dat het ‘niet verdedigbaar is dat er goede en slechte scholen zijn.’ Daar moest ik even over nadenken. Er zullen, geloof ik, altijd wel goede en minder goede scholen zijn, zoals er goede en minder goede restaurants zijn, goede en minder goede auto’s en goede en minder goede kleurpotloden. Als je om het even welk nummer van Testaankoop openslaat, zie je dat er ook bij gelijkgeprijsde producten grote kwaliteitsverschillen optreden. In scholen, net als in bedrijven, worden bepaalde beslissingen genomen, om de kwaliteit te verbeteren. Je weet niet goed waarheen die beslissingen zullen leiden. ’t Is een proces van gissen en missen, van trial and error. Sommige beslissingen draaien goed uit, andere minder goed. En daardoor komt het, onder andere, dat er goede en minder goede scholen zijn. Het leuke is echter dat de minder goede altijd kunnen leren van de goede en zo kunnen ze er allemaal op vooruitgaan.

*** Natuurlijk had ik liever gehad dat er helemaal géén aanmeldingssysteem bestond. Maar als scholen daar vrijwillig aan deelnemen, kan ik hen moeilijk tegenhouden.

**** Zie bijvoorbeeld de ontroerende getuigenis van Jonathan Holslag over ouders die de nabijheid van de school niet als hoogste goed beschouwen.

zaterdag 18 maart 2017

De Negen tegen Jonathan Holslag

Holslag: links - Corijn: rechts
     Met meer tijd omhanden zou ik wat vaker een stukje schrijven tegen Jonathan Holslag*. Dat zou fijn zijn. Eens een heel boek lezen van die Holslag. De economische recepten eruit halen. Dan op Wikipedia van alles opzoeken. En dan ten slotte mijn pen in het vitriool dopen en tegelijk alles mooi camoufleren met milde ironie. Ja, dat zou fijn zijn.
    Zo’n stukje komt er deze week in elk geval niet want er is al een stuk tegen Holslag geschreven en wel door niet minder dan negen professoren en docenten van de Brusselse universiteit. Ik herkende een oude vriend: demograaf Patrick Deboosere.
     Je moet weten: Holslag heeft een voorwoord geschreven bij een nieuw boek van Vlaams Belangvoorzitter Tom van Grieken en de negen professoren nemen daar aanstoot aan. Ze hebben Holslag zijn voorwoord gelezen en daaruit besloten dat hun collega ‘economisch protectionisme’ en ‘ideologisch nationalisme’ aanhangt. Ik geloof dat ze daar gelijk in hebben.

     Toch heb ik drie bezwaren tegen het stuk van de professoren.
     Ten eerste – waarom negen? Hebben die negen daar echt over vergaderd om samen die tekst te schrijven? Zo briljant is die niet. Of heeft bijvoorbeeld Eric Corijn die tekst in zijn eentje geschreven en daarna laten ondertekenen door acht collega’s. Dat is toch helemaal niet nodig. Ik begrijp dat je een open brief stuurt naar een minister, een rector of een bedrijfleider en dat je die brief dan door een aantal vooraanstaande figuren laat ondertekenen. Op die manier kun je misschien een belangrijke beslissing mee helpen bepalen. Maar je schrijft toch geen gezamenlijke brief aan een collega om hem erop te wijzen dat een ‘politicologie gesteund op onafhankelijke natiestaten’ achterhaald is en dat  ‘de hedendaagse politicologische analyses wijzen op herschikking van territoria, op meerschaligheid, op verstedelijking en op interdependentie.’ Of is het binnen de politicologie de gewoonte om een beoefenaar ervan collectief te berispen als hij afwijkt van een of andere ‘hedendaagse analyse’?

     Ten tweede – waarom eindigen met een geniepig procès d’intention? ‘Wil je vooral een mainstream mediabekendheid behouden,’ schrijven de professoren, ‘dan moet je vandaag wel op die rechtse stroom meedrijven.’  Bedoelen de verenigde professoren hiermee dat Holslag zijn voorwoord heeft geschreven omwille van de mediabekendheid? En niet om, zoals hij zelf zegt, deel te nemen aan het maatschappelijke debat? Dat is wat al te gemakkelijk. Wie een rechts standpunt inneemt laat zich ‘met de stroom meedrijven’ en wie een links standpunt inneemt – zoals de professoren zelf – doet dat omdat hij ‘redelijk eigenzinnig’ is en de ‘wetenschappelijke analyse’ hoog in het vaandel voert. Ja, ja.
     Ten derde – waarom schrijven de verenigde professoren dat het hier gaat om opvattingen ‘die voorheen onmogelijk tot de democratische consensus konden worden gerekend?’ Je kunt voor of tegen verplichte taalcursussen voor nieuwkomers zijn. Je kunt voor of tegen Chinese investeringen in de energiesector zijn. Je kunt voor of tegen de vossenjacht in Engeland zijn. Je kunt voor of tegen bewaakte buitengrenzen voor Europa zijn. Over al die onderwerpen en nog een enkele andere verschillen Holslag en zijn negen collega’s van mening. Maar is daar nu één opvatting bij die ‘buiten de democratische consensus’ moet worden geplaatst? Misschien was het vroeger zo, maar dan ben ik blij dat dat nu anders is.
     Johan Sanctorum sprak de vrees uit dat voor Holslag nu binnen de intellectuele en culturele wereld een aantal deuren dicht zouden gaan. Sanctorum heeft dat zelf meegemaakt na zijn passage bij het Vlaams Belang. Maar het zou, geloof ik, voor Holslag mee kunnen vallen. De professor ziet er niet uit als iemand die in twee sloten tegelijk loopt. Zelfs Corijn en zijn vrienden begrijpen dat ze Holslag een beetje omzichtig moeten aanpakken. Hun tekst begint met de woorden ‘Onze flamboyante collega …’
     Zo'n flamboyante collega kan zich iets permitteren, geloof ik.
 
* In plaats van enkele zijdelingse opmerkingen zoals hier, hier en hier.

(Dit stukje verscheen ook op Doorbraak.)

donderdag 27 oktober 2016

CETA, de vrije handel en de milieuvervuiling

Nobelprijswinnaar Economie Krugman vindt de vrijhandel
van Adam Smith en David Ricardo nog altijd actueel
          Hoewel veel deelnemers aan het debat over CETA beweerden dat ze de 1.600 bladzijden van het akkoord niet gelezen hadden, kwam je bij hen toch verrassend vaak erg gedetailleerde argumenten tegen. Zo leerde je ook een keer wat nieuws. Tot voor kort kende ik het verschil niet tussen ISDS-arbitrage en ICS-arbitrage. Ik geloof dat ik voor ISDS ben, maar pin me er niet op vast. ’t Was allemaal erg vermoeiend.
     Het was dan ook met opluchting dat ik een stuk las van professor De Grauwe die ruimhartig bekende dat die details er niet zoveel toe deden, want dat het akkoord in wezen om de wereldwijde vrije handel ging. Dat was ‘des Pudels kern’ en dat vond ik ook. Maar Professor De Grauwe was tegen die wereldwijde vrije handel – die hij ‘globalisering’ noemde –  of toch min of meer tegen, net als professor Holslag die een paar dagen eerder een soortgelijk stuk publiceerde (1).
      Dat is eigenaardig, want de voordelen van vrije handel zijn gemakkelijk te begrijpen. Als Portugal beter is in het maken van wijn, en Engeland is beter in het maken van katoentjes, dan moeten die twee landen zich maar specialiseren in wat ze het beste doen en daarna hun overschot naar elkaar uitvoeren. Dat is de vrije handel. Er moeten helemaal geen afspraken worden gemaakt over hoeveel wijn Portugal naar Engeland mag of moet uitvoeren. Alles wordt geregeld door de consument die prijs en kwaliteit vergelijkt. De Engelse wijnliefhebber ziet in de winkel goedkope Portugese wijn liggen en besluit, na uitgebreid proeven thuis, dat die beter smaakt en minder hoofdpijn geeft dan het inheemse bocht (2). Hij moet dus geen twee keer nadenken over welke wijn hij voortaan koopt. Het gevolg is dat de Engelse wijnproducent met zijn Engelse wijn blijft zitten, bankroet gaat en overschakelt op het maken van eerteklas katoentjes die hij dan in Portugal gaat verkopen.
     En het mooie is dus – nogmaals – dat daar geen afspraken voor moeten worden gemaakt. Er moet niet worden afgesproken dat de ene iets van de andere koopt op voorwaarde dat de andere iets terug koopt. Als de Portugezen zo dwaas zijn om geen goedkope Engelse katoentjes te kopen, dan is dat jammer voor de Portugezen, maar dat is voor de Engelsen nog geen reden om dure, slechte Engelse wijn te drinken. Die Engelse katoentjes die de Portugezen niet willen, moeten dan maar aan iemand anders worden verkocht, desnoods aan de Engelsen zelf, die nu toch geld teveel hebben sinds ze goedkoop wijn kunnen drinken.
     Nu zegt u misschien – Clerick, dat zijn praatjes van lang geleden, toen er nog geen mobieltjes werden ingevoerd vanuit Korea en de katoentjes nog niet uit China kwamen. Die praatjes over Portugal en Engeland, en over de wijn en de katoentjes, waren misschien wel toepasselijk in de tijd van Adam Smith en James Mill en David Ricardo en Frédéric Bastiat. Maar de economische wetenschap weet ondertussen beter.
     Wel – eigenlijk niet. De productietechnieken zijn de laatste 200 jaar veranderd, maar de wetten van de logica niet, en de menselijke drijfveren evenmin. Als ik een mobieltje wil kopen, kijk ik ook naar prijs en kwaliteit, net als die 19de-eeuwse Engelse wijnliefhebber.
     Paul Krugman, die in 2008 de Nobelprijs voor de Economie won en die zeker geen neoliberaal is, schreef in 1997 een artikel over de vrije handel. Hij geeft aan dat de oude theorie van Smith en Ricardo weliswaar niet volmaakt is, maar nog altijd veruit de beste is, en dat die aangehangen wordt door bijna iedereen die economie heeft gestudeerd, of hij nu neoliberaal of Keynesiaan is (3).
     De Grauwe is neoliberaal geweest, en is nu Keynesiaan, maar was altijd een econoom, en in die hoedanigheid  is hij in zijn hele academische carrière, zoals hij zelf zegt, ‘altijd een voorstander geweest van de vrijhandel’ want ‘die vrijhandel ligt aan de basis van de materiële welvaart in Europe en heeft het ook mogelijk gemaakt dat honderden miljoenen mensen in de wereld uit de extreme armoede werden gerukt.’
    De vrije handel zorgt dus voor materiële welvaart. Tot hier zijn Krugman en De Grauwe en uw dienaar het eens.  Maar dan komt De Grauwe met het argument van de milieuvervuiling: ‘Globalisering leidt tot extreem veel transport. En die leidt tot heel veel milieukosten die niet verrekend worden in de prijs van het finale product.’ Op de blog van Ivan Janssens vond ik een krachtig antwoord op dat argument (4). Ik vat dat antwoord even samen: (a) milieuschade door transport moet samen gezien worden met de milieuschade door productie; (b) milieuschade door buitenlands transport is redelijk klein vergeleken met die door binnenlands transport; en (c) vrije handel verhoogt de welvaart en verhoogde welvaart zorgt voor meer ecologische keuzes (5). 
     Dat laatste denk ik ook vaak, als ik die welvarende burgers zie rondrijden in hun chique Teslas. Zelf zitten wij er thuis evengoed warmpjes bij, ik met mijn lerarenwedde en mijn vrouw met haar journalistenwedde, en we denken er waarachtig aan om geld te gaan steken in een meer ecologische isolatie van ons huis, vooral nu een spaarrekening niets meer opbrengt.
     Dat transport een mineur probleem is 
(6) en dat welvaart leidt tot ecologische keuzes, dat moet professor De Grauwe ook weten. En toch doet hij die milieu-uitspraak. Wat mij nu interesseert is de psychologische kant van de zaak. Ik wil hier voor een keer een ‘procès d’intention’ voeren. Misschien zit het zo. De Grauwe is stilletjesaan geëvolueerd van een neoliberaal naar een herverdeler en een voorstander van meer staatstussenkomst in de economie. Maar hij kent als econoom de argumenten voor een laissez-faire systeem erg goed. Hij weet even goed als Krugman dat het argument vóór de vrije handel niet kan worden weerlegd – Holslag weet dat wellicht niet, maar De Grauwe wel, geloof ik. Dan komt de milieuvervuiling goed uit. En hoe groter die vervuiling is, hoe beter – ik bedoel: als argument. Dan is er toch al één reden om de staat te laten tussenkomen in de economie.
     Het doet mij denken aan de econoom Robert L. Heilbroner. Zijn hele leven lang heeft hij getwijfeld tussen het liberalisme dat hem wetenschappelijk aansprak en het marxisme dat hem emotioneel aansprak. En op het einde van zijn leven wist hij het zeker. De liberalen hadden gelijk. Hayek en Mises hadden het socialisme weerlegd. Alleen bleef staatsinterventie nodig … vanwege het milieu.

__________

(1) Holslag haalt net als De Grauwe de milieuschade door transport als reden aan om het CETA-akkoord tegen te houden.

(2) Het doet er voor de Engelse wijnliefhebber niet toe waarom die Portugese wijn goedkoper is: vanwege de Zuiderse zon, het leem in de grond, de lagere lonen, de eeuwenoude traditie, het efficiënt stapelen van de eikenhouten fusten of de subsidie die de staat verleent aan de wijnboeren.

(3) Alleen is geen enkele econoom er ooit in geslaagd een politicus te overtuigen om de economische theorie strikt toe te passen. Vandaar dat economen soms komen aandragen met tweede-beste theorieën, in de hoop dat ze zo politici kunnen overtuigen toch een beetje vrijhandel toe te passen. Krugman laat zien dat handelsakkoorden als CETA wel  praktisch nut hebben, al zijn zij volgens de economische theorie niet nodig. Volgens de theorie volstaat het immers dat een land eenzijdig zijn grenzen openstelt om te profiteren van de goedkope producten van een ander land. Maar het zit er kinderachtig ingebakken dat een land zijn grenzen niet wil openstellen voor een ander land als dat andere land niet hetzelfde doet. Dat is niet eerlijk van dat andere land, vindt men. Dan komt een tweezijdig handelsakkoord goed van pas om die verontwaardiging te sussen.

(4) Janssens beantwoordt ook het tweede argument van Paul De Grauwe – dat de vrije wereldhandel meer ongelijkheid in het leven roept.

(5) Janssens citeert een studie van Antweiler (2001) die stelt dat voor elk procent inkomenstijging er een vermindering van de vervuiling optreedt van 1,25 tot 1,5 procent, grotendeels dankzij schonere productietechnieken.

(6) ‘Mineur’ is natuurlijk betrekkelijk. Voor een vorig stukje heb ik opgezocht wat het aandeel was van de scheepstransport in de wereldwijde CO2-uitstoot. Het is 2,2 %. 

dinsdag 2 augustus 2016

Bart De Wever over Xenofon

In De Morgen van 30 juli vertelt Bart De Wever een spannend verhaal van 400 jaar voor Christus (hier).  Een leger van tienduizend Griekse soldaten zit ingesloten, diep in het Perzische rijk, honderden dagreizen verwijderd van thuis. Hun veldheren worden tijdens onderhandelingen vermoord. De soldaten weten amper waar ze zich bevinden. Vijanden zijn alom. Is de situatie dan hopeloos? Dan ken je die oude Grieken nog niet. Zo’n oude Griek, dat was geen lulletje rozenwater. Je kon er bij wijze van spreken mee naar de oorlog. De soldaten blijven dus niet bij de pakken zitten, ze roepen een vergadering bij elkaar, kiezen een paar nieuwe veldheren, en vechten en plunderen zich een weg naar de Zwarte Zee. Onder die nieuw verkozen veldheren was een zekere Xenofon, die een meeslepend verslag schreef van die avontuurlijke tocht.
     Als je dat verslag leest, krijg je een levendig beeld van het Griekse leger. Een stelletje ongeregeld, huurlingen, slaven, vrouwen, schandknapen. Vóór alles willen ze op tijd en stond te eten krijgen. Verder hebben ze over alles een mening en hebben ze op alles kritiek. Ze vergaderen graag, maken ruzie, konkelen achter elkaars rug, doen mooie beloftes. Ze kiezen zelf hun veldheren en zetten ze daarna weer aan de kant. De Wever omschrijft de bende als een ‘marcherende democratie’ en dat is nog niet zo slecht samengevat. Hij ziet in tocht van de onsterfelijke tienduizend een heel vage schijn van wat later de Europese democratie wordt. (1)
     Ik dacht – dat komt nooit goed. Hier moet één van onze Vlaamse intellectuelen toch iets tegen in te brengen hebben. Wat precies, dat wist ik niet, maar dat zou die intellectueel ons wel vertellen. Ik heb niet lang moeten wachten. De dag na het stuk van De Wever verscheen een antwoord van oudheidkundige Koert Debeuf  (hier) (2).
     Het eerste zinnetje van de oudheidkundige begreep ik al niet goed. ‘Ik verslikte mij in mijn koffie,’ schrijft hij. Weet de goede professor dan nog altijd niet hoe gevaarlijk het is om gelijktijdig een kopje koffie te drinken en een stuk van De Wever te lezen? Hopelijk heeft hij nu zijn lesje geleerd. Maar voor de rest vertelt Debeuf erg interessante dingen over de oudheid: dat Xenophon geen democraat was, en dat hij een biografie schreef over de Perzische koning Cyrus, dat die Cyrus de godsdienstvrijheid in zijn land invoerde, dat de oude Grieken heel wat geleerd hebben van de Perzen, dat de Perzen ook heel wat geleerd hebben van de Grieken. Ik denk dat dat allemaal heel erg waar is, want zo leerden we het ook op school. Alleen, De Wever had nooit het tegendeel beweerd. Om het met de woorden van mijn Facebookvriend Michel Berger te zeggen: ‘BDW heeft nergens de lof gezongen van Xenofon, maar van het Griekse systeem dat flexibel met een crisis omsprong en nieuwe leiders koos toen de oude geliquideerd werden. En zo overleefde. De hele argumentatie is bijgevolg naast de kwestie.’
     Trouwens, als De Wever de lof van Xenofon niet gezongen heeft, wil ik het wel in zijn plaats doen. Die Xenofon was een kranige kerel! Ziedaar, ik heb het gezegd! Hij was van het goede hout gesneden! Hij was een generaal die geloofde in leidinggeven door voorbeeld! Wie ooit zijn tent heeft opgeslagen op de ijsvlakten van Elsenborn, of in het Schotse laagland bij zware regenval, die zal het volgende verhaal naar waarde schatten. Het speelt zich af in Armenië, tijdens de barre winter van 401. –  Xenofon, zoals Caesar, spreekt over zichzelf in de derde persoon.
     ‘Tijdens de nacht was  er een groot pak sneeuw gevallen, dat de wapens, de lastdieren en de op de grond liggende mannen bedekte. ’s Ochtends hadden de soldaten dan ook helemaal geen zin om op te staan, want de sneeuwlaag hield hen lekker warm. Maar Xenofon vermande zich en stond in zijn blootje op (gymnos anastas) om hout te hakken. Toen kwam er algauw een ander overeind om hem dat werk uit handen te nemen. Toen volgden er meer. Ze staken een vuur aan (pyr ekaion) en wreven zich in met zalf, die ze daar in grote hoeveelheid hadden gevonden. Ze was vervaardigd van zwijnenvet, sesam (sèsaminon), bittere amandelen (amygdalinon) en terpentijn (terminthinon).’
     Zo, nu konden ze er weer tegenaan. Maar eerst een stukje eten natuurlijk.

______

(1) De Wever zijn stuk past in het nva-pleidooi voor een krachtiger optreden tegen moslimextremisme. Ernstige bedenkingen daarbij zijn geformuleerd door onder andere Rik Torfs (hier), Etienne Vermeersch (hier), Walter Pauli (hier) en Lode Cosaer (hier). Bryce De Ruyver en Mark Elchardus dragen argumenten aan vóór dat ‘gewapend bestuur’ (hier).
 
(2) De dag na Debeuf reageerde ook politicoloog Jonathan Holslag (hier). Holslag sleurt er allerlei zaken bij die naar mijn smaak weinig met het onderwerp te maken hebben: de Pokémonrage, halalvlees, zijn doctoraat, de robotisering, de goedkope import uit Azië, het glazen plafond op de arbeidsmarkt, de druk op het gezinsleven en John F. Kennedy. Ik denk dat de politicoloog wat opgenaaid was die dag.

zaterdag 11 juni 2016

‘De rotte appel van de vrijhandel’*

     Als groot liefhebber van buitenlandse appels werd ik van de week pijnlijk getroffen door een stuk in De Morgen van Wouter Torbeyns, een tweeëntwintigjarige student in de politieke wetenschappen (hier). Wouter sprak zich uit tegen de Pink Lady’s, en daar heb ik niets mee te maken want ik eet alleen Granny Smiths, maar het gaat mij en Wouter om het beginsel. ‘Door Pink Lady’s te eten,’ schrijft Wouter, ‘schaden we niet alleen onze binnenlandse economie maar ook ons klimaat.’ En hij ziet het breed. We moeten overwegen in welk ‘soort van wereld … we onze kinderen en kleinkinderen willen zien opgroeien.’ 
     Wouter is wellicht niet oud genoeg om de tv-reeks Yes Minister gekend te hebben. Zelf heb ik vaak moeten lachen als minister Jim Hacker weer eens een toespraak besloot met ‘our future and that of our children, and our children’s children’? Hij trok daarbij een gezicht alsof hij Churchill was, gebruikte een stijgende stembuiging en hield met zijn linkerhand de omslag van zijn jas vast. Je moet het eens proberen.

     Wouter appelleert bij het begin van zijn artikel aan mijn zuinigheid. Hij beweert dat ik veel geld zou besparen als ik meer appels van eigen bodem at. Hij voegt er enkele cijfers aan toe van honderdduizenden tonnen appels en honderden miljoenen euro’s en hij nodigt mij uit om snel even mijn voordeel uit te rekenen. Maar daar heb ik nu eens helemaal geen zin in. Bovendien is het niet nodig. Een van de vele voordelen van de vrije markt is dat ik al die grote getallen mag vergeten. Ook moet ik niets afweten van de gastarbeiderslonen in Nieuw-Zeeland, de wereldprijs van insecticiden, of de weersvooruitzichten voor Haspengouw. Het enige wat ik moet doen is de prijs van een kilogram appels vergelijken van verschillende merken en in verschillende winkels, en, aangezien ik bij Colruyt koop, is ook dat laatste overbodig.
     Ik wil niet spotten met Wouters denkbeelden over het klimaat. Misschien is hij in dat geloof opgevoed en dan is het moeilijk om daarvan los te komen. Maar dit keer wil ik wel naar de cijfers kijken, want je leest zo vaak over ‘voedselkilometers’**.  ‘Schepen en vliegtuigen,’ schrijft Wouter, ‘produceren 8 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot.’ Dat was heel sluw van hem, om schepen en vliegtuigen samen te nemen. Voor schepen alleen echter – wat voor mijn appels toepasselijk is – geeft Wikipedia 2,2 procent. Dus al die tankers en containerschepen en vrachtboten produceren samen maar 2,2 procent van de werelduitstoot van CO2. Zoveel is dat niet.
     Dan worden die appels op die schepen ook nog eens heel vakkundig gestapeld. Zo’n reuzenschip zal op zijn reis vanuit Nieuw-Zeeland of Zuid-Afrika heus wel wat diesel verbruiken, maar je moet dat omslaan per appel en zo’n schip vervoert miljoenen appels. Het zou me verbazen als er meer dan 10 à 20 cent vrachtschipdiesel in een kilogram appels zit die helemaal vanuit Nieuw-Zeeland naar hier is gebracht. 10 cent – dat is ongeveer wat ik aan diesel verbruik om van en naar de plaatselijke Colruyt te rijden. En nogmaals, ik moet dat niet allemaal uitrekenen. Het prijskaartje in de Colruyt geeft mij die inlichtingen. Dat de meerprijs voor een product van bij onze tegenvoeters zo klein is, of onbestaande, of negatief, laat meteen de betrekkelijkheid van de milieuschade zien.
     Wouter begrijpt dat er een probleem is met de seizoenen. In februari groeien er geen appels in Haspengouw, terwijl ze in Nieuw-Zeeland uitnodigend aan de takken hangen en smeken om over de oceaan te worden vervoerd. Wouter overweegt even om Limburgse appels voor de Belgische winter te bewaren ‘met de nieuwe technologie’ maar de milieukost daarvan doet hem terugdeinzen en hij kiest dan maar voor de ‘drastische oplossing’ om ‘buiten het seizoen gewoon geen appels te eten’.  ‘Appels zijn niet onmisbaar,’ voegt Wouter eraan toe. Dat is zo. Maar als we alleen maar onmisbare zaken mogen kopen, behoren we binnenkort allemaal tot de 10 % armsten van de samenleving. Is dat immers niet de betekenis van ‘arm zijn’ in een land als het onze: dat je je alleen maar het onmisbare kunt veroorloven?
      Ik durf niet voorspellen hoe ik zou omgaan met de vergaande versterving die Wouter voorstelt om ’s winters geen appels meer te eten. Wie weet grijp ik op kleurloze tv-avonden naar chips of Suzy wafels en word ik obees. Over dat maatschappelijk agendapunt kan Wouter dan weer ander een stuk schrijven.



_______________

 
* Dat is de titel van Wouter zijn stuk in De Morgen. Wouter studeert onder professor Jonathan Holslag, en dan lijkt het mij wel zo verstandig om kwaad te spreken van de vrijhandel, zeker in een stuk dat eerst bij de professor wordt ingediend. Ik sprak ook kwaad van het marxisme op het examen van professor Lode Wils. Als Wouter uit louter wetenschappelijke interesse, dus niet voor de punten, ook graag de bewijsvoering voor de vrije markt wil leren kennen, kan hij terecht bij Adam Smith, The Wealth of Nations, boek 4. Mochten de cursussen van professor Holslag hem te weinig tijd laten voor de studie van obscure achttiende-eeuwse teksten, kan hij volstaan met van dat boek alleen het tweede deel van hoofdstuk 3 te lezen. Het is maar tien bladzijden en is best onderhoudend geschreven.

* Een goed gedocumenteerd stuk hierover verscheen in De Correspondent (hier). De auteur benadrukt onder andere de voordelen van schaalvergroting bij het verminderen van CO2-uitstoot. Hoe groter de vrachtwagen, hoe langer de trein, hoe dieper het schip, te minder wordt het milieu belast. Dat is slecht nieuws voor Wouter, want grote transportmiddelen vragen grote investeringen en grote investeringen vragen grote bedrijven.  Terwijl onze student schrijft: “We hebben een mentaliteitswijziging nodig om niet volledig afhankelijk te worden van grote bedrijven.” Grote bedrijven, ts ts.