Posts tonen met het label Edmund Burke. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Edmund Burke. Alle posts tonen

woensdag 3 februari 2021

Nu ook op café: de Verlichting


       Op school leer je over de investituurstrijd, de abele spelen en de cloaca van de vogels, maar als je geen historicus, germanist of bioloog wordt, kun je die begrippen na het laatste examen gerust weer vergeten. Je zult evengoed een eerbaar beroep kunnen uitoefenen, een gezin stichten en in een auto rondrijden. Soms echter gebeurt het dat zo’n onderwerp de schoolse boeien afgooit, het echte leven binnenwandelt en opduikt in het cafégesprek, het krantenstuk of het praatprogramma. Dat is wat gebeurd is met de Verlichting. Wie dan op café, in de krant of op de televisie een woordje mee wil praten, kan zich best wat inlezen.
     Dat de Verlichting meer was geworden dan een schoolbankbegrip, begreep ik voor het eerst toen ik in 2004 een uitspraak las van kardinaal Daneels (hier). De kardinaal wou iets zeggen over de samenlevingsproblemen met de moslims in onze maatschappij. Hij zei dat er in Europa alleen plaats was voor de islam als die ook een ‘Franse revolutie’ zou doormaken, de scheiding tussen politiek en godsdienst zou erkennen, en waarden als verdraagzaamheid zou aanvaarden. Nu denk ik bij ‘Franse revolutie’ wat al te gemakkelijk aan Robespierre en de guillotine, maar het is duidelijk dat Daneels dacht aan wat aan die revolutie voorafging: Voltaire en al degenen met wie die eerst bevriend was en daarna ruzie kreeg, met andere woorden de Verlichtingsdenkers, met hun geloof in het menselijke verstand en de Rede-met-een-hoofdletter.
    Ik heb ondertussen over die Verlichting een en ander gelezen dat mij op school niet was verteld. Van Hayek leerde ik dat de Verlichters niet uitsluitend Fransen waren, maar dat je ook Angelsaksen had. Heel grof gesteld waren die laatsten gematigder, voorzichtiger, minder rechtlijnig, en wat minder optimistisch over de mens en zijn verstand. Filosofen als David Hume en Adam Smith geloofden niet dat je door louter verstandelijk te redeneren een ideale samenleving tot stand kon brengen. Het was beter om een en ander over te nemen van wat de 
‘natuur’ en de traditie tot stand hadden gebracht aan godsdienst, wetten en economische praktijken. Het verstand en de rede bleven belangrijk, maar ze dienden meer om af te tasten wat in die traditie bruikbaar was, of vervangbaar, of hervormbaar. Er waren dus, als ik Hayek mocht geloven, twee soorten Verlichting: de continentale en de Angelsaksische.
     Bij Pinker las ik nog iets anders (zie ook hier, hier en hier). Volgens hem had je ook twee soorten anti-Verlichting. De ene soort was alweer continentaal, eerder Duits dan Frans dit keer, met filosofen als Johann Georg Hamann en Johann Gottfried von Herder. Pinker heeft die filosofen, geloof ik, net als ik, niet gelezen, maar je kunt ongeveer te weten komen waar ze voor staan uit recentere publicaties óver hen, zoals het essay ‘Counter-Enlightenment’ van Isiaiah Berlin, dat Pinker en ik wél gelezen hebben. Die continentale anti-Verlichters, waren net als de continentale Verlichters, erg radicaal. Ze wilden niets te maken hebben met de Rede-met-een-hoofdletter. Ze geloofden in andere hoofdletters, zoals die van de ‘Ziel’*, die de kern uitmaakte van elke beschaving en die niet door het verstand kon worden gestuurd. Ook dachten ze dat af en toe een goede oorlog nodig en gezond was, al was het maar om de Ziel op scherp te stellen. Pinker loopt niet hoog op met dat gedachtegoed, dat soms als ‘Romantiek’ wordt omschreven.
     Helemaal anders was volgens Pinker de Verlichtings-kritiek van de Anglo-Ierse Edmund Burke. Die was geschokt door de Franse revolutie, voorzag de massamoorden en de oorlogen die eruit zouden volgen, en dacht dat de Verlichtingsdenkers daar mee verantwoordelijk voor waren. Dat vindt Pinker overdreven. De Franse revolutie en de oorlogen waren wel een humanitaire ramp – 2 tot 4 miljoen doden – maar er waren daarvóór ook al oorlogen en massamoorden geweest. Bovendien waren de aanstokers volgens Pinker niet gevormd door de grote filosofen van de Verlichting – Descartes, Hobbes, Spinoza, Locke en Hume. Ze hadden vooral boekjes gelezen van Franse filosofische ‘lichtgewichten’ en ‘utopisten’, en van Jean-Jacques Rousseau, die je evengoed bij de Verlichting als bij de Romantiek kunt rekenen.
    Maar Pinker gelooft dat Burke ook gelijk had. Rampen als revolutie, oorlog en massamoord hou je niet tegen met redelijke praatjes alleen. Er moet aan die praatjes een min of meer spontaan beschavingsproces aan zijn voorafgegaan, en dat beschavingsproces is dubbel mysterieus. Zelfs Pinker geeft dat toe. Niemand weet goed waar het vandaan komt, en niemand heeft een goed overzicht op het resultaat. De waarden van die beschaving zijn immers deels onuitgesproken en deels onbespreekbaar. Ze vermommen zich als hypocrisie of verbergen zich als taboe. Maar ze vormen een dijk tegen het springtij van geweld en barbarij. Alle werken om de dijk te verfraaien, vond Burke, moeten met omzichtigheid worden uitgevoerd. Als je het zo bekijkt is het verschil tussen de Angelsaksische Verlichting en de Angelsaksische anti-Verlichting helemaal niet zo groot.
     Nu weet ik niet of we alles moeten geloven van wat Hayek en Pinker en Berlin over Verlichting en anti-Verlichting vertellen. Maar dat Danneels toen, in 2004, voor één keer iets verstandigs over de Islam gezegd heeft, dat geloof ik wel. Een revolutie met guillotines en noyades is niet nodig, een Verlichtingskuur wel, van het continentale type, van het Angelsaksische type, of van een type er tussenin. Wíj hebben die kuur ook moeten ondergaan.

* Alhoewel sommige van die continentale anti-Verlichters de ‘Ziel’ weer ‘Rede’ gingen noemen. Misschien deden ze dat wel expres om hun tegenstanders te jennen.

maandag 6 januari 2020

Othman, de hoofddoek en de satire

     Othman El Hammouchi heeft laatst een paar satirische stukken gepubliceerd in Doorbraak. Dat is een moeilijk genre als je zoals El Hammouchi voortdurend twijfelt tussen kolder, parodie en redenering. Zijn stuk over de kaarsen van Freilich en de spreekbeurt van Hoeyberghs vond ik daardoor wat onsamenhangend, maar zijn laatste stuk over de hoofddoek op school is beter geslaagd. Dat komt, geloof ik, omdat hij in dat stuk ongeveer weet welk rolletje hij wil spelen: dat van een Iraanse Ayatollah. Hij ondertekent ook met de geloofwaardige naam Ayatollah Jalal Al-Din Revzani. Die Ayatollah raadt aan om in onze scholen een hoofddoekenverplichting in te voeren en omkleedt dat voorstel met redenen. De grap bestaat erin dat ongeveer dezelfde redenen onlangs werden gebruikt, onder andere door het Antwerpse Hof van Beroep, om een hoofddoekenverbod in onze Gemeenschapsscholen te rechtvaardigen.
     Ook hier hecht El Hammouchi veel belang aan het redeneergedeelte. Dat gaat als volgt. De Antwerpse rechters oordeelden dat moslimmeisjes soms een hoofddoek gaan dragen omdat ze slachtoffer zijn van een ‘groepsdruk’, met andere woorden van pestkopjes die andere meisjes intimideren als ze geen hoofddoek dragen. Maar, antwoordt Ayatollah El Hammouchi hierop, die meisjes, en eigenlijk alle meisjes, en alle vrouwen, staan onder een veel grotere groepsdruk om zich een aantrekkelijk voorkomen aan te meten, om zich te ‘seksualiseren’, wat leidt tot strakke broeken, korte rokken, diepe decolletés, hoge hakken, en, in een verder stadium, tot een laag zelfbeeld, eetstoornissen en depressie. Om de nare gevolgen van díe groepsdruk teniet te doen, heeft men in Iran beslist om alle vrouwen een egale, onaantrekkelijke kledij met hoofddoek op te leggen.
     Er zit veel waarheid in die redenering. Ik ken weinig dingen die zo onaantrekkelijk zijn als een hoofdtooi die alle haren van een vrouw bedekt en ook nog eens haar hals*. Als er een hogere macht bestaat, dank ik hem of haar dat mijn moeder en grootmoeder niet zo rondliepen. In de lagere school werd ik opgevoed door nonnen met zo’n hoofdtooi. Gelukkig was het de tijd van het tweede Vaticaans Concilie, en toen ik in het vierde leerjaar zat, werden de kledingvoorschriften versoepeld. De hoofddoek bleef, maar hij werd kleiner, een deeltje van de oren, de wangen en de hals, die voordien bedekt waren, kwamen vrij, en een haarlok werd zichtbaar. Meester Bernard kondigde het nieuws aan: moeder-overste zou onze klas bezoeken en ze zou er anders uitzien. We kregen toestemming om te lachen. En toen het zover was, hébben we gelachen. Ik denk niet dat ik ooit in mijn leven zo hard gelachen heb als toen. Moeder-overste was geseksualiseerd. Wat ik hier vertel is overigens waar gebeurd. Ik doe niet aan satire.
     El Hammouchi doet dat dus wel en hij heeft gelijk. ’t Is een betere manier om aan je ergernis lucht te geven dan luid ‘fasciste de merde’ te roepen op twitter. Maar de kwestie met satire is dat ze haar grootste effect uit overdrijving en veralgemening haalt. Satire schuwt de nuance; en zonder een beetje nuance kun je in het hoofddoekendebat weinig zinnigs vertellen. Zo maakt El Hammouchi in zijn vergelijking tussen Vlaanderen en Iran geen onderscheid tussen wat bij ons aan kinderen wordt opgelegd en in Iran aan volwassen vrouwen. Ik vind het een wereld van verschil. Hij maakt geen onderscheid tussen wat er bij ons binnen de schoolmuren gebeurt en wat er dáár op straat mag en niet. Hij staat ook niet stil bij het verschil in sancties die volgen op een overtreding**.
     De kern van de zaak verwoordt El Hammouchi in een ander stuk. Hij munt daarbij het begrip ‘vestimentaire’ vrijheid dat volgens hem behoort tot de ‘grondrechten’ van de mens. Die kunnen niet zomaar door de ‘willekeurige mening van drie hoogedelachtbare heren’  worden weggewuifd. Ik kan hierin een heel eind meegaan. Ik geloof ook dat er grondrechten bestaan, en dat Antwerpse rechters of Europese hoven die niet zomaar kunnen wegwuiven. Maar het net van die grondrechten uitgooien over de interne kledijvoorschriften van een schóól, dat gaat mij te ver. Ik ben naar een school geweest waar we verplicht een stofjas moesten dragen. Werd daarmee mijn ‘grondrechtelijke vrijheid’ aangetast? Ik geef les aan een school die sinds haar ontstaan een leerlingenuniform oplegt. De korte rokken zijn daarmee niet helemaal van de baan, maar strakke broeken, diepe decolletés en hoge hakken komen er niet in. En in de klas moeten de jongens ook nog eens hun pet of muts afzetten en de meisjes hun sjaal uitdoen. Wordt door die regels enig grondrecht geschonden?
     Het Antwerpse Hof van Beroep heeft in zijn uitspraak verwezen naar het Europees Hof van de Rechten van de Mens. Dat Hof stelt dat het dragen van levensbeschouwelijke tekens verboden kan worden als dat noodzakelijk is voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Als meisjes zich door groepsdruk en intimidatie verplicht voelen om een hoofddoek te dragen, kun je inderdaad zeggen dat hun rechten en vrijheden worden aangetast. Je kunt daar tegen inbrengen dat sommige meisjes de hoofddoek dragen om andere reden dan de gewraakte groepsdruk. Ze kunnen die vrijwillig dragen, of omdat ze moeten van hun vader, of van hun broer. Toch vallen ook zij onder het verbod dat met de fameuze groepsdruk wordt verantwoord. Die bedenking, vind ik, houdt steek, maar slechts tot op zekere hoogte. Het besluit is dat je een afweging moet maken. De vraag dient gesteld welke vrijheid je wil beschermen, die van de pestkopjes, die van de vader, die van de broer, die van het moslimmeisje dat géén hoofddoek wil dragen en die van het moslimmeisje dat wel een hoofddoek wil dragen.
       El Hammouchi maakt een andere afweging. Die groepsdruk stelt volgens hem niet veel voor. Het is de psychologische invloed van ‘ocharme 7 % van de bevolking’, schrijft hij. Dat ‘ocharme’ mogen we op rekening van de satire schrijven, maar die 7 % moet ongeveer juist zijn. Dat is het huidige aandeel van de moslims in onze bevolking. Maar wat komt dat aandeel hier doen in het betoog? Wat heeft een moslimmeisje te maken met die 7 % geloofsgenoten die verspreid zijn over Antwerpen, Mechelen, Vilvoorde en de rest? Op school krijgt ze te maken met een aandeel van 40 %, in de klas van 60 %, in de straat van 80 % en thuis van 100 %. Dat zijn de procenten die meetellen.
       Zoals de zaken er nu voorstaan, volg ik de afweging van het Gemeenschapsonderwijs, van de Antwerpse rechters en van Koen Tanghe, waarmee El Hammouchi polemiseert.*** Maar als de islamitisch godsdienst - waar de hoofddoek mee te maken heeft - zich voldoende bevrijdt van oud expansionisme en van nieuw fundamentalisme, zal mijn afweging misschien anders zijn. Ruud Koopmans schat de fundamentalisten onder onze moslims op ongeveer de helft van de groep. Dat zijn de moslims die vinden dat men terug moet naar de wortels van hun geloof, dat er maar één interpretatie van de Koran bestaat, en dat men de religieuze regels boven de seculiere wetten moet stellen. Geen van die drie opvattingen leidt onvermijdelijk naar het jihadisme, en alle drie samen ook niet, maar ik ben in elk geval blij dat ongeveer de helft van onze moslims minstens één van die opvattingen niet deelt, en zijn geloof op een minder fanatieke manier beleeft. Het is de helft, geloof ik, van wie veel vrouwen en meisjes minder behoefte voelen aan een symbolische hoofdtooi. Als de andere helft die behoefte wel nog lang blijft voelen, zou een Vaticaanse evolutie naar een haarlok en een vrije hals, wang en, wie weet, misschien zelfs een oorlel, al een verademing zijn. Ik beloof niet dat ik onder die omstandigheden al die vrouwen zal beminnen of begeren, maar ik zal misschien af en toe aan het vers van Gorter denken:
     En je neus en je mond en je haar
     en je ogen en je hals waar
     je kraagje zit en je oor
     met je haar er voor.

* Over de boerkini schreef ik hier ooit een stukje.

** El Hammouchi maakt verder geen verschil tussen een hoofddoekenverbod voor loketambtenaren – dat bestaat –  en een hoofddoekenverbod voor àlle ambtenaren –  dat niet bestaat. Ook stelt hij het voor alsof àlle moslima’s getroffen worden door het hoofddoekenverbod en dus uitgesloten worden van bepaalde betrekkingen of scholen, terwijl dat natuurlijk maar het geval is voor die moslimmeisjes en –vrouwen die de hoofddoek als een noodzakelijk onderdeel van hun godsdienstbeleving beschouwen. Dat zijn ze lang niet allemaal.

*** Ik vind het overigens jammer dat Tanghe er Spinoza bijhaalt die tolerantie voorschreef tegenover minderheidsgodsdiensten, maar ze wel minder rechten toekende dan de meerderheidsgodsdienst. Dat is een liberaal-tolerante opvatting van de 17de en 18de eeuw. Maar wat als liberaal-tolerant gold in de tijd van Spinoza, Jonathan Swift en Edmund Burke zou ik niet onverkort toepassen op onze seculiere tijd.

zaterdag 27 oktober 2018

Vlaams Belang, N-VA en het cordon sanitaire

    Zelf zal ik nooit op Vlaams Belang stemmen. Mijn vrouw en mijn zoon zouden niet meer met me praten. Maar zelfs zonder mijn huisgenoten gerekend, zou ik het niet doen. Voor het sociaaleconomische is de partij mij te links, voor immigrantenzaken te rechts, en voor het Vlaamse te voortvarend. Maar ik heb begrip voor de mensen die er wél voor stemmen. Daar zitten flaminganten bij die hun geduld kwijt zijn, knappe koppen die de Islam bestudeerd en de gevaren ervan overwogen hebben, en ook lieden uit volkse buurten, die hun leven achteruit zagen gaan door de immigratie van de laatste 40 jaar. Die laatsten voelden zich veiliger op straat toen hun buurt nog helemaal blank was. Ze leven van een sociale uitkering en ze hopen dat die wat hoger zou zijn, als er minder middelen naar de nieuwkomers gingen. Men noemt die mensen ‘proteststemmers’ of ‘foertstemmers’, maar dat is een neerbuigende interpretatie. Sommige van die mensen willen niets liever dan dat het Belang mee kan besturen  zodat er, zo hopen zij, eindelijk iets gedaan wordt aan de onveiligheid en de lage uitkeringen.
   Het Belang heeft bij de laatste verkiezingen weer wat meer stemmen behaald, 4 % meer dan bij de vorige gemeenteraadsverkiezingen. Met zo’n vooruitgang moet je je ogen niet neerslaan en met je pet frunniken. Dan kun je best eens met je vuist op tafel slaan en iets eisen. De opheffing van het cordon sanitaire bijvoorbeeld, die afspraak van 30 jaar geleden waarbij alle Vlaamse partijen – N-VA bestond nog niet – beloofden om nooit een bestuurscoalitie te vormen met wat toen nog het Vlaams Blok heette.

     30 jaar – dat is lang geleden, zul je zeggen. Misschien mag dat cordon inderdaad wel zoetjesaan overboord. Het Belang van nu is gematigder dan het Blok van toen. Als de partij aan coalitiebesturen deelnam, zou ze misschien nóg gematigder worden. Bovendien is het cordon eenzijdig omdat enerzijds de centrumrechtse partijen wel het extreemrechtse Vlaams Belang uitsluiten, maar anderzijds de centrumlinkse partijen toch bereid zijn coalities aan te gaan met de extreemlinkse PVDA. Van rechts wordt het uiteinde van de staart afgekapt, terwijl links een ongeschonden exemplaar bewaart om mee in het rond te slaan.
    Om het cordon te doorbreken richt het Belang zich in de eerste plaats tot N-VA en Bart De Wever, van wie het die 4 % heeft afgesnoept. ‘In zestien gemeenten,’ schrijft VB-voorzitter Tom van Grieken, ‘zijn er meerderheden Vlaams Belang/N-VA. Vlaams Belang reikt duidelijk de hand aan N-VA om deze wil van de kiezer om te zetten in een Vlaamse meerderheid.’ Als De Wever niet op de uitnodiging ingaat, dreigt Van Grieken om hem bij de volgende verkiezing ‘de rekening te presenteren’. Hij bedoelt daarmee dat het Belang dan nog meer stemmen van N-VA zal afsnoepen.
        Maar De Wever zal wel niet snel als eerste en als enige op zo’n uitnodiging ingaan. Als hij in één van die zestien gemeenten een coalitie met het Belang aanging, zouden de partijen van centrumlinks én centrumrechts geen coalities met N-VA meer willen aangaan. N-VA bevond zich dan zelf ook binnen het cordon, in ‘splendid isolation’. ’t Zou mooi en solidair zijn natuurlijk, maar ik betwijfel of De Wever tot dergelijke zelfopoffering genegen is en ’t zou voorzeker niet erg verstandig zijn.
     Dat stemmenverloop van N-VA naar Vlaams Belang bij de volgende verkiezingen zou overigens best kunnen meevallen. Je weet nooit hoe zo’n muntstuk valt. Misschien gaat dat verloop wel in de omgekeerde richting. Zowel het cordon als een eventueel doorbreken van het cordon, kan een dubbele nawerking hebben. Mét het cordon blijft het Belang buiten het bestuur, behoudt de partij haar zuiverheid en haar radicale taal, en zoiets trekt sommige kiezers aan. Maar andere kiezers hebben liever dat hun verkozenen een paar procenten van hun ideaal realiséren dan dat ze honderd procent gelijk hebben in de oppositie. Welke kiezersgroep zal groter zijn? Mocht het cordon daarentegen ooit doorbroken worden en Vlaams Belang aan het bestuur deelnemen, dan vallen ook dan de gevolgen niet te voorspellen. Zou Vlaams Belang in zo’n geval kiezers winnen door haar gematigde koers en haar nieuwe argument van ‘nuttige stem’, of zou ze ontgoochelde alles-of-niets-kiezers verliezen? Wie zal het zeggen?
     Dat is allemaal hogere electorale rekenkunde, gebaseerd op speculaties, wensdromen en angstscenario’s. Politiek is wel wat meer dan dat. Elke generatie heeft een aantal politici die, terwijl ze verzuipen in de dossiers en de volgende verkiezing voorbereiden, ook nadenken over de middellange en de lange termijn. De gedachten van De Wever over de middellange termijn zijn geen geheim:  een gematigd besparingsbeleid, minder belastingen, en een armoedebestrijding door meer werkgelegenheid liever dan door hogere uitkeringen. Zo’n beleid kun je voeren met een krappe centrumrechtse coalitie, ook al komt daar heel wat trekken en duwen aan te pas.

     Maar De Wever heeft daarnaast nog andere plannen die niet op de korte termijn en niet met een krappe meerderheid kunnen worden gerealiseerd. Ook die plannen zijn geen geheim: een Vlaanderen dat loskomt van Wallonië en een volledige ommekeer in het migratiebeleid. Zulke plannen zijn veel ingrijpender. Je kunt ze niet verwezenlijken zonder het héle politieke centrum mee te krijgen. Wie een ingrijpende verandering wil afdwingen op een radicale manier, steunend op een minderheid of op een kleine meerderheid, is een revolutionair. En De Wever is géén revolutionair. Hij is als leerling van Burke vóór alles een antirevolutionair. Hij mag vaak ronde taal spreken en in debatten vrolijk op de vijand van het ogenblik inhakken, hij eindigt graag, geloof ik, met een of ander compromis, niet alleen met andere partijen, maar ook met dat deel van de bevolking dat zich door die partijen vertegenwoordigd voelt.
     Neem de kwestie van de migratie. Tegen een restrictief migratiebeleid bestaan veel bezwaren van emotionele aard. Hoewel zo’n beleid op een rationele en humanitaire grondslag rust*, hangt er snel een geur van racisme omheen. Filip De Winter, nu Vlaams Belang maar toen nog Vlaams Blok – draagt hier een deel van de verantwoordelijkheid omdat hij met zijn 70-puntenprogramma zowel anti-immigratie als anti-immigrant was.
     Die geur van racisme moet weg. De Vlaming heeft, wat Bert Bultinck van Knack daarover ook moge denken of schrijven, weinig racisme ingebakken in zijn DNA. Om de gemiddelde Vlaming, en zeker de jonge Vlaming, voor een migratiestop te winnen, zal het nodig zijn om een tweeluikig plan voor te stellen: het sluiten van de grenzen voor nieuwe migranten én de integratie in onze maatschappij van de oude migranten. Dat laatste heb ik door N-VA’ers wel eens ‘inclusief nationalisme’ horen noemen. Vlaams Belang heeft nog een stuk weg af te leggen vooraleer ze een geloofwaardige partner kunnen worden voor het tweede luik van het plan. En zolang dat stuk weg niet is afgelegd, zal De Wever wel afstand blijven houden.
     Voor de Vlaamse kwestie is het nog duidelijker. De Vlaming heeft heel wat te winnen bij een financiële opsplitsing van het land. Je hoort niet zo vaak meer over de transfers van Vlaanderen naar Wallonië, maar die zijn er nog. Ik las ergens dat élke Vlaming – vader, moeder, zoon, dochter en inwonende grootmoeder – jaarlijks ongeveer 1000 euro aan Wallonië betaalt en dat elke Waal – vader, moeder, enzovoort – ongeveer 1800 euro van Vlaanderen ontvangt.** In Wallonië is er niet veel enthousiasme om aan die toestand iets te doen. Maar eigenaardig genoeg, in Vlaanderen ook niet. De socialisten verbinden hun lot aan hun grote Waalse PS-broer, de groenen verkeren in een hogere sfeer, de liberalen denken door meer België de chaos van de vele bestuursniveaus te verminderen, en CD&V wil wel meer Vlaanderen maar toch vooral eerst minder N-VA.
     Chris Janssens van Vlaams Belang heeft op Doorbraak een uitgebreid stuk gepubliceerd waarin hij N-VA hekelt omdat de partij coalities aangaat met centrumlinks en centrumrechts maar niet met het Belang. Hij wil dat de volgende verkiezingen een ‘referendum over het cordon’ worden. Hij hoopt met andere woorden dat heel veel Vlamingen, liefst meer dan de helft, voor het Belang stemmen, want daar gaat het bij een referendum om.
     Het is een stuk in de oude stijl. Het gaat over Waalse Dictaten en Vlaamse Principes. Het woord ‘kaakslag’ komt er niet in voor, maar het woord ‘knieval’ wel. Janssens haalt verkiezingscijfers aan, citeert rechters, professoren en journalisten, en verwijst naar extreemrechtse regeringsdeelnames in het buitenland. Maar dat verandert niet veel aan het volgende gegeven. In Vlaanderen behalen N-VA en Vlaams Belang samen 38 % van de stemmen. In het Belgische parlement bezetten ze 25 % van de zetels. Dat zijn geen cijfers waarmee je een Vlaamse onafhankelijkheid uitroept. Je kunt dat cijfer van die 38 % verhogen door veel affiches op te hangen, veel folders te verspreiden en te twitteren alsof je leven ervan afhangt. Misschien halen de twee partijen in Vlaanderen ooit samen 48 of zelfs 51 %. Dat is nog altijd veel te weinig om tegen een verenigd Waals front van 99 % uit te komen.
    Het valt te verwachten dat De Wever in die omstandigheden de voorkeur zal blijven geven aan samenwerkingsverbanden met centrumlinkse en centrumrechtse partijen. Hij kan zelfs hopen dat er door zo’n gezamenlijk bestuur ooit meer eenheid van visie komt op een Vlaamse toekomst, dat de socialisten zich verder verwijderen van hun PS-kameraden, dat de groenen hun hogere sfeer verlaten, dat de liberalen juist in meer Vlaanderen een middel gaan zien tegen de bestuurlijke chaos, en dat CD&V went aan haar verminderde status en haar Vlaamse aspiraties weer bovenhaalt.
     Ja, misschien gebeurt dat ooit. Of misschien niet.


* Rationeel: migranten komen naar Europa omdat hier een betere levenskwaliteit is, maar doordat hier meer migranten komen, vermindert die levenskwaliteit die die de oorspronkelijke reden van de migratie was.
Humanitair: als een rijk land 1, 2 of 5 % van zijn rijkdom wil besteden aan armoedebestrijding in Afrika, bestaat de minst billijke manier om dat te doen erin om enkele miljoenen Afrikanen naar Europa te laten komen en de rest in de miserie te laten.
** Een jaarlijkse transfer van 7 miljard euro. Zie hier, en recenter hier.

zaterdag 6 februari 2016

ô liberté, que de crimes …

Madame Roland op weg naar het schavot.
Zij kijkt naar het Vrijheidsbeeld
en spreekt de beroemde woorden uit.
  In mijn jonge jaren had ik vaak woordenstrijd met mijn goede vader over de Franse Revolutie. Het duurde dan meestal niet lang of mijn vader riep uit: ô liberté*, que de crimes on commet en ton nom!
     Vele jaren later las ik bij Edmund Burke veel ongunstigs over die revolutie. ‘The age of chivalry is gone,’ schreef Burke. ‘That of sophisters, economists, and calculators, has succeeded.’
     Nu weet ik niet of het zo verstandig is om zonder voorafgaande inlichtingen te hebben ingewonnen, zomaar zonder nadenken de voorkeur te geven aan een ridder boven een economist of een rekenaar. Maar laatst las ik iets in het Napoleonboek van Bart van Loo dat mij aan het denken zette.
     Van Loo beschrijft in zijn eerste hoofdstuk die gedenkwaardige 14de juli – de dag waarop Lodewijk in zijn dagboek noteert: ‘Rien’. De revolutionairen bestormen eerst het Hôtel des Invalides** en leggen de hand op meer dan dertigduizend geweren en enkele kanonnen. Dan hebben ze nog buskruit en kogels nodig en die zijn opgeslagen in de gevangenis, de Bastille, waar zich overigens maar zeven gevangenen bevinden: twee krankzinnigen, vier valsemunters en een excentrieke aristocraat.
     De vesting, die onder leiding staat van markies de Launay, wordt ‘bestormd’. Na een reeks hoffelijke onderhandelingen en kleine schermutselingen, opent de markies de poorten als hij de kanonnen ziet verschijnen. Hij weigert echter zich over te geven en geeft een van de revolutionairen, de banketbakker Desnot, een trap tegen zijn kruis ... waarop hij onmiddellijk wordt doodgeschoten.
     Een goede revolutionair is altijd bedacht op mogelijkheden tot propaganda. Men besluit de markies te onthoofden, zijn hoofd op een paal te spietsen en het rond te dragen door Parijs, tot lering en vermaak van tonnenmakers en visverkoopsters. Banketbakker Desnot krijgt de eer om de onthoofding te voltrekken en men reikt hem een zwaard aan. Dat is echter niet de manier waarop een klassenbewust lid van de derde stand te werk gaat. De bakker weigert het zwaard, knipt zijn zakmes open en, zo schrijft Van Loo, ‘scheidt het hoofd van de romp alsof hij een slager was’.
     Markies De Launay was natuurlijk toch al dood, dus veel verschil maakt het niet, maar als ik, vóór of na mijn dood, moet worden onthoofd, dan sluit ik mij aan bij het koningskind uit Heer Halewijn:

                Wel als ik dan hier kiezen zal
                Zoo kieze ik het zwaard voor al.



* ’t Is dom van mij, ik weet het, maar ik vind dat de pathos van madame Roland een beetje verloren gaat als men het accent circonflexe van de ‘o’ weglaat. De vrouw was tenslotte op weg naar het schavot. Maar daar denken die spellingshervormers niet aan natuurlijk! Neen, die hervorming van 1990 moet nu, na 26 jaar, plots écht worden doorgevoerd.

** Hôtel … nóg een accent circonflexe dat sneuvelt. De geschiedenis van het woord hôtel (‘ostel’, 11de eeuw – het accent circonflexe vervangt de ‘s’) wordt op die manier onzichtbaar gemaakt. Professor F.J. Mertens van de KU Leuven heeft, geloof ik, zijn erg leerzame ‘Orthographe usage’ nooit als boek willen uitbrengen om enerzijds verwarring en anderzijds medeplichtigheid aan de spellingshervorming van 1990 te vermijden. 


Het hoofd van de Launay (en de Flesselles)
wordt rondgedragen door Parijs
 

zaterdag 12 september 2015

Burke, Bart en de schalkse columnist

    In de kringen waar ik kom is het beter om geen sympathie te laten blijken voor Bart de Wever.  Bart wil minder steungeld voor de werklozen en meer winsten voor de bedrijven. Toch zijn er een paar dingen die mij voor Bart innemen. Een paar jaar geleden raakte hij heel wat pondjes kwijt. Ik ook. Hij is een groot bewonderaar van “The Simpsons”. Ik ook. Bart haalt zijn politieke filosofie uit Edmund Burkes “Reflections on the Revolution in France” (1790). Ik … tja …
    Die “Reflections”, dat is natuurlijk een briljant boek, chaotisch, romantisch, toekomstvoorspellend. Burke formuleerde de eerste moderne argumenten voor normen, waarden en tradities. En dat je toch zo moet oppassen voor radicale mensen met ‘een visie’. De Amerikaanse journalist en vrijheidsstrijder Thomas Paine, van zijn kant, was een groot voorstander van de Franse revolutie. Hij las het boek van Burke, begreep er de helft van – genoeg om te weten dat het tégen die revolutie was – en schreef een scherp antwoord. Burke vond dat hij door Paine beledigd was en spande een proces in. Dat had Burke niet moeten doen, vind ik.
    En dan Bart. Enige tijd geleden schreef hij een wat haastig stuk in een krant over, ik meen, het postmodernisme. Dat schoot in het verkeerde keelgat van filosoof Lieven de Cauter – ik heb die jongen nog gekend in Leuven.  Lieven antwoordde in wat hij een “schalkse columnstijl” noemde. Het postmodernisme, daar had hij een boek over geschreven. “Da’s wel van ons, hé. Ge wilt dat ook afpakken? You don’t wanna go there! Ik probeer al 20 jaar in de gazet te schrijven en gij ga dat efkes gebruiken voor uw politiek project. Dat ga geen waar zijn. Ik maak in no time brandhout van al je argumenten. I eat you for breakfast.” Tot zover de schalkse columnist.
    
Bart deed twee dingen. Hij stuurde een mailtje naar Lieven met de vraag: “Hoe oud bent u eigenlijk?” Hij stuurde ook een mail naar de rector van de KULeven waarin hij zich verwonderde over het taalgebruik van een van zijn professoren. Dat laatste had ik niet gedaan.

Oorspronkelijk geplaatst op 12 december 2014