Posts tonen met het label Lieven Boeve. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Lieven Boeve. Alle posts tonen

zondag 20 november 2022

Joël de Ceulaer en de hoofddoek


     Ik heb onlangs nog een stuk over de moslimhoofddoek geschreven*, en ik was niet van plan om daar zo snel een vervolg aan te breien in de trant van  ‘De hoofddoek, deel 2’, ‘De terugkeer van de hoofddoek’, ‘De wraak van de hoofddoek’ en ‘De zoon van de hoofddoek’. Maar nu heeft Joël de Ceulaer er een van zijn ‘satires’ aan gewijd en daarom wil ik voor één keer een uitzondering maken. Bij zo’n stuk van Joël voel ik mij vaak als een kind in een snoepwinkel waar alles gratis is: in bijna elke zin zit iets lekkers om op te sabbelen. Ik weet niet waar ik eerst naar moet grijpen.
     Neem de eerste alinea. Daarin vergelijkt Joël de harde houding hier ten lande tegenover hoofddoekdraagsters met de milde beoordeling van misstanden in de crèches. Als peuters worden ‘geslagen, vastgekleefd en met het hoofdje in de toiletpot geduwd’, dan wordt dat, schrijft Joël, ‘op alle niveaus gedoogd dan wel genegeerd of door de vingers gezien.’ Als ik zoiets lees, is mijn eerste reactie om in de lach te schieten. Joël doet hier denken aan een tooghanger die bralt dat de politie veel te snel boetes uitschrijft voor snelheidsovertredingen, maar moorden en verkrachtingen ‘door de vingers ziet’. ’t Is waar, die tooghanger stemt waarschijnlijk voor een andere politieke partij dan  Joël. 
     In de volgende alinea maakt Joël een vergelijking tussen Iran, waar de hoofddoek verplicht is, met het gemeenschapsonderwijs (GO!), waar de hoofddoek verboden is. ‘Ik hoop dat het ooit doordringt,’ schrijft hij, ‘dat een verbod hetzelfde is als een verplichting.’ ’t Is waar, je kunt met enig trekken en duwen elke bepaling zowel als verplichting (hoofdoek!) of als verbod (niet bloothoofds!)  formuleren. Dat maakt niet veel verschil. Wat wel een verschil maakt, is de partijdigheid of onpartijdigheid van een bepaling. In Iran bijvoorbeeld is er geen algemeen verbod om bloothoofds rond te lopen**. Er is in Iran juist een heel precieze verplichting dat alleen het vrouwelijke deel van de bevolking treft.
     Er zijn andere, dwingender redenen om de vergelijking tussen Iran en het GO! te verwerpen. De verplichting van de ayatollahs en het verbod van het GO! komen voort uit een andere motivatie en worden opgelegd met een ander doel. De hoofddoek in Iran is een onderdeel van de onderhorige rol die de vrouw in de fundamentalistische Islam krijgt toebedeeld. Het hoofddoekenverbod in het GO! daarentegen sluit aan bij de twee eeuwen oude idee van een neutrale lekenstaat die neutraal onderwijs organiseert. Ik ga daar verder niet op in, want Joël weet dat ook allemaal. Alleen vergeet hij het te schrijven.
    Ik wil mij hier beperken tot een evidentie. Het verbod van het GO! wordt in ruimte en tijd begrensd door de schoolmuren en de schooluren; de verplichting van de Iraanse overheid daarentegen omvat de hele openbare ruimte. Mocht de Iraanse overheid een hoofddoek op scholen verplichten, als onderdeel van het meisjesuniform, zou ik daar niet half zoveel problemen mee hebben, zolang de meisjes en de leraressen die hoofddoek weer mogen afdoen als ze de school verlaten. Dan is het dragelijk. En zo is het eveneens dragelijk dat de meisjes en leraressen in het GO! hun hoofddoek moeten afdoen bij het betreden van de school, zolang ze hem weer mogen aandoen – als ze dat per se willen – bij het verlaten ervan. Joël haalt het geval aan van die ‘sympathieke, gemotiveerde en welbespraakte’ Chaïmae Bentouhami die op de televisie haar wens kenbaar maakte om lerares-met-hoofddoek te worden. Goed, dan wil ik nog een stap verdergaan: de welbespraakte mag van mij haar hoofddoek ook dragen in de lerarenkamer, zolang ze hem maar afdoet in de klas.
     Joël verwijt het GO! dat het inconsequent is. Het onderwijsnet streeft zogezegd neutraliteit na, maar organiseert zelf de gesegregeerde lessen voor ‘islamitische, katholieke, joodse en vrijzinnige kindjes’***. ’t Heeft er weinig mee te maken maar ik moet het toegeven: die twee uurtjes per week zijn niet ‘neutraal’. Ze maken onderdeel uit van een historisch compromis dat de liberale founding fathers afsloten met hun katholieke tegenstanders. En van een compromis kun je geen uiterste consequentie verwachten. Trouwens, is  die kleine inbreuk op de neutraliteit gedurende twee uur per week een goed argument om nog meer neutraliteit prijs te geven?
     We komen zoetjesaan bij de kern van Joëls betoog, dat ook in de titel is vervat: ‘Het hoofddoekenverbod heeft niets te maken met neutraliteit, maar alles met islamofobie.’ Die Joël toch! Eerst wordt bij de vergelijking tussen het GO! en Iran elke verwijzing naar doel en motivatie ontweken, en nu wordt die de kern van het betoog. Joël weet dat degenen die de neutraliteit inroepen eigenlijk door islamofobie gedreven worden. Goed, als Joël dat weet, dan weet ik iets anders. Ik weet dat niet bij iederéén neutraliteit een excuus is voor islamofobie.
     Maar ik wil het Joël gemakkelijk maken. Ik zal het alleen over mezelf hebben en dan wil ik schuchter bekennen dat islamofobie bij mij wel een rol speelt. Ik weet dat het niet mag, en dat landen als Qatar en andere voorbeeldnaties internationale conferenties houden om tegen islamofobie te waarschuwen, maar ik geef het toe: ik ben bang. Bang dat het fundamentalisme binnen de islam verder opgang maakt, bang dat die opgang bij moslims de aanpassing aan hun nieuwe land bemoeilijkt, bang dat verschillende godsdienstbeleving van oud- en nieuwkomers tot spanningen leidt, bang van het hellend vlak dat leidt tot aparte sharia-rechtbanken voor bepaalde materies. Of om bij mijn onderwerp te blijven: bang dat moslimmeisjes die de hoofddoek liever niet dragen het in de toekomst nog moeilijker zullen krijgen om dat vol te houden. Mocht ik daar allemaal niet bang voor zijn, mocht ik met andere woorden minder islamofoob zijn, dan dacht ik misschien anders over hoofddoek en lekenstaat.
     Joël geeft een andere invulling aan het begrip islamofobie. Hij ziet er het onvermogen in ‘om onder elke hoofddoek gewoon de mens te zien in plaats van de vermeende ideologie.’ Joël heeft hier een kruimel van gelijk. Bij het beoordelen van mensen die we niet kennen gaan we al te snel af op uiterlijke kenmerken: op die ongepoetste schoenen, op die tatoeages, op dat roze geverfd haar, op die kaalgeschoren linkerslaap die het gezicht van een mooi meisje ontsiert. Vooroordelen zijn des mensen. In de school waar ik les gaf, was een godsdienstleraar die in hetzelfde jaar als ik begon les te geven. We lieten elkaar de eerste drie jaar links liggen. Ik was bang van hem omdat hij zo groot was, en hij van zijn kant was vooringenomen tegen mij omdat ik een das droeg. Nadat we toevallig in een discussie over Kant en Rawls verzeild raakten, veranderde dat, werden we onafscheidelijk en kon je ons elke middag in het café tegenover de school aantreffen, ook al was hij nog altijd zo groot en droeg ik nog altijd een das.
     Maar stel nu dat Joël hier gelijk zou hebben – dat islamofobie een kwestie is van vooringenomen reflexen – dan nog gaat het niet aan om die islamofobie af te wegen tegen iets als neutraliteit. Het gaat om twee verschillende sferen. Islamofobie is, als je wil, een deel van het probleem, en neutraliteit is een deel van de oplossing. Het is juist omdat we als mensen behept zijn met vooroordelen en fanatisme dat het goed is dat we die in sommige contexten minstens symbolisch afleggen. En dat moet gebeuren volgens neutrale spelregels waarbij de verschillende godsdiensten minstens formeel gelijk worden behandeld****. Dat is het hele eiereneten van de neutraliteit. De Franse lekenstaat heeft ongetwijfeld zijn wortels in antikatholieke vooroordelen en christianofobie. Dat neemt niet weg dat hij alles samen een redelijk kader geboden heeft om de conflicten tussen katholieken en antikatholieken te temperen.
    Naar het einde van zijn stuk komt Joël goed op dreef. ‘Menig Vlaams-nationalist wordt razend als men zijn zwart-gele leeuwenvendel een collaboratievlag noemt in plaats van een strijdvlag. Terecht. Tegelijk prediken diezelfde lieden dat iedere hoofddoek een teken van onderdrukking is - terwijl dat overduidelijk helemaal niet het geval is.’
   Ook hier wil ik een heel klein stukje met Joël meegaan. Een uitspraak over ‘iedere hoofddoek’ is een veralgemening, en een veralgemening in het maatschappelijke debat is gevaarlijk. Een moslimse die een hoofddoek draagt wordt niet noodzakelijk, altijd, en zonder uitzondering, meer onderdrukt dan een moslimse of een oud-Vlaamse die zo’n hoofddoek niet draagt. Maar zoals men zich terecht kan bezinnen over de algemene symboolwaarde van de zwart-gele vlag in de middeleeuwen, tijdens de oorlog, in de jaren vijftig en nu, zo kan men zich ook bezinnen over de algemene symboolwaarde van de hoofddoek sinds de Iraanse ayatollah-revolutie.
     Ik wil hier ook iets kwijt over de rol van het katholiek onderwijs in de hoofddoekenkwestie, al zegt Joël daar niets over.  Zoals geweten kunnen katholieke scholen vrij beslissen om de hoofddoek toe te laten of te verbieden. Boeve geeft de indruk dat hij die toelating gunstig gezind is, misschien onder het motto ‘godsdienst is godsdienst’, of om pluralistisch te zijn, of eigentijds, of om op die manier zijn eigen onderwijsnet een concurrentieel voordeel te bieden tegenover het GO!
     Ik heb daar iets van meegemaakt op de katholieke school waar ik les gaf. 15 jaar geleden, lang vóór Boeve, was daar een vacature voor een leerkracht economie. De toenmalige directie, die dolgraag eigentijds wou zijn, had een hoofddoekdraagster op het oog. De directeur kwam ons in de lerarenkamer geruststellen. Bij het sollicitatiegesprek had men gevraagd of de vrouw in kwestie haar hoofddoek als een symbool van fundamentalistische propaganda beschouwde. De vrouw had ‘nee’ geantwoord. De geruststelling door de directe was trouwens overbodig geweest want bij het begin van het schooljaar was hoofddoekdragende lerares, op aandringen van de raad van bestuur, vervangen door een andere lerares.
     Aangezien ik geen gedachten kan lezen, weet ik niet of onze hoofddoekdragende econome fundamentalistische opvattingen had of niet. Ik weet alleen dat ze erg vriendelijk was, want ze stond naast mij op de personeelsfoto die genomen werd tijdens de laatste dagen van de vakantie. Ik vermoed niet dat ze van plan was haar lessen economie te doorspekken met islampropaganda. Maar ik hoop dat ze nu les geeft in een andere school en het gezond verstand heeft gehad om daar de hoofddoek weg te laten. Dán weet ik bijna zeker dat ze niet van de fundamentele soort is. Ik denk hetzelfde van de moslimse poetsvrouw van mijn ouders. Die draagt geen hoofddoek, maar een sjaal. Als ze binnenkomt legt ze die af. Ze heeft wel een traditionele hoofddoek, zegt ze, maar die is om te dragen bij feestelijke gelegenheden. Ook van haar neem ik aan dat ze niet van de fundamentele soort is. Ik voel mij daar geruster bij.
    Ik keer terug naar Joël. Die spreekt, om te besluiten, zijn hoop uit dat de hoofddoekendiscussie niet in een eeuwige loop blijft vastzitten. Dat hoop ik ook. De discussie mag voor mij zelfs onmiddellijk worden stopgezet. Ik ben voorstander van het status-quo. De hoofddoeken moeten op straat niet verboden worden, zoals CD&V’er Hendrik Bogaert ooit voorstelde, ze moeten geen aanleiding geven tot een extra belasting, zoals Filip De Winter ooit voorstelde, en ze moeten niet in het GO! worden toegelaten, zoals Joël de Ceulaer nu voorstelt. Alles mag reglementsgewijs***** blijven zoals het was. Je suis demandeur de rien. 

 

* Voor mijn vorige stukje over de hoofddoek: zie hier.

** De Engelse koningin Elizabeth I verbood wel dat haar onderdanen ouder dan zeven jaar bloothoofs op straat rondliepen. Ze wou geloof ik met die maatregel de hoedenindustrie steunen.
*** Joël vergeet nog de protestantse kindjes. Ik heb minstens twee mensen gekend die als enige van de school les konden volgen in de protestantse godsdienst.

**** Dus ook geen andere religieuze symbolen op school. Wel kan formele gelijkheid volgens neutrale regels een zekere ongelijkheid in de praktijk inhouden. Daar is niets aan te doen. Als de staat bijvoorbeeld maatregelen neemt tegen extremisme binnen godsdiensten, dan wordt de godsdienst die het meeste extremisme in zich draagt in zekere zin het zwaarste getroffen. Ook zijn er een aantal gevallen waar kan worden betwijfeld worden of de neutraliteit per se moet worden doorgevoerd, zoals bij nieuwe benamingen als ‘winterfeest’ voor ‘kerstfeest’. Er zijn redelijke argumenten voor en tegen.
***** Hier en daar mag een gemeentereglement worden aangepast zodat hoofddoekdracht aan loketten, in het kader van de lekenstaat, verboden wordt. 

zaterdag 3 maart 2018

De vrije schoolkeuze: N-VA gefopt?


     Meestal ben ik niet zenuwachtig als ik een stukje ga schrijven. Gáán neuken en geschreven hébben, zijn leuk, zei Herman de Coninck, maar gáán schrijven vind ik ook best. Deze keer valt het echter niet mee, want het gaat om een onderwerp dat mij na aan het hart ligt en waar het de verkeerde kant mee uitgaat: de vrije schoolkeuze. Door de bittere kou van de week, kreeg het schoolpoortkamperen namelijk een dramatisch gezicht. Ouders die ‘doodvriezen’ voor de schoolpoort is een aanschouwelijk beeld; vrije schoolkeuze is daarentegen een nogal theoretisch concept. Nu reageert ons brein feller op aanschouwelijke beelden dan op theoretische concepten en er verschenen nogal wat ingezonden stukken van lezers die de vrije schoolkeuze graag opofferden als ze op die manier bespaard bleven van ‘schrijnende’ reportages over kamperende ouders.
     Er waren ook andere aanwijzingen dat het de verkeerde kant uitging. Maandag werd ik opgebeld door een mevrouw van Radio Hautekiet. Of ik in het programma mijn standpunt kon toelichten over centrale aanmelding en vrije schoolkeuze? Ze had mijn blogs over die kwestie gelezen. Nu was dat toelichten wat moeilijk, omdat ik op het moment van de uitzending les moest geven, maar ik was vooral bezorgd omdat die mevrouw in haar wanhoop bij mij was uitgekomen. Had ze geen invloedrijker persoon gevonden die bereid was rechttoe rechtaan de vrije schoolkeuze te verdedigen?
     Diezelfde avond las ik verbaasd in de krant dat Lieven Boeve hetzelfde standpunt innam als ik. Vrije schoolkeuze, zei hij, is belangrijker dan ‘sociale mix’. Dat was geen goed teken. Als Boeve het opnam voor vrije schoolkeuze, dan kon dat maar een ding betekenen: dat het begrip vrije schoolkeuze in toongevende kringen een andere betekenis aan het krijgen was dan de traditionele, en met name een heel precaire betekenis.
     Mijn onrust was eigenlijk daarvóór al begonnen met een stuk van Brinckman in De Standaard van 24 februari:  ‘Scholen en N-VA stellen grenzen vrije schoolkeuze in vraag.’ Eerst had ik die kop verkeerd gelezen en dacht ik dat N-VA de vrije schoolkeuze in vraag stelde. Ik schrok me rot. Toen ik evenwel de kop nog eens bekeek, bleek dat het de grenzen aan de vrije schoolkeuze waren die in vraag werden gesteld. Goed zo, dacht ik, die grenzen moeten weg. Maar toen ik het hele stuk gelezen had, voelde ik iets in mijn maag. Spreken van een knagend gevoel is mij te sterk uitgedrukt, maar aangenaam was het gevoel ook niet.
     Volgens het stuk wou N-VA-man Kris Van Dijck in de eerste plaats de dubbele contingentering kwijt. Dat is inderdaad een onzinnige regeling waarbij een school een bepaald percentage kansarme leerlingen moet opnemen. Om te beletten dat scholen die dat percentage niet bereiken toch kansarme leerlingen zouden weigeren, worden stompzinnige regeltjes opgesteld die alles danig in de war sturen. Zo moet een school per studierichting op voorhand aangeven wat het maximum aantal leerlingen is dat ze voor die richting wil toelaten. Dat is onzin. Elke school kent jaarlijks schommelingen per studierichting. Die konden vroeger perfect worden opgevangen, terwijl ze in de nieuwe regeling voor nodeloze moeilijkheden zorgen.
     Wat mij bij dat alles stoorde, was dat Van Dijck alleen de praktische kant van de zaak belichtte. De principiële argumentatie ontbrak ten enenmale. Ik was er dus niet gerust in. Wat als N-VA nu eens akkoord ging met een veralgemeende centrale aanmelding – waarbij een computersysteem uiteindelijk de vrije schoolkeuze vervangt – in ruil voor de afschaffing van de contingentering? Dat zou een wel heel dwaze ruil zijn, want van die contingentering wil iedereen af, ook de bedenkers zelf van de regeling. Die hebben immers begrepen dat hun uiteindelijke doel – de ‘sociale mix’ – op termijn veel makkelijker kan worden bereikt door een cleane centrale aanmelding dan door de warboel van een contingentering?
     En toen kwam Crevits op de televisie. Een centrale aanmelding voor heel Vlaanderen wou ze voorlopig niet opleggen, zei ze, omdat daar nog geen parlementaire meerderheid voor was. Nog geen? Een handig meisje als Crevits zou zoiets niet zeggen, dacht ik, als zo’n meerderheid niet in het verschiet lag. En jawel. Vrijdag lees ik in Het Nieuwsblad dat er een akkoord in de maak is om de contingentering af te schaffen en de centrale aanmelding in te voeren.
     Ik geef graag toe dat de huidige regeling niet goed werkt. Anderzijds is ’t altijd jammer als een slechte regeling vervangen wordt door een regeling die nóg slechter is. Aan de praktische kant zal alles wel in orde zijn met een centrale aanmelding: geen dubbele inschrijvingen meer, soepeler bepaling van de klasgrootte, geen gedoe met iglotentjes in de vrieskou. Maar de kwaliteit van de scholen – en daar gaat het toch om – gaat er volgens mij onder lijden.
    Op Het Nieuwsblad denken ze daar anders over. Farid El Mabrouk lijkt erg in zijn sas als hij schrijft dat de centrale aanmelding ‘de onderlinge concurrentie tussen de scholen overbodig maakt.’ Van zo’n zinnetje word ik diep ongelukkig. Is het dan zo moeilijk om te begrijpen dat juist gezonde concurrentie de scholen beter maakt?* Bart Eeckhoudt schrijft ergens dat het probleem van de schoolkeuze vanzelf verdwijnt als de overheid ervoor zorgt dat alle scholen topkwaliteit bieden. Dat heeft hij waarschijnlijk zelf bedacht. En hoe, beste Bart, moet de overheid dat dan doen? Door nieuwe eindtermen op te stellen? Door meer inspectieteams op de scholen los te laten? Door een wetenschappelijke masteropleiding te vervangen door een pedagogische masteropleiding? Door meer bureaucratie in te voeren om de leraren te ‘ondersteunen’? Door meer bijscholingen aan te bieden? Door een nieuw vak in te voeren en een ander af te schaffen? Al die zaken doen, geloof ik, meer kwaad dan goed.
     Crevits zegt dat de overheid geen scholen zal toewijzen. Ik mag het hopen! Als er op een school voldoende plaatsen vrij zijn, zegt ze, zullen alle ouders die dat willen hun kinderen dáár kunnen inschrijven. Dat zou er nog aan ontbreken! Alleen wanneer er er te veel kinderen voor te weinig plaatsen zijn, voegt ze eraan toe, zal het lot moeten beslissen. En dan zal de overheid – maar dat zegt ze er niet bij – de keuze van de computerloterij met dwang opleggen. En aangezien er volgens de demografen binnenkort veel steden en dorpen zullen zijn met te veel kinderen en te weinig scholen, zal het belang van de loterij, en van de dwang, alleen maar toenemen.
     Ik heb een beter voorstel: doe weer zoals vroeger. Crevits wil vermijden, lees ik in het De Standaard van 1 maart,  ‘dat de directeur het laatste woord krijgt over wie de school binnen mag.’ Dan stel ik mij de vraag: wat is er mis met een directeur die de inschrijvingen in laatste instantie goedkeurt? Dat was de regeling die toegepast werd toen Crevits naar school ging, en het was de regeling  die háár vader indertijd als schooldirecteur moet hebben toegepast.
     Raymonda Verdyck van het Gemeenschapsonderwijs zegt het allemaal wat duidelijker dan Crevits. Ze heeft minder gewetensbezwaren. ‘De strijd tegen de segregatie, verklaart ze in Het Nieuwsblad, moet vanuit de overheid worden opgelegd (mijn cursivering). Anders keren we terug naar de tijd waarin scholen leerlingen konden weigeren.’ Precies, en in díe tijd – de jaren 50, 60 en 70 – heeft de verbazingwekkende democratisering van het onderwijs plaatsgevonden. Al die zogenaamde elitescholen** stelden, vrijwillig, hun poorten open voor arbeiderskinderen die een generatie daarvóór in het beste geval in een ‘vakschool’ terechtkwamen. De zo gewenste ‘sociale mix’ kwam spontaan tot stand, in een redelijke verstandhouding tussen ouders en directies.
     Die ontwikkeling zal toen overigens wel niet probleemloos verlopen zijn. Hier en daar zal ongetwijfeld een directie, uit sociaal snobisme, een kansarme leerling geweigerd hebben, die dan op een andere school met open armen werd ontvangen. Door de bank genomen echter lijkt mij het tweespan van inschrijvingsrecht voor de ouders en aanvaardingsrecht voor de scholen, de beste oplossing. Mocht N-VA dát kunnen afdwingen, zou ik die partij heel dankbaar zijn. Als ze dat niet kan wegens de fameuze ‘politieke krachtsverhoudingen’, tant pis. Als ze daarentegen mee zou glijden op het hellend vlak dat van centrale aanmelding naar een opgelegde schoolkeuze leidt, zou mij dat erg bitter stemmen. Ik vrees niet zozeer voor morgen of overmorgen. Zolang N-VA tot de parlementaire meerderheid behoort, kan ze misschien de kwalijke gevolgen van de centrale aanmelding beperken. Maar door de centrale aanmelding goed te keuren zou ze het instrument helpen smeden waarmee een andere politieke meerderheid – met veel mensen als Raymonda Verdyck erin – in de toekomst de schoolvrijheid helemaal kan afschaffen.
     Quid N-VA?

* Ik citeer hier een fragmentje uit een vorige blogpost.
‘Een lezer reageerde op mijn stukje dat onze maatschappij erin moet slagen ‘alle scholen op hetzelfde hoge niveau te brengen’ en dat het ‘niet verdedigbaar is dat er goede en slechte scholen zijn.’ Daar moest ik even over nadenken. Er zullen, geloof ik, altijd wel goede en minder goede scholen zijn, zoals er goede en minder goede restaurants zijn, goede en minder goede auto’s en goede en minder goede kleurpotloden. Als je om het even welk nummer van Testaankoop openslaat, zie je dat er ook bij gelijkgeprijsde producten grote kwaliteitsverschillen optreden. In scholen, net als in bedrijven, worden bepaalde beslissingen genomen, om de kwaliteit te verbeteren. Je weet niet goed waarheen die beslissingen zullen leiden. ’t Is een proces van gissen en missen, van trial and error. Sommige beslissingen draaien goed uit, andere minder goed. En daardoor komt het, onder andere, dat er goede en minder goede scholen zijn. Het leuke is echter dat de minder goede altijd kunnen leren van de goede en zo kunnen ze er allemaal op vooruitgaan.
Daar komt nog eens bij dat je je kunt afvragen wat een goede school is. Wat is precies de beste school? De moeilijkste? De makkelijkste? De zorgzaamste? De zakelijkste? De strengste? De toegeeflijkste? De meest elitaire? De minst elitaire? Ik ken in elk geval ouders die, net als Tom Naegels, hun kind nooit naar een elitaire dikke-nekkenschool zouden sturen. Dat is voor hen dan zeker niet de beste school. Ook ken ik ouders die hun ene kind naar onze school stuurden – Onze-Lieve-Vrouw-Waver, Bosstraat 9 – omdat die het beste paste bij dát kind, terwijl ze dan hun andere kind naar de concurrentie stuurden, waar het op zijn beurt, hoopten ze, beter op zijn plaats zou zijn.’


** De vlag ‘eliteschool’ kan twee ladingen dekken al naargelang men het heeft over ‘sociale’ en ‘intellectuele’ elite. Ik heb geen groot bezwaar tegen een intellectuele eliteschool. En ik heb er nog minder bezwaar tegen dat binnen een school ‘eliteklassen’ bestaan, klassen waar intellectueel begaafde en schools ingestelde leerlingen worden samen gezet met het oog op extra uitdaging. Ontwikkelingspsycholoog Wim Van den Broeck zegt daar iets over in  De Morgen van 26 februari. Uit ‘robuust onderzoek’, zegt Van den Broeck, blijkt dat leerlingen het beter doen als ze in homogene groepen les krijgen.’ Dat ‘robuust onderzoek’ komt alleszins overeen met mijn eigen ervaring.

zaterdag 2 september 2017

De Guimardstraat en de vrijheid van onderwijs

     Rond 1 september komen er in de krant stukjes die ik graag lees. Scribenten spreken dan hun vertrouwen uit in de ‘leraar voor de klas’. Crevits zegt in een interview dat de leraar meer ‘ruimte’ moet krijgen. Koen Daniëls vertelt aan ieder die het horen wil dat de leraar in zijn vrijheid wordt beknot en dat daar een einde aan moet komen. Het mooiste stuk vond ik dat van acht academici onder de sprekende titel: ‘Geef de klas terug aan de leraar’. Zulke zaken wil ik het hele jaar door lezen, want de vrijheid van de leraar is mij lief. Ik ben zelf leraar.
     Jammer genoeg legt mijn baas, Lieven Boeve, een andere klemtoon. Hij is ook voor vrijheid hoor, maar dan een beetje anders: ‘De vrijheid van onderwijs,’ zegt hij in De Standaard van 29 augustus, ‘heeft dus niet in de eerste plaats te maken met de vrijheid van de leraar om in de klas te doen wat hij wil (behalve de eindtermen dan), maar ligt bij het schoolbestuur dat onderwijs aanbiedt volgens zijn pedagogisch project.’ Juridisch gezien heeft Boeve hier gelijk, maar zelf bekijk ik de vrijheid van onderwijs graag wat breder. De vrijheid van de ouders om zelf een school te kiezen – wat Boeve trouwens ook aangeeft. De vrijheid van de Guimardstraat om scholen van de katholieke koepel te bestoken met richtlijnen en adviezen. De vrijheid van zo’n katholiek schoolbestuur om die richtlijnen fijntjes naast zich neer te leggen. De vrijheid van de leraar om zijn les, ondanks eindtermen en leerplannen, zo interessant mogelijk te maken. De vrijheid van de leerling om het allemaal even saai te vinden. Zoals ik al aangaf: die voorlaatste vrijheid is mij het liefste. Bij Boeve is dat anders. Als het over vrijheid gaat, heeft hij zelfs moeite om het woord leraar te gebruiken. Hij spreekt dan liever van lerarenteams.
     Rond de kwestie van de onderwijsvrijheid zijn Lieven Boeve en Koen Daniëls (N-VA) elkaar van de week in de haren gevlogen. Boeve verweet Daniëls dat die vanuit de overheid de vrijheid van het Katholiek Onderwijs dichtbetonneerde en Daniëls verweet Boeve dat die de vrijheid van het Katholiek onderwijs misbruikte om diezelfde vrijheid binnen zijn eigen scholenkoepel dicht te plamuren. Aanleiding van de discussie waren de eindtermen en de leerplannen – waar ik nu even niet op in ga. Maar de twee bouwkundige termen betonneren en plamuren werpen ook een algemenere vraag op: wat is het ergste voor het onderwijs: het koepeldirigisme of het staatsdirigisme? Het Katholiek Onderwijs Vlaanderen of het Vlaamse Parlement? De Guimardstraat of de Hertogstraat? Op die vraag heb ik geen principieel antwoord. Het is een kwestie van nuances, proporties en afwegen. Ik geloof, met Daniëls, dat het dirigisme van de Guimardstraat vandaag het ergste is, maar ik zou daarover niet graag in discussie gaan met iemand die het dossier kent, zoals Boeve.
     Een heel andere vraag is deze: welke van de twee soorten dirigisme – koepel of staat – is de gevaarlijkste? Daar heb ik wel een principieel antwoord op: dat van de staat. Als Boeve dus verklaart dat de typisch Belgische onderwijsregeling, met zijn netten en koepels, beoogt ‘het onderwijs te beschermen tegen al te grote overheidsbemoeienis’, dan ga ik, een beetje bedremmeld –  want ’t is nog altijd Boeve –, toch náást hem staan. Als hij daaraan toevoegt dat ook ‘democratisch verkozen overheden in de verleiding kunnen komen om de opvoeding van de kinderen ideologisch te sturen’, en dat hij, Boeve, daar tegen is, dan mompel ik zelfs stilletjes: bravo!
     Het gaat mij daarbij niet om wat de huidige bewoners van de Guimardstraat of van de Hertogstraat waard zijn. Van Boeve heb ik geen hoge pet op, maar misschien wordt hij opgevolgd door iemand met een gezondere kijk op het onderwijs. Wie weet? ’t Is ook mogelijk dat een volgend Vlaams parlement een rood-groene meerderheid heeft, met Caroline Gennez als minister van Onderwijs. Mocht dat laatste gebeuren, zou ik het in elk geval fijn vinden om dan onder de paraplu van de Guimardstraat te kunnen schuilen voor de stortvloed aan nivelleringsdecreten en bureaucratiseringsoekazes waar ik Caroline toe in staat acht. Als die paraplu dan tenminste openklapt.
     Ik geloof niet dat de vrijheid van ons onderwijs – voor ouders, schoolbesturen, leraren en kinderen – afhangt van de welwillendheid van 1-septemberscribenten en idealistische politici. Die vrijheid hangt minstens evenveel af van een ordening die door een gril van de geschiedenis vorm kreeg. De zogenaamde ‘schoolstrijd’ heeft er bij ons toe geleid dat een sterke en onafhankelijke katholieke koepel mee het onderwijslandschap bepaalt. Dat is een beetje bizar, want er bestaat tenslotte geen katholieke wiskunde,  geen katholieke fysica of geen katholiek Frans. Maar ook met gewone wiskunde, fysica en Frans heeft het katholieke onderwijs een dominante plek veroverd die zelfs door de moderne ontkerkelijking niet meteen wordt bedreigd.
     Wat daarentegen wel bedreigd wordt, is de vrije schoolkeuze – en ik leg straks uit wat die met de katholieke koepel te maken heeft. In De Standaard van gisteren lees ik op de eerste bladzijde een pleidooi van de professoren De Witte en Hindricks om de schoolkeuze van de ouders te ‘reguleren’. ‘Natuurlijk vinden ouders dat niet leuk,’ schrijven de professoren, ‘maar het draait niet alleen om hun keuze.’ Dat is dan fijn om te weten. En nog: ‘Wij zijn voorstanders van een inschrijvingsbeleid dat een sociale mix waarborgt.’ Ja, er kan altijd wel een grote kelder worden vrijgemaakt op een of ander ministerie waar een legertje bureaucraten en statistici bij kunstlicht de schoolgaande jeugd aan de verschillende scholen toewijzen volgens percentages die die van de maatschappij  weerspiegelen: zoveel jongens, zoveel meisjes, zoveel kinderen van éénprocenters, zoveel kinderen uit kansarme gezinnen, zoveel kinderen met migratie-achtergrond, waarop dan weer verder kan worden opgesplitst in Turken, Marokkanen, Berbers enzovoort, daarbij liefst ook rekening houdend met verschillen tussen eerste, tweede, derde en vierde generatie immigranten. Of willen de professoren het zover niet drijven en volstaat een grovere indeling van de categorieën en een ruwere schatting van de percentages? Dat maakt de zaak er niet beter op.
     Zulke verklaringen in de krant doen mij niet meer opschrikken. Ik verslik mij bij wijze van spreken niet in mijn koffie als ik zoiets lees, alhoewel ik nochtans stukjes schrijf. Het is volstrekt normaal dat maakbaarheidsprofessoren de vrije keuze van de ouders in vraag stellen. Het is volstrekt normaal dat nanny state politici door zulke professoren op ideeën worden gebracht. Het is bovendien volstrekt normaal dat sommige ouders dat allemaal niet eens zo erg vinden. Want zou de ene school nu zoveel beter zijn dan de andere? Getuigt het niet van zelfingenomenheid om je kind per se naar de beste school te willen sturen? En weet je als ouder dan welke school de beste is voor je kind? Trouwens, met een stelsel van administratieve toewijzing zouden er ook geen scholen meer zijn met te veel of te weinig leerlingen. En dan moeten ouders niet meer kamperen voor de schoolpoorten om er zeker te zijn dat ze hun kinderen nog kunnen inschrijven. En verder: het systeem van ‘gereguleerde schoolkeuze’ bestaat al in zoveel landen, en de treinen rijden daar nog altijd.
     Toch ben ik er redelijk gerust in dat, ondanks maakbaarheidsprofessoren en nanny state politici, de vrije schoolkeuze in ons land morgen nog niet wordt afgeschaft. Die gemoedsrust dank ik aan de Guimardstraat. De lui die daar vergaderen en richtlijnen schrijven, zijn in maakbaarheidsdenken gewaagd aan elke sociologieprofessor. Ze moeten niet onderdoen voor gelijk welke nanny state politicus als het erom gaat een betuttelende houding aan te nemen tegenover ouderlijke amateurs die, stel je voor, zomaar zelf beslissingen nemen over de opleiding van hun kind. Maar de lui van de Guimardstraat kunnen de vrije schoolkeuze van de ouders niet afschaffen of beperken. Als ze dat zouden doen, zouden ze immers tegelijk ook de vrijheid van hun eigen koepel in gevaar te brengen. Dat gaan ze niet doen, geloof ik, en daar ben ik blij om.
     Leve de Guimardstraat!

zaterdag 28 januari 2017

Alle leraren 22 uur les?*

     De baas van het katholieke onderwijs Lieven Boeve wil al geruime tijd de lesopdracht van leraren in het middelbaar onderwijs gelijkschakelen. Vandaag geeft een leraar in de laagste klassen 22 uur les, in de hogere 21 uur en in de hoogste 20 uur. Boeve wil 22 uur voor iedereen en minister Crevits lijkt hem daarin nu te volgen**.
     Ik begrijp de minister. Door de opdracht van de meeste leraren met 5 of 10 % uit te breiden, krijgt ze een mooie besparing voor elkaar van 150 miljoen. Die zou ze willen gebruiken om het leven aangenamer te maken voor beginnende leerkrachten, want anders lopen die weg uit het onderwijs. Ook zouden oudere leerkrachten wat minder moeten werken.
     Voor mijzelf maakt het weinig verschil. In het huidige systeem geef ik 20 uur les, en in het nieuwe systeem 22 uur min 2, want ik ben boven de zestig. Dat komt dus, geloof ik, ongeveer op hetzelfde neer. Voor mijn facebookvriend Michel Berger maakt het nog minder verschil – want hij is gepensioneerd – maar toch windt hij zich over die gelijkschakeling op (hier). En hij heeft gelijk. Natuurlijk heeft hij gelijk. Als leraar klassieke talen kwam hij zowel in de laagste als in de hoogste jaren, wat bij andere leraren niet zo vaak voorkomt. Uit ondervinding weet hij dat lesgeven in die hoogste jaren aanmerkelijk meer voorbereiding en verbeteringswerk vraagt dan in de laagste jaren. De collega’s klassieke talen op mijn school zeggen hetzelfde. En nu ik erover nadenk: mijn lessen in het 6de jaar kosten mij ook meer dan die in het 4de jaar.
     Daar komt nog iets bij. In de hoogste jaren wordt vooral lesgegeven door masters, en in de laagste jaren bijna uitsluitend door bachelors. Die bachelors hebben een lerarenopleiding gevolgd en zijn dus min of meer aan het beroep gebonden. Maar die masters hebben een wetenschappelijke opleiding gevolgd waardoor velen van hen ook in een ander beroep terecht kunnen. Het is dus niet erg verstandig om juist van die laatste groep de arbeidsvoorwaarden minder aantrekkelijk te maken. Zo’n chemielerares zou dan wel eens de voorkeur kunnen geven aan een loopbaan als chemical sales account manager in plaats van voor de klas met beamer en bord, maar vooral met handen en voeten, de reactievergelijkingen uit te leggen. 
      Wat mij bij Boeve het meest gestoord heeft, is zijn uitspraak dat de verschillende lesopdrachten een ‘historisch onrecht’ waren. Ik probeer altijd begrip op te brengen voor egalitair ingestelde medemensen, want zij zijn vaak de kwaadsten niet, maar soms ben ik er ook bang van. Velen onder hen dromen, geloof ik, van een onderwijssysteem waarin alle lesgevers gelijkgeschakeld worden, van kleuterleidster tot leraar in het zesde middelbaar – hetzelfde aantal lesuren, hetzelfde loon en dezelfde opleiding. ‘We maken er allemaal masters van, want het opvoeden van peuters is misschien nog de moeilijkste discipline van allemaal’***, zoals een vriendin mij ooit toevertrouwde.
     Ik moet in het onderwijs zo’n Nieuw Jeruzalem niet, met eenvormige opdracht, beloning en opleiding voor iedereen. Een mastergraad voor elke lesgever en opvoeder, het kan – meer zelfs, het bestaat in sommige landen – maar dan zijn er twee mogelijkheden: ofwel worden heel wat van mijn sociaal-technische leerlingen van het beroep van kleuterleidster uitgesloten, terwijl ze er juist erg geschikt voor zijn – ofwel wordt de hele masteropleiding uitgehold, met erg ongunstige gevolgen voor het onderwijs in wiskunde, wetenschappen en vreemde talen. Ik heb ooit een cursus gevolgd met Amerikaanse leraren Frans en Spaans en die konden noch Frans, noch Spaans, behalve één dame van Mexicaanse origine die een beetje verliefd op mij was.
     Als minister Crevits zo nodig het lesurenbeleid wil aanpassen, dan heb ik dus liever dat dat losgemaakt wordt van een of ander ideologisch gelijkheidsstreven. Als ze met alle geweld een besparing van 150 miljoen rond wil krijgen, dan zou ze beter alle leerkrachten één uur meer laten werken. Voor de vakbonden – ik geef het graag toe – is het dan wel gemakkelijker om daartegen solidair verzet te ondernemen. Dat zal de minister niet fijn vinden. Maar dan moet ze maar eens heel duidelijk komen uitleggen hoe die 150 miljoen echt bij de startende leraren zal terechtkomen, en niet zal worden besteed aan een of andere ‘omkadering’ met nog maar eens extra uren vergadering, ondersteuning, bijscholing, portfolio-evaluatie en coaching. Ik zal die uitleg van de minister heel aandachtig aanhoren. En de minister mag ook eens uitleggen hoe de jonge leraren hun baan zullen behouden, als de oudere plots vijf procent meer werken. Volgen er dan geen vijf procent afdankingen? Ook die uitleg zal ik heel aandachtig volgen.

 * De werkweek van de leraar is gemiddeld minstens het dubbele van het aantal lesuren. Daar schrijf ik misschien mijn volgende stukje over.
 
** Wat eigenaardig! In Nederland, waar anders zoveel onderwijswijsheid vandaan wordt gehaald, heeft men net nu beslist het lesurenpakket in het middelbaar te verminderen tot – wait for it – 20 uur.
 
*** Dat het opvoeden van peuters misschien wel de moeilijkste discipline is, wil ik desnoods nog aanvaarden, maar het lijkt mij niet het soort ‘moeilijk’ dat je met een wetenschappelijke master te lijf gaat.


(Dit stukje verscheen ook op De Bron.)

zondag 15 januari 2017

Goed zo, mevrouw de minister

     Vrijdagavond ben ik met een bang hartje beginnen kijken naar het interview met Hilde Crevits* in Terzake. Het zou over de hervorming van het middelbaar onderwijs gaan. Allerlei belangrijke mensen zijn daar al tien jaar over aan het praten en wat je daarvan opving was meestal niet veel goeds. Wat zou het dus worden? Een redelijke vernieuwing om het niveau te verbeteren? Om de scholen wat meer bewegingsvrijheid te schenken? Om de ‘schotten’ tussen de onderwijsvormen weg te halen zodat leerlingen van tso kunnen doorschakelen naar aso, in plaats van alleen omgekeerd? Een regeling om het aantal studierichtingen in te perken zodat het geld kan worden besteed aan kwaliteit en algemene vorming? Misschien werd ook wat ruimte geschapen om extra Nederlandse lessen voor migrantenkinderen op touw te zetten? Daar kon ik allemaal achterstaan.
     Of zouden daarentegen de revolutionairen hun slag thuis halen, met hun afschaffing van aso, tso en bso, met hun gemeenschappelijke eerste graad en met hun verplichte ‘matrix-scholen’, ook wel ‘domeinscholen’ genoemd? Daar was ik wel bang van toen ik het programma begon te bekijken.
     Maar ik was bang geweest voor niks. De redelijken hadden het gehaald**. “Het is een akkoord,” zei Crevits al in de eerste minuut, “dat zeker niet de grote revolutie is … De goeie dingen, die behouden we … We willen geen tabula rasa in ons onderwijs.” Dat hoor ik graag. Crevits keerde zich verder in ronde woorden tegen de “eenheidsworst” in het eerste en tweede middelbaar. “Daar hebben we nooit voor gestaan,” zei ze, “dat willen we helemaal niet.” Ook dat hoor ik graag.
     Wat de hervorming wél doet, is in het eerste jaar een brede algemene vorming van 27 uur vastleggen, met voor alle kinderen dezelfde vakken, en met daarnaast een pakketje van 5 uur aangepaste lessen. Als je het verstandig aanlegt, is de  “eenheidsworst” daarmee inderdaad van de baan. Kinderen van wie in de lagere school al gebleken is dat ze een verschillende aanleg hebben om te leren, hoeven dus niet in dezelfde klas te worden samen gezet***. Die 5 uur ‘aangepaste lessen’ zijn voldoende om binnen het aso een Latijnse klas, een 'Stem'-klas en een ‘Moderne klas’ in te richten. Voor sommige tso-richtingen is het wellicht wat moeilijker om hun specialisatie in die 5 uur geperst te krijgen. Gelukkig zijn er vanaf het tweede jaar 7 uur aangepaste lessen en dan moet het wel lukken.
     Even belangrijk is dat de verplichte herstructurering in matrix-scholen wordt verlaten. Als ik het woord matrix in een bestuurlijk context hoor, zinkt de moed mij in de schoenen. Ik heb op mijn school ooit deelgenomen aan een reeks vergaderingen over de ‘vrije ruimte’ – die twee uurtjes in het vijfde en het zesde jaar die een school vrij kan invullen. Er kwamen enkele leuke voorstellen. Toen suggereerde iemand om die voorstellen in een matrix te plaatsen. Vanaf dat ogenblik heb ik niet meer opgelet en ik heb toen ook niks meer gezegd.
     Zo’n matrix is nuttig in de wetenschap. In de taalwetenschap kun je die bijvoorbeeld gebruiken om de medeklinkers overzichtelijk weer te geven.


      Dat is een prima schema waar ik me als Nederlandstalige prima mee kan behelpen. Alleen valt het op dat enkele vakjes leeg zijn, en omgekeerd dat enkele onzer medeklinkers in de matrix geen plaats hebben gevonden, zoals de m, l, n en de r – de medeklinkers in het woord ‘molenaar’. Laat je nu een bureaucraat op zo’n matrix los, dan zal hij wel even een paar nieuwe medeklinkers uitvinden om de lege vakjes te vullen, en een paar bestaande afschaffen waar geen goed plaatsje voor gevonden is. Bureaucraten zijn in wezen revolutionairen die de realiteit willen aanpassen aan hun matrix.
     Ook in het onderwijs zijn zulke bureaucraten werkzaam. Ze worden soms ‘de sector’ genoemd. Die sectormensen hebben jaren gewerkt om een mooie matrix op te zetten, die het theoretische aso, het praktische bso en het gemengde tso zou vervangen. Die matrix zou uit vijf belangstellingsdomeinen bestaan. Elke school zou aan dat matrix-model moeten meedoen, één of meer belangstellingsdomeinen aanbieden, en binnen dat domein drie verschillende niveaus inrichten, waartussen de leerlingen zich kunnen bewegen. Scholen zouden daarom moeten fuseren, activiteiten verhuizen, samenwerkingsverbanden aangaan en campussen oprichten. Er zou ook veel vergaderd worden.  


     Als ik eerlijk ben, heeft die matrixschool wel een voordeel. Het wordt voor leerlingen makkelijker om binnen dezelfde school van niveau te veranderen. Als je vaststelt dat de theoretische aanpak van je ‘belangstelling’ niks voor jou is, kun je overstappen naar de theoretisch-praktische richting. De kritische lezer vraagt nu: is dat niet het oude watervalsysteem dat men ten alle prijze wou vermijden? Welnee, en dat is juist het mooie. Het watervalsysteem was een overstap van aso naar tso of van tso naar bso, en aangezien die benamingen zijn afgeschaft kun je niet meer van een ‘waterval’ spreken. Het is nu een ‘doorstroming’ of een ‘doorschakeling’ geworden. Het is een geliefd tijdverdrijf onder bureaucraten om met woorden de werkelijkheid te bezweren.
     De matrix had vooral veel nadelen. De directeurs en directrices van horeca-scholen, sportscholen en tuinbouwscholen schrokken zich een ongeluk toen ze zagen dat er voor hun scholen in de matrix geen plaats was. Ze stuurden boze brieven naar de minister. Maar dat was niet het grootste nadeel. Het grootste nadeel was dat het aso in die ‘domeinen’ eigenlijk niets te zoeken had. Het aso in de vakjes van de matrix wringen, was volstrekt tegennatuurlijk. Het aso is immers, zoals de naam zegt, een algemeen onderwijs, dat voorbereidt op alle mogelijke richtingen van hoger onderwijs, en niet alleen op de richtingen binnen één ‘belangstellingsdomein’. Wie uit het aso komt, en voldoende aanleg en motivatie heeft, moet in alle richtingen terecht kunnen. Die aso-leerlingen hebben in de tweede en de derde graad doorgaans een studierichting gekozen zonder daarbij te denken aan een welbepaald beroep dat ze later willen uitvoeren. Ze wilden juist alle mogelijkheden openhouden. Vaak weten ze in het laatste jaar nog niet wat ze willen studeren.
     Neem een hogere studie zoals geneeskunde. Daarvoor moet je een ingangsexamen afleggen met veel wiskunde en wetenschappen. Kinderen die op hun zestiende zeker weten dat ze voor arts willen leren, kiezen daarom wel eens voor de richting Wetenschappen-Wiskunde. Maar ik heb ook leerlingen uit Latijn-Wiskunde, Latijn-Wetenschappen, Grieks-Latijn, Economie-Wiskunde en Techniek-Wetenschappen (tso) voor dat ingangsexamen weten slagen.

     Of neem de opleiding voor handelsingenieur. Volgens de theorie van de belangstellingsdomeinen zouden de kandidaten daarvoor moeten worden gezocht onder de leerlingen van Economie-Wiskunde of Economie-Moderne talen. In werkelijkheid komen die nogal eens uit Latijn-Wiskunde, Grieks-Wiskunde, Latijn-Wetenschappen en Wetenschappen-Wiskunde. Dat is het voordeel van een stevige algemene vorming – je kunt er alle richtingen mee uit.
     Het huidige akkoord maakt gelukkig korte metten met de uitwassen van het matrix-systeem.

(1)    Geen enkele school wordt verplicht in het matrix-systeem te stappen. Het snode plan van de vorige minister Pascal Smet om matrix-scholen financieel te belonen en niet-matrixscholen financieel te straffen gaat niet door. Elke school kan gewoon verdergaan met de richtingen die ze tot nu toe aanbood, ook al sneuvelen er wel een aantal richtingen.

(2)    Het volledige aso – toch 40 % van de leerlingen – wordt uit de matrix gelicht. Alle aso-richtingen blijven bestaan, behalve het weinig gevolgde Grieks-Wetenschappen. In de kranten werd dat niet goed uitgelegd. Het Nieuwsblad van zaterdag publiceert een verwarrende grafiek die de indruk geeft dat Latijn, Moderne Talen enzovoort in de matrix-structuur kunnen worden ondergebracht. Dat is niet zo.

(3)    Het aantal ‘belangstellingsdomeinen’ wordt van vijf naar acht gebracht. De matrix wordt op die manier aangepast aan de reëel bestaande tso- en bso-richtingen. Horeca-scholen, sportscholen en tuinbouwscholen krijgen hun plaatsje in het systeem. Ook hier kunnen scholen dus grotendeels verdergaan met hun bestaande aanbod, met wellicht een nauwere samenwerking tussen tso en bso.
 
     Als je alles samenlegt, krijgen de scholen met de huidige hervorming een grotere vrijheid dan voorheen. In de eerste graad kunnen ze 5 tot 7 uur vrij invullen. In de tweede en derde graad kunnen tso- en bso-scholen zelf kiezen of ze zich in een grotere domeinschool bundelen of niet. We mogen hopen dat die vrijheid, zoals elke vrijheid, verstandig zal worden gebruikt. Het zou bijvoorbeeld fijn zijn als scholen met veel migrantenkinderen hun 5 of 7 uur aangepaste lessen gebruiken om de leerlingen zo goed mogelijk Nederlands te leren. Dat wordt door het akkoord wel niet verplicht, maar zo dwaas zullen de schoolhoofden toch niet zijn, dat ze die kans laten liggen.
     Bestaat het gevaar niet dat de grote schoolrevolutie nu van onderuit wordt gevoerd? Revolutionairen die een veldslag verliezen willen wel eens tot de guerrilla overgaan. Georges Monard, wiens hand – ik had bijna geschreven ‘wiens grijnslachende hand’ –  we achter elk hervormingsplan van de laatste 35 jaar ontwaren, zegt in De Standaard: ‘Het is nu aan de scholen zelf om de hervorming in te vullen.’ Wellicht bedoelt hij zijn hervorming. Maar eigenlijk ben ik er redelijk gerust in. Ik geloof vast dat de meeste directies en schoolbesturen hun energie liever zullen wijden aan de kwaliteit van hun lessen dan aan zo’n matriciële structuurhervorming. Op dat plaatselijke niveau zal de folie des grandeurs heus wel minder ontwikkeld zijn dan in de Brusselse kringen.
      Resten nog de onderwijskoepels. Daar ben ik minder gerust in. Raymonda Verdyck van het Gemeenschapsonderwijs maakt zich zorgen dat “scholen die dat willen [kunnen] blijven werken zoals ze dat vandaag al doen.” Ze zegt het alsof ze spreekt over een pedofilieschandaal waar niemand iets aan doet.
     Er is een veelzeggende passage in het Terzake-interview van vrijdagavond. Op een bepaald ogenblik haalt Kathleen Cools een uitspraak van Lieven Boeve aan. De baas van het katholiek onderwijs had het akkoord onvoldoende ‘ambitieus’ gevonden. Crevits begint haar antwoord met ‘Ja, ik vind eigenlijk …’ En wat ze van Boeve vindt komen we niet te weten, want ze herpakt zich. In plaats van eens ferm haar mening te zeggen over directeur-generaal, legt ze uit hoe de vrijheid van onderwijs in Vlaanderen werkt: “Het akkoord dat wij gesloten hebben, geeft scholen de kans om zich te organiseren zoals ze dat willen. Als Lieven Boeve zegt: ‘Ik wil eigenlijk overal hetzelfde met mijn scholen,’ dan kan dat. Maar wij als overheid zullen dat niet opleggen, trouw aan de vrijheid van onderwijs.” Boeve en zijn scholen? Klonk de minister daar geïrriteerd?
     Kort samengevat: Crevits is voor een “variëteit van scholen”. Ze vindt dat scholen “in hun sterkte moeten worden gelaten”. Ze heeft er geen problemen met aparte aso-scholen. Ze vreest dat verplichte domeinscholen het moeilijker kunnen maken om dicht bij huis de best passende onderwijsvorm te vinden. En boven alles is ze tegen “eenheidsworst” – wat ze geloof ik drie keer herhaalt. Anderzijds, als Boeve met alle geweld  eenheidsworst wil, laat ze verstaan, dan moet hij dat maar uitvechten met ‘zijn’ scholen.
     Zou Boeve dat gevecht willen aangaan met ‘zijn’ scholen? Misschien. Maar tot nu toe wisten de Guimarstraathervormers zich altijd gesteund door de minister en de overheid. Dat is nu toch even anders.

_______


* Toen Hilde Crevits minister van Onderwijs werd, had ik er weinig vertrouwen in. Ondertussen heeft zij mij al meer dan één keer in positieve zin verrast (hier) en (hier).

** Dat is ook de mening van de onvermoeibare onderwijsspecialist Raf Feys (hier) en gewezen leraar Peter De Roover (hier)

***Over het aso-bso-tso heb ik al eens een stukje geschreven (hier)
 


 

woensdag 16 november 2016

Zwarte Piet en pikzwarte Frank


     Omdat mijn eigen baas, Lieven Boeve, het Pietenpact mee heeft ondertekend, heb ik de woordelijke tekst van het verdrag eens opgezocht, want de stijl zegt altijd wel iets over de steller. In dit geval moet er minstens een ambtenaar en een jolige oom bij de redactie betrokken zijn geweest. 
      “Het uitgangspunt is dat we Sinterklaas vieren zonder raciale stereotyperingen. Voor de rest is de invulling van het feest vrij: de Sint kiest lekker zelf* of hij zonder of met pieten - roetveegpieten, regenboogpieten, ongeschminkte pieten - jong en oud komt verblijden.”

     De lezer merkt dat hier een moeizaam compromis is bereikt. De radicaal-politiek-correcten, zoals professor Verene Shepherd van de Verenigde Naties, willen helemaal geen Piet, en eigenlijk ook geen Sint, en de behoudsgezinden willen het recht bewaren om Piet zijn gezicht helemaal zwart te schilderen, behalve het gebied om de lippen, dat helemaal rood wordt geschilderd. De middenweg is dan een roetveegpiet, op voorwaarde dat je hem geen roetmop** noemt, want dan zijn we even ver van huis. En nu is er zelfs een nieuw compromis: de initiatiefnemers hebben beloofd over Piet te zwijgen tot na 6 december. Dat mogen ze van mij nog iets langer doen.
     Alhoewel ik de politiek-correcten graag eens een tik uitdeel, laat de hele geschiedenis mij onberoerd. Ik deel ongeveer de mening van
Toon Hermans die ‘Snieklaas’ een ‘vervelend personage’ vond en die knecht van hem ‘een zak’ en ‘een idioot’. Als ik een bundel van Godfried Bomans ter hand neem, sla ik de stukjes over de Sinterklaas altijd over. En of Zwarte Piet wordt opgevoerd met dikke lippen of dunne lippen, dat houdt mij ook niet zo bezig. Ik heb zelf lippen van, ik zal niet zeggen het negroïde, maar dan toch van het wellustige type.
     Waar ik mij als leraar wel voor interesseer is de taalkundige kant van de zaak, want ook daar zijn de politiek-correcten lichtgeraakt. Is Zwarte Piet nu een schoorsteenveger of een … ja wat eigenlijk? Een neger? Een zwarte? Een ex-gekoloniseerde? Een medemens oorspronkelijk afkomstig uit Afrika? En zijn we dat laatste niet allemaal?
     Ik werd ooit getroffen door een lovend stuk van Karel van het Reve over de Surinaamse politicus Frank Essed (1919-1988). Die Essed, die door Van het Reve ongeneerd een bosneger werd genoemd, was een onvermoeibare bouwer geweest. Een paar keer minister, meestal tewerkgesteld als hoge ambtenaar, en altijd aan het bouwen: vliegvelden, wegen, waterkrachtcentrales, spoorwegen ... Daarbij was hij, naar het schijnt, onkreukbaar. Met de sergeantenrevolutie van 1980 werd hij gevangengenomen. Maar zelfs na drie jaar folteren en speuren kon men geen snippertje bewijs van corruptie vinden.
     Essed heeft als jonge man nog enige tijd in Nederland verbleven en heeft toen op Karel van het Reve een grote indruk gemaakt.
      “Hij was heel groot en heel dik,” schreef Van het Reve bij het overlijden van Essed.  “Maar hij was vooral verschrikkelijk zwart. Ik heb zelden zo’n pikzwarte neger gezien. Hij lachte graag, en omdat hij zo groot en dik was schudde het hele huis wanneer hij lachte. Hij was een bosneger en groeide op in een bosnegerdorpje aan zo’n Surinaamse rivier. Veel scholen schijnen er daar in de buurt niet geweest te zijn, maar als je daar aanleg voor hebt kun je ook lezen en schrijven leren uit een oude krant of uit oud verpakkingsmateriaal.”
     Daarna legt Van het Reve nauwgezet uit hoe Essed een middelbare schoolopleiding volgde met een schriftelijke cursus waarvan de afleveringen per boot werden bezorgd. Die afleveringen kwamen soms maanden te laat, waardoor de opleiding telkens onderbroken werd. “Maar,” voegt Karel eraan toe, bosneger of niet,“als je goed kunt leren doet het er niet veel toe wat voor opleiding je volgt.***”
     Essed ging tenslotte studeren in Nederland en behaalde daar twee academische titels - die van ingenieur en die van doctor in de wis- en natuurkunde. In Paramaribo is een voetbalstadion naar hem genoemd, het Dr. Ir. F. Essed Stadion. Ga daar maar eens tegenaan staan Piet!
 
     Postscriptum
     Ik kreeg van Facebookvrienden twee anekdotes cadeau.
     Dokter  Jan van Duppen schreef hoe hij ooit van een Surinaamse bosneger uitleg kreeg over het raciale vraagstuk in zijn land: “‘Zeg nou zelf, doc,” zei die man, “wat een oetlul moet je toch zijn om bij die Hollandse slavendrijvers aan de kust te blijven zitten en niet het bos in te vluchten. Strandnegers, dat zijn pas echte sukkels.”
     Simon Gelten schreef hoe hij in zijn studietijd bevriend was met een jongen van de Nederlandse Antillen. “We volgden verschillende studies maar woonden in de zelfde studentenflat, hielden beiden van voetbal, film en mooie vrouwen. Hij was erg zwart, maar dat was niet zo'n geweldig probleem, want racisme was in die tijd geen issue, nette mensen deden daar niet aan en je hoorde er ook niet zo veel over, een enkele keer bij Sonja (Barend), maar dat was al. Maar Surinamers en Antillianen mochten elkaar niet. Ik herinner me dat hij door Surinamers (of andere Antillianen die lichter van kleur waren) weleens ‘bosneger’ werd genoemd.
    
Een derde Facebookvriend, Mark de Mey, schreef al eerder een mooie blogpost over de kwestie hoe een zwarte medemens benoemd best benoemd wordt.

__________

* Politiek-correcte organisaties zouden beter voorzichtig zijn als ze iemand toelaten ‘lekker zelf te kiezen’, al is het dan de Sint. Je weet waar je begint, maar je weet niet waar je eindigt.
**‘Roetmop’ zou anders een mooie compromis-naam voor Piet kunnen zijn want het woord betekent volgens encyclo.nl zowel ‘nikker’ als ‘schoorsteenveger’.
*** Het stuk van Karel van het Reve is afgedrukt in de bundel Luisteraars en in het zevende deel van het Verzameld Werk.