Posts tonen met het label P.C. Paardekooper. Alle posts tonen
Posts tonen met het label P.C. Paardekooper. Alle posts tonen

dinsdag 6 december 2022

ABN – Enkele slotnotities (deel 2)

 


Taalconservatisme. Er zal in taal, zoals in andere domeinen van het leven, altijd een behoefte aan modes en niches bestaan. In Het Nieuwsblad van vandaag lees ik over nieuwe tienerwoorden zoals slay, smash, aina, kaulo en skeer. Alleen het woord gast dat Het Nieuwsblad omschrijft als aanspreking en stopwoord komt mij bekend voor omdat mijn zoon het al bijna 20 jaar gebruikt. Die modes bestonden vroeger ook. In de tijd van Aagje Wolff en Betje Deken ging men bijvoorbeeld erg ver met verkleinnaampjes: Saartje, Naatje, Letje, Cootje … Zelf heb ik heb van die vier alleen ooit met Saartje te maken gehad, een meisje dat van haar achternaam Van de Vondel heette, zonder gekheid.  
Of taalmodes doorbreken, en of taalniches zich uitbreiden, hangt van veel omstandigheden af, en niet in het minst van het laatste carré van de taalconservatieven. Die laatsten hebben een geduchte bondgenoot in de geschreven en gedrukte taal. De audiovisuele media zijn als medestander minder betrouwbaar.

Standaardtaal in het hele taalgebied’. In plaats van het krachtige letterwoord ABN is de huidige taalzuiveringsformule ‘standaardtaal in het hele taalgebied’. Je zou het kunnen afkorten tot STIHHG. Helemaal correct is de omschrijving trouwens niet. Want kun je woorden als kwark, jam, fauteuil en vruchtensap aan het hele taalgebied toeschrijven als tachtig procent van de Nederlanders en vijf procent van de Vlamingen ze gebruiken.

‘Standaardtaal in België’. De formule ‘standaardtaal in België’ is nog veel problematischer. Om te beginnen zouden ze ‘België’ stilletjesaan door ‘Vlaanderen’ mogen vervangen. Vervolgens zijn de criteria voor de categorie ‘Belgische standaardtaal’ eigenaardig. Het moet gaan om woorden of uitdrukkingen die in heel België-dat-wil-zeggen-Vlaanderen gebruikt worden en die voor Belgische standaardtaalgebruikers aanvaardbaar zijn. Die laatste voorwaarde vind ik dubbelzinnig. Wat is een Belgische standaardtaalgebruiker? Is dat iemand die keurig spreekt maar toch ‘zetel’ zegt als hij een confortabel zitmeubel bedoelt? Dan kun je je afvragen hoeveel zetels hij mag zeggen vooraleer hij zijn statuut als standaardspreker verliest. Of bedoelt men een Vlaming die weliswaar zelf fauteuil en bank zegt, maar die zetel toch aanvaardbaar vindt? Dat is een rare Vlaming.

Standaardtaal in België (2). De lezer zal begrijpen dat het niet mijn bedoeling is om woorden als rijkswachter en schepen te vervangen door marechaussee en wethouder

Grijze zone. Een nadeel van het begrip ‘Standaardtaal in België’ is dat ze vanuit normatief standpunt een grijze zone creëert. Het doet mij denken aan de goede oude tijd van de ‘voorkeurspelling’, met daarnaast de ‘toegelaten spelling’. Ik heb veel sympathie voor de tolerantiegedachte die erachter stak. Maar pedagogisch was het een ramp. Die grijze zone heeft mijn woordbeeld voor altijd verknoeid. Iets gelijkaardigs maak ik nu mee met de Standaartaalkwestie. Stel ik aan Taaladvies.net de vraag: ‘Is beter correct gebruikt in een zin als: Jullie komen beter met de bus?’ Antwoord: Ja, een dergelijk zin is standaardtaal in België. Standaardtaal in het hele taalgebied is: Jullie kunnen beter met de bus komen.’ Zo’n verwarrend antwoord heb ik in de klas altijd proberen te vermijden.

Tolerantie. Taalzuiveraars en taalleraren moeten slim te werk gaan. Ze mogen niet overdrijven. Het heeft geen zin om te oreren dat luidop en nonkel ‘fout’ zijn. Dat eerste is onbelangrijk en het tweede weet iedereen. Het is voldoende om de grootste en meest voorkomende euvels aan te pakken volgens het ‘zeg niet / zeg wel’-beginsel en verder zelf altijd hardop en oom te gebruiken. De grijze zone kan helpen om de lijst van aandachtspunten minder overladen te maken. De lijst van Paardekoopers ABN-gids bevat, schat ik, meer dan achtduizend woorden of uitdrukkingen die ik als Vlaming moet proberen te vermijden. Dat is véél. Gelukkig staan daar heel veel woorden of uitdrukkingen bij waar ik nog nooit van gehoord heb.

Taalonzekerheid. Professor Taeldeman heeft vastgesteld dat de ABN-acties van de jaren zestig hebben geleid tot taalonzekerheid bij veel Vlamingen. Hij heeft gelijk. Als ik een stukje schrijf, ben ik heel onzeker. Ik vraag mij minstens twintig keer af of ik een woord dat ik wil gebruiken ooit bij Bomans of Karel van het Reve gelezen heb. Ik zoek minstens tien keer op of een bepaald woord ook voorkomt de NRC of de Volkskrant, dan wel alleen in de Vlaamse gazetten.  Zonder die onzekerheid zouden er veel meer Schoon Vlaamse woordekes in mijn stukjes staan.

De oo-eu-klank. Met mijn g/h-probleem, mijn slecht gearticuleerde ‘r’ en ‘s’ , mijn ingeslikte doffe ‘e’ en mijn matig gediftongeerde ‘ei’ en ‘ui’ kan ik beter niet te hoog van de toren blazen. Ik was als leraar ook heel tolerant voor leerlingen die zeiden: het Spaonse graon heeft de orkoan doorstaon. Ik werd alleen ongelukkig van een oo-klank die als een halve eu-klank werd uitgesproken. Vroeger kende ik die alleen van Brigitte Raskin op de radio, maar nu ik zelf in buurt van Aarschot en Leuven woon, hoor ik die ook van echte mensen. Ik heb laatst een paar Youtube filmpjes van Raskin beluisterd en ik was aangenaam verrast dat ze zo weinig oo-woorden gebruikte. Maar als ze ze gebruikte, sneed het door mijn ziel. Deur mijn ziel, zou Brigitte zeggen. 

vrijdag 2 december 2022

ABN - enkele slotnotities (deel 1)


Politici.
 Vlaamse politici zullen hun populair imago niet verknoeien door keurig Nederlands te praten. Wilfried Martens probeerde dat nog, maar zijn opvolger Jean-Luc De Haene ging meteen de andere kant uit. De laatste politicus die nog bewuste pogingen deed in de richting van keurig Nederlands was Johan Vande Lanotte, met zijn pijnlijke ‘ch’ waarmee hij zijn West-Vlaamse tongval trachtte te camoufleren. Ook bij mij klinkt de ‘g’ vaak als een ‘ch’ – als ik mijn best doe.

Bekakt. In mijn eerdere stukje over bekakt praten, heb ik vooral aandacht besteed aan de onnatuurlijke krampachtigheid van onervaren ABN-sprekers die daardoor een bekakte indruk maken. Maar er zijn wel meer oorzaken waarom wij Vlamingen iets bekakt vinden klinken: een hekel aan Hollanders, een hekel aan Stefan Hermans, een hekel aan chique dames en heren die denken dat ze beter zijn dan wij. Mijn Facebookvriend Jan-Paul van Spaendonck vindt de taal van de vroege Boudewijn de Groot, met die eind-n aan leven en geven, ‘bekakt’ omdat diens Haarlems deed denken aan dat van ‘hoogwaardigheidsbekleders’. Van hén kon je niet zeggen dat ze bekakt overkwamen. Ze wáren het. Maar een Vlaamse ABN-minnaar zal de taal van Boudewijn de Groot nooit in dat verband zien. Bekaktheid, als ik het zo mag zeggen, is in the ear of the beholder.

Sturen. Taalsociologen beweren dat je taal niet kunt sturen.  Ze hebben gelijk. De mensen zullen uiteindelijk praten zoals ze willen. Maar je kunt wel een beetje sturen. De vraag is: in welke richting?

Schakelen. Mijn bezwaar tegen tussentaal náást ABN is dat taalgebruikers dan moeten schakelen tussen de twee, en dat het ABN-register daardoor onnatuurlijk gaat klinken en door fouten wordt ontsierd. Dat geldt wellicht niet voor iemand ‘met aanleg voor talen’. Mijn ex-collega Martine V. werd eerst opgevoed in het ABN, thuis en op school, en maakte zich later tussentaal eigen. Ze kan vlot schakelen tussen de twee. Maar mijn ex-collega heeft dan ook veel aanleg voor talen.

Formeel / informeel. Elke taalgebruiker heeft nood aan een formele en informele variant. In sommige gebieden fungeert dialect of tussentaal als informele variant en ABN als formele variant. Maar dat is geen noodzakelijke rolverdeling. Inwoners van Haarlem of van Tours hebben evengoed een informele variant van Nederlands of Frans zonder dat ze daarvoor de standaardtaal moeten verlaten.

Taalexpert. Als je op Facebook een stukje plaatst over taal, mag je een groot aantal reacties verwachten. Iedereen heeft een mening, en iedereen is expert. En in zekere zin is iedereen ook werkelijk expert. Volgens de 10.000-urenregel van Malcolm Gladwell bereik je expertise in om het even wat -programmeren, muzikale optredens, enzovoort - na 10.000 uren oefening. Het werkte voor Bill Gates en het werkte voor The Beatles. Met spreken, luisteren, lezen en schrijven kom je gemakkelijk aan je 10.000 uren vóór je tiende levensjaar. 

Klasseloze taal. Het oude ideaal van een ‘algemeen beschaafde’ taal was het onhoorbaar maken van het  de regionale afkomst van de spreker kon raden. Dat was onrealistisch. Zelfs Paardekooper gaf toe dat kleine regionale uitspraakverschillen onvermijdelijk waren. Belangrijker echter is dat men de sociale afkomst van de spreker onhoorbaar zou kunnen maken. Ik heb ooit twee maanden les gevolgd aan een school in Salamanca. Ik was aangenaam verrast dat de professoren in de aula en en het bedieningspersoneel in de kantine dezelfde taal spraken. Kleine verschillen zal ik als andertstalige ongetwijfeld niet hebben opgemerkt, maar klein waren die verschillen zeker.

Taalvariatie en taalrijkdom. Het verdwijnen van dialecten betekent ontegenzeggelijk een verlies, maar eerder voor de taalliefhebber dan voor de taalgebruiker. Veel dialectsprekers merkten niets van de rijkdom van hun taal. Wat heb je aan honderd dialecten als je er maar één hoort en spreekt? Slechts uitzonderlijk kon de dialectspreker van zijn eigen dialect genieten, als het om recente producten van eigen bodem ging. Van iets wat snel vooruitging zei men in Wevelgem dat het ‘ging als Buysses sjeeze’.  Dat was leuk om te zeggen als je je die buitengewoon snelle kar van de familie Buysse dagelijks voorbij zag flitsen.

De beste auteurs. De klassieke taalkundigen leidden de norm niet af uit de logica, maar uit het taalgebruik van de beste auteurs. De Zwitserse grammaticus Grevisse noemde dat Le bon usage en dat werd ook de titel van zijn standaardwerk. Mijn professor Spaans Josse De Kock – was hij niet getrouwd met de kleindochter van Unamuno? – vond dat je die taal moest zoeken in essays. Dat is geen slechte methode. Je kunt de zeven dikke delen essays van Karel van het Reve lezen en daar misschien hoogstens tien woorden in aantreffen die ‘Hollands’ zijn. Bij romans moet je oppassen met de ‘platte’ auteurs als Jan Cremer, want bij die struikel je op elke bladzijde meerdere keren over kiene gozers en klerelijers die goed in de slappe was zitten en beter kennen opsodemieteren.

woensdag 30 november 2022

De taalkunde en het ABN

 




   Het is een grote fout om in de ABN-discussie argumenten uit de taalkunde aan te halen. De moderne taalkunde beschrijft en kan dus, ipso facto, niet voorschrijven wat correct of fout is. Voor de taalkunde is elk dialect een taal, en is het volkomen misplaatst om het Werviks en het Lubbeeks niet, en het Fries en het Gallicischwel bij de talen te rekenen. Je kunt verwijzen naar de officiële beslissingen van de Nederlandse staat of Spaanse staat, die het Fries en het Gallicische erkennen als officiële talen in Friesland en Galicië, ik bedoel in Fryslân en Galiza, maar de lezer zal begrijpen dat taalbeleid van de overheid enerzijds en taalkunde anderzijds twee verschillende dingen zijn.    
     Taalkundigen die zich met ABN hebben beziggehouden, kwamen door die stand van zaken wel eens in de moeilijkheden. Ze deden hun best om het ABN in Vlaanderen uit te dragen, maar maakten de fout om niet tijdig uit hun rol van taalkundige te stappen. Als ze een vraag kregen waarom een of andere woord geen goed Nederlands was, durfden ze niet kordaat te antwoorden met ‘daarom’ of ‘omdat ik het zeg.’ Ze durfden niet eens meer het Noord-Nederlandse gebruik aan te halen, zoals Professor Paardekooper deed. Ze wisten immers dat er geen enkel taalkundig argument bestond waarom die Noord-Nederlandse norm moest worden verkozen boven die van enig ander dialect of enige andere tussentaal*.
     Sommige taalkundigen probeerden zich achter drogredenen te verbergen. Een uitdrukking was bijvoorbeeld fout omdat ze uit het Frans was overgenomen, en dus een ‘gallicisme’ was. Je mocht niet zeggen dat iets een ander paar mouwen was omdát het een vertaling was van het Franse une autre paire de manches. Maar dan moest men enkele ogenblikken later vertellen dat voetpad fout was en trottoir correct. Dat was dus duidelijk onzin. Woorden of uitdrukkingen zijn niet goed of fout omdát ze uit het Frans kwamen, ze zijn goed als ze in het Noord-Nederlands waren overgenomen en ze zijn fout als ze alleen in het Vlaams waren overgenomen. Garage is goed, en chauffage is fout. Zo onrechtvaardig is het. Mensen als Taeldeman* begrepen dat, en het maakte hun positie nog delicater.
      Andere taalkundigen beweerden dat ‘tussentaal’, ‘Verkavelingsvlaams’ enzovoort vermeden diende te worden omdat het om een kunstmatig gedrocht ging, het lelijke kind van twee mooie, spontaan gegroeide talen, zijnde authentiek Nederlands en authentiek dialect. Maar ook was de conclusie juist maar hield het argument geen steek. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat het Nederlands van boven de Moerdijk op een spontanere manier gegroeid is dan de Vlaamse tussentaal, die goeddeels ontstond als een spontane fatsoenering van het Brabants, dat zich daarna even spontaan over de rest van Vlaanderen ging verspreiden. Ook deze redenering van ‘kunstmatigheid werd door professor Taeldeman terecht verworpen.
     Zelf haalde Taeldeman er in zijn lovenswaardige strijd tegen de tussentaal de generatieve grammatica van Chomsky bij. Die benaderde taal  als een module in de hersenen, een module die op heel jonge leeftijd moest worden gestimuleerd door taalimpulsen vanuit de omgeving. Maar door de tussentaal, zei Taeldeman, werden de impulsen ‘schraler’. De dialecten verdwenen, het ABN verdween, en wat overbleef was het Algemeen Brabants. In plaats van een ‘binnentalige meertaligheid’ (streekdialect – ABN) kwam een ‘monolinguaal systeem’ tot stand dat Vlaamse kinderen onvoldoende en slechts eenzijdig stimuleerde bij hun taalontwikkeling**.
     Dit is een zwak argument, want een beetje verder in zijn tekst noemt Taeldeman het ‘dialectverlies’ onomkeerbaar. Met dat dialect moeten we dus geen rekening houden. Dan doen zich nog drie mogelijkheden voor: een eentaligheid met Schoon Vlaams, een eentaligheid met ABN, en een tweetaligheid met Schoon Vlaams én ABN. Volgens zijn eigen argumentatie zou Taeldeman er dus de voorkeur aan moeten geven dat jongere kinderen opgroeien in een milieu waar twee talen worden gebruikt: een formeel ABN en een informeel Schoon Vlaams. Maar dat is natuurlijk niet wat hij wil. Wat hij wil is, terecht, dat het ABN ook in het informele register een kans krijgt, ‘zodat we het niet meer hoeven te spreken met toegeknepen billen.’ Ja, dat vind ik ook. Maar dan groeit het kind wel op in een monolinguaal systeem, iets wat Taeldeman wou vermijden. ’t Is kiezen of delen.
     Kijk, het is iets wat ik af en toe graag doe, argumenten ondermijnen die nochtans pleiten voor de zaak – in casu het ABN – die ik goedgezind ben. 

 

* Zie onder andere hier en hier.

** Let wel dat het Chomskyaanse redenering alleen opgaat voor de allereerste kinderjaren. In die periode zullen de taalimpulsen worden gegeven in het ouderlijke huis, de kindercrèche en de kleuterschool. Eén- of tweetaligheid speelt daarbij geen grote rol, wel de rijkdom, variatie, gepastheid en duidelijkheid van de impulsen. Al die eigenschappen kunnen evengoed verzekerd worden binnen alleen dialect, of alleen ABN, of alleen tussentaal. 

maandag 30 april 2018

Argumenteren over Latijn en Grieks

Lieven Scheire en Tom Naegels spraken zich op de sociale
media uit tegen Latijn en Grieks
     Mijn zoon is een fan van Lieven Scheire. Toen Lieven enkele jaren geleden op Twitter stelling nam tegen Latijn en Grieks in het middelbaar, heeft hij boos teruggetwitterd. Nu neemt Tom Naegels op Facebook afstand van de klassieke talen. Maar op Tom kun je moeilijk boos zijn. ’t Ligt ook allemaal erg ingewikkeld.
     Verdedigers van Grieks en Latijn als schoolvakken, zouden het beter meteen toegeven: ze hebben geen doorslaggevende bewijsvoering. Er zijn nochtans redelijke argumenten genoeg. Ik noem er enkele. Latijn en Grieks zijn vakken die de leerlingen zelf gekozen hebben en graag doen. Ze zitten samen met klasgenootjes die ook aardigheid in studeren hebben. Dagelijks woordjes leren, traint hun geheugen en brengt hen studiediscipline bij. Hun intellect wordt gestimuleerd door het lezen van moeilijke teksten. Ze krijgen dieper inzicht in grammatica. Hun schrijfvaardigheid neemt toe. Ze leren retorische trucjes doorzien ... en gebruiken. Ze maken kennis met geïnspireerde dichters, interessante filosofen en kritische geschiedschrijvers. Ze kunnen met hun Latijn sneller vorderingen maken in Frans, Spaans en Italiaans. Ze pikken iets op over oude rechtssystemen. Ze behalen de beste cijfers in het hoger onderwijs. En tenslotte, ze komen in aanraking met de Grondslagen van onze Beschaving.
     Tegen al die argumenten valt ook iets in te brengen. In de eerste jaren komen in de Latijnse klas ook heel wat kinderen die het vak bij nader inzien niet graag doen. Ook in niet-Latijnse klassen zitten leerlingen die graag leren. Je geheugen kun je ook anders trainen dan met woordjes leren. Inzicht in de grammatica moet in de Nederlandse les worden aangebracht. Je kunt ook in moderne talen moeilijke teksten leren lezen. Schrijfvaardigheid verwerf je vooral door goede teksten in de moedertaal te lezen en te herlezen. Retorische trucjes kun je illustreren met gelijk welk debatprogramma op de televisie. Je leert sneller Frans, Spaans en Italiaans door meteen Frans, Spaans en Italiaans te leren. De meest gelezen auteur van het curriculum, Julius Caesar, was noch een dichter, noch een filosoof, noch een kritische geschiedschrijver. En die oude dichters, filosofen en geschiedschrijvers kun je evengoed in een vertaling lezen. Een inleiding in het Belgische recht, is nuttiger dan een in het Romeinse recht. Die beste cijfers in het hoger onderwijs zouden diezelfde leerlingen anders ook behaald hebben. En voor de Grondslagen van onze Cultuur kunnen we zover teruggaan in de tijd als maar mogelijk is, of omgekeerd, zo dicht mogelijk bij onze eigen tijd blijven als we maar willen. In plaats van Vergilius kunnen we net zo goed Dante lezen, of, om bij de Engelsen te blijven: Chaucer, Shakespeare, Milton, Pope, Byron en Joyce. En Cicero kunnen we vervangen door Hobbes, Locke, Montesquieu, Voltaire, Schopenhauer en Popper.*
     De aandachtige lezer zal opgemerkt hebben dat zowel de argumenten als de tegenargumenten enig hout snijden. Maar als argument én tegenargument juist zijn, wordt het een moeilijke zaak. In plaats van pure logica te hanteren, moet je gaan afwegen, en bij dat afwegen laat je je meestal leiden door twijfelachtige intuïties en emoties. De ene wil een mooie traditie niet verloren zien gaan. Dat heb ík een beetje. Mijn vader is Latijnse begonnen in 1936, ikzelf in 1967 en mijn zoon in 2006. ‘Zo is het goed, zo moet het zijn,’ dichtte Jan van Nijlen.
     Maar sommige ouders van vandaag willen het roer omgooien. Het oude gebruik waarbij de leerlingen met de beste punten vanzelf in de Latijnse klas terechtkwamen, zegt hen niets. Ze willen niet meewerken aan de instandhouding van een ‘elitaire prestigemodel’. Ze vergelijken programma’s en lessentabellen, bespreken de kwestie uitvoerig met zoon- of dochterlief, vragen of die geïnteresseerd zijn in de nominatieven, accusatieven en de conjunctieven, en verwerpen ten slotte de Latijnse keuze als irrationeel. Als ze een slecht karakter hebben, houden ze ook af en toe een pleidooi tégen Latijn.
     Waar logica en emoties niet helpen, rest bezinning. Je haalt er je persoonlijke ervaringen bij. Mijn eigen klassieke studies heb ik vijfenveertig jaar geleden afgesloten, zoals je zelf kunt uitrekenen met bovenvermelde aanvangsdatum. Mijn herinneringen daaraan zullen dus niet erg betrouwbaar zijn. Eén zaak is duidelijk als ik op de onderstrepingen in mijn oude Geerebaert afga: de onregelmatige werkwoorden heb ik véle keren herhaald.
      Van Jan zijn studies herinner ik mij meer. Het komt hierop neer dat hij in de eerste vier jaar van het middelbaar eigenlijk alleen voor Latijn en Grieks echt moest léren.** Voor andere vakken, kreeg hij ‘taken’. Ik zeg dat nu een beetje grof, want bij toetsen en examens moest hij natuurlijk ook voor de andere vakken wel eens een boek openslaan, maar door de week ging het toch vooral om Latijn en Grieks. Zijn beste vriend gaf na één jaar zijn Grieks op met de woorden: ‘Twee talen is te veel.’ Nu werd dat vanaf het vijfde jaar wel anders. Jan koos toen – ‘met het oog op de toekomst’ – Grieks-Wiskunde. Daardoor viel het Latijn alvast weg. En in de latere jaren bouwt Grieks verder op de soliede grammaticale kennis van de eerste vier jaar. Er treedt een zekere ontspanning op. Tijdens de dagelijkse rit van en naar de voetbaltraining werden minder verbuigingen, vervoegingen en stamtijden ingeoefend. Die waren nu wel gekend. En dat was niet eens het belangrijkste. Het belangrijkste was dat wiskunde, fysica, chemie en biologie zoetjesaan ernstige vakken geworden waren die het inzicht van een zestienjarige stevig op de proef stelden. Daar ging de meeste energie voortaan naartoe.
     Genoeg bezinning voor vandaag; laten we terugkeren naar de argumentatie. Als je de pleidooien tégen klassieke-talenonderwijs nader bekijkt, zie je dat er drie hoofdargumenten zijn: die talen zijn nutteloos; door die talen eruit te gooien maak je ruimte voor andere vakken; en, wat je met die talen bereikt, kun je ook en beter met een ander vak bereiken. Dat eerste argument is grotendeels juist.*** Latijn en Grieks zijn nutteloos in die zin dat je die talen niet kunt gebruiken om in het buitenland koffiekoeken te bestellen. Als je naar Rome wil, leer je beter Italiaans en als je naar Griekenland wil, Nieuwgrieks dat, geloof ik, met Oudgrieks vooral de lettertekens gemeen heeft. Ook zullen de meeste leerlingen na hun middelbaar geen Latijnse of Griekse teksten meer lezen, behalve misschien opschriften in kerken en oude gebouwen.
     Het tweede argument lijkt mij heel wat minder soliede. Men wil de klassieke talen eruit gooien om plaats te maken voor andere vakken zoals economie, filosofie, sociologie, logica, esthetica, informatica, technologie, muziek, sport. Zo hebben we allemaal wel een stokpaardje. Zelf vind ik, op goede gronden natuurlijk, dat er in het middelbaar veel meer statistiek moet worden gegeven. Maar ik wil de onderwijswereld niet omgooien vanwege mijn idée fixe, en zou het fijn vinden als anderen dat ook niet doen.  Daar komt nog iets bij. Op sommige vakken staat een leeftijd, en op andere vakken minder. Muziek en talen begin je best jong, maar inzichtelijke vakken kun je toch pas vanaf vanaf vijftien of zestien jaar aanleren. Dat geldt voor échte wiskunde en échte wetenschappen, maar ook voor de vakken waarvoor men Latijn en Grieks wil inruilen: filosofie, economie, sociologie, logica. Die vakken zijn eigenlijk niet geschikt zijn voor de eerste twee jaar van het middelbaar onderwijs, en amper geschikt voor de twee volgende jaren. Als je die vakken te vroeg aanvat, verzand je in een uit het hoofd leren van losse feitjes en bezigheidstherapie, in afwachting van het echte werk. Het wordt iets van het niveau van postzegels verzamelen en kastelen bouwen in de zandbak. Latijn en Grieks en ook Nederlands zijn daarentegen vakken waarvan je de diepgang soepel kunt aanpassen aan de leeftijd van je doelgroep, of die nu twaalf of achttien jaar is.
     Dat je ten slotte de gunstige leereffecten van Latijn en Grieks ook en beter kunt bereiken met andere vakken en methoden, vind ik heel aanvechtbaar. Je zou natuurlijk best de klassieke talen kunnen vervangen door bijvoorbeeld een vak ‘Antieke Cultuur’. En je zou in dat vak de integrale oude teksten kunnen lezen in een moderne vertaling, in plaats van fragmentjes in het origineel. Meer nog: dat vak heeft geloof ik bestaan en werd algemeen ‘antieke kul’ genoemd, want in die tijd mocht ‘cultuur’ nog met een ‘k’ gespeld worden. Ik heb nooit van een leerling gehoord die het als zijn lievelingsvak had. En dat men er integrale teksten las, zou me erg verbazen. Het is net omgekeerd. Die integrale teksten hoorden net bij de klassieke taallessen. In de klas lazen we fragmentjes van de Aeneis ‘dans le texte’, en thuis lazen we de integrale vertaling van De Wilderode. In de Griekse les lazen we fragmenten uit Antigone, en thuis lazen we de integrale Franse bewerking van Anouilh. En dan moesten we ook nog eens op een woensdag- en een zondag-avond de verfilming van Oedipus Koning en Electra komen bekijken. En zoiets gebeurt vandaag nog altijd. Jan is met zijn klas vijf avonden op rij gaan luisteren naar de integrale voordracht van de Illias. Kom daar maar eens om in een vak als ‘antieke kul’.
     Het grammaticale inzicht dat klassieke talen bijbrengen is nog zoiets. Wie in het middelbaar talen onderwijst, weet dat veel leerlingen vandaag de eenvoudigste spraakkundige begrippen niet meer kennen. Het is dan erg moeilijk om aan zo’n leerling het gebruik van bijvoorbeeld de leestekens uit te leggen, want daarvoor moet je een beetje weten wat een zin is, en hoe die in elkaar steekt. Hier is natuurlijk iets fout gelopen in het lager onderwijs. Toen ik naar school ging, leerden we de eenvoudige begrippen (onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp) vanaf het derde leerjaar. In de eerste jaren van het middelbaar kregen we dan in het vak Nederlands de syntactische ontleding van lange, samengestelde zinnen, volgens het systeem van Paardekooper. Dat waren veruit de saaiste lessen die ik ooit heb gehad. In dezelfde jaren deden we aan zinsontleding in de Latijnse les. Die zinnen waren ook samengesteld en lang, langer zelfs dan die van Paardekooper, maar de ontleding had iets frivools. Het was als werken aan een puzzel. En aan het einde werd je beloond, want je begreep de zin. Bij Paardekooper was er geen beloning, want je had de zin al begrepen vóór je aan de grammaticale ontleding begon. Waarom nog ontleden, vraagt een veertienjarige leerling zich dan af.
     Een nieuw argument tegen Latijn was voor mij dat van Tom Naegels. Hij heeft zijn zoon, waarvoor hij niet is gaan kamperen aan de schoolpoort, uiteindelijk ook niet ingeschreven in de Latijnse, hoewel dat nog kan veranderen als hij mijn blog leest. Tom is vooral verwonderd over het gewicht van het vak. ‘Kinderen kunnen kiezen,’ schrijft hij, ‘voor een module van vier uur waarin ze allerlei interessante vakken krijgen: economie en wetenschappen en kunst en techniek, afwisselend en concreet bruikbaar en rijk en uitdagend. Of ze kunnen kiezen voor vier uur Latijn. Niks anders. Gewoon Latijn. Woordjes blokken en naamvallen van buiten leren.**** Stel je voor dat je in het eerste middelbaar kon kiezen tussen een blok met economie, wetenschap, kunst, talen, etc. ofwel een blok met vier uur chemie.’
     Ik heb hier wel wat tegen in te brengen. Ten eerste is vier uur Latijn in het eerste jaar veel te weinig. Wij kregen negen uur Latijn. Gelukkig is de didactiek van het Latijn ondertussen verbeterd – net zoals die van wiskunde verbeterd is, en die van modern talen verslechterd – zodat de leerlingen op het einde van het derde jaar toch al kleine stukjes Caesar kunnen lezen. Ten tweede: het is niet omdat iets op papier interessant en concreet en bruikbaar en rijk en uitdagend is, dat die eigenschappen zich ook in het klaslokaal zullen manifesteren. En ten derde: met de keuze tussen vier uur chemie of vier uur van alles en nog wat, zou ik, na enig aarzelen, toch voor de chemie kiezen. Chemie is geen vak voor twaalfjarigen, vind ik, maar als men het goed aanpakt, het leerplan laat uitwerken door serieuze mensen, twintig jaar experimenteert en bijschaaft, dan kan men misschien een redelijke didactiek ontwikkelen voor het eerste jaar middelbaar. In een parodie op de Latijnverdedigers schrijft Tom: ‘Chemie is vast heel erg interessant, en je kan er vast een redenering rond opbouwen die aantoont dat je zonder chemie, geen echt beschaafd persoon kunt zijn. Dat ontleden van die moleculen, dat leert je analytisch denken ... Die tabel van Mendljev, die traint je geheugen... Het hele leven bestaat uiteindelijk uit chemische bouwstenen ...’ ’t Is geloof ik als reductio ad absurdum bedoeld, maar bij mij slaat de argumentatie aan. Als vier uur Latijn echt niet kan, geef mij dan maar vier uur chemie. Maar bespaar de kinderen die vier uur van alles en nog wat.

 
* Een van mijn redenen om vast te houden aan het Latijn is dat, als Vergilius en Cicero ooit verdwijnen uit de klas, dat ze dan niet zullen worden vervangen door Dante, Chaucer, Voltaire en Popper. De lezer kan zelf best raden welk soort ‘actuele’ teksten er dan wel in de plaats zouden komen.

** Professor Wouter Duyck zegt daarover in De Standaard van 2 mei: ‘Het grootste geheim van de klassieke talen bestaat erin dat zij als een van de weinige richtingen zijn ontsnapt aan de teloorgang van de hoge verwachtigen en doelstellingen die ons onderwijs aan leerlingen oplegt. In Latijn wordt de lat nog hoog gelegd.’ Dat geldt zeker voor de eerste vier jaar.

*** Als men dat argument – dat Latijn en Grieks geen praktisch nut hebben – doortrekt, zou men de invoering van een vak als Chinees kunnen voorstaan, dat dan culmineert in het lezen van de klassieke teksten van Confucius. Zo’n vak zou de meeste voordelen van Latijn of Grieks koppelen aan een zeker praktisch nut. Maar we kunnen het onderwijs natuurlijk niet herscheppen in het luchtledige.

**** Hier geeft Tom een verkeerd beeld van het vak zoals het in het eerste jaar gegeven wordt. Toen Jan het eerste jaar Latijn volgde, las hij in de klas een vereenvoudigde versie van de Aulularia van Plautus. Bijna al mijn leerlingen in het zesde jaar - ik geef les in de wiskundige richtingen en die leerlingen zijn bijna allemaal minstens met een of twee jaar Latijn gestart - bijna al die leerlingen dus, herinneren zich dat verhaal nog van het eerste jaar. 't Is vaak het enige dat ze zich nog van dat jaar nog herinneren, op academisch vlak dan toch.

zondag 18 december 2016

Eric Defoort (1943-2016)

     Ik weet dat het onbeleefd is, maar ik kan het niet laten. Als ik ergens op bezoek kom, ga ik altijd even voor de boekenkast staan. Ik ben daarbij niet op zoek naar iets nieuws, want zo leergierig ben ik niet. Ik wil juist weten of daar soms niets tussenstaat dat ik wel al ken. ‘Aha, Borges, heel goed.’
     Iemand die dat ook had, geloof ik, was Eric Defoort (1943-2016). Heel lang geleden hadden we hem eens over de vloer en al vlug stond hij voor de boekenkast. ‘Aha, Hippolyte Taine, heel goed … Aha Ernest Renan, heel goed … Aha Léon Bloy, heel goed … En zoveel van Julien Benda. Kijk, dat doet me nu echt plezier, dat jonge mensen die ouwe Benda nog lezen.’ Eric Defoort was erg francofiel.
     Hij moet die avond veel anekdotes verteld hebben. Die ben ik allemaal vergeten, behalve één. Het ging over zijn tijd als bibliothecaris aan de Kortrijkse universiteit. Zekere dag kwam de eminente taalkundige professor Paardekooper de boekenzaal binnen en zei met luide stem: ‘Eric, waar in jouw bibliotheek is hier de afdeling Homoseksualiteit?’ Een paar studenten keken vanachter hun boeken op. ‘Hoezo geen afdeling Homoseksualiteit? Moeten ze dat dan niet kennen hier in Zuid-West-Vlaanderen?’
     Defoort en Paardekooper konden het goed met elkaar vinden.

vrijdag 5 augustus 2016

Brief aan een twijfelaar

 Beste Flor

     Op uw weblog plaatste u een open ‘Brief aan een leraar’. (hier) Uit een separaat bericht heb ik begrepen dat die brief voor mij is bedoeld. Ik voel mij vereerd.  
     Uw overschatting van ons, leraren Nederlands, is ontroerend. U schijnt te denken dat wij taalmeesters zijn, en alle anderen dilettanten. Dat is niet zo. Als het op schrijven aankomt zijn er maar twee soorten mensen: zij die zomaar wat schrijven, gauw-gauw, en de twijfelaars. U behoort tot de tweede soort en zelf behoor ik er ook toe, ondanks mijn leraarschap? – lerarenschap? – Was dat nu een vraagzin?
     De twijfelaar is een ‘agony writer’. Hij wordt voortdurend belegerd door vragen. Is dít nu wat ik eigenlijk  wilde zeggen? Is dát nu het juiste woord? Voel ik daar geen schokje tussen die twee zinnen? En voor ons, Vlamingen, komt daar de vraag bij: is het wel correct Nederlands?
     Dan zijn er nog een paar vitterijtjes. Moest in die voorlaatste zin geen hoofdletter na die dubbelepunt? Waarom staat er een rood kronkelend lijntje onder ‘vitterijtjes’? En wat is het beste:  ‘een rood kronkelend lijntje’ of ‘een kronkelend rood lijntje’? Of misschien is het een  ‘een rood kronkellijntje’.
     Vroeger zocht ik zulke dingen op in de ABN-gids van Paardekooper of in de Algemene Nederlandse Spraakkunst. Ik doe dat nog wel eens, maar vaker typ ik een dubieuze zinsnede in op de Google-balk en kijk dan naar de resultaten. Ik voeg er nog de zoekterm ‘Volkskrant’ aan toe om na te trekken of de uitdrukking ook in het Nederlands-Nederlands gangbaar is.
     U bent in het West-Vlaams opgevoed. Dat heb ik gelezen in uw vrolijke stukje ‘Worstelen met de taal’ (hier). Ik heb met dat stukje heel hard moeten lachen want ik ben ook in het West-Vlaams opgevoed. Dat maakt ons tot broeders in de taaltwijfel.
     U stelt me drie precieze vragen.

1.   Hoe is het mogelijk dat iemand zo goed kan schrijven als Sandra Cisneros?
2.  Waarom schrijft Cisneros Only how come I felt angry inside zonder
     vraagteken?
3.   Waarom schrijft Betty van Garrel wat je daardoor te binnenschoot en
      onmiddellijk daarna wie niets te binnen schoot? Waarom de ene
      keer te binnenschoot in twee woorden en de andere keer te binnen schoot
      in drie woorden?

     Op die eerste vraag verwacht u wellicht niet echt een antwoord. Ik zou het niet kunnen geven. Meer zelfs, ik heb mij die vraag ook vaak gesteld, al ken ik die Sandra Cisneros verder niet.
     Waarom Cisneros geen vraagteken schrijft na die vraagzin? Ja, eigenlijk hoort daar een vraagteken. Maar met die leestekens is het een rare zaak. Aan de ene kant zijn het grammaticale merktekens en aan de andere kant dienen ze als aanwijzing voor de prosodie. U zult het met mij eens zijn dat de zin beter klinkt zónder de stijgende stembuiging die voor een vraagzin gebruikelijk is. Dat vraagteken kan dus weg. Ik zou het zelf niet gedurfd hebben, maar Cisneros heeft het wel gedurfd. En ze heeft gelijk. Natuurlijk heeft ze gelijk.
    Te binnenschoot of te binnen schoot. De schrijfster is in elk geval niet consequent en als leraar trek ik daar een punt voor af. Het gaat twee keer om dezelfde werkwoordsvorm die twee keer gebruikt wordt in eenzelfde structuur, die wij leraren ‘met ingesloten antecedent’ noemen. Was het nu een duidelijk geval geweest van een scheidbaar werkwoord als binnenlopen, binnenstormen of binnenwippen, dan zou ik zeggen: geen gezeur – aan elkaar. In een hoofdzin worden die werkwoorden gescheiden – loopt binnen, stormt binnen, wipt binnen – maar in een bijzin worden ze weer aan elkaar geschreven – binnenloopt, binnenstormt, binnenwipt. Maar gaat het hier wel om een scheidbaar werkwoord? Of zijn het gewoon drie aparte woorden? Het gebruik is wisselend maar Google noteert een voorkeur voor te binnen schieten – drie aparte woorden dus.
     Heeft Betty van Garrel dan zonder reden tussen de twee vormen afgewisseld? Was ze verstrooid? Kon het haar geen ene moer schelen? Misschien. Maar ook hier kan een overweging van prosodie gespeeld hebben. Wat je daardoor te binnenschoot, komt op het einde van een volzin, met een dalende stembuiging en een klemtoon op binnen. Het stukje schoot is vanuit de uitspraak bekeken niks meer als een overschotje, een verlengstukje. Wie niets te binnen schoot, komt daarentegen aan het begin van de zin, met een sterke klemtoon op niets. De daaropvolgende delen binnen en schoot zijn vanuit de uitspraak bekeken gelijkwaardig en kunnen daarom gemakkelijker als twee woorden geschreven worden.
     Tja, als u mij als leraar aanschrijft, komt de leraar in mij ook naar boven. The classroom rears its ugly head.
     En, als leraar gesproken – foutieve beknopte bijzijn –, eigenlijk is de hele tweede zin van Betty van Garrel fout. Wie niets te binnenschoot, mocht een soort troefkaart ter tafel brengen. Dat wie is hier meewerkend voorwerp. Hoe kan het dan onderwerp worden van mocht? Een stijlfout! Een taalfout!* Toch is het een betere zin dan ik ooit verhoop zelf te kunnen schrijven.

Met broederlijke groet

 Ph. Clerick, lic. Germ.

* Is dat zo? vraag ik mij nu af. Eigenlijk is dat wie geen onderwerp; het is de hele bijzin wie niets te binnenschoot die onderwerp is. In de grammaticacursus van Beeken, Geerts en Van Belle lees ik een zin als Wie ons het kaartje opstuurt, zullen wij uitnodigen. Die taalgeleerden zien daar geen probleem in, ook al is dat wie onderwerp en lijdend voorwerp tegelijk. ’t Is een draak van de zin, maar de grammatica heeft er blijkbaar geen bezwaar tegen.