Posts tonen met het label hertog Alva. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hertog Alva. Alle posts tonen

dinsdag 20 augustus 2019

De Vlaamse canon

     Vorige week zat ik op restaurant met mijn vader (96). Omdat ik juist het boek van Van Loo over de Bourgondiërs gelezen had, vroeg ik hem of hij wel wist dat Karel de Stoute in de kerk van Lier getrouwd was. Mijn vader keek even voor zich uit. ‘Was dat niet zijn kleinzoon, Filips de Schone,’ vroeg hij ten slotte.
     Hoe mijn vader zoiets weet? Dat komt zo. Zijn moeder, mijn grootmoeder die ik nooit gekend heb, had voor haar mooie studieresultaten in de lagere school twee prijsboeken gekregen. Een Atlas illustré – Géographie en images en een Geschiedenis van België in prenten – Histoire de la Belgique en images. Toen het gezin in 1917 door de Duitsers uit Menen werd gedeporteerd, moest huis, have en goed worden achterlaten, maar die twee boeken nam mijn grootmoeder mee. Later heeft mijn vader er als kind vaak in gebladerd.
      Die Geschiedenis staat nu nog altijd in de kast. En jawel: op prent 184 trouwt Filips de Schone met Johanna de Waanzinnige in de Sint-Gummaruskerk van Lier. De uitleg staat erbij in het Nederlands en het Frans. ‘Philippe le Beau accueille Jeanne d’Espagne à Lierre où le marriage est célébré le 21 octobre 1496.’ Zelf heb ik als kind ook vaak de prenten bekeken. Hoe een Frankische koning op een schild werd gezet en opgeheven. Hoe de lange haren werden afgeknipt van de onttroonde Childerik III. Hoe Brunhilde van Austrasië werd voortgesleurd door een paard waaraan één arm, één been en haar haren waren vastgebonden.
     Zo’n boek, zou je kunnen zeggen, bevatte de Belgische canon van omstreeks 1905.
     Bart De Wever heeft nu voorgesteld om zo’n canon op te stellen voor het Vlaanderen van nu, een lijst van ankerpunten uit onze Vlaamse cultuur en geschiedenis. Er kwam, niet geheel onverwacht, veel kritiek op het voorstel. Sommigen vonden het idee van een canon te ‘te romantisch’.  Anderen vreesden dat de opstelling ervan voor ‘controverse’ zou zorgen. En nog anderen wisten blijkbaar al wát er in die canon zou staan en tekenden met vooruitziende blik bezwaar aan tegen een lijst van namen, data en plaatsen ‘die het superioriteitsdenken zou bevorderen’ en die de ‘zwarte bladzijden van de geschiedenis zou weglaten’. Vooral een aantal historici maakten veel misbaar. Zoiets heet ‘territorial pissing’, geloof ik.
     Zelf voel ik mij in mijn territorium ook wel een beetje bedreigd. In het zesde jaar geef ik in de Nederlandse les uitleg over de literaire canon. Ik zeg dan dat dat een ‘denkbeeldige’ lijst is. En nu komt er, althans voor geschiedenis en cultuur, een échte lijst op papier, opgesteld door een of ander comité van geleerden. Wat is het nu? zullen mijn leerlingen vragen. Is het een denkbeeldige lijst of een echte lijst?
     Maar om de inhoud van de lijst maak ik mij vanuit mijn vak niet veel zorgen. De Nederlandse canon, die De Wever als voorbeeld neemt, bestaat uit een lijst van vijftig thema’s en telt maar twee of drie literaire auteurs: Erasmus, Multatuli en Annie M. G. Schmidt. Als die Vlaamse lijst ook maar drie auteurs telt, wil ik die in mijn lessen graag opnemen. Daarnaast kan ik blijven onderwijzen wat ík wil. Verplicht men mij om Hugo Claus als verplichte lectuur op te geven, vooruit dan maar. Ik heb nog ergens een mooi verhaal van Hugo klaar liggen.
     Die nieuwe Nederlandse canon is, dat moet ik toegeven, een modern en veelzijdig werkstuk. In Multatuli’s tijd bestond hij nog uit de Batavieren, de Bey van Tunis, de hertog van Alva ‘die een ondier was’ en de eb van 1672 waardoor Nederland de Frans-Engelse vloot kon verslaan. Dat was nog een heuse ‘histoire de batailles’ – en Droogstoppel, leren we uit het eerste hoofdstuk van de Havelaar, had een hekel aan al die heldhaftigheid. IJver, spaarzaamheid en godsvrucht, dáár ging het om en dan zou Nederland wel Nederland blijven. Vandaag zijn die heldhaftigheid en die godsvrucht allebei uit de mode. De nieuwe canon gaat meer over dingen als ‘het moderne volkenrecht’, ‘mensenhandel’, ‘rijk wonen buiten de stad’, ‘vrouwenemancipatie’ en het ‘veelkleurige Nederland.’
     Ik vind die Nederlandse Canon anders niet slecht. Wel is er naar mijn smaak te veel twintigste eeuw bij. Michel Berger schreef op zijn Facebookpagina een lang stuk waarin hij betoogde dat om een onpartijdige blik aan te leren oudere geschiedenis beter geschikt is dan de hedendaagse. Ik ben het zoals vaak met Michel eens.
     Ook is die Nederlandse canon zo verdomd leerzaam. De anekdote wijkt helemaal voor de instructie. Floris V staat erin, Jan van Schaffelaar, die van de toren sprong, niet. Als onverbeterlijke middlebrow vind ik dat niet fijn. Ik wil graag iets bijleren, maar het moet niet te moeilijk zijn en een verhaaltje heb ik nog het liefst. Ik lees liever een boek van Bart van Loo dan een van Jan Dumolyn.
     Als je de Nederlandse lijst bekijkt, begrijp je hoe men te werk is gegaan. Van Gogh, Annie Schmidt en Eise Eisinga (die heb ik moeten opzoeken) hebben er hun plaats; Vermeer, Nescio en Huizinga niet. Dat komt omdat de namen als ‘vensters’ moeten dienen om daardoor naar een groot verhaal te kijken. Door het venster van Van Gogh, Schmidt en Eisinga zien we in alle duidelijkheid ‘de moderne kunstenaar’, opdoemen, of ‘de tegendraadsheid in een burgerlijk land’, of ‘de Verlichting in Nederland’. Met Vermeer, Nescio en Huizinga is het moeilijker om de vinger op het grote verhaal te leggen. Ik ken het probleem. Als leraar ga ik ook zo te werk bij het opstellen van een literatuurlijst. Eigenlijk wil ik Zola en Hardy er liever buiten houden, maar tegelijk wil ik graag íets zeggen over het naturalisme, dus dan neem ik ze er maar bij.
       Misschien, bedenk ik nu, kan de tegenstelling tussen anekdote en instructie worden opgelost door de canonlijst wat langer te maken dan vijftig. De Nederlanders zijn hier krenten geweest. Het boek van mijn grootmoeder bevat geen vijftig maar 312 prenten! Dat is andere koek. ‘Mensen willen geen lijstje historische figuren of kunstwerken,’, schrijft Gie Goris in MO-Magazine. Dat kan. Wat ‘de mensen’ willen, weet ik niet zo goed; maar déze mens houdt in elk geval wél van zulke lijstjes, vooral als er mooie prenten bij staan. (Zie ook hier)
     Ik lees in de nota van Bart De Wever dat de Vlaamse canon het ‘identiteitsbesef’ moet bevorderen van de jongere generatie. Daar kan ik mij iets bij voorstellen. Die 
identiteit is een beetje vaag, maar ik heb uit het boekje van De Wever begrepen dat dat nu net de aard van het beestje is. Professor van Oostrom, die de Nederlandse canon samenstelde, werd over de kwestie naar zijn mening gevraagd door een journalist van vrt nws. Van Oostrom zei  dat er niet zoiets bestaat als een ‘gebeitelde’ nationale identiteit. Er zijn wel ‘dominante kenmerken’. Ook vond hij dat die canon  ‘een rol kan spelen in wat ik noem “burgerschap”.’ En verder: ‘Ik vind het evident dat als mensen leven, werken en opgroeien in een bepaald land, dat ze dan iets weten van de geschiedenis en de cultuur van dat land.’ Dat is niet zó verschillend van wat De Wever zegt.
      De Wever wil dat de canon een onderdeel wordt van een inburgeringscursus voor nieuwkomers. In zo’n geval moeten thema’s als verlichting, secularisatie, vrouwenemancipatie een in het oog springende plaats in de canon krijgen, al is Vlaanderen op geen van die gebieden een echte voortrekker geweest. Dat moet dan maar.
Alweer voorrang aan de instructie, zul je zeggen. Tja, ik zal er mij neer bij moeten leggen. En zo erg is het niet. Een beetje leraar maakt van élk canonthema een leuk verhaaltje.

zondag 27 augustus 2017

Van Louis Tobback naar Robert E. Lee

     Voor mij is het allemaal begonnen in 2006 met Louis Tobback die in Leuven het Maarschalk Fochplein wilde laten omdopen tot het Plein van de Hemelse Vrede.
     Daarvoor was ook wel eens iets in die richting gebeurd. In Duitsland werd in 1945 een Adolf-Hitler-Straße plots weer gewoon Marienstraße; in Rusland werden borstbeelden van Stalin eind de jaren vijftig discreet verwijderd uit openbare gebouwen; en op TV hebben we zelf gezien hoe een klein groepje Irakezen in 2003 het standbeeld van Saddam Hoessein neerhaalde. Ik vond dat normaal want Hitler, Stalin en Saddam waren geen frisse jongens. Ze hadden joden laten vergassen, boeren laten verhongeren en politieke gevangenen laten folteren. Straatnamen, borstbeelden en standbeelden die er gekomen waren om die mannen te eren, werden veranderd, verwijderd of neergehaald om ze te onteren. Net goed.
     Maar hoe zat dat met maarschalk Foch (1851-1921) waar Tobback zo op gebeten was? Die had geloof ik niemand laten vergassen, verhongeren of folteren? Tobback voerde aan dat de maarschalk ‘tijdens de eerste wereldoorlog miljoenen doden op zijn geweten had.’ Dat is niet geheel bezijden de waarheid. In veldslagen die door Foch werden geleid, kwamen honderdduizenden om, waaronder zijn zoon en zijn schoonzoon. Toch was het niet Foch die tot die oorlog besloten had. Het waren de autocraten, de politici, de diplomaten en de journalisten die het kwaad hadden gesticht. De generaals hadden er weinig mee te maken – die voerden uit – behalve misschien die halve gare Oostenrijker Conrad von Hötzendorf (1852-1925) die graag een oorlog wilde om indruk te maken op zijn minnares.
     Foch werd verweten dat hij bij zijn aanvallen honderdduizenden van zijn soldaten opofferde voor enkele kilometers terreinwinst, zoals bij de slag aan de Somme. Maar die kilometers terreinwinst waren niet het doel van de aanval geweest. Foch wou die Duitsers helemaal uit Frankrijk verdrijven. Had Foch op voorhand geweten dat zijn leger slechts enkele kilometers terreinwinst zou maken, had hij die hele aanval wel afgeblazen. Wat je Foch en zijn collega’s wél kunt verwijten, is dat hun aanval mislukte. Maar ’t was ook niet gemakkelijk. Als twee ongeveer even sterke legers tegenover elkaar ingegraven zijn, is het inderdaad erg moeilijk om meer dan enkele kilometers terreinwinst te boeken en om daarbij minder slachtoffers te hebben dan de partij die in de loopgraven blijft. Ludendorff (1865-1937) slaagde daar soms in, maar ik geloof niet dat de burgemeester van Leuven met een Ludendorffplein genoegen had genomen.
     Nu, misschien kun je Foch als militaire leider wel een misdadige lichtzinnigheid aanwrijven. Had hij het anders aangepakt, dan waren misschien een paar honderdduizend Fransen minder, en een paar honderdduizend Duitsers meer gesneuveld. Dat lijkt het moderne inzicht te zijn. Het was niet de mening van mijn grootoom die vier jaar at, dronk, rookte, sliep en gebombardeerd werd in de loopgraven, en die veel achting had voor Foch. Het was niet de mening van Boorman die vond dat ‘de tous les généraux de la grande guerre, le maréchal Foch est certes celui qui offre au prodigieux et inépuisable thème de la gloire nationale les plus admirables ressources.’
     Ik wil graag aannemen dat mijn grootoom en Boorman zich vergisten. Bovendien is er niets dat ons belet om vandaag een ander, misschien hoger moreel standpunt in te nemen dan toentertijd. Wie dat graag wil kan vandaag zijn verontwaardiging uitspreken over elke misstand uit het verleden die hij kan bedenken: de galeislaven in het oude Rome*, de wrede hertog Alva (1507-1582) en zijn bloedraad te Brussel, Giordano Bruno (1548-1600) op de brandstapel na veroordeling door de Inquisitie. Die toestanden kunnen allemaal, zoveel jaren na dato,  aanleiding zijn tot gerechtvaardigde woede. Het is weliswaar beter om de geschiedenis van de mensheid te verkennen ‘sine ira et studio’, maar we zijn ook maar mensen en wrok en sympathie zijn nooit ver weg uit ons hart.
     Er bestaat een andere omgang met de geschiedenis die mij veel verwerpelijker lijkt: men neemt een hedendaags dispuut over ethiek, politiek of maatschappij en dan gaat men oude stukken geschiedenis oprakelen om zijn tegenstrever een vlieg af te vangen. Je wil het onder grote mensen hebben over de godsdienst in de samenleving –  en daar komt iemand aandragen met Giordano Bruno. Je wil iets zeggen over het islamisme –  en de kruisvaarten (1096-1271) worden erbij gesleurd. Ik heb een Spaanse vriendin die  in een discussie over de Brexit plots over het perfide anti-Spaanse beleid van Elizabeth I (1533-1603) begon. Het gesprek krijgt door zulke geschiedkundige verwijzingen een symbolische lading waardoor men geen stap verder meer geraakt. Het is beter geloof ik in zulke gevallen de geschiedenis thuis te laten.
     De trammelant in Charlottesville rond het standbeeld van Robert E. Lee (1807-1870) en het naar hem genoemde park lijkt mij van dezelfde aard. De Zuidelijke generaal was één van de weinige aantrekkelijke leiders in de Amerikaanse burgeroorlog, tussen al die onbenullen, dronkaards, narcisten en psychopaten. Maar actievoerders en leden van het stadsbestuur van Charlottesville willen het standbeeld weg en het park hernoemen. Lee was immers een voorstander van de slavernij. Wordt aangetoond dat Lee géén voorstander van de slavernij was, dan moet men iets verder gaan zoeken – zeker als men in de geschiedenisles niet goed heeft opgelet omdat men met actievoeren bezig was. Goed dan:  Lee was tegen stemrecht voor analfabete zwarten. Ongetwijfeld. En als men alle standbeelden van Amerikanen die tegen dat stemrecht waren wil weghalen, is men nog even aan de gang. Misschien kan men beginnen met die van Woodrow Wilson (1856-1924), nochtans een icoon van het humanisme en de progressiviteit.
     Het rassenvraagstuk in de Verenigde Staten is 150 jaar na de burgeroorlog nog lang niet opgelost. De gemiddelde zwarte heeft bijvoorbeeld een lager inkomen dan een gemiddelde blanke. Hoe komt dat? Welke mechanismen zijn hier aan het werk? Gaat het om een – eventueel onbewuste – racistische reflex van blanken die zwarten niet willen aannemen voor goedbetaalde banen? Of gaat het om een verongelijkte houding van zwarten die racisme als excuus gebruiken om geen moeite te moeten doen om zo’n goedbetaalde baan te krijgen? Dat is een ernstige discussie.
     In Charlottesville zagen we de twee mechanismen tegelijk. De Alt-right, de Ku Klux Klan en de neonazi's, die om beurten in Charlottesville door de straten trokken, staan voor een blank racisme dat in die vergaande vorm een randverschijnsel is, maar in mildere vorm breder aanwezig kan zijn.** De actievoerders tegen het standbeeld van Lee staan voor een verongelijkte instelling die de zwarte bevolking wordt aangepraat. Als de zwarte activist Rick Turner het in zijn hoofd haalt Lee een ‘terrorist’ te noemen, is dat niets meer dan slechte geschiedenis. Je kunt het vergelijken met Tobback die Foch een ‘massamoordenaar’ noemt: geschiedkundige verontwaardiging die niet al te duur betaald werd. Maar als de vice-burgermeester Wes Bellamy spreekt over een standbeeld dat ‘beledigend is voor bepaalde delen van de gemeenschap’ – als hij klaagt dat ‘veel mensen geen voet in het park willen zetten vanwege de naam en waar ze symbool voor staat,’ dan is dat een oproep tot rancune en ressentiment, gevoelens waar de zwarte bevolking in het verleden weinig voordeel mee heeft behaald.
 
* Classicus Michel Berger laat mij weten dat galeislaven in het oude Rome, in weerwil van wat de Nederlandstalige Wikipedia beweert, heel uitzonderlijk waren. Goed dan: slaven in de zoutmijnen. Als Ben Hur (1959) niet accuraat is, dan misschien toch Spartacus (1960).

** Het is wrede ironie dat een zo beschaafd en edelmoedig man als Lee werd gehuldigd door lieden die in ongeveer alle opzichten zijn tegenbeeld zijn.