Posts tonen met het label Ayn Rand. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ayn Rand. Alle posts tonen

maandag 2 maart 2020

Racisme

     ‘En nu heeft Theo Francken weer een racistische tweet geplaatst,’ zei K. 
     Dat vond ik moeilijk om te geloven. Misschien had Theo een opmerking over de islam geplaatst?
     Dat was hetzelfde, zei K.
     Hoezo, hetzelfde? Hoe kwam K. daarbij? ‘Een geloof is geen ras,’ zei ik. ‘Het is een overtuiging. Zoals het nazisme, het christendom enzovoort. Ben je dan een racist als je tegen katholieken bent? Kun je dan niet beter zeggen dat zo iemand een anti-katholiek is, of in het geval van de islam een islamofoob?’
     ‘Dat woord is niet erg genoeg,’ zei J.
     ‘Doe geen moeite,’ zei K. ‘Ik begrijp het verschil nu wel, maar ik vind het onbelangrijk.’
     Daar had ik niet meteen een antwoord op. Ik heb zelf altijd gezegd dat discussies over woorden en semantische verschillen onbelangrijk zijn, of althans weinig opleveren.
     ‘Ja,’ zei ik, ‘maar als iemand enerzijds wel Marokkaanse vrienden heeft maar anderzijds gruwt van een Vlaamse groenteboer die moslim is geworden en met zijn dochter wil trouwen, is dat ook een …’
     ‘Doe geen moeite,’ zei K. weer.
     Maar dan kent zij mij niet goed. Ik wil best over een kwestie zwijgen, maar ze laten rusten, dat in geen duizend jaar. Een kous is voor mij niet af zolang ze niet af is. Ik blijf er in mijn eentje aan breien. Waarom dus, vraag ik mij af, zien mensen als K. amper een verschil tussen iemand die tegen Marokkanen is en iemand die tegen moslims …
    Wacht, dat is het natuurlijk. Eigenlijk heeft K. gelijk. Een afkeer hebben van Marokkanen en een afkeer hebben van moslims, daar is niet zoveel verschil tussen, of je het nu allebei racisme noemt of niet. Spuwen op islam, christendom, nazisme, communisme, ecologisme, liberalisme, dat is één ding. Maar spuwen op mensen, zonder dat je ze kent, alleen omdat ze in de islam, het christendom, het nazisme, het communisme enzovoort geloven, dat is erg onbeschaafd. Er bestaan heel brave moslims en christenen. Mijn vader heeft brave nazi’s gekend. Ik heb brave communisten gekend. Ik ben zelf een brave liberaal, al stem ik dan niet op die partij. Waarom al die mensen op voorhand verachten?
     Je kunt evengoed, uit vooroordeel of uit principe, spuwen op alle pedagogen, KV-Mechelensupporters, leraren Frans, bankdirecteuren, dokwerkers of mensen uit Pulderbos.

zondag 16 september 2018

Is een beschaafd debat mogelijk tussen links en rechts?

     Enige tijd geleden schreef ik een stekelig commentaartje op een stuk van Ruben Mersch in De Standaard. Ik vond dat de auteur een subtiele drogreden had gebruikt. Ik kreeg een vriendelijk antwoord van de aangevallene, waarop ik op mijn beurt vriendelijk antwoordde, waarna alweer een vriendelijk antwoord volgde. We weken geen millimeter af van ons standpunt, maar we waren wel vriendelijk. Ik was de vriendelijkste, vond ik, want ik liet hem het laatste woord.
     Nu heeft Mersch een heel boek geschreven over hoe je vriendelijk met elkaar kunt discussiëren. Ik heb dat boek –  boekje eigenlijk, 143 blz. – gelezen, en er staat veel waars in. Dat we ons in discussies laten meeslepen door emoties, dat onze argumenten vaak gelijken op handige excuses achteraf, dat we onze eigen kennis en goed karakter overschatten, dat we de argumenten van de tegenstander geen eerlijke kans geven*, dat we niet weten waarom we debatteren.
     Op die laatste vraag geeft Mersch zelf een antwoord dat ik hier parafraseer. We debatteren om verschillende redenen: om een tegenstander te vloeren en op het lichaam van die idioot te dansen; om populariteit te verwerven in een groep van geestesgenoten;  om anderen te overtuigen van het eigen gelijk; en ten slotte: om samen met de tegenstander naar een waarheid te zoeken die misschien wel de tegengestelde standpunten overstijgt.
     Geen van die vier beweegredenen is mij vreemd, maar het mooiste lijkt mij een combinatie van drie en vier. Je probeert de ander te overtuigen, maar je houdt tegelijk de mogelijkheid van je eigen ongelijk open. Zouden zulke discussies ook echt plaatsvinden? Er schiet mij op dit moment maar één voorbeeld te binnen: dat van Walter Block die als jonge socialist in discussie ging met de libertair Nathaniel Branden. Branden stelde twee voorwaarden aan de discussie. Eén: Block moest het boekje lezen ‘Economics in One Lesson’ van Henry Hazlitt. Twee: ze zouden blijven discussiëren, desnoods wekenlang, tot men het eens was. Het was uiteindelijk Block die zwichtte en libertair werd.
     Het boekje van Mersch helpt ons om die wonderlijke uitkomst van het debat te verklaren. Branden speelde het slim. Hij vermeed de discussie te voeren op het vlak van uitgangspunten en morele waarden**. Mersch noemt zo’n discussies ‘contraproductief’. Met zijn keuze voor ‘Economics in One Lesson’ bracht Branden de discussie op het vlak van de gevolgen en van de logica. Met die morele waarden loopt het immers vaak mis. Alles gaat goed, zolang men waarde per waarde neemt, want dan blijkt men allebei voorstander van vrijheid én van veiligheid. Maar zodra die waarden worden gecombineerd in één of andere hiërarchie of, erger nog, ‘visie’, wordt een discussie met andersgezinden haast onmogelijk. Dan moet je als gentlemen uit elkaar gaan, agree to disagree, of beginnen schelden als kapitein Haddock.
     Mersch reikt een andere element aan waarmee we de bekering van Block kunnen verklaren. Block was genetisch voorbeschikt om zich te laten overtuigen. Toen Block ‘Economics’ las, riep hij uit: ‘This book is so me!’ Die standpunten waren blijkbaar op één of andere manier al in zijn DNA ingebakken, zoals men dat vandaag zegt. Er bestaat  bijvoorbeeld onderzoek dat een verband legt tussen politiek-conservatieve standpunten enerzijds en genetische karakterkenmerken anderzijds – zoals ‘nood aan orde’ en ‘angst voor vernieuwing’. Mersch, die bioloog is van opleiding, gaat een heel stuk mee in dergelijke verklaringen. Zelf ben ik nogal terughoudend. Hoe vaak is dat onderzoek al gerepliceerd? Wat betekent politiek-conservatief? Hoe groot is die genetische invloed precies?*** En ook: wélke karaktertrekken heeft men allemaal onderzocht en welke niet? Bij Block zal ‘nood aan orde’ geloof ik geen grote rol gespeeld hebben. Maar hij lijkt wel een bovengemiddelde behoefte te hebben gehad aan intellectuele consistentie. Ook zo’n karaktertrek kan een politiek wereldbeeld beïnvloeden, zonder dat die daarom de poort naar de waarheid wijd openzet. ‘Niemand is er nog in geslaagd,’ schrijft Bertrand Russell, ‘een filosofie te ontwikkelen die zowel geloofwaardig als consistent is.’
     Wie, zoals Mersch en ik,  af en toe een discussiedraad op Facebook volgt, schudt vaak meewarig het hoofd. Mersch ergert zich het meest aan (1) schelden, (2) meningen afvuren zonder argumenten, en (3) over iets anders beginnen. Dat schelden kan ik nochtans tot op zekere hoogte begrijpen. Een tegenstander vernederen, geeft voldoening. Het lucht op. Het heeft iets eerlijks, want je meent wat je zegt als je de andere een onbenul noemt. Fijne ironie, waar ik mij soms aan bezondig, heeft iets gluiperigs.
     Meningen zonder argumenten, begrijp ik ook. Die mensen van meningen-zonder-argumenten voelen misschien niet de drang om anderen te overtuigen. Misschien hebben ze een speciaal talent om meningen scherp en bondig te formuleren en halen ze dáár hun plezier uit. De grote aforisten van de zeventiende en achttiende eeuw zoals La Rochefoucauld, Vauvenargues en Chamfort hielden zich ook niet bezig met zoiets saais als argumenten.
     Maar de neiging om over iets anders te beginnen – daar breek ik mij het hoofd over. Waar komt díe vandaan? Een rechtse jongen verdedigt mening A door argument X te gebruiken. En een linkse meid die mening B aanhangt, antwoordt meteen met argument Y. Waarom doet die niet eerst de moeite om argument X te weerleggen of zelfs maar te erkennen? Hier zijn verschillende verklaringen mogelijk. Argument Y kan een stokpaardje zijn van de linkse meid. Elke gelegenheid is goed om het te voorschijn te halen. Of, de linkse meid wil die rechtse jongen niet overtuigen, neen, ze wil een neutrale toeschouwer aan haar kant krijgen. Daarvoor gebruikt ze háár sterktste argument, en dat is Y. En er is nog een derde verklaring: de linkse meid wil cognitieve dissonantie vermijden. Door zo snel mogelijk argument X, waar ze geen weg mee weet, te vergeten, houdt ze haar harmonie der sferen vrij van schurende geluiden. Het kiezelsteentje in de schoen wordt snel verwijderd. Ze kan vrolijk verder stappen.
     Ik sprak hierboven over meningen A en B en over argumenten X en Y. Mersch probeert in zijn boekje die meningen en argumenten wat aanschouwelijker te maken door voorbeelden te geven. Die voorbeelden zijn niet altijd gelukkig gekozen. Zo haalt hij enkele keren het rechtse argument aan als zouden de politieke vluchtelingen onze jobs komen inpikken. Ik ben ter rechterzijde vooral het tegenovergestelde argument tegengekomen, namelijk dat die vluchtelingen geen job zoeken en in de leefloonwereld terechtkomen. Hij schrijft ergens dat president Bush geen graten zag in seksuele vernedering als geavanceerde ondervragingstechniek. Dat lijkt mij erg onwaarschijnlijk, als ik denk aan zijn geschokte reactie op de Abu Ghraib-foto’s. Bush lijkt mij juist iemand die veel meer bezwaren had tegen seksuele vernedering, dan tegen eenzame opsluiting, slaapdeprivatie en waterboarding.
     Mersch doet wat smalend over voorbeelden en anekdotes als discussiemateriaal. Hij citeert de bekende uitspraak ‘the plural of anecdote is not data’. Met voorbeelden kun je alles bewijzen, zei een van onze leraren in het middelbaar. Zelf hou ik echter van anekdotes. Mersch vertelt af en toe over zijn verleden in de farma-industrie, over ruzies met zijn vrouw, over zijn veranderde houding tegenover bedrijfswagens toen hij er zelf een kreeg. Ik lees dat graag. Ergens vertelt hij van een bonte avond die hij heeft bijgewoond, samen met allemaal hoogopgeleide blanke progressievelingen. In het toespraakje vooraf ging het over diversiteit en dergelijke.  Een zinnetje sprong eruit: ‘Het is goed dat er mensen zoals wij bestaan. Mensen die niet in hokjes denken.’ Als ik binnenkort alles vergeten ben wat in het boekje van Mersh staat, zal ik die anekdote onthouden hebben. Ik zou ze ook onthouden als ze niet in mijn overtuiging paste dat links door de bank genomen moreel zelfgenoegzamer is dan rechts. Ik heb meestal een goed geheugen voor anekdotes, cijfers en treffende verwoordingen die mijn wereldbeeld tegenspreken. Die dissonante geluiden draag ik dan mee. Ik denk er soms aan. Het gebeurt dat ik na enige tijd met mooie woorden een geluiddicht kastje in elkaar timmer waar ik ze kan wegstoppen. Maar soms ook blijven ze zachtjes schuren. Ik laat er mijn slaap niet door.
     Als anekdotes ons niet echt vooruithelpen, wat dan wel? Mersch somt het op: ‘We kunnen dingen meten, experimentjes uitvoeren en er desnoods een hele zwik statistische analyses tegenaan gooien. Wetenschap heet dat dan. In principe kunnen onze vragen zo beantwoord worden, in de praktijk valt dat weleens tegen.’ Hier zou je de vraag kunnen stellen of je eigenlijk wel het recht hebt om aan een discussie deel te nemen als je niet tot de wetenschappelijke top behoort in het betreffende domein.**** Ik meen van wel. Je kunt ook als niet-wetenschapper op de hoogte zijn van enkele basisgegevens: dat ons land 7 % moslims telt, geen 3 % en geen 20 %; dat de extreme armoede in de wereld de afgelopen 20 jaar gehalveerd is, en niet verdubbeld; dat steenkoolenergie meer mensenlevens kost dan kernenergie – ik neem de voorbeelden over van Mersch.
     Bovendien kun je vaak met huis-tuin-en-keukenlogica laten zien dat bepaalde argumenten geen steek houden. Eind de jaren 60 kwam Karel van het Reve tussen in het marxismedebat, hoewel hij daarin minder gespecialiseerd was dan vele anderen. Toch kon hij dat marxisme aardig weerleggen omdat die leer ‘waaraan miljoenen mensen geloven en die soms door zeer ontwikkelde mensen wordt aangehangen, stellingen bevat waarvan een kind de onredelijkheid kan inzien.’ Karel speelde de rol van dat kind en toonde die onredelijkheid aan in eenvoudige woorden, zinnen en redeneringen. Wie wou kon daarna blijven geloven in het communistische ideaal, maar dan moest hij andere argumenten verzinnen dan die van het marxisme.  
     Het boekje van Mersch staat vol goede raad voor wie een opbouwend debat wil aangaan met de overkant. Veel van die raad neem ik nu al ter harte. Sta niet stil bij de vraag wiens schuld het allemaal is. Herleid je tegenstander niet tot zijn standpunt. Bedenk dat die rechtse zakken en die gutmenschen, die imams en die avant-gardekunstenaars, ook mensen zijn die houden van hun vaders en moeders, hun zonen en dochters, hun echtgenoten en echtgenotes, hun minnaars en minnaressen. Misschien houden ze wel van dezelfde muziek als jij, of van dezelfde boeken, of van dezelfde films. Maak geen karikatuur van meningen die je niet lust. Laat je niet voorstaan op zekerheden waar je niet zeker van bent. Claim geen moreel monopolie. Hou verschillende zaken een beetje uit elkaar. Hecht niet te veel belang aan positief of negatief gekleurde woorden, en gebruik die kleur nooit als argument. Als je je met alle geweld je superioriteit wil bewijzen, ga je gang, maar overdrijf niet te erg. Je bent geen Einstein. Dat logische raadsel op blz. 137 van Mersch zijn boek heb je voor de zoveelste keer niet kunnen oplossen. Verder zou ik er nog de regel van Popper aan toevoegen: verbeter eerst zelf kleine foutjes in de argumentatie van de tegenstander en val dan die verbeterde constructie aan.
     Mersch formuleert helder de kwestie van de ‘glijdende schaal’. Die stelt zich vooral bij ja-nee-vragen. Is glyfosaat kankerverwekkend? Is de dader toerekeningsvatbaar? Is Brussel een gevaarlijke stad? Die vragen noemt hij ‘onbeantwoordbaar’. Het is alsof je je bij avondschemering afvraagt of het al nacht is of nog altijd dag. ‘In dat geval,’ schrijft Mersch, ‘kun je er beter een lichtmeter bijhalen en samen bepalen waar op het continuüm jullie je bevinden.’ Ook wijst hij erop hoe dicht het ja-antwoord en het nee-antwoord bij elkaar kunnen liggen. Wie op de vraag of glyfosaat kankerverwekkend is ‘ja’ antwoordt, bedoelt eigenlijk dat de kans op enkele types kanker bij massale blootstelling aan het spul misschien een heel klein beetje zou kunnen stijgen. Volgens sommige studies. Het verschil tussen ‘ja’ en ‘nee’ is hier dus een cijfer ver na de komma. De vraag blijft overigens of je met Mersch zijn oproep tot nuanceren, tellen, meten en wegen ook iets kunt dóen. De waarschijnlijkheid is namelijk groot dat je tegenstander iemand is die graag  proclameert dat je ‘niet een beetje zwanger kunt zijn’ en dan triomfantelijk om zich heen kijkt. Ik heb me ook ooit van die uitspraak bediend en triomfantelijk om me heen gekeken, en ik schaam me daar diep voor.
     Er zijn twee raadgevingen van Mersch waar ik het moeilijker mee heb. Hij wijst terecht op ontsporingsgevaar als we discussiëren over symbolen zoals Zwarte Piet en de hoofddoek. Wij zouden die symbolische laag moeten ‘afpellen’ en het debat ‘verplaatsen van het symbool zelf naar datgene waar het naar verwijst’. Dat vond ik vroeger ook. Nu geloof ik echter dat een symbolenstrijd op een bepaald moment een machtsstrijd wordt. Dat is geen prettig gezicht, maar die strijd wórdt gestreden. Als alle redelijken dan het debat verlaten, komt de overwinning toe aan het kamp waar meest onredelijkheid heerst.
     Ook vindt Mersch het een sterke zet om in een debat een vraag te stellen in plaats van een argument aan te brengen. In een polemisch debat zou ik zo’n vraag vermijden als ik het antwoord zelf níet wist, want dan zou mijn zwakheid worden uitgebuit door de tegenstander. En in een vriendschappelijk debat zou ik de vraag vooral vermijden als ik het antwoord wél wist. Ik zou de vraag in elk geval nooit stellen als strategie. Eerst vragen hoe hoog men het percentage moslims schat en dan, nadat de tegenstander verkeerd geraden heeft, triomfantelijk met het juiste cijfer komen aandragen? Zo’n vernedering zal weinig openingen creëren vrees ik.
     Bij de goede raad van Mersch hoort ook de regel: ‘Doe het liever niet online’. Dat is kort en krachtig en waar. Het zijn echter juist mensen zoals ik, die díe raad in de wind zullen slaan, die met de rest van het boekje het meeste voordeel zullen doen.

      

* Mersch geeft drie strategieën waarmee je de argumenten van de tegenstander kunt wegredeneren. Je overtuigt jezelf ervan dat de tegenstander achterlijk is, dat hij een slecht mens is, of dat hij spreekt uit eigenbelang. Ikzelf denk altijd dat die tegenstander niet goed heeft nagedacht.

** Bruno De Witte wees mij erop dat Block ook nog een ander boek moest lezen: Atlas Shrugged van Ayn Rand. Aangezien dát boek wel een sterke moraliserende component bevat, schiet mijn voorbeeld dus een half metertje naast het doel. Het laat dus eigenlijk zien dat, wat Mersch en ik ook mogen beweren, mensen zich wél door moraliserende verhalen laten overtuigen.

*** Tussen de 15 en de 40 % – heel goed weet men het dus nog niet. Het doet denken aan die klimaatvoorspellingen waar ook altijd ruime marges bestaan. Het doet anderzijds ook denken aan die rabbijn die hoorde dat geleerden onder elkaar twistten over de vraag of de aarde nu 8 of 4 miljard jaar oud was. Met een foutenmarge van 4 miljard, redeneerde de rabbijn, konden we beter aannemen dat de aarde gewoon 6 duizend jaar oud was, zoals sinds eeuwen in eerbiedwaardige boeken stond opgetekend.

**** ‘Show me your PhD,’ las ik eens op een discussiedraad. Nu wist ik toevallig dat de bestemmeling inderdaad een PhD had, maar hij had de goede smaak om dat ook in de verdere discussie niet te vermelden.





maandag 6 november 2017

Lenin was een bodybuilder

     Over de ‘glorieuze oktoberrevolutie’ – die morgen voor de honderste keer wordt herdacht – kun je lang of kort praten, naar gelang je voor of tegen bent.* Maar drie dingen zijn zeker: ze was niet glorieus, ze viel niet in oktober en het was geen revolutie. Niet glorieus, want ze was het begin van een eindeloze reeks slachtpartijen, executies, gruwelijke folteringen en jarenlange hongersnood. Niet in oktober, want volgens onze Gregoriaanse kalender viel ze op 7 november. Geen revolutie, want die had al plaats gehad in februari-maart. Wat in november gebeurde was een machtsgreep waarbij een van de revolutionaire fracties de rivaliserende revolutionaire fracties aan de kant schoof. En er is nog één ding zeker: zonder Vladimir Iljitsj Oeljanov, bijgenaamd Lenin, had ze nooit plaatsgevonden.
     Die Lenin heeft in zijn leven heel veel geschreven. Zijn Verzameld Werk bestond uit geloof ik 45 dikke delen van elk meer dan 500 bladzijden. Daar waren telegrammetjes bij, en kattenbelletjes, en krantenartikeltjes waarin onze vriend al eens in herhaling verviel, maar daar waren ook échte boeken bij over filosofie, over wetenschap, over de wereldeconomie, en over de kunst van de revolutie en de politieke intrige.**
     Ik leerde die Lenin-boekjes kennen toen ik zestien jaar was. In de studiezaal van ons college werd van hand tot hand, onder de banken, een lijst doorgegeven waarop je ze kon bestellen. De lijst werd dan overgemaakt aan een Leuvense student en die zorgde ervoor dat de boekjes de school werden binnengesmokkeld. Het was een succes, want de boekjes waren heel goedkoop. Voor de prijs van een zakje friet kon je al een heus klassiekertje als Staat en revolutie kopen. Zelfs wie weinig zakgeld kreeg, kon op korte tijd een mooie verzameling revolutionaire literatuur aanleggen.
     Een van die boekjes – het was iets duurder en beter gedrukt en had een lichtblauwe omslag – heette Wat te doen? Die titel was ons, jonge revolutionairen, uit het hart gegrepen. Zo’n revolutie vonden wij een machtig idee, maar hoe begon je eraan? Met andere woorden: wat moest je doen? Helaas, het boekje gaf geen duidelijk antwoord op die vraag. Dat antwoord kregen we later op ‘vormingsvergaderingen’ van Ludo Martens die uit het boekje - dat volgens hem Que Faire? heette*** - allerlei praktische aanwijzingen haalde die we er zelf nooit in hadden gevonden.
    De titel van zijn werkje had Lenin overgenomen van een roman van Tsjernysjevski, de lievelingsschrijver van zijn jeugd.**** Die roman heette ook Wat te doen? en eindigde met een visioen. In het toekomstige Rusland is een ideale maatschappij tot stand gekomen. Iedereen leeft in grote gemeenschappelijke paleizen van aluminium.  Ook de meubels zijn van aluminium. De volwassenen werken overdag op het veld onder een geweldig zonnescherm terwijl het huishoudelijk werk door kinderen en bejaarden wordt gedaan. Elke avond is er feest. Zoals in wel meer socialistische utopieën is het huwelijk afgeschaft en heerst er een systeem van vrije liefde. Daar zijn speciale kamertjes voor ontworpen.
     Maar zo’n aluminium paradijs komt er niet vanzelf. Eerst moet een generatie zich opofferen. Die generatie kan zich spiegelen aan de held van het verhaal, zekere Kairat Rachmetov. Rachmetov is een asceet. Hij slaapt als het moet op een bed van spijkers. Hij eet alleen rauwe biefstuk. Hij leest alleen wat nuttig is voor de revolutie. Verleidelijke vrouwen houdt hij op een afstand. En hij staalt zijn lichaam door dagelijks aan gewichtheffen  te doen.
     Lenin heeft zich op jonge leeftijd voorgenomen om het voorbeeld van Rachmetov te volgen. Met ijzeren wilskracht is hij dat voornemen trouw gebleven. Of hij rauwe biefstuk at weet ik niet, maar hij liet zich weinig in met verleidelijke vrouwen en las alleen wat nuttig was voor de revolutie.  Bij Orlando Figes lees ik dat hij dagelijks met gewichten in de weer was.
     Lenin was een bodybuilder.


___________

* Die mooie formulering heb ik helaas niet zelf bedacht.  Andere Leninstukjes van mij vind je hier en hier.
** Een van de belangrijkste regels van de politieke intrige is het koppen tellen. Dat demonstreert Lenin heel aardig in zijn boekje Een stap vooruit, twee achteruit, waar hij verslag uitbrengt van het tweede congres van zijn partij. Op dat congres waren 51 afgevaardigden en daarvan waren 23 op Lenins hand en 28 op de hand van zijn tegenstrever Martov. Lenin begreep dat je in zo’n geval kunt praten als Brugman maar 23 is 23 en 28 is 28. Daar helpt geen lievemoederen aan. Het enige wat je kunt doen is zorgen dat minstens zes, liefst zeven, van die 28 worden weggemaneuvreerd. De idealistische Martov begreep dat niet en bevond zich na 27 zittingen plots in de minderheid.

*** Waarom die Franse vertaling? Omdat ze korter is en beter in de mond ligt? Maar in Nederland, waar men minder Frans kent, spraken Marxisten volgens Wikipedia van ‘What Is To Be Done’. Dat is niet korter en ligt niet beter in de mond. Is het een middel om de ingewijde van de buitenstaander te onderscheiden? Zo sprak men in mijn kringen ook nooit van de ‘Geschiedenis van de KPSU' maar van de 'Bolsjewiek’.

**** Men beweert wel eens dat Tsjernytsjevski’s roman meer mensen tot het communisme heeft bekeerd dan alle geschriften van Marx en Engels samen. Ongeveer zoals men van Ayn Rands romans beweert dat die meer mensen tot het libertarisme hebben bekeerd dan de boeken van Mises, Hayek en Friedman.

Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.

vrijdag 3 november 2017

Hoe schrijf ik een geweldige roman?


Ayn Rand - Romanschrijfster en filosofe van het objectivisme
     Ik weet wel dat ik binnen goed twee jaar op pensioen ga, maar in het dagelijkse leven gedraag ik mij alsof ik eeuwig zal blijven lesgeven. Ik ben nog altijd aan het dubben over het omgooien van een lessenreeks, het uitwerken van een nieuw onderwerp, het verzinnen van een nieuwe opdracht. Eergisteren was ik op de boekenbeurs en ik zag een boekje liggen van Ellen Deckwitz,  Zo word je een geweldig dichter. Ik wil helemaal geen geweldig dichter worden, maar ik dacht: in zo’n boekje zal wel altijd iets staan dat ik kan gebruiken als ik ooit mijn lessen over poëzie herwerk.
     ’t Is een aardig bundeltje met wat je een beetje oubollig ‘nuttige wenken’ kunt noemen. Zoals: schaf je een notitieboekje aan om losse invallen te noteren – geen al te chic boekje, want dan ga je de lat te hoog leggen. Noteer opvallende zinnen. Wees spaarzaam met Grote Woorden. Kijk naar je omgeving met de ogen van een filmregisseur. Dat soort ‘wenken’ dus. Er staan ook dingen bij waar ik nooit aan zou hebben gedacht. Schrijf elke morgen een aantal dingetjes neer onmiddellijk na het opstaan, als je nog niet helemaal wakker bent. Je kritische vermogen – wat Selma Lagerlöf noemde: de ijzige geest van de zelfbeschouwing – loopt je inspiratie dan niet voor de voeten.
     Af en toe haalt Ellen Deckwitz voorbeelden aan om haar aanbevelingen te verduidelijken. Ze citeert daarbij zowel beroemde gedichten uit de wereldliteratuur – weliswaar vooral Nederlandse – als gedichten van haarzelf, volgens de
rechtvaardige regel van ieder de helft: één uit de wereldliteratuur, één van haarzelf, een uit de wereldliteratuur , één van haarzelf … Door die naast-elkaarplaatsing lijken háár gedichten wat bleker dan zij eigenlijk zijn.
     Op bladzijde 59 botste ik tot mijn niet geringe verbazing op een oude bekende: de Amerikaanse schrijfster Ayn Rand (1905 - 1982)*, die te onzent heel wat minder naam heeft dan in haar thuisland. ‘Rand staat bij schrijvers bekend,’ zegt Deckwitz, ‘als een van de slechtste schrijvers ter wereld, en tegelijkertijd een aardige filosoof. En bij de filosofen als een van de slechtste filosofes ter wereld, maar een okay schrijfster.’ Dat is grappig gezegd, maar is het ook waar? Ik heb iets dergelijks over Voltaire gelezen: dat juristen hem een slechte jurist vonden maar een goed geschiedsschijver, terwijl geschiedsschrijvers – enfin, je begrijpt het wel.
     Nu ben ik er vrij zeker van dat er heel wat romanschrijvers zijn die de romans van Rand maar niks vinden. Zelf heb ik ook wel eens iets beters gelezen. En filosofen die op Rands ‘objectivisme’ neerkijken moeten er ook zijn. Ik hoorde Etienne Vermeersch op de televisie ooit zeggen dat die denkstroming door niemand in de filosofie ernstig wordt genomen. Maar dát zoeken we niet. We zoeken een filosoof of een schrijver die Rand vanuit zijn eigen vakgebied onderuithaalt maar prijst om haar verdiensten op een ander vlak.
     Zo’n filosoof bestaat: Robert Nozick (1938 - 2002). Zijn essay ‘On the Randian Argument’ is om meerdere redenen opmerkelijk. Ten eerste polemiseert hij met Rand hoewel hij het ééns is met haar conclusie, namelijk dat het kapitalisme moreel kan worden gerechtvaardigd. Zijn kritiek betreft alleen de redenering. Ten tweede gebruikt hij om Rand te bekritiseren precies die redeneerprincipes die de filosofe zo na aan het hart liggen: de Aristotelische syllogistiek. Ten derde – en daar is het mij nu om te doen – gaat zijn filosofische kritiek op Rand samen met een grote literaire waardering. ‘Ik wil hier opmerken,’ schrijft Nozick, ‘dat ik haar twee grote romans boeiend, levendig, verhelderend en inspirerend vond.’
    Ellen Deckwitz heeft ons over de respons op Ayn Rand niets voorgelogen –  wat dichters anders vaak doen.


* Rand wordt aangehaald omdat ze het boek schreef The Art of Fiction. Ze geeft daarin aan beginnende schrijvers onder andere de raad om slecht geschreven boeken te lezen. Daaruit kun je leren hoe het niet moet.