Posts tonen met het label Geraard Goossens. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Geraard Goossens. Alle posts tonen

zaterdag 23 juli 2022

Kortjes


Leeuwenvlaggen. Mijn grootmoeder kwam uit een belgicistische familie. Haar broers, die aan het IJzerfront gevochten hadden, waren lid van de Nationale Strijdersbond (NSB), en niet van de rivaliserende Vlaamse Oud Strijders (VOS). Mijn grootmoeder hield dan ook niet van leeuwenvlaggen. Die volledig zwarte vlag, dat kon er nog mee door zei zij, maar die vlag met de rode klauwen, dat was die van de fanatici. Die klauwen, die zagen rood van het bloed. Brrr.

Lief voor Groen. In het Het Nieuwsblad (22 juli) becommentarieert Farid El Mabrouk de houding van Groen/Ecolo tegenover kernenergie. Eerst een onvoorwaardelijke kernuitstap, dan een onrealistische strategie tegenover Engie, en ten slotte de grote bocht. Conclusie van El Mabrouk: ‘‘Straks kan niemand nog met veel aplomb zeggen dat de groenen dogmatische warhoofden zijn.’ Tja.

Communistische scheldwoorden. De communistische traditie is rijk aan genuanceerde scheldwoorden. Zo is er een belangrijk verschil tussen ‘vuile trotskist’ en een ‘trotskist’ tout court. Het eerste wordt gebruikt voor de aanhangers van Trotski, het tweede voor iedereen die binnen de partij of beweging iets zegt of doet wat de leiding niet aanstaat. Zo had je begin de jaren zeventig een Comité Joseph Staline pour l'Unité rouge. Ludo Martens noemde die lui ‘trotskisten’.

Achteromkijken. Ik heb al meer dan dertig jaar last van een stijve nek.  Dat is vooral gevaarlijk als ik met de fiets een straat wil oversteken. Mijn nek blijft halverwege steken. Maar van de week vertelde mijn kinesiste terloops dat je je hoofd veel verder kunt draaien als je je kin naar beneden houdt en over je schouder draait. Ik heb het onmiddellijk geprobeerd en het werkte. Had ik wat beter opgelet tijdens de Ronde van Frankrijk, had ik gezien dat de renners altijd zo achterom kijken.

Oude films. Midden de jaren zeventig begon ik televisie te kijken. Je kon in die tijd nog van die heerlijke oude films zien op zaterdagmiddag of zondagavond. Films uit de jaren veertig en vijftig, films die toen dus twintig of dertig jaar oud waren. Nu laten ze die films niet meer zien. Ik vraag me af waarom. Nu spelen ze veel jongere films, uit de jaren tachtig en negentig enzo. Of wacht …

Feestelijk bedanken. Elke taal zal wel de mogelijkheid hebben om iemand te bedanken. Maar die mogelijkheid staat blijkbaar open voor spottend gebruik. ‘bedankt hoor!’, ‘feestelijk bedanken’, ‘toch bedankt’. In het Engels hoor je ‘thank you very much’ (met stijgende intonatie), ‘thank you for nothing’, ‘thanks but no thanks’. In het Frans ken ik ‘merci quand-même’, een bedankje als troostprijs.

Nouvelle vague. Mijn vader was geen voorstander van de Nouvelle vague in de film. In een van die films, van Vadim of Goddard geloof ik, kwam er een scène van een man die op een toilet zat. Mijn vader vond dat getuigen van slechte smaak. Later draaide hij wat bij, vooral als het om films van Louise Malle ging. Ik vertelde dat ik onlangs L’année dernière à Marienbad gezien had. Mijn vader had die niet gezien en wou weten hoe die was. ‘Nogal pretentieus,’ zei ik.  ‘Maar die film kreeg toch heel goede kritieken,’ antwoorde mijn vader. ‘En speelde Delphine Seyrig niet mee in die film?’ Ja, als Delphine Seyrig meespeelde mocht een film een beetje pretentieus zijn.

De maskers vallen af. Er bestaan clichés waar je veel pret aan kunt beleven. Het verontwaardigde ‘de maskers vallen af,’ is er zo een. Mijn FB-vriend Geraard Goossens kan zijn pret niet op als die uitdrukking valt. Desnoods gebruikt hij ze zelf. Maar nu lees ik dat Margueritte Yourcenar een toneelstuk heeft geschreven dat heet: Elektra: de maskers vallen af. Wat zou Geraard daarvan denken?

donderdag 4 maart 2021

Dekolonisering van het denken


      Op zijn Facebook-pagina heeft de onwaarschijnlijk erudiete Geraard Goossens twintig recente uitspraken verzameld uit de academische, culturele en literaire wereld waar voortdurend woorden als ‘dekolonisatie’, ‘dekoloniseringstraject’, ‘colonial frameworks’, ‘koloniale restanten’ en ‘koloniaal denken’ in voorkomen. Wie voor het eerst op ontdekkingsreis gaat (oei) in dat culturele oerwoud (ai) is dan enigszins verbaasd. Is die dekolonisering, vraagt hij zich af, niet iets van rond 1960, zestig jaar geleden dus? Veel mensen die toen leefden zijn al dood. Maar zo goedkoop kom je er niet vanaf. De Westerse slavenhandel is iets van tweehonderd jaar geleden en toch is het ‘thema’ nu ‘brandend actueel’. Bovendien gaat het om de ‘decolonization of the mind’, en wat zich in de menselijke geest afspeelt, je wilt het soms liever niet weten.
     Nu is ook de dekolonisering van de geest en van het denken geen nieuwe kwestie. Toen ik een jaar of zestien was probeerde ik het boek van Frantz Fanon te lezen De verworpenen der aarde. Erg ver ben ik er niet in gekomen en dat zal nu niet meer veranderen. Op mijn leeftijd besef je dat je niet meer alle boeken kunt lezen die ooit geschreven zijn, en dat je ze eigenlijk ook niet allemaal wilt lezen. Maar ik had toen, vijftig jaar geleden, toch begrepen dat Fanon zich bezighield met de ‘psychologische gevolgen van het kolonialisme’.
     Ik geloof graag dat die gevolgen erg groot waren. De blanke man arriveerde met zijn tropenhelm op het zwarte continent, onderwierp de plaatselijke bevolking aan zijn gezag, en voelde zich cultureel, intellectueel, moreel en religieus oneindig superieur. De inboorlingen dienden zich gewillig op te stellen, in het besef van hun minderwaardigheid. Ze waren in het beste geval kinderen die, als ze flink hun best deden, konden hopen om ooit een beetje op blanken te gelijken. In Congolese scholen zeiden de leerlingen, naar het schijnt, hun lesjes op over ‘onze voorvaderen, de Oude Belgen’, of misschien was het eerder over 
nos ancêtres, les Gaulois.
     Dat zijn ongetwijfeld zaken die hun sporen hebben nagelaten, maar dan niet zozeer in Europa als wel in Afrika zelf. Daar moeten de ex-gekoloniseerden, hun kinderen, hun kleinkinderen en hun achterkleinkinderen gaan uitzoeken hoe ze met dat verleden willen omgaan. Willen ze met nostalgie terugblikken op florerende plantages, stipt betaalde lonen, goed onderhouden wegen – dan is dat hun zaak. Willen ze zich verbitterd opwinden over de hautaine bevelen, de chicotte en al de plekken die voor zwarten niet toegankelijk waren – mij ook goed. Willen ze uit wraakzucht de blanke multinationals buitengooien en de Chinese binnenhalen – waarom niet? Willen ze, om de Britten een loer te draaien, niet meer in het Engels schrijven, maar in een Afrikaanse taal, zoals Ngugi wa Thiong’o? Prima. Willen ze ondanks voorgaande verklaringen toch in het Engels blijven schrijven, zoals Ngugi wa Thiong’o? Ook prima. Willen ze, op een continent met een heel jonge bevolking – in de meeste landen is de gemiddelde leeftijd lager dan 20 jaar – willen ze dus op zon continent het verleden laten rusten en vooral aan de toekomst denken – misschien is zelfs dat zo dwaas nog niet. Die Afrikanen moeten het in elk geval zelf uitzoeken. Ik of pater Firmin of kameraad Sartre kunnen hen daar niet veel bij helpen. Die twee laatste zijn trouwens dood.
     En de gevolgen van het kolonialisme voor het denken van de Europeaan? Die vallen wel mee, geloof ik. De koloniale mentaliteit had enige invloed op de generatie van mijn ouders. Mijn moeder had een vriendin die non werd en een kloosterschool ging leiden in Congo. Mijn vader had een vriend die pater werd en missioneringswerk deed in Azië. Die non en die pater vertelden wel eens een verhaal dat, vriendelijk gezegd, paternalistisch gekleurd was. In mijn kindertijd heb ik dat paternalisme zelf ook nog enigszins gekend*. Bij onze apotheker stond een spaarpot voor de ‘missies’, in de vorm van een zwart kind. Als je een cent in de gleuf stopte, knikte het kinderkopje dankbaar. Ik zeg niet dat die aldus verzamelde centjes slecht gebruikt werden in Afrika, maar toch vond ik die beeldjes toen al een beetje beschamend. Ik ben blij dat er geen staat bij de apotheker waar ik nu kom.
    Ja maar, en het racisme dan? Ja … het racisme … Kijk, er zal wel een samenhang bestaan tussen tussen het oude koloniale superioriteitsgevoel en het moderne Westerse racisme. Zeker is dat er heel veel studies over bestaan. Maar erg groot kan die samenhang niet zijn. In landen die nooit kolonies hadden zoals Polen of Hongarije zullen heus wel racisten rondlopen. Omgekeerd treft het blanke racisme niet alleen allochtonen die uit ex-kolonies afkomstig zijn. Europa heeft zijn joden gehaat lang voor het kolonies had. En in landen als Duitsland, Nederland en België krijgen ook Turken af te rekenen met racisme, hoewel het Ottomaanse rijk, waar het huidige Turkije uit voortkomt, niet meteen een kolonie was – eerder het omgekeerde. Wie het racisme wil bestrijden en zich beperkt tot het deel dat met koloniaal denken te maken heeft, riskeert 90 procent van zijn doelwit te missen. Dat zou bitter zijn.
     Wat verder opvalt aan het recente antikoloniale discours van de culturele wereld is de stroeve, abstracte taal, de ‘langue de bois’ zoals de Fransen zeggen. Als een dramaturge zegt dat de ‘mentale infrastructuur die de kolonisatie schraagde tot vandaag in stand wordt gehouden’ kan ik niet anders dan mij afvragen wat ze eigenlijk bedoelt. Zou ze het zelf weten? Dezelfde vraag heb ik als iemand anders zegt dat de Brusselse cultuurinstellingen, waar het op dekolonisering aankomt, ‘goed zitten voor de institutionele kant en positionering’ maar dat anderzijds de ‘nieuwe blik nog niet is doorgedrongen in de manier van werken.’ Ik zal nog eerder het woord ‘positionering’ begrijpen dan de uitdrukking ‘manier van werken’.
     Zou het niet allemaal eenvoudiger zijn als er een ‘eisenplatform’ werd opgesteld, een ‘klèr en doidelijk aisenplàtform’ zoals een jeugdvriend van mij dat indertijd verwoordde. Als ik de twintig uitspraken die Goossens bij elkaar sprokkelde met die bril lees, krijg ik er wel een idee van hoe dat eruit kan zien. Meer toneelstukken over de kolonisatie! Meer andersgekleurde acteurs, regisseurs en directeurs! Meer en positievere recensies van boeken over kolonialisme die geschreven zijn door andersgekleurde schrijvers! Een ander vocabularium, met woorden als ‘wit’ in plaats van ‘blank’! Meer geschiedenisles over de wreedheid van het kolonialisme! Verwijdering van alle standbeelden van Leopold II! Onmiddellijke verscheping van alle negerbeeldjes* naar de landen waar ze gemaakt zijn! Vaker het woord ‘dekolonisering’ in de titel van folders, interviews en seminaries! Zoiets ongeveer. Ben ik iets vergeten? En heb ik ongelijk als ik zeg dat het allemaal erg weinig om de hakken heeft?
     In de loop der jaren heb ik mijzelf een trucje aangeleerd om de scherpe kantjes eraf te halen als ik ergerlijke onzin tegenkom. Ik stel mij dan de vraag wat dat voor mij betekent. Neem nu dat denkbeeldige eisenplatform. Wat heb ik daarmee te maken. Ik ga niet vaak naar theater. Voor boeken ga ik niet af op recensies. Ikzelf blijf ‘blank’ zeggen en schrijven, en niet ‘wit’, en een knappe jongen die mij dat belet. Folders en interviews waar het woord ‘dekolonisering’ in voorkomt, lees ik niet. Dat laat ik aan Geraard Goossens over. Verder ben ik alleen gehecht aan het standbeeld van Leopold I - niet II - in De Panne, een standbeeld dat ik tijdens de zomervakanties van mijn kinderjaren in de verte zag staan als ik even van mijn zandkastelen opkeek.
     Alleen die geschiedenislessen zitten mij, als oud-leraar, dwars. Als men een extra pakket lessen wil toevoegen over kolonisatie en dekolonisatie, naast de lessen die daar nu al over gaan, welke lessen wil men dan afschaffen? Die over de Bourgondiërs? Maar daar gaan de geschiedenislessen al lang niet meer over, terwijl nochtans blijkt, uit de verkoopcijfers van een recent boek, dat daar enige belangstelling voor bestaat.

 * Zie ook hier, waaruit blijkt dat het nog altijd erger kan.

 ** Bijvoorbeeld het beeldje dat zich in de nalatenschap van L-P Boon moet bevinden, ‘een postuurken dat we gekregen hadden van iemand die in Congo had gezeten, een zeer schoon negerinnenkopken uit zwart hout, waar ik 2 volle dagen gelukkig was mee geweest’.

 

zaterdag 28 november 2020

De SP.A bestrijdt nepnieuws

 


     Af en toe lees je ook goed nieuws in de krant. ‘SP.A wil leden van het Vlaams Parlement die nepnieuws verspreiden, een sanctie kunnen opleggen.’ (zie hier) De partij wil daarvoor de deontologische commissie inschakelen. Het voorstel krijgt kritiek van iedereen: van Groen, van N-VA, van CD&V, maar zo gaat dat altijd als je aan komt dragen met gedurfde, vernieuwende voorstellen. De tijd is wellicht nog niet rijp. Maar wat niet is, kan nog komen. En ondertussen kunnen we ons al over de volgende stappen beraden.
     Ik lees dat Benjamin Dalle, de Vlaamse minister van Media 29 miljoen wil investeren in een factcheckplatform om politiek nepnieuws aan te pakken. In 2018 al had Alexander De Croo als federale minister van Digitale Agenda beslist om de strijd tegen nepnieuws aan te binden, en het ‘evenwicht tussen vrijheid van meningsuiting enerzijds en maatregelen tegen desinformatie anderzijds’ te bewaken (zie hier). Alexander had gelijk wat de grond van de zaak betreft. Als het om vrijheid van meningsuiting gaat, moet vooral het ‘evenwicht’ in het oog worden gehouden, want straks zegt iedereen waar hij zin in heeft.  En daar kunnen Schadelijke Dingen bij zijn. Maar … Vlaams, federaal, Media, Digitale Agenda …  wordt het geen tijd om iets te doen aan de versnipperde bevoegdheden? Waarom geen eengemaakt ministerie van Waarheid opgericht? Federaal natuurlijk. Het is beter op te komen vóór iets – de waarheid – dan tégen iets – nepnieuws. Er moet nog ergens een blauwdruk liggen voor zo’n ministerie. Eens kijken onder de O van Orwell of de B van Blair. 
     En dan kunnen we nóg een vraag stellen. Waarom die strijd beperken tot nepnieuws, met andere woorden tot de nep van nu? Zijn er dan geen problemen met het verleden? Bestaan er geen schoolboeken en historische werken waarin de misdaden van Leopold II onvoldoende aandacht krijgen? Nepgeschiedenis, zou je kunnen zeggen. Kunnen die boeken zomaar op de planken van openbare bibliotheken blijven liggen, waar iedereen ze mee kan nemen. En wat met de toekomst? Ook hier ligt een onontgonnen terrein. Wat doe je met mensen die beweren dat het binnen vijftig jaar met de migratie wel mee zal vallen maar dat Vlaanderen overstroomd zal zijn wegens de klimaatverandering? Of omgekeerd – want ik ben even vergeten welke toekomstige feiten hier juist nep zijn. Maar je begrijpt waar ik naartoe wil.
     Helaas zijn dat allemaal nog toekomstdromen. Ondertussen moeten we het doen met het voorstel van SP.A. dat dus parlementsleden wil controleren en sanctioneren. En zelfs met dat voorstel moet ervoor worden gezorgd dat er geen misverstanden ontstaan. Frank Vandenbroucke bijvoorbeeld kwam gisteren op de televisie vertellen dat de sluiting van de niet-essentiële winkels ‘eigenlijk’ een ‘psychologische’ maatregel was en dat winkelen op zich niet riskant is.* Een maand geleden liet hij ongeveer het tegenovergestelde verstaan.
    Heeft Vandenbroucke nu minstens één keer nepnieuws verspreid over de veiligheid van het winkelen, hetzij gisteren, hetzij een maand geleden? Daar kun je van mening over verschillen. Dezelfde discussie had je over de communicatiebocht rond de mondkapjes. Ik citeer hier graag Jean-Pierre Rawie, de enige hedendaagse dichter uit ons taalgebied, samen met Koenraad Goudeseune, die ik ongeveer begrijp. ‘Over die mombakkesen,’ schrijft Rawie, ‘wil ik nog één keer iets zeggen, waarna ik er voor eeuwig over zwijgen zal. Iets kan niet de ene dag zinloos, en daags nadien van levensbelang zijn, dus ofwel, de over ons gestelden hebben ons gedurende meer dan een half jaar op ten hemel schreiende wijze misleid, of we worden nú belazerd; tertium non datur. Zo dat is eruit.’ (Zie hier)** 
     Maar Rawie ziet in zijn simpelheid een zaak over het hoofd. Er is niet alleen waarheid en leugen, er is ook nog de Goede Zaak. Nepnieuws is niet echt nep als het de Goede Zaak dient. Dat wist men al in de Oostenrijkse dubbelmonarchie. Joseph Roth beschrijft in De Radetzkymars hoe luitenant Trotta tijdens een veldslag keizer-koning Frans-Jozef op de grond gooit, en hem zo redt van een vijandelijke kogel. Dat verhaal wordt later in de schoolboekjes weergegeven als een heldhaftig gevecht waarin de keizer en de luitenant met blanke sabel tientallen vijanden over de kling jagen. Als de luitenant, ondertussen von Trotta, protesteert tegen die nepnieuws versie, wordt erop gewezen dat het boek bestemd is voor kleine kinderen, en die hebben niets aan een in alle details correct verhaal. Zolang de boodschap maar duidelijk is. En zou dat laatste ook niet gelden, moet Frank gedacht hebben, voor die grote kleine kinderen die we volwassenen noemen?
     Ik heb mij, zie ik achteraf, overigens zorgen gemaakt om niets. Nu ik het voorstel van SP.A opnieuw bekijk: ze hebben aan álles gedacht. Hun Frank blijft natúúrlijk buiten schot. Het voorstel geldt alleen verkózen parlementsleden. Ministers die geen parlementslid zijn en die niet verkozen zijn, moeten zich geen zorgen maken. Oef.

* Zie hier. Ik transcribeer een stukje uit het Terzake-interview:

-   Goeienavond meneer Vandenbroucke. Dank om bij ons te zijn.
-    Goeienavond.
-   Ja, er zijn een aantal heel voorzichtige versoepelingen aangekondigd, zullen we het zeggen, we hebben er al een aantal besproken in de uitzending. Bent u zeker dat met wat vandaag bepaald is, dat we niet opnieuw richting een derde golf gaan, dat het niet opnieuw omhoog zou gaan.
-    Je bent alleen maar zeker als natuurlijk voldoende mensen blijven al deze maatregelen opvolgen, wat ze eigenlijk vandaag ook doen. Dus we versoepelen niet, hè. We worden strenger met betrekking tot het buitenland. Buitenlandse reizen worden absoluut afgeraden. Wie het toch wil doen: quarantaine en de politie zal het controleren.
-   Maar wat winkelen betreft …
-   Winkelen is eigenlijk geen groot risico als dat gebeurt op een heel goed gecontroleerde manier …
-    Waarom zijn ze dan een tijdje geleden gesloten eigenlijk?
-    Omdat je op een bepaald moment eigenlijk een beetje een schokbeslissing moet nemen. Je moet echt een schokeffect krijgen en daar hoort bij dat je zegt: niet-essentiële winkels ook onmiddellijk dicht. 
-   Het was meer psychologisch …
-    Ja …
-     … dan een reële nood, of dan een reëel veiligheidsgevaar?
-  Wel, nee. Ik denk dat dat echt een goeie beslissing was. Op een bepaald moment moet je eigenlijk zeggen: den blok erop, zodanig dat het duidelijk is. En dan, als je dan terug een beetje perspectief krijgt, kan je zeggen, ja, wat eigenlijk niet riskant is, namelijk één iemand die alleen naar een winkel gaat en daar snel iets koopt en terugkomt, dat kan je dan wel doen. 

** Met dank aan Geraard Goossens die mij opmerkzaam maakte op het stuk van Rawie.

zondag 5 januari 2020

Arme, domme muziek


    Ik was al enkele dagen aan het nadenken over een stukje in de stijl van ‘Georg Friedrich Händel en ik’*. Dan is de vraag: waarmee begin je? Met een Latijns proverbium? Een algemene beschouwing? Iets over de Beatles en de Rolling Stones? Die laatste kaart heb ik eergisteren al op tafel gegooid**.
 En zie. Nu heeft mijn Facebookvriend Geraard Goossens mij vanmorgen een interview met Philippe Herreweghe doorgespeeld dat erg bruikbaar is voor mijn doel***. De bekende dirigent geeft daar als zijn mening te kennen dat de barokperiode in de muziek de armste en domste periode is die hij kent. Dat verklaart ongetwijfeld mijn voorkeur voor die periode. Voor Bach wil hij een uitzondering, maken, en voor Monteverdi, ook al vindt hij die laatste – terecht geloof ik – eerder een renaissancecomponist. Maar Telemann, Charpentier en Händel, die zou Herreweghe in de jaren die hem nog resten nooit willen dirigeren. Voor het geld moet hij het niet doen, want hij heeft al een huis en een tweede huis.
     Ik zou de muziek van die drie componisten ook niet willen dirigeren, en in de jaren die mijn nog resten, zal ik er ook niet vaak naar luisteren. Dat is ooit anders geweest. Ik had indertijd in de auto enkele muziekcassettes liggen met Händelmuziek erop. Het vaakst luisterde ik naar de opera over koning Salomon.
     De muziekcassette heeft met de e-reader gemeen dat ze een lineair gebruik opdringt. Je kunt niet zoals in een dichtbundel, meteen dat ene gedicht opslaan dat je graag eens wilt herlezen. Je kunt ook niet, zoals met een cd-speler of een mobieltje telkens hetzelfde nummer laten herhalen, zoals ik nu doe met variatie 25 van de Goldbergverzameling. Waarom luisteren naar variatie 24 en 26 als 25 de mooiste is?****
     De cassette met de opera over de wijze koning beluisterde ik dus in zijn geheel. Maar, en nu moet ik Herreweghe gelijk geven, zowel muziek als tekst begonnen mij op de duur te vervelen. Dezelfde noten en dezelfde woorden werden eindeloos herhaald. ‘Thy sentence, great king, is prudent and wise’, opnieuw en opnieuw en opnieuw en opnieuw.
     Je denkt nu bij jezelf: Clerick, als die koning Salomon je verveelde, waarom liet je dat bandje dan telkens weer afspelen? Eigenlijk deed ik dat alleen voor één kort stukje. En om bij dat korte stukje te komen moest ik eerst de hele cassette afspelen, en om er opnieuw bij te komen, moest ik de andere kant ook nog eens afspelen. De terugspoelknop ingedrukt houden terwijl ik een auto bestuurde, zou ik niet gedurfd hebben. Dat is te gevaarlijk.
    Nu wil de lieve lezer graag weten voor welk stukje ik de hele cassette doorliep? Het gaat om een aria uit de derde scène van het tweede bedrijf. Twee vrouwen – ‘harlots’, staat er in het libretto –  hebben onlangs een kind gebaard en een van die kinderen is overleden. De twee moeders beweren allebei dat het nog levende kind het hunne is. Ze leggen het probleem voor aan de koning die, bij gebrek aan overtuigend bewijsmateriaal, beslist om het kind in twee stukken te laten snijden, voor elke moeder één. De tweede ‘harlot’ vindt de beslissing ‘prudent and wise’ en wordt niet moe dat te herhalen. Maar dan komt de eerste ‘harlot’ aan het woord. Die kan de gedachte niet verdragen dat het zwaard in het tere vlees van het kind zou snijden. Ze stelt zich levendig voor hoe het bloed uit het lichaampje zou vloeien.

Can I see my infant gor’d
With the fierce relentless sword?
Can I see him yield his breath,
Smiling at the hand of death?
And behold the purple tides
Gushing down his tender sides?
Rather be my hopes beguil’d,
Take him all, but spare my child.

     Je moet geloof ik een hart van steen hebben om niet iedere keer weer ontroerd te worden bij de woorden ‘gushing down his tender side’. Toch is het niet meer dan mi-mi-mi (telkens mol) en re-re-re-re, van verschillende lengte weliswaar, en versierd met een eenvoudige harmonie op de achtergrond. En je moet de noten die er juist aan voorafgaan ook enigszins in rekening brengen.
      De aria vind je hier vanaf 1:26:15. Het ‘gushing down’ begint vanaf 1:27:56. 

* Zo’n stukje schreef ik hier al. 
** Zie ook hier
*** Hier, vooral vanaf 11’50’’
**** Zie ook hier.