Posts tonen met het label Kerstmis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kerstmis. Alle posts tonen

zaterdag 24 december 2016

Kerstcadeau's anno 973


Ekkehard, Praxedis en Hadwig
      Wat is het ideale kerstcadeau? De vraag hield de bewoners van het kasteel op de Hohentwiel bezig toen kerstmis 973* naderde. Als het om oude bekenden gaat, maakt men zich soms minder druk, maar nieuw verworven vrienden vragen enig overleg. En er waren nieuw verworven vrienden daar op de Hohentwiel. De kasteelvrouw Hadwig had de schone monnik Ekkehard in huis gehaald en de gezelschapsdame Praxedis had oogcontact gehad met Romeias, de portier van het klooster in Sankt-Gallen.
     De portier was een praktisch man en redeneerde dat de liefde van de vrouw door de maag gaat. Hoe kwam hij erbij? Hij schonk de aanbeden Praxedis een groot korhoen ‘dat met gespreide vleugels ongeveer de lengte had van een man’. Er was een briefje bij met allerlei goede raad over de bereiding van de vogel. Het belangrijkste was dat bij aanwezigheid van gasten, de gezelschapsdame het witte vlees bij de ruggengraat zelf moest opeten. Het bruine vlees smaakte naar hars en kon aan de tafelgenoten worden overgelaten.
     Hadwig, die stiekem verliefd was op Ekkehard, redeneerde dat echte mannen vooral bezig zijn met hun uiterlijk en met mooie kleren. Hoe kwam ze erbij? Ze had voor de monnik een sierlijke priesterhoed van fluweel gemaakt, versierd met gouddraad, zwarte zijde en parels.
     Ekkehard ten slotte, die misschien ook wel verliefd was op Hadwig maar daar zelf niet van op de hoogte was, redeneerde dat een vrouw boven alles gesteld was op een galant complimentje, wat bewijst dat hij niet helemaal wereldvreemd was. Hij begon te werken aan een lofdicht op de kasteelvrouw. Zijn eerste plan was om in korte trekken de geschiedenis der mensheid te schetsen om dan te eindigen met het tijdstip dat hertogin Hadwig de heerschappij over Zwaben aanvaardde. Maar na honderd regels was hij nog niet verder dan koning David. Dan nam hij zich voor om een opsomming te maken van de meest ontzagwekkende vrouwen uit het verleden tot en met de tiende eeuw - Semiramis, Judith, Sappho - maar toen hij aan Hadwig gekomen was, waren zijn loftuitingen uitgeput. Ten slotte gaf Praxedis hem een goede raad: ‘Doe gewoon.’ Ekkehard maakte daarop een kort gedicht waarin hij de gezellige uurtjes opriep waarin hij samen met de kasteelvrouw Vergilius las en vertaalde.
     De hertogin was ontroerd.



* Dit kerstfeest in 973 levert het onweerlegbare bewijs dat Kerstmis niet werd uitgevonden door Ch. D. zoals door sommigen wordt beweerd (hier, zie ook hier). De details van het kerstfeest op de Hohentwiel zijn opgeschreven door Von Scheffel in het romantische boek Ekkehard, waar ik vroeger al eens twee stukjes over heb geschreven (hier en hier).

donderdag 24 december 2015

Kerstnacht op Ekeby

Het plaatje is van Anton Pieck,
waar Karel van het Reve zo'n bezwaar tegen had
     In de boekenkast van mijn goede vader staan naast elkaar zes, zeven deeltjes in eendere grijs-bruine bandjes: iets van Strindberg, de Verhalen van Poesjkin, het eerste hoofdstuk van Canterbury Tales met uitgebreide aantekeningen … Het lijvigste van die deeltjes is Gösta Berling van Selma Lagerlöf. Ik las het enkele keren toen ik dertien was. Een kennis des huizes vroeg me, toen ze me erin zag lezen: ‘’t Is zeker iets hoogs?’
     Het boek is geschreven op het einde, maar speelt in het begin van de negentiende eeuw. Het gaat over een rijke majoorsvrouw, de Majoorske. Ze woont op een kasteel in het Zweedse Ekeby en ze heeft rondom zich een hofhouding van kleurrijke figuren verzameld, de twaalf ‘cavaliers’: gepensioneerde officieren, verarmde edellieden, muzikanten, woeste jagers, koppige kaartspelers … ‘Geen eendagsvliegen,’ schrijft Lagerlöf in haar ritmische stijl, ‘geen modejonkers, maar mannen, moedige sterke mannen. Geen uitgedroogde perkamenten, geen dichtgesnoerde geldzakken, maar arme zorgeloze mannen. Geen slaperige thuiszitters, die ’t hoofd laten hangen, maar rondzwervende mannen, blijde ridders met honderd avonturen, die nooit iets doen dat wijs of nuttig of oudewijfachtig is.’ En onder die cavaliers is Gösta Berling, de afgezette dominee, die altijd met vrouwen van doen heeft.
     Het eerste hoofdstuk van het boek heet ‘Kerstnacht’. Terwijl brave mensen in boshutten zich klaarmaken om naar de kerkdienst te vertrekken, houden de cavaliers een drinkgelag in de smidse van het kasteel. Ze zitten rond een grote koperen ketel waarin de blauwe vlam flikkert van de hete, zoete punch. Gösta Berling houdt een hoogdravende tafelrede, vol mythologische verwijzingen. Dan zetten de cavaliers de stoelen weg, doen een rondedans en gaan op de vloer liggen, rond de punchketel die van mond tot mond gaat, tot hij wordt omgeduwd en de kleverige drank op de dronken cavaliers terecht komt. Ook is er die nacht een onverwachte gast, zoals je kunt zien op het plaatje.
     Selma Lagerlöf is een goeddeels vergeten schrijfster. Ooit was ze gevierd. Haar werk werd verfilmd en vertaald in alle beschaafde talen – maar toch vooral in het Duits, want die Duitsers houden van boeken met dennenbossen. In 1909 kreeg ze de Nobelprijs voor Literatuur. De jonge Karl Popper vond haar boeken prachtig1 en Menno ter Braak noemde Gösta Berling ‘het boek waarmee we onze beste romantische uren beleefden’.
     Maar heb je eigenlijk iets aan zo’n boek als je niet in de negentiende maar in de eenentwintigste eeuw leeft, en je bent geen Duitser, en ook geen dertien jaar meer? Ik herlas het boek niet zo lang geleden, op vakantie in Sorrento. Bij dat herlezen valt mij altijd op dat die nieuwe lezing zich niet in het geheugen nestelt. Díe plaats in het geheugen wordt al ingenomen door de vorige lezing. Als ik mij nu Gösta Berling voor de geest haal, herinner ik mij het boek van zevenenveertig jaar geleden, en niet dat van kortgeleden. Maar verder maakte het boek op de bijna zestigjarige ongeveer dezelfde indruk als op dertienjarige. De hoofdstukken die mij nu het meeste bevielen, waren de hoofdstukken die mij toen ook het beste meegevallen waren: de kerstnacht in de smidse; Gösta en Anna achtervolgd door de wolven; de Boze – hij wiens naam men niet noemen mag –  die op zondagmiddag op bezoek komt bij de oude Ulrika; ‘mijn bleke vriend, de Dood,’  die aarzelt voor de deur van kapitein Ugla; de eerzuchtige filosoof Eberhard die uit liefde voor de gravin zijn alleszermalmende werk niet openbaar maakt, maar het verstopt in een kist onder de trap van de kerk in Svartsjö. En ook omgekeerd: de hoofdstukken die me toentertijd het minste bevielen, die waren ook dezelfde gebleven: over de uitvinder Kevenhüller, over de heks van Dövre, en nog een paar.
    Onlangs zag ik dat er van het boek een nieuwe Nederlandse vertaling uit is, van een zekere Greta Baars-Jelgersma. Daar kan ik niet akkoord mee gaan. Er is maar één vertaling en dat is die van Margaretha Meyboom uit 1919, in de oude spelling en met ‘jelui’ in plaats van ‘jullie’. Bij antiqbook.be zijn er nog enkele exemplaren van te krijgen, maar na dit blogpostje zul je snel moeten zijn.

1 Behalve Gösta Berling, mais passons.
 

vrijdag 4 september 2015

Wie was de uitvinder van Kerstmis?

    Kerstmis werd uitgevonden in 1843 door Charles Dickens. Ja … ook vóór ‘A Christmas Carol’ werd wel eens een kerstboom versierd, werd een pakje geopend, werd een stemmig liedje gezongen. Dickens maakte er een rage van. Met plumpudding en kalkoen en zoete sterke drank - een orgie van goede wil en goede voornemens. ‘Happy Christmas’ werd ‘Merry Christmas’ en vanaf 1846 werden de eerste kerstkaartjes verstuurd.     Dickens’ boekje werd uitgebracht in een roodlinnen band, met gouden opdruk en verguld op snee.  Het kostte vijf shilling, misschien iets te duur voor het gezin Cratchit dat niet eens de dokter kon betalen voor Tiny Tim.
    Als we rond deze tijd van het jaar de behoefte niet kunnen onderdrukken om sentimenteel te doen, laten we dan tenminste onszelf betrekken in onze kerstwensen. In de woorden van kleine Tim: ‘God bless us all, everyone.’


Oorspronkelijk geplaatst op 26 december 2014