Posts tonen met het label Leo Van Broeck. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Leo Van Broeck. Alle posts tonen

vrijdag 5 augustus 2022

Links en rechts in het theater


Dit stukje gaat niet over cour en jardin, mocht je dat soms denken, of over andere manieren om aan te duiden waar een acteur zich op het podium bevindt. Het gaat over het politieke links’ en rechts.

     Dus. Vanmorgen zag ik hier op de Zeedijk de bekende Vlaamse acteur Peter Van den Eede voorbij-joggen. ‘Dat zie je ook niet in Fermettegem,’ zou ex-Vlaamse Bouwmeester Leo Van Broeck in zo’n geval gezegd hebben*. Zelf vond ik  het vooral leuk omdat ik Peter gisteren nog aan het werk had gezien in het toneelstuk De nieuwe man. 
     ’t Was een mooi stuk. Goed geacteerd, vinnige dialogen, absurde toestanden en, als het moest, Grote Gevoelens. Ook de verhaallijn was aanvaardbaar. Een gewezen stel geliefden, Peter en Natali, ontmoeten elkaar na twintig jaar – misschien is het toeval, misschien ook niet – op een vliegveld in Rome. Ze drinken een koffie en spreken over de goeie ouwe tijd, en over wat er toen mis is gegaan. Ze kennen elkaars eigenaardigheden nog en doen daar allerlei leuke dingen mee.
     Dan volgt een coup de théatre zoals je die nu eenmaal in het theater ziet: Natali, die vroeger links was zoals iedereen, is ondertussen rechts geworden, en lid van Lega Nord. Peter is razend. Natali is een fasciste, heeft de kunst en de transcendentie verraden, heeft alles besmet wat op deze wereld de moeite is. De arme vrouw verdedigt zich. Ze houdt nog altijd van kunst en schoonheid, ze is géén fasciste en ze heeft niets tegen migranten als ze ‘zich aanpassen en inburgeren’. Dat laatste vind ik een goede houding, maar Peter snuift minachtend en lacht schamper.
     Natali schakelt naar een hogere versnelling. Ze staat niet alleen, zegt ze. ‘Van alle richtingen, waarin de mensen de afgelopen twintig jaar hadden kunnen veranderen zijn de meeste net als ik in deze richting veranderd.’ Dat kan best wel eens waar zijn. Ikzelf ben ook ‘in deze richting veranderd’ al is het meer dan twintig jaar geleden**. Maar als argument is de bewering waardeloos. De meeste mensen … ja, als we zo beginnen … 
    Natali beseft ook wel dat we met ‘de meeste mensen’ niet verder komen. Dus zet ze nog een tandje bij.  ‘Ik heb mij op links alleen maar slecht gevoeld … Ik vond het zo’n bevrijding eindelijk inconsequent te mogen zijn … op rechts moogt ge ten minste liegen en bedriegen … op rechts moogt ge alles.’
     Die woorden worden door de auteurs van het stuk in de mond van Natali gelegd, die zelf rechts zou moeten zijn, maar die hier toch een erg linkse kijk op rechts verwoordt: rechts is de vrijheid om alles wat slecht is op de wereld te omarmen. Hier doet De nieuwe man denken aan het monumentale toneelstuk Angels in America. Daar heb je de aan AIDS lijdende advocaat-politicus Roy Cohn die houdt van stevige uitspraken. ‘I’m not a homosexual. I am a heterosexual who fucks around with guys.’ Hij is rechts omdat hij houdt van de smerige realiteit, niet van de mooie dromen. En dan mag je zelf ook smerig zijn, vindt hij. ‘Was it legal? Fuck legal! Am I a nice man? Fuck nice!’ Kortom: rechts is smeerlapperij. 
     Ik heb geen bezwaar tegen die linkse kijk op rechts. Ieder zijn mening. Het is alleen wat raar als ze in het theater door een rechts personage wordt naar voren gebracht. Je krijgt dan een acteur die op scène verschijnt en uitroept: kijk eens hoe slecht ik ben! Het heeft iets melodramatisch. Maar veel toneel is melodrama natuurlijk. Shakespeare kon er ook wat van. Richard III komt op en begint meteen grijnslachend op te scheppen over zijn verdorven karakter en zijn boosaardige plannen. De slechte Roy Cohn en Natali bevinden zich hier in – hoe zal ik het zeggen – goed gezelschap. 
     Toch vind ik dat Natali haar voorbeelden van slechtheid beter had kunnen kiezen. ‘Rechts heeft de vrijheid om inconsequent te zijn,’ zegt zij. Ik zou denken dat het meestal omgekeerd is. Het zijn eerder de hoge principes van links die de aanhangers wel eens tot inconsequentie verleiden. We spreken dan van kaviaarsocialisten en saloncommunisten.
     Of neem die andere aanklacht. ‘Op rechts moogt ge liegen en bedriegen’. Misschien had ze beter alleen over dat ‘bedriegen’ gesproken. Dat liegen vind ik een beetje link. Ik zal niet beweren dat linkse mensen in het algemeen en linkse politici in het bijzonder een groter of kleiner aantal leugens vertellen dan hun rechtse evenknieën. Ik heb daar geen onderzoek naar gedaan. Maar ik heb wel altijd de indruk gehad dat links wat minder in de feiten geïnteresseerd is en wat meer in gemoraliseer over feiten. Minder in hoe de zaken ervoor staan, en meer in hoe de zaken ervoor zouden moeten staan. Misschien ga je dan makkelijker liegen tegen jezelf. 
     Of niet. Of omgekeerd. Dat is het leuke van theater. Je kunt een personage van alles laten zeggen zonder er eerst onderzoek naar te doen. En als het moet kun je een andere personage dan iets anders laten zeggen. 



 

* Zie mijn stukje hier.

** Ik weet al lang niet meer wat ‘links’ en ‘rechts’ precies betekent. Maar laatst las ik het boekje Het politieke links en rechts. Daarin legt Frits Bienfait uit dat je niet precies moet weten wat ‘links’ of ‘rechts’ betekent om je instinctief tot één van de kampen te rekenen die volgens hem minstens tot Sophocles teruggaan. Creon noemt hij rechts en Antigone links. Ik heb altijd veel begrip gehad voor Creon – vooral die van Anouilh. Misschien ben ik minder ‘geëvolueerd’ dan ik denk. 

zondag 13 oktober 2019

De 'kille' regering, de woonbonus en de jobbonus

     Tegen de nieuwe Vlaamse regering wordt aangevoerd dat ze ‘kil’ is. Je komt het woord overal tegen. Rzoska van Groen zegt bijvoorbeeld in de De Zondag: ‘Nieuwkomers moeten hogere drempels over … Werklozen moeten voortaan gemeenschapsdienst doen … De bouwmeester moet zich bezighouden met zijn kernopdracht … De regering wil spijbelen harder aanpakken … De VRT wordt in een [financieel] keurslijf gestopt. Ik vrees voor een kil en hardvochtig Vlaanderen.’
    Is dat wel een redelijke conclusie uit de opsomming die eraan voorafgaat? Het is alsof je zegt: mijn likdoorns doen pijn, onze kat heeft een muis gevangen, Rzoska is een sympathieke kerel, kortom: ik vrees voor een olielek in mijn auto.  Rzoska somt allemaal maatregelen op waar hij tegen en ik voor ben. Ben ik dan ook ‘kil’ en ‘hardvochtig’? Dat is wel een streng oordeel. En moet de warmte in ons land komen van de bouwmeester en van de VRT-directeuren? Ik heb hun foto’s eens bekeken.
     Rzoska heeft zich geloof ik laten meeslepen door het automatisme om van een kille regering te spreken ook als de context er zich niet goed toe leent. Maar als hij zijn best doet, kan hij wel betere voorbeelden vinden voor zijn stelling. Hij moet dan zwijgen over de gemeenschapsdienst, de bouwmeester en de VRT. In plaats daarvan moet hij de begroting afspeuren naar alle besparingen en besparinkjes. Want waar bespaard wordt is er altijd iemand die minder krijgt dan vroeger. Zo iemand voelt zich – heel begrijpelijk – in de kou gezet en zal in die barre toestand ontvankelijk zijn voor metaforen van een ‘kille’ regering. Als Rzoska even zoekt in de begrotingstabellen zal hij gemakkelijk veel van die maatregelen vinden.
     Bij die werkwijze zijn echter twee moeilijkheden. Ten eerste staan tegenover die besparingen – twee miljard  – ongeveer evenveel nieuwe uitgaven – ook twee miljard. Er zijn ongeveer evenveel besparingen als nieuwe uitgaven. Als elke besparing bewijst hoe ‘kil’ en ‘hardvochtig’ de regering is, dan bewijst elke nieuwe uitgave hoe ‘gul’ en ‘ruimhartig’ ze is.
     En dat is niet het enige. Onze linkse vrienden kijken niet enkel naar de hoeveelheid van besparingen en uitgaven, maar ook naar wie er slechter en wie er beter van wordt. Als de hoge inkomens er slechter van worden en de lage inkomens beter, dan wordt dat een sociaal ‘herverdelingsbeleid’ genoemd.
     Hoe staan de zaken ervoor op dit terrein? Erg sociaal eigenlijk. Ik heb tijd noch zin om, zoals sommige van mijn collega’s, het héle regeerakkoord te lezen. Ook ga ik de begrotingstabellen, die Jambon op zijn bureau had laten liggen, niet uitvlooien naar elk miljoen meer of minder. Ik heb geleerd dat je veel kunt begrijpen door alleen naar de grote cijfers te kijken. En de grootste cijfers bij de twee miljard verschuivingen zijn: 320 miljoen meer inkomsten door de afschaffing van de woonbonus en 350 miljoen meer uitgaven* door het invoeren van een jobbonus. Huizenkopers verliezen een bonus, en mensen met een laagbetaalde job krijgen er een.
     Het is zonneklaar dat de geldstroom hier van rijker naar armer gaat. Wie een huis koopt of laat bouwen behoort, mogen we aannemen, tot de 75 procent hoogste inkomens*, en wie een jobbonus krijgt, tot de 40 procent laagste**. Er is een ruime overlapping tussen de twee groepen – ook kleinverdieners kopen en bouwen huizen – maar de richting van de ‘herverdeling’ is ondubbelzinnig. Links zou moeten juichen.
     Zelfs ik, die niet links ben, juich een beetje. Die woonbonus heb ik namelijk altijd een onrecht gevonden. Mijn vrouw en ik hebben voor ons landhuisje indertijd een flinke lening moeten aangaan tegen een interest die jonge huizenkopers van nu zich niet meer kunnen voorstellen. Op vijftien jaar tijd moesten we twee keer zoveel afbetalen als wat we hadden geleend. Om dat een beetje goed te maken had de toenmalige regering in haar welwillendheid ervoor gezorgd dat we die afbetalingen fiscaal konden aftrekken van ons inkomen. Elk jaar kregen wij daardoor in april duizenden euro’s terug van wat het vorige jaar van ons loon was afgehouden. ’t Had werkelijk iets van een jaarlijkse bonus. ’t Was een moment van onverdeeld geluk en dán kniezen ware ongepast geweest.
    Anders was dat enkele maanden ervoor, bij het invullen van de belastingbrief. Op dát moment maakte ik mij telkens weer dezelfde bedenking: waarom moeten wij, die ons een eigen huis kunnen permitteren, een gunstiger belastingregeling genieten dan huurders die dat niet kunnen? Ten slotte waren we zelf ook vijftien jaar huurder geweest.




* Strikt genomen is de jobbonus geen uitgave, maar een minderinkomst door belastingverlaging.

** Dat lijkt mij een redelijke aanname als je weet dat 75 procent van de Belgen een eigen huis bezitten.

*** De jobbonus geldt voor mensen die tot maximaal 1.700 € bruto per maand verdienen, waarmee je je ongeveer in het vierde inkomensdeciel bevindt.

dinsdag 30 juli 2019

Mijn verlicht despotisme en dat van de bouwmeester

    Toen we laatst in Wenen rondliepen, werden we hier en daar door een standbeeld, straatnaam of foto herinnerd aan figuren uit het verleden: Mozart, Elisabeth Amalie Eugenie in Beieren (Sisi), haar gemaal de goede Franz-Jozef ... Een van die figuren ken ik nog van de geschiedenislessen van de lagere school: Jozef II. Die lessen wil ik altijd graag doorgeven aan mijn zoon. Ik legde hem bij onze wandelingen door Wenen dus uit dat Jozef II een verlicht despoot was. Dat hij de keizer-koster werd genoemd. Dat hij het goed meende met het volk. Dat hij tegelijk dacht dat hij als enige wist wát goed was voor dat volk. Dat hij daarom alles zelf tot in de details wou regelen. Dat hij bijvoorbeeld bepaalde hoe lang de kaarsen in de kerk moesten zijn – vandaar dat ‘keizer-koster’ – en hoeveel noten een muziekmaat mocht bevatten. 
     ‘Domme Jozef,’ zei Jan.
     Enige tijd geleden las ik een interessante polemiek tussen Koenraad Elst en Alicja Gescinska over dat verlicht despotisme. Alicja beweerde dat een teveel aan directe democratie, zoals met referenda, leidde tot ‘populisme’ en ‘tirannie van de massa’. Koenraad antwoordde dat zonder die referenda de verkozen vertegenwoordigers vervielen in ‘elitisme’ en, jawel, ‘verlicht despotisme’. ’t Is een moeilijk vraagstuk. Liefst heb ik dat mijn doen en laten niet te veel afhangt noch van de zogenaamde massa, noch van een of andere elite. Maar dat is helaas niet altijd mogelijk.
     Ik heb nu al enkele stukjes* geschreven over de Vlaamse bouwmeester die ons allemaal wil laten wonen op de manier die híj de beste vindt. Als ik in een boze bui ben, noem ik hem binnensmonds een ‘vuile communist’. Ben ik wat beter gezind, dan is hij een ‘verlicht despoot’. Veel verschil maakt het niet omdat die hele communisterij een grimmige versie was van het verlicht despotisme 
(zie ook hier). Maar despotisme hóeft niet altijd grimmig te zijn; het kan ook geraffineerd.
     Als leraar ben ik evengoed een verlicht despoot. Ik bepaal hoe de lessen verlopen en wat de inhoud ervan is. Ik moet daarbij rekening houden met met wat andere verlichte despoten in leerplannen schrijven.  Nou ja, zo verlicht zijn die laatste niet als je die leerplannen leest, maar daar gaat het nu niet om. Zeker is dat de leerlingen over het lesverloop en de lesonderwerpen weinig te zeggen hebben. (Zie ook hier) Toch vraag ik hen af en toe wat ze van bepaalde lessen vinden en hoe het beter zou kunnen. En met wat ze zeggen doe ik dan mijn zin. Sommige voorstellen verwerp ik (‘meer klasgesprekken’), en andere neem ik ter harte (‘minder taalgeschiedenis’).
     Bij nog andere voorstellen ligt het moeilijker. Veronderstel dat de leerlingen mij vertellen dat ze in de lessen over theater minder Shakespeare willen. Ik heb bijvoorbeeld in de klas Polanski’s verfilming laten zien van Macbeth. Dat vinden ze ouderwets en langdradig. Wat ze dan wel willen zien? ‘Romantische komedies,’ zegt een meisje. Goed, denk ik. Die Macbethfilm is van 1971 en Polanski is altijd wat langdradig. Het moet dus iets moderners zijn, en sneller. Ha, en het moet een romantische komedie zijn. Prima. Dan geef ik volgend jaar Much Ado About Nothing, ook van Shakespeare maar verfilmd in 1993. Maar natuurlijk is dat helemaal niet wat dat meisje wou. Dat meisje wou The Kissing Booth voor de zoveelste keer opnieuw zien, en helemaal géén Shakespeare.
    Dat brengt mij weer bij de bouwmeester. ‘De Vlaming heeft verschillende woondromen,’ zegt hij. ‘Sommigen willen een grote moestuin, anderen verkiezen een kleine stadstuin. Als we gaan verdichten in dorpen en steden moeten we de woondromen van de Vlaming dààr inlossen.’ En ter verduidelijking haalt hij de ‘gezinsvriendelijke woontoren’ aan die in Leuven wordt gebouwd naast het station: ‘Een verticaal dorp van 48 meter hoog met een dorpsplein … Op de zesde verdieping zit een straat vol duplexwoningen met voortuintjes. Op de achtste een park van 600 vierkante meter … Alle voordelen van de verkaveling – groen, privacy, uitzicht en ruimte – zijn geïntegreerd in dat project.’
     Ja, het heeft alle voordelen van de verkaveling, ongeveer zoals Much Ado About Nothing voor mij alle voordelen  heeft van The Kissing Booth en daar nog enkele andere bovenop. Veel van mijn leerlingen zien dat niet zo, maar, ach, die zijn pas zeventien. Dan mag ik wel wat paternalistisch of despotisch zijn, vind ik, en mijn eigen voorkeuren opleggen. De Vlaming daarentegen die zijn ‘woondroom’ wil waarmaken, is een volwassene en wel wat ouder dan zeventien. Moet een bouwmeester zich dan nog altijd bezighouden met duwen en trekken aan díens voorkeur? 



Zie hier,  hier en hier.

zondag 28 juli 2019

Het volgebouwde Vlaanderen van de bouwmeester

 ‘Vlaanderen raakt stilaan volgebouwd,’ zegt de bouwmeester*. ‘Er moet dringend meer open ruimte komen.’ Bij die eerste mededeling kun je de vraag stellen: is dat zo? En bij de tweede kun je je afvragen: waarom? Laat ik met dat tweede beginnen. Waarom moet er dringend meer open ruimte komen? 
     In het Verre Oosten wordt al eeuwen nagedacht over de vraag welk geluid een omvallende boom maakt in een verlaten bos. Sommige wijsgeren denken dat die géén geluid maakt omdat er niemand is om dat geluid te horen. Je kunt je hetzelfde afvragen van de open ruimte van de bouwmeester. Hoe zal die eruitzien als geen menselijk oog die nog kan bezichtigen**. Het mensenras heeft zich in de utopie van de bouwmeester teruggetrokken in dorpskernen en steden en heeft de natuur overgelaten aan de vroeger bedreigde diersoorten. De mens heerst in stad en dorp en op het platteland heerst de wolf. Alleen in heel strenge winters komt die laatste wel eens de stad binnengeslopen om een kind op te eten dat op weg is naar school. Vooral kinderen van huizen met een lage mobiscore omdat ze ver van een school liggen, zullen daar het slachtoffer van zijn. 
     Of misschien krijgen we het platteland wél te zien, met name als we langs de fietsostrades van de ene dorpskern naar de andere, en van de ene stad naar de andere snorren. Met een goede speedelec haal je een snelheid van 45 kilometer per uur. Daarmee maak je een redelijke kans tegen een uitgehongerde wolf. En je kunt ten volle genieten van de schoonheid van de natuur, niet gehinderd door autoverkeer of door de aanblik van villa’s, landhuizen, fermettes en andere open bebouwing.
     Die schoonheid van de natuur is mij anders wel wat waard. De vraag daarbij is echter ook: hoe veel? Economen hebben geloof ik manieren ontwikkeld om zoiets te berekenen. Ik ken die manieren niet; ik doe het dus op mijn manier. Als ik naar school fiets en ik neem de kortste weg, dan doe ik daar een half uur over. Ik kom dan langs heel veel lintbebouwing en ik heb voortdurend te maken met lawaai en stank van auto’s en vrachtwagens. Ik zou ook een andere weg kunnen nemen. Dan rijd ik bijna uitsluitend door velden en zelfs bossen. Bij een stukje van die weg zing ik altijd: ‘Dit is klein Zwitserlá-ánd.’ Maar ik neem die weg haast nooit want ik zou er dan, schat ik, zeven minuten langer over doen. Dat heb ik er blijkbaar niet voor over.
     Je kan het meer algemeen benaderen. Als we een half uur rondrijden met de fiets of de auto, dan wordt het plezier dat we putten uit de aanschouwing van bossen en velden vergald door elk huis langs de weg. Maar in dat huis wonen mensen die vele uren per dag plezier putten uit dezelfde aanschouwing van bossen en velden. We zouden dat plezier van die fietsers, autobestuurders en bewoners kunnen optellen, vermenigvuldigen en delen en dan met elkaar vergelijken. In de lagere school kreeg ik les in een klaslokaal op de tweede verdieping. Vandaaruit had ik een mooi uitzicht op een nabij bos. Ik heb daar vaak met veel genoegen naar gekeken. Maar misschien was mijn school wel gebouwd op de plaats waar vroeger ook een bos lag. Wat weegt het zwaarste?
     Maar er móet meer open ruimte komen, zegt de bouwmeester, en hij haalt er de Verenigde Naties bij. Die hebben namelijk bepaald dat, omwille van de biodiversiteit, 25 procent van Vlaanderen uit natuur moet bestaan, terwijl het nu maar 6 procent is. Ik vind dat om twee redenen raar. Zouden de Verenigde Naties echt een quotum hebben opgelegd voor Vláánderen? Je zou denken dat die instelling werkt met lánden, en niet met regio’s, provincies, arrondissementen of kantons. Of neemt men daar in de VN al een voorschot op de Vlaamse onafhankelijkheid? En dan: die 6 procent natuur lijkt mij nogal weinig als ik het vergelijk met wat ik zag door het vliegtuigraampje bij onze reis naar Wenen enkele weken geleden. Zo volgebouwd leek ons land toen niet. 
     Laten we daarom de cijfers van de overheid eens bekijken. Dan ziet het Vlaamse bodemgebruik er zo uit:  

- Wegen én industrie: 10 % 
- Woongebied: 15 %
- Bos: 15 % 
- Landbouwgebied: 60 % 

     Dat lijkt al beter op mijn vliegtuigraampjesindruk. Ik heb die cijfers hier wat afgerond**, zodat ik ze zelf kan onthouden, maar er blijkt in elk geval uit dat er in Vlaanderen heel wat meer ‘natuur’ aanwezig is dan de 6 procent van de bouwmeester laat vermoeden.
     De bouwmeester zegt in het interview met De Morgen (hier) dat er dringend 19 procent extra natuurgrond moet komen. 19 procent van de totale Vlaamse oppervlakte ... waar moet die vandaan komen? Met het innemen van de smalle strookjes lintbewoning en het afbreken van enkele oude hoeves zullen we vrees ik niet aan één procent komen. Dan valt toch al één reden weg om daar zo tekeer over te gaan. De bouwmeester wil tegelijk de industrieterreinen saneren. Daar kan misschien ook een procent gewonnen worden. Anderzijds kunnen er ook nieuwe industrieën bijkomen die juist meer terrein nodig hebben. Dan zijn we dat procent weer kwijt.
     Elk kind dat de cijfers ziet, begrijpt dat bijna alles van die 19 procent nieuw natuurgebied van de landbouw zal moeten komen. Ach ja, misschien is 60 % wel wat veel voor een sector die slechts 0,7 % van onze bbp voortbrengt. Misschien kunnen betere technieken, genetische manipulatie en een slimmere keuze van de gewassen wel meer halen uit een kleinere oppervlakte. Maar dat soort oplossing past niet goed bij het extremistische inborst van de bouwmeester. Hoe het dan wel moet? ‘Begin vorige eeuw,’ zegt hij in het interview, ‘ging de helft van het gezinsbudget naar eten, vandaag nog 5 procent****. […] We moeten naar een lokale duurzame biolandbouw, met voedsel dat minstens drie keer duurder wordt.’ Die berekening van het het gezinsbudget is wellicht niet helemaal juist. Volgens Statistiek Vlaanderen besteedden de inwoners van het Vlaamse Gewest in 2022 gemiddeld 12,7 procent van het huishoudbudget aan voedingswaren. Dat komt overeen met 2.226 euro aan voeding per jaar per inwoner. Dus 189 euro per maand.
     Was dat geen mooie kop geweest voor het interview in De Morgen?  ‘Bouwmeester eist dat voedsel minstens drie keer duurder wordt.’ Of ‘Bouwmeester wil dat 38 % van gezinsbudget naar eten gaat.’ Of nog ‘Bouwmeester wil meer biolandbouw en daling van koopkracht met 30 %.’ 
     Mocht morgen de bouwmeester bij zijn dagelijkse wandeling van zijn appartement naar zijn werk overreden worden, dan zal ik in de eerste plaats aan een spijtig ongeluk denken. Maar mocht er toch boos opzet in het spel zijn, dan kijk ik meteen in de richting van Groen. Dat zijn geloof ik heel brave mensen, maar ook die hun geduld met dergelijke provocateurs in eigen rangen moet vroeg of laat uitgeput raken.



* Over de bouwmeester schreef ik ook al (hier) en (hier).

** Zaken die we niet kunnen bezichtigen of ervaren, hebben ook hun waarde voor de mens. Economen spreken van existence value’, we halen voldoening uit de wetenschap dat ze bestaan. Ik denk aan de ongerepte ijsvlakten van Antarctica. Alleen al de gedachte dat daar lelijke onderzoeksstations staan opgesteld doet mij huiveren. Maar als er een goedkope en schone energiebron zou worden ontdekt, zou ik toch niet aarzelen. 

*** Voor exactere cijfers verwijs ik naar de blog van Andreas Thirez en naar het Vlaamse Milieurapport. Uit dat laatste blijkt bijvoorbeeld dat de werkelijke oppervlakte die in 2017 werd ingenomen door woongebied slechts 12,31 % bedraagt. Dat is dan in tegenstelling met het geplande woongebied dat 16,7 % bedraagt. 

**** Wellicht heeft de bouwmeester het gemiddelde bruto-inkomen gedeeld per inwoner gedeeld door de som die aan voedingswaren wordt besteed. 

       
    

zaterdag 27 juli 2019

De Vlaamse bouwmeester versus ons landhuis

     Als ik aan niets in het bijzonder aan het denken ben, komen mijn gedachten soms uit bij onze Vlaamse bouwmeester Leo Van Broeck (hier). Dat komt goed uit zul je zeggen, die man is ook niets bijzonders. Dat is mogelijk. Maar enige weken geleden moest ik mij geweld aandoen om geen sympathie voor hem te krijgen. Hij werd om zijn onvoorzichtige uitspraken aangevallen door lui als Joël De Ceulaer, Bart Eeckhout, Mark Van de Voorde en zelfs Bert Bultinck. Dat is een gezelschap waar ik mij niet erg thuis voel en van de weeromstuit vroeg ik mij af of de architect-ambtenaar misschien toch ergens iets verteld had dat de moeite waard was.  Ik heb toen een aantal stukken van hem gelezen (hier en hier),  en de aanzet tot sympathie was meteen al weer weg.
     De Vlaamse bouwmeester wil, dat is bekend, komaf maken met wat hij minachtend ‘Fermettegem’ noemt. Villa’s, landhuizen, open bebouwing in tuinwijken of langs de weg, dat moet allemaal op termijn verdwijnen. Wonen doe je voortaan in een rijtjeshuis of op een appartement, het eerste voor wie de dorpskern verkiest, het tweede voor wie voorkeur geeft aan de grote stad. Rijtjeshuizen en appartementen, dat is het ware.
     Zelf voel ik daar niet voor.
     Ik heb mijn jeugd in een rijhuis doorgebracht en mijn jonge volwassenheid in een appartement;  mijn rijpere jaren breng ik nu door in een landhuis aan de rand van een bos. Ik ben op alle drie de plaatsen gelukkig en ongelukkig geweest, maar aan dat landhuis heb ik mijn hart verpand, nog vóór de koop gesloten was.  ‘Als jij het niet koopt, koop ik het,’ zei ik tegen mijn vrouw. De eerste vijftien jaar dat ik er woonde, had ik elke dag het gevoel dat ik op vakantie was, vooral na die tien jaar in het drukke Brussel. Dat vakantiegevoel is nu wat minder, maar het is er nog altijd een beetje.  Als we soms een winterse boswandeling maken en bij de terugkeer zie ik van in de verte ons huis tussen de bomen, dan zeg ik luidop tegen wie naast mij loopt – meestal is dat mijn vrouw – : ‘De mensen die daar wonen, dat moeten de gelukkigste mensen ter wereld zijn.’
     Maar voor de bouwmeester is onze manier van wonen ‘crimineel’. Hij heeft zijn uitspraak later genuanceerd. Crimineel is niet het gedrag van de landhuisbewoners maar dat van de overheid die toelaat dat nieuwe landhuizen worden gebouwd. Aangezien wij een huis gekocht hebben dat er al stond, hebben mijn vrouw en ik dus geen criminele daad gepleegd. Maar we hebben wel voor verzwarende omstandigheden gezorgd: het aanleggen van een gazon en het planten van een haag. Die zaken noemt de bouwmeester een ‘toonbeeld van individualisme’. Je zegt daar immers mee: ‘Laat mij gerust achter mijn haag’. Nou ja, misschien heeft hij daar wel gelijk in. We worden graag gerust gelaten.

     Onze Vlaamse manier van wonen, beweert de bouwmeester, is door de grote verplaatsingen die ze meebrengt, slecht voor het milieu. Dat weet ik nog zo niet. Toen we op een appartement in Brussel woonden, reed mijn vrouw elke dag 51 kilometer naar haar werk in Antwerpen. Toen ze later van bij ons nieuwe huis in Keerbergen vertrok, moest ze maar 35 kilometer rijden. Ze had in Brussel natuurlijk ook de trein kunnen nemen, zoals het eerste jaar dat we daar woonden. Ons appartement lag op een kwartier lopen van het Noordstation. Maar mijn vrouw had een grote hekel aan die dagelijkse treinreis. Het had iets met de schommeling van de wagons te maken. We leefden dus zo zuinig mogelijk en met ons eerste geld kochten we een tweedehands Skoda (hier) waardoor die trein niet meer nodig was.
     Mijn geval was anders. Ik was in Brussel gewoon om naar het werk te gaan met tram en metro en dat kostte mij veertig minuten heen en veertig minuten terug.  Op die tram zat ik samen met VRT-mensen die onder elkaar een correct maar nogal onnatuurlijk Algemeen Nederlands praatten. Toen we echter naar Keerbergen verhuisden, kwam een einde aan die tram-metrogeschiedenis. Ik probeerde het eerst met de auto, maar dan kwam ik in een file terecht die mij gemakkelijk twee keer anderhalf uur per dag kostte. Ik probeerde het met het openbaar vervoer maar dan duurde het nóg langer. Ik wist toen nog niet wat ik nu dankzij de bouwmeester wel weet: dat zulke lange verplaatsingen de oorzaak zijn van echtscheidingen, stress, burn-outs en obesitas, en wellicht ook van hoofdschilfers, verweking van het ruggenmerg en harige handpalmen. Toch vond ik dat woon-werkverkeer vervelend genoeg om van werk en van beroep te veranderen. Nu ga ik elke dag met de fiets naar de school waar ik lesgeef.
      ’t Is waar, er zijn nog andere verplaatsingen. Waar we nu wonen hebben we onze dichtstbijzijnde winkel op 2,4 kilometer. In Brussel konden we op de hoek van de straat terecht in de winkel van Madame Mirkos, die tot ’s avonds laat open was. Daar staat tegenover dat de Colruyt nu dichterbij ligt. De bouwmeester pocht dat hij vanuit zijn Brussels appartement tweehonderd restaurants binnen wandelafstand heeft. Zoiets hebben wij niet. Maar in Brussel gingen we altijd naar hetzelfde Italiaanse restaurant dat weliswaar in het verlengde van onze straat lag, maar wel zo ver dat we toch de auto moesten nemen. Dat deden wij wekelijks, terwijl we nu amper nog op restaurant gaan.
      De bouwmeester beweert dat wonen op het platteland een enorme kost betekent voor de maatschappij. ‘De thuiszorg,’ zegt hij bijvoorbeeld, ‘rijdt op het platteland 600 000 kilometer per dag. Vijftien keer de planeet rond.’* En hoe kunnen we die misstand de wereld uit helpen? Eenvoudig genoeg. ‘Als je al die vereenzaamde bejaarden in hun verkavelingsvilla’s naar woonzorgcentra in het centrum verhuist, los je veel op.’ Zo staat het er.
     Hoe zal dat verhuizen in zijn werk gaan, vraag ik mij bezorgd af. Als mijn vrouw en ik binnen twintig jaar vereenzaamde, zorgbehoevende verkavelingsbejaarden zijn, hoe zal de bouwmeester ons dan naar het woonzorgcentrum krijgen? Komt hij ons persoonlijk overtuigen van de voordelen van dat centrum dat ongetwijfeld alle mogelijke collectieve voorzieningen zal bundelen? Met een wandelpark met bankjes, een zaaltje om te schaken en een zaaltje om naar muziek te luisteren terwijl we rustig de dood afwachten. Misschien kan de bouwmeester zijn licht opsteken bij de mooie televisiereeks Chernobyl. Daar zagen we Sovjetsoldaten van huis tot huis trekken om de mensen te evacueren. Een weerbarstige boerin bleef liever wonen waar ze woonde. Dat stralingsgevaar kon nooit zo erg zijn als wat ze al had meegemaakt: witte gardisten, rode gardisten, georganiseerde hongersnood door Stalin, nazibezetters. Ten einde raad nam de soldaat zijn pistool en … schoot haar koe dood.
     Maar wij, wij hebben geen koe, en wij zijn ook niet van plan er in de toekomst een te nemen. Díe oplossing is dus al uitgesloten. 


  * Dat vijftien keer de planeet rond maakt op mij weinig indruk. Als je alle rode bloedcellen van één mens naast elkaar legt, kom je ook al vijf keer de planeet rond. Liever weet ik bijvoorbeeld waar ik die cijfers kan controleren. Of wat de cijfers zijn voor de ons omringende landen. Of wat die 600 000 kilometer betekenen in het geheel van de dagelijkse autokilometers in Vlaanderen. (Dat zou 0,4 procent zijn als ik even nareken; dat is nogal veel.) Nóg liever zou ik weten om hoeveel kilometer het gaat per zorgbehoevende. En hoeveel nieuwe woonzorgcentra er dan moeten komen om de villa- en landhuisbewoners op te vangen.  En welke hoeveelheid CO2 er bij de bouw daarvan in de atmosfeer terecht zal komen.

maandag 15 juli 2019

Wat gelooft de Vlaamse bouwmeester?

 In de televisieserie How I Met Your Mother is er een personage dat Garrison Cootes heet. Cootes is een advocaat die zijn hele loopbaan processen heeft gevoerd om de natuur te beschermen en het klimaat te redden. Op een bepaald moment raakt hij ervan overtuigd dat er niets meer aan te doen valt. ‘I’ve seen the research,’ zegt hij. Hij trekt daaruit de enige logische conclusie. In plaats verder te zwoegen op dossiers en wetboeken, geeft hij voor zijn medewerkers elke dag een feest met taart. En als de taart op is, bestelt hij een nieuwe, nog grotere taart.
     Zelf geloof ik dat het met het klimaat wel goed komt.  We zullen, een beetje laattijdig, overschakelen op kernenergie, wat de CO2-productie gevoelig zal verminderen. We zullen technieken ontwikkelen om als dat nodig is de aarde af te koelen, en die technieken zullen binnen twintig jaar goedkoper zijn dan de zonnepanelen en windmolens van nu, omdat binnen twintig jaar álles goedkoper zal zijn. Ik ben daar misschien te optimistisch in, maar dat is nu eenmaal wat ik geloof. Ik heb dus geen reden, of excuus, om elke dag taart te eten.
     Maar hoe zit dat met de klimaatalarmisten, de vijf-voor-twaalf-mensen? Wat geloven die? Zullen die op taart overschakelen als hun deadline overschreden is? Wat zal Nic Balthazar doen als de groene revolutie binnen 20 jaar niet heeft plaatsgevonden? Want daarna is het volgens hem te laat om nog iets te beginnen.
     Er zullen natuurlijk klimaatalarmisten bestaan die overdrijvingen gebruiken als strategie om ‘de mensen wakker te schudden’. Maar vele anderen geloven écht in hun sombere voorspellingen. Alleen, wat is écht geloven? Toen ik twintig was geloofde ik samen met mijn vrienden écht in de komende communistische revolutie. Onze deadline was vijftien-twintig jaar. Tegelijk moet toch ook, diep verborgen onder metersdikke ideologie, het besef geleefd hebben dat er misschien wel helemaal geen revolutie zou komen.
     Onze Vlaamse bouwmeester Leo van Broeck is, geloof ik, goed bevriend met Anuna Dewever en Nic Balthazar. En wat zei hij onlangs in Het Nieuwsblad: ‘
Het wederopbouwen van goed gelegen woningen is iets minder urgent, aangezien de creatie van natuur en open ruimte nog net iets dringender is dan het terugdringen van onze uitstoot.’ Ik moest het twee keer lezen. Het bestrijden van lelijke lintbebouwing en het creëren van leefruimte voor wilde dieren is dus ‘nog net iets dringender dan het terugdringen van onze uitstoot.’* Terwijl volgens zijn vriend Nic Balthazar niets minder dan het voortbestaan van de mensheid afhangt van die uitstoot. Wat maakt die bouwmeester zich toch druk om autostrada’s en verkavelingen als straks heel Vlaanderen toch door de zee wordt overspoeld?
     Of gelooft de bouwmeester die klimaatalarmisten toch maar half? 
 


* Ik ken overigens genoeg mensen die nu zouden aanhalen dat die lintbebouwing, autostrada’s en verkavelingen alles te maken hebben met onze uitstoot. Dat zo’n bewering, waar of onwaar, geheel buiten de discussie valt, lijken ze niet te begrijpen.

zaterdag 13 april 2019

Rondjes lopen om en in het huis

     Van de Vlaamse Bouwmeester  en Anuna De Wever zal het wel niet mogen, maar wij wonen in een vrijstaande woning aan de rand van het bos. Vroeger woonden we op een appartementje in Brussel, en dat was ook leuk, maar er gaat niets boven een woning die vrij staat. Een kind op een driewielertje kan eindeloos om het huis peddelen. Zelf kun je als je dat wilt, om je huis een rondje lopen. Ik heb dat nog nooit gedaan, maar als ik zou willen, dan kan het, en daar gaat het om. 
     Wat ik ook mooi vind, is als je een rondje kunt lopen ín je huis. Mijn broer heeft in zijn inkomhal een stuk muur laten inslaan om een deur te plaatsen die toegang geeft tot de voorkamer. Nu kan hij als hij dat wil vanuit de inkomhal, langs de voorkamer, de eetkamer en de keuken, weer de inkomhal bereiken. Ik weet niet of hij dat ooit doet, maar als hij zou willen, dan kan het. Ook in het appartement van mijn ouders kun je, als je dat wilt, een rondje lopen: inkomhal – woonkamer – keuken – terras – naaikamer – inkomhal. ’t Is misschien niet veel, maar het kán.
     Vroeger, in ons ouderlijk huis, was veel meer mogelijk. Het was een soort herenhuis waar een bioscoop tegenaan was gebouwd. Je kon er geloof ik wel twintig verschillende rondjes lopen.  Je kwam bijvoorbeeld langs de voordeur de inkomhal van het huis binnen. Goed. Daar nam je de trap naar boven, liep over een korte overloop en nam nog een kleinere trap naar de badkamer. Net voor de badkamer was er een deur die via een terras leidde naar weer een andere deur die toegang gaf tot het kamertje van waaruit de films geprojecteerd werden. Vanuit dat kamertje volgde je een doolhof van trappen naar beneden tot in de ontvangsthal van de bioscoop, waar een deur was naar de binnenkoer en de keuken van het huis. En dan kwam je vandaar in de eetkamer, dan in het salon en tenslotte weer in de inkomhal van het huis.

     Onze vrijstaande woning heeft dat niet. Het huis is gebouwd rond een gang met zes deuren. Maar welke deur je ook neemt, je loopt dood op een slaapkamer, een badkamer, een waskamer of een toilet. Het langst kun je doorlopen als je de deur neemt naar de eetkamer. Dan kom je vandaar in de woonkamer, de studeerkamer, en langs een trap zelfs op de zolder. Maar dan is het ook echt gedaan. Je kunt de lus niet sluiten. Óm het huis kunnen we dat gelukkig wel, ondanks de Vlaamse Bouwmeester en Anuna De Wever.
     Waar je dan wel weer rondjes kon lopen en lussen sluiten, was in het landhuis van de Russische schrijver Tsjechov. Die had, voor veel te veel geld, een grote, onoverzichtelijke bouwval met landerijen gekocht voor hemzelf, zijn ouders, zijn broers en zijn zus. Als er vrienden op bezoek kwamen, en dat was bijna altijd, gaf Tsjechov hen een rondleiding. En dan liep hij hen voor van kamer, naar kamer, naar kamer, naar kamer, en hij bleef maar doorlopen tot zijn gasten beseften dat ze altijd maar weer dezelfde kamers te zien kregen.
     Tsjechov hield van een grapje.

Tsjehovs landhuis in Melikhovo