Posts tonen met het label islam. Alle posts tonen
Posts tonen met het label islam. Alle posts tonen

zondag 4 december 2022

Mark Elchardus en de hoofddoek op school


      Ik ben het over de hoofddoek niet eens met Mark Elchardus in De Morgen van 3 december, niet met zijn standpunt en niet met zijn redenering. Zijn standpunt is al veertig jaar hetzelfde zegt hij: die hoofddoek moet worden toegelaten voor leraressen op school. Wel is dat standpunt geëvolueerd. Naar het einde van zijn column vraagt Elchardus zich af : ‘Is mijn standpunt vandaag nog houdbaar?’ Hij is op een punt gekomen waar hij vindt dat de hoofddoek op school eigenlijk geen probleem zou mógen zijn. Dát vind ik in zekere zin ook. Mocht ooit een tolerante, liberale, geïntegreerde, ‘Westerse’ variant van de Islam ondubbelzinnig dominant worden onder onze moslims, dan zou ik de hoofddoek ook niet als een groot probleem zien. Maar de kans is groot, denk ik, dat zo’n variant – als die er komt – er een is zonder veel hoofddoeken. Dan is het probleem opgelost als een klontje suiker in een glas water.
      Ik vind het in het algemeen nogal moeilijk om met Elchardus  te polemiseren, zonder eerst op te sommen waarover ik het allemaal wel met hem eens ben. Bijvoorbeeld:

  1. Dat de immigratie allerlei problemen meebrengt, zoals verhoogd jongerenvandalisme
  2. Dat de moslimse godsdienstbeleving slecht aansluit bij onze cultuur
  3. Dat men daarom de immigratie moet beperken door illegale immigratie te bestrijden en gezinshereniging veel strenger te regelen
  4. Dat men anderzijds een godsdienstbeleving moet tolereren die men eerst zelf langs open grenzen heeft binnengelaten*
  5. Dat men het dragen van de hoofddoek niet tot één motief mag herleiden
  6. Dat men niet te veel veronderstellingen nopens de intentie van de hoofddoek in het debat moet brengen, zoals daar zijn: onderwerping van de vrouw, bekeringsdrang, provocatie**
  7. Dat anderzijds het dragen van een hoofddoek hoe dan ook verbonden is met de moslimse godsdienstbeleving
  8. Dat men de hoofddoek enkel kan verbieden daar waar hij aanwijsbaar tot grote nadelen leidt
  9. Dat het verbieden van de hoofddoek tot averechtse resultaten kan leiden
  10. Dat de taak van leraren erin bestaat om kennis door te geven, onbeïnvloed door persoonlijke kenmerken als huidskleur, geslacht, aangenomen gender, ideologie, geloof en seksuele oriëntatie.

     Het eigenaardige voor mij is nu dat Elchardus juist uit het tiende punt, waar ik het ongeveer eens mee ben, een argument puurt om hoofddoeken voor leraressen toe te laten. Ik citeer: ‘Ik wil geen man die als man voor de klas staat, geen vrouw die als vrouw voor de klas staat, geen blanke die als blanke voor de klas staat, geen zwarte die als zwarte voor de klas staat, geen katholiek die als katholiek voor de klas staat. Ik wil een leraar die als leraar voor de klas staat.’ 
     ’t Is misschien wat scherp gezegd, maar ik ga hier, min of meer, in grote lijnen, op mijn manier, mee akkoord. Natuurlijk, je kunt je mannelijkheid of vrouwelijkheid niet afleggen als je de klas binnenkomt. Misschien geef je als man wel wat anders les dan vrouwelijke collega’s. Maar je geeft in elk geval geen mannelijke natuurkunde of vrouwelijke geschiedenis en je komt geen propaganda maken voor het masculinisme of het feminisme. Alleen is de opsomming van Elchardus opvallend onvolledig. ‘Geen katholiek die als katholiek voor de klas staat’. Hij had daar gemakkelijk aan toe kunnen voegen: ‘En geen moslimse die als moslimse voor de klas staat.’ Daarmee was het probleem waar hij mee worstelt scherper gesteld: kan dat dan, niet als moslimse voor de klas, met die hoofddoek op? Zou Elchardus zelf niet veel geruster zijn met in de klas een moslimse zónder hoofddoek, of een moslimse die althans in bepaalde omstandigheden bereid is om die hoofddoek af te leggen?
      De rare gedachtesprong van Elchardus wordt nog duidelijker in de zin die erop volgt: ‘Als het lukt doen huidskleur, seksuele geaardheid, ideologische overtuiging er niet toe, en een hoofddoek ook niet.’ We krijgen hier naar mijn smaak een heterogene opsomming: drie persoonlijke kenmerken en een symbool***. Dat zijn toch heel verschillende zaken. Een zwarte of blanke leraar voor de klas is inderdaad geen probleem, maar een speldje ‘Black and Proud’ of ‘White Pride’ is dat wel; een homo sportleraar is inderdaad geen probleem, maar een regenboogarmband boven zijn trainingspak is dat wel; een communist of een fascist voor de klas om wiskunde te doceren is misschien ook geen probleem, maar dan toch liefst een zonder hamer en sikkel of runeteken op zijn revers. En een bondage-adept is ook geen probleem, maar dan kan hij toch beter zijn latexpak thuislaten, al voelt dat pak voor hem aan als ‘een deel van zijn persoonlijkheid’. Zo is ook een moslimse voor de klas geen probleem, maar dan zonder dat specifieke ‘deel van haar persoonlijkheid’****.
     Aangezien Elchardus een man van nuances en pragmatiek is, wil ik er nog twee bedenkingen bovenop gooien. De eerste is deze. Zelfs als we niet te veel speculeren over de reden waarom een bepaalde moslimse een hoofddoek draagt, weten we dat er een verschil kan bestaan in het respect dat ze van moslimmannen krijgt. Zou dat geen gevolgen kunnen hebben in een school? Dat leraressen met een hoofddoek meer respect krijgen van de jongens in de klas dan andere leraressen zonder hoofddoek? En zou dat geen grote druk meebrengen voor álle moslimse leraressen om die hoofddoek toch te dragen, ook als ze die zelf niet zo belangrijk vinden in hun godsdienstbeleving?
     Mijn tweede bedenking betreft de kinderen. Het lijkt mij geen slecht idee om kinderen op school te beschermen tegen sociale druk in verband met kledij. Zelf gaf ik les op een uniformschool en ik vond dat prima. De leerlingen konden een keer per trimester hun eigen kleren kiezen, of het uniform van hun jeugdbeweging dragen. Van mij zouden moslimmeisjes op die dag ook hun hoofddoek mogen aanhouden, al getuigt het van een bedenkelijk fanatisme om daar op die leeftijd al mee te beginnen. Maar op andere dagen moeten ze die thuis laten, in het kader van algemene kledijvoorschriften. Zo’n verbod lijkt mij in alle opzichten verstandig, maar het zal moeilijk te handhaven zijn als hoofddoeken voor leraressen wel zijn toegelaten. 

 

 

* De vraag is wie die ‘men’ is in zo’n geval. De burgers? De politici die verantwoordelijk zijn voor het open-grenzenbeleid? Ik denk dat Elchardus hier vanuit zijn ideologie geen probleem in ziet. 

** Ondertussen is het onvermijdelijk dat we de veronderstellingen nopens de betekenis van de hoofddoek in het achterhoofd houden.
*** Je kunt je afvragen of baarden en dassen voor leraren en hoge hakken voor vrouwen ook niet tot de categorie van de symbolen behoren, al zijn ze heel algemeen en is de symboolwaarde door de traditie wat afgesleten ’t Is een delicate materie. Ik zou mij in deze niet verzet hebben tegen kledingvoorschriften voor leraren zoals die vroeger bestaan hebben: stofjas verplicht, stofjas verboden, kousen verplicht, kousen verboden, enzovoort. 

**** Ik ben de uitdrukking ‘deel van mijn persoonlijkheid’ al enkele keren tegengekomen. Het is, ondanks de aanhalingstekens, geen citaat van Elchardus.

donderdag 24 december 2020

De moslimminderheid: que (ne pas) faire?


      Wie pessimistisch is in verband met de islam heeft daar goede redenen voor. Sinds 40 jaar neemt het islamitisch fanatisme* in de wereld toe, en is het zichtbaarder en gewelddadiger geworden. Ook daarvoor was er endemisch geweld in islamitische landen en gebieden, maar dat geweld heeft vandaag vaker dan vroeger een religieus en sectair karakter. Veel islamitische landen zijn een arena waar islamitische populisten het opnemen tegen seculiere dictators. Soms wint het ene kamp, soms het andere, en geen van de twee kampen oogt erg aantrekkelijk.
     Sam Van Rooy vreest dat een dergelijk scenario ons ook te wachten staat. Hij  haalt een studie aan van het Rensselaer Polytechnic Institute dat het volstaat dat 10 procent van een groep een onwrikbaar geloof koestert opdat  de meerderheid van de groep dat zou overnemen. Dat sluit aan bij wat Nassim Taleb schrijft over de invloed van fanatici (hier). Het sluit aan bij hoe Gibbon de opkomst van het christendom beschrijft. Het sluit aan bij de beelden die we zagen van woedende moeders die aan de schoolpoort te keer gingen tegen Juf Magalie. Dat waren wellicht zoals de meesten onder ons in wezen vriendelijke mensen, vredelievend, hartelijk voor vrienden, goede echtgenotes, liefhebbende moeders, maar als ze een keer geïntimideerd en gehersenspoeld zijn door fanatieke geloofsgenoten, veranderen ze in een hysterische menigte. Dat was geen prettig gezicht. Het verontrust mij meer dan het beeld van jonge relschoppers die een auto in brand steken, een winkelruit inslaan of vechten met de politie.
     Hoe de 10-procent-regel werkt binnen een groep die zelf 10 procent en op termijn misschien 20 procent van de gehele samenleving uitmaakt, is weer een andere zaak. Maar ik ben er niet gerust in. Uit onderzoek van Koopmans blijkt dat 52 procent van de Belgische moslims van Marokkaanse en Turkse afkomst een fundamentalistische opvatting hebben over de onveranderbaarheid van de islam, over de dogmatische interpretatie van de heilige boeken en de over voorrang van religieuze wetten op seculiere wetten. 52 procent - dat is een ruime vijver voor fanatici om in te vissen.
     ‘Que faire?’ zou Lenin zeggen, maar dan in het Russisch. En ook: ‘que ne pas faire?’. Laat ik met dat laatste beginnen. Moslims mogen geen feitelijke of juridische voordelen krijgen onder de vorm van ‘positieve discriminatie’, mogen ook niet achtergesteld worden;  er mag hen – als ze genaturaliseerd zijn – geen enkel recht ontzegd worden dat andere burgers genieten.  Het beleven van hun godsdienst mag niet aan banden worden gelegd, tenzij door proportionele, algemene wetten die gelden voor alle godsdiensten. Ook moet je hen niet beledigen, jennen of uitschelden, behalve als je cartoonist, columnist, blogger of clown bent, want dan stel je zelf niet veel voor en moeten ernstige mensen je niet serieus nemen. Maar een politicus moet beleefd blijven als hij over moslims spreekt, vooral als zijn boodschap streng is. Heel strenge leraars spraken hun leerlingen vroeger aan met ‘meneer’. De Amerikaanse politieman-met-zonnebril in de film spreekt verdachte autobestuurders aan met ‘please’ en ‘sir’. Met schelden ondermijn je je eigen gezag, en met vernedering creëer je wrok waar de haatbaarden hun voordeel bij doen.  
     Wat moet er wél gebeuren? Als er  87 maatregelen mogelijk zijn, worden de nummers 1 tot en met 60 ingenomen door hervormingen in de immigratiepolitiek**. Die alleen kunnen de groei van de moslimminderheid afremmen – groei die echter om demografische redenen nog een poosje verder zal gaan. Met een moslimminderheid van 30 procent krijgen fanatici veel meer kans om door intimidatie en sociale druk grote groepen mensen in hun greep te krijgen. Blijft het percentage lager, dan kunnen individuele moslims makkelijker contact onderhouden met de ‘buitenwereld’***, zich onttrekken aan de fanatici, en zich ontwikkelen tot wat we allemaal willen worden: welvarende burgers en goede buren.
        Veel van de andere maatregelen – inburgeringscursus, getto-bestrijding, taalcursussen, enzovoort – zijn vormen van social engineering waar we zeker op korte termijn geen wonderen van mogen verwachten. Eén punt echter is wel belangrijk: de onwrikbare verdediging van de seculiere maatschappij. Vandaag betreft die verdediging grotendeels op een symbolenstrijd, maar beter nu een gevecht om symbolen dan later echte vechtpartijen op straat. Dus: geen geen hoofddoeken achter de loketten, geen door religieuze autoriteiten goedgekeurde halal-voeding op de scholen****, geen afwijkingen van het lesrooster voor zwemlessen of biologie, geen private sharia-rechtbanken om familiegeschillen te regelen. Groen-links moet afleren om gehoofddoekte kandidaten aan te trekken of aldus uitgedoste dames op hun folders te plaatsen.
     Er bestaan verschillende manieren waarop een moderne maatschappij op een faire manier met godsdienst probeert om te gaan. De ene is de pluralistische. In Engeland zijn er gemeenteraden die om beurt worden ingeleid door een voorganger van een of andere godsdienst: een priester, een rabbi, een imam, enzovoort. Sharia-rechtbanken worden er gezien als een soort arbitrage zoals die ook in onderling akkoord tussen bedrijven gebeurt. Daar tegenover staat de Franse traditie van strikte neutraliteit van de staat, de laïcité van de Franse revolutie, oorspronkelijk afgedwongen door wrede kerkvervolging. Mijn spontane sympathie zou gaan naar de pluralistische opvatting. Maar nu we met de islam te maken hebben die traditioneel godsdienst met politiek verbindt, en weinig scheiding aanbrengt tussen de private en de publieke ruimte, is de laicité, met enkele redelijke, proportionele vrijheidsbeperkingen de betere oplossing. Ik ben bereid daarvoor om de lat gelijk te leggen voor alle godsdiensten. Geen muezzin voor de moslims, geen klokkengelui voor de katholieken. Ik doe met dat laatste overigens geen grote toegeving.

     

* In een vorig stukje sprak ik van ‘islamitisch extremisme’. Bij nader inzien vind ik ‘moslimfanatisme’ een beter woord om in één net te vangen wat mij in bepaalde belevingen van die godsdienst niet bevalt.

** De essentie van een nieuwe migratiepolitiek moet bestaan in veel strengere voorwaarden voor huwelijksmigratie en gezinshereniging, een vluchtelingenstatuut dat geen recht geeft op permanente vestiging en de arbeidsmigratie afstemmen op gespecialiseerde arbeidskrachten. Die drie algemene maatregelen zouden op een ingrijpende manier de immigratie uit moslimlanden beperken. 

*** Meisjes uit moslimmilieus die naar een hoofdzakelijk autochtone school gaan, ervaren dat schoolgaan vaak als een bijzonder aangename afwisseling en een grote opluchting.

**** Moslimkinderen moeten uiteraard maaltijden kunnen krijgen zonder varkensvlees en bloedworst.

dinsdag 22 december 2020

Islamitisch extremisme


      Mijn zoon heeft nogal wat moslimvrienden, maar verder interesseert die islam hem niet erg. Als ik hem iets over die wonderlijke doctrine (zie hier) wil uitleggen zegt hij:  ‘Heb je al opgemerkt, papa, hoe de tegenstanders zoveel meer islamboeken gelezen hebben dan de gelovigen?’ En dat bedoelt hij niet sarcastisch. Maar als het over mij gaat, heeft hij het mis. Ik ben wel een vage tegenstander – ik heb ooit eens iets geschreven over een ‘niet erg geavanceerde godsdienst’ – maar heel veel weet ik er niet over (hier). Wat ik over de islam gelezen heb, beslaat een half plankje, niets meer. Zo erg interesseert het mij niet.
     Wat mij wel interesseert is de vraag wat gedaan moet worden aan het islamextremisme, en of dat extremisme te onderscheiden valt van, dan wel samenvalt met, de islam zelf. Serieuze specialisten verschillen hierover van mening. Ruud Koopmans wil graag het ‘fundamentalisme’ als een apart gegeven bekijken binnen de islam, terwijl Koenraad Elst al zenuwachtig wordt van het woord ‘islamisme’ omdat het suggereert dat er daarnaast nog een ‘gematigde’, ‘Europese’ islam bestaat. Hij haalt daarbij de uitspraak van Erdogan aan: ‘Er is alleen maar dé islam.’
     Het is gedeeltelijk een kwestie van woorden, begrippen en definities. Begrijp je de islam als het geheel van geloofspunten en gedragsregels zoals je die vindt in de Koran en de Hadith, en zoals die redelijk onveranderlijk door de vier rechtsscholen worden geïnterpreteerd, dan hebben Elst en Erdogan wellicht gelijk. Begrijp je de islam echter als de manier waarop de godsdienst door honderden miljoenen gelovige moslims wordt beleefd, dan kan je zelfs zonder verder onderzoek al weten dat daar grote verschillen in zijn. Slechts een minderheid bijvoorbeeld beleeft zijn godsdienst door bommen te laten ontploffen. Daarmee onderscheidt ze zich van een meerderheid die dat niet doet, wat ze verder ook met die meerderheid gemeen mag hebben.
     Als we in de tweede redenering meestappen, de redenering van Koopmans, dan hebben we een naam nodig voor de extreme ‘beleving’ van de islam: fundamentalisme, literalisme, islamisme, jihadisme, salafisme, moslimterrorisme. Natuurlijk betekenen die woorden niet allemaal hetzelfde. Een fundamentalist als Othman El Hammouchi is bijlange nog geen moslimterrorist, salafist en, voor zover ik het kan bekijken, ook geen aanhanger van de politieke islam. 
     Zelf zal ik voortaan het begrip islamitisch extremisme gebruiken*: het verwijst naar de leer (islam), in plaats van naar de mensen (moslim), en het woord ‘extremisme’ kan dienen om alles te verzamelen wat botst met mijn gematigde – zij het tweede – natuur, én met die van veel moslims:  een letterlijke interpretatie van oude heilige boeken, een obsessie met hiernamaalse straffen, hoofddoekendracht, boerka’s, boerkini’s, religieuze apartheid, vrouwendiscriminatie, homohaat, genitale verminking en terreur**. Sommige van die zaken zijn strafbaar, maar de meeste niet en mogen dat in een vrije maatschappij ook nooit worden, maar het zou goed zijn als het allemaal langzamerhand wat minder werd.
     Hoe die vervelende dingen zullen verdwijnen, dat weet ik niet. Misschien komt er een geleidelijke geloofsafval onder druk van de algemene secularisering? Misschien vervelt de islam tot een gematigde versie die nu, volgens Koenraad Elst, nog niet bestaat. Maar wat niet is, kan nog komen. Niemand had 200 jaar geleden kunnen voorspellen welke evolutie de katholieke kerk door zou maken. Die godsdienst leek toen ook onhervormbaar en onveranderbaar. Een beetje waakzaam optimisme is op dit terrein, geloof ik, een ‘moral duty’, al is de grens met ‘wishful thinking’ maar een dun streepje. Anderzijds, pessimisme leidt vooral tot gezeur en fatalisme en zo komen we er ook niet.  De evolutie ten kwade die we binnen de islam de laatste 40 jaar gezien hebben, sinds Khomeiny, stemt niet vrolijk. Maar als een evolutie ten kwade mogelijk is, waarom dan ook niet een ten goede?
     Ruud Koopmans hoopt op een ont-fundamentalisering van de islam als de gelovigen de Koran minder letterlijk gaan lezen***. Eddy Daniëls hoopt op een islam zonder Mohammed. Ikzelf heb ergens de hoop uitgesproken dat Mohammed ooit gezien zal worden als spiritueel leider, los van de rol die hij als wetgever, politicus, diplomaat, krijgsheer en echtgenoot heeft gespeeld (
hier). Maar wat het ook wordt, het zal vooral afhangen van een evolutie binnen de moslimwereld, en niet van Ruud Koopmans, Koenraad Elst, Eddy Daniëls of mij.

* Ik ben ondertussen van mening veranderd: ‘moslimfanatisme geeft beter weer wat ik wil zeggen. Moslim is ook neutraler dan islam omdat sommige geleerden - misschien terecht - beweren dat de islam in wezen fanatiek en extreem is, terwijl niemand kan ontkennen dat er grote verschillen op dat vlak zijn tussen de gelovige moslims.

** Zie onder andere hier, hier, hier, hier, hier en hier.

*** Een praktijk waarop, merkt Koopmans op, volgens de fundamentalistische interpretatie van de sharia de doodstraf staat.

zaterdag 11 januari 2020

Bij een tweet van Filip Dewinter

     ‘Vreemdelingen hebben twee rechten,’ twitterde Filip Dewinter deze week: ‘recht op niks en recht op terugkeer.’ Ik ben het daar om verschillende redenen niet mee eens.
      Het begint met het woord vreemdelingen. Dat woord kan van alles betekenen. Als het betekent ‘inwoners die niet de Belgische nationaliteit  hebben’, dan spreken we in al gauw over 1,3 miljoen mensen, waarvan 70 procent Europeanen zijn – vooral Fransen, Italianen en  Nederlanders.  Ik geloof niet dat er veel mis is met de rechten van die Europeanen. Of bedoelt Dewinter met ‘vreemdelingen’ misschien iedereen met Arabische, Turkse of soortgelijke achtergrond. Dan zijn we er nog niet, want een groot deel van die mensen hebben de Belgische nationaliteit, en bij die nationaliteit horen onvervreemdbare rechten die voor iedere burger gelijk zijn. Het zou mij verwonderen als Vlaams Belang – zoals Vlaams Blok indertijd – zou voorstellen om de nationaliteit van die mensen weer af te nemen.
     Dan is er het woord ‘niks’. Recht op niks. Dat is minstens overdreven, want ieder mens heeft het recht om waardig behandeld te worden, beschermd te worden tegen geweld en op een eerlijke manier zijn brood te verdienen. Maar Dewinter legt zelf uit wat hij bedoelt:  ‘geen leefloon, geen sociale huisvesting, geen werkloosheidsuitkeringen, geen pensioen.’ Het gaat met andere woorden om de sociale rechten.
    Maar ook die kunnen zomaar niet tot nul worden herleid. Zowel onder de vreemdelingen in de strikte zin, als onder de personen met migratieachtergrond is een grote groep die hier gewerkt heeft en dus sociale rechten heeft opgebouwd. Die sociale rechten afschaffen zou een grove contractbreuk vormen. Is dat wat Dewinter wil?
     Er is ook een legitieme interpretatie van Dewinter zijn uitspraak: nieuwkomers – niet vreemdelingen, maar nieuwkomers onder de vreemdelingen – hebben geen rechten, maar krijgen gunsten. Daar ben ik het mee eens. Komen die nieuwkomers hier op een legitieme manier binnen, als asielzoeker of in het kader van de gezinsvereniging, dan kun je hen bed-brood-bad, medische hulp en scholing voor de kinderen niet ontzeggen. Veel Vlamingen zullen luid vloeken als ze horen wat die nieuwkomers krijgen, maar diezelfde Vlamingen zijn niet bereid om kinderen, bejaarden en zieken te laten omkomen zonder hulp te bieden.
     Vindt Dewinter dat die mensen moeten omkomen? Ik hoop van niet. Hij vindt waarschijnlijk dat ze niet moeten worden binnengelaten in de eerste plaats. Daar geef ik hem gelijk in. Zowel gezinshereniging en asiel zouden wettelijk veel strenger moeten worden beperkt, zodat we er misschien jaarlijks enkele honderden migranten in dat kader binnenkrijgen, in plaats van enkele tienduizenden. En een van de manieren om dat te bereiken is door de sociale rechten van die nieuwkomers tot een minimum te herleiden, waardoor een vestiging in ons land veel minder aantrekkelijk wordt.
     Maar zo zal Dewinter dat niet formuleren: ‘nieuwkomers’, ‘sociale rechten’, ‘tot een minimum herleiden’ ‘wettelijk beperken’. Een deel van zijn kiezers hoort liever ongenuanceerde taal over ‘niks, noppes, nada, nougatbollen’, en over ‘vreemdelingen’ – en dat die hier zo snel mogelijk weer weg moeten, want dat is de implicatie van het tweede twitterrecht: ‘recht op terugkeer’.
     Sam van Rooy is zijn mentor Dewinter bijgesprongen door op zijn beurt te twitteren: ‘Recht op terugkeer, is niet hetzelfde als plicht’ op terugkeer. Ik ben blij dat Sam dat onderscheid maakt, want taalkundig betekent ‘recht’ hier wel degelijk ‘plicht’. Volgens het vierde maxime van Grice wordt een al te evidente uitspraak automatisch geïnterpreteerd als een relevante uitspraak. Niemand betwist vreemdelingen, autochtonen, nieuwkomers enzovoort het recht om het land te verlaten. Alleen de communistische regimes deden dat. Dewinter zijn uitspraak krijgt door de evidentie ervan dus een andere betekenis. Als ik een toets geef in de klas, en de leerlingen roepen dat ze recht hebben op een aankondiging op voorhand, dan kan ik daarop antwoorden: ‘Jullie hebben vooral het recht om te zwijgen.’ Niemand begrijpt dat verkeerd.
     Dat ‘recht op terugkeer’ – dat een grote rol speelde in het vroegere 70-puntenplan – zit er bij Vlaams Belang blijkbaar nog altijd diep ingebakken. Zo ongeveer iedereen in de politiek is het ermee eens dat criminelen, afgekeurde asielzoekers, illegalen en transmigranten een ‘recht op terugkeer’ hebben. Dáármee kan Vlaams Belang zich niet onderscheiden van de rest. Dus suggereert Dewinter maar dat àlle vreemdelingen ‘recht hebben op terugkeer’.
    Alle vreemdelingen? Dat ook weer niet. Sam van Rooy maakt in een andere twitterbericht duidelijk dat zijn partij ‘het kaf van het koren wil scheiden’. Moet dan alleen ‘het kaf’ zijn ‘het recht op terugkeer’ uitoefenen? En wat is dan dat ‘kaf’?  Criminelen? Afgekeurde asielzoekers? Illegalen? Transmigranten? Neen, Van Rooy heeft het over ‘zij die de waarden van islam in de praktijk brengen’*.
     Wil Van Rooy werkelijk een klein miljoen moslims het land uit zetten? Dat is om vele redenen onmogelijk. En was het mogelijk, dan zou dat met zulke tirannieke middelen moeten gebeuren – uitzonderingswetten, razzia’s, politiegeweld – dat veel Vlamingen terecht zouden vrezen dat zulke middelen ook tegen henzelf zouden kunnen worden gebruikt.
     Hoe terecht veel bezwaren van Sam tegen de islam ook zijn, die moslims zijn er nu eenmaal – we moeten geen nieuwe moslimmigratie meer aanvaarden – maar we zullen wel een manier moeten vinden om met de mensen die er zijn samen te leven. Ik ben daar niet optimistisch over op de middellange termijn. Hat zal niet gemakkelijk zijn. Er hoort van onze kant een principiële verdediging van de verlichtingswaarden bij en van hun kant een geleidelijk overnemen van die waarden. Privileges die door de islam – en door andere godsdiensten worden opgeëist – kunnen niet worden gedoogd. Maar wat Dewinter en Van Rooy doen, daar is niemand mee gebaat: een massale deportatie aan de eigen achterban als oplossing suggereren, en aan de moslimbevolking als dreigement.

* Van Rooy schrijft niet moslims maar zij die de waarden van de islam de praktijk brengen’*. Die laatste nogal dubbelzinnige uitdrukking, zou ik niet graag in een wettekst zien verschijnen.






zondag 23 juni 2019

IS-kinderen en IS-volwassenen

     Ik zie op Facebook af en een toe een ruzietje over de IS-kinderen passeren en dan kom ik niet tussen, want ik ken daar niets van. Als het waar is wat ik soms lees - dat die kinderen in kampen sterven van ontbering - dan moet daar dringend iets aan worden gedaan. En er moet iets aan worden gedaan voor àlle kinderen in die kampen, en niet alleen voor die kinderen die misschien mogelijk eventueel de Belgische nationaliteit hebben. Of die laatste ook moeten worden opgehaald om hier in ons land bij de grootouders of andere familieleden te worden afgeleverd is een andere vraag.
     In die ruzies over de IS-kinderen worden veel emotionele argumenten gebruikt. Ik hou daar in het algemeen niet zo van. Maar als ik er ergens begrip voor kan opbrengen, dan hier. ‘Het maakt mij boos en triest, schreef Pascal Kerkhove in De Zondag, ‘want met kinderen in nood is het simpel: die help je. Altijd, overal én onvoorwaardelijk.’ Ja, daar kan ik weinig op zeggen, want het zijn inderdaad kinderen en ze zijn in nood.
     ’t Is anders een raar stuk dat Kerkhove geschreven heeft. ‘Oordelen is zoveel makkelijker dan denken,’ waarschuwt hij in de eerste zin. Maar wat verderop vergeet hij dat denken helemaal. ‘Ken jij één vader of moeder’, schrijft hij,  ‘die vindt dat zijn of haar kind een extra straf verdient voor het eigen crimineel gedrag?’ Voor het eigen crimineel gedrag?! Nee,  zulke mensen ken ik niet persoonlijk, maar wat een onzinnige vraag is het ook. Natuurlijk vinden criminelen niet dat hun kinderen moeten worden gestraft. Meestal vinden ze dat ze zelf ook niet moeten worden gestraft. Ook heb ik die criminelen niet nodig om te weten dat kinderen niet schuldig zijn aan de misdaden van hun vader of moeder. Maar moet ik Kerkhove nu op zijn stommiteit wijzen op een ogenblik dat die kinderen nog altijd echt in nood zijn? Ik voel mij daar ongemakkelijk bij.
     Het zijn anders niet allemaal emoties die je in de discussies ziet; er wordt ook wel eens inhoudelijk over de zaak getwist. Theo Francken schreef een stuk voor Doorbraak waarin hij vier redenen aanhaalde om de IS-kinderen ‘niet actief te repatriëren’. Hij kreeg een antwoord van Hendrik Wallijn. Dat antwoord was ook emotioneel. Wallijn spreekt als ‘pleegvader van twee fantastische pleegkinderen’ en verwijt ‘Francken en de hele N-VA-top’ hun ‘onmenselijkheid’. Hij maakt zelfs bezwaar tegen het woord ‘IS-kinderen’. ‘Het ontmenselijkt die kinderen,’ schrijft hij. Ik volg hem niet in dat laatste bezwaar, want ik hou van taalkundig gemak. Maar ondertussen vergeet Wallijn de inhoud niet en antwoordt hij zorgvuldig op alle redenen die Francken had opgegeven.
     Ik werd in die twist getroffen door één punt. Francken wilde vooral vermijden dat, na de IS-kinderen, later ook de IS-moeders, en nog later de gesneuvelde en weer verrezen IS-vaders zouden volgen. Wallijn vindt daarentegen dat die moeders en vaders ook terug moeten kunnen keren. We moeten volgens hem consequent zijn.  ‘Als we buitenlandse criminelen hier veroordelen,’ schrijft hij, ‘en dan naar het land van herkomst brengen, moeten we binnenlandse criminelen kunnen berechten en in een Belgische gevangenis plaatsen.’ Met die ‘binnenlandse criminelen’ bedoelt hij IS-strijders die de Belgische nationaliteit hadden.
     Ik weet niet of dat waar is – dat wij hier zo consequent mogelijk moeten zijn. Een land als het onze wil geloof ik zo weinig mogelijk criminelen op eigen bodem. Als een buitenlander in ons land zware misdaden begaat, willen we die liever kwijt dan rijk. Als het land waar hij vandaan komt, hem uit onze handen wil overnemen en hem zelf in de gevangenis wil stoppen, dan komt ons dat goed uit. Omgekeerd gebeurt het dat een Belg in het buitenland misdaden begaat, terrorisme of moord of drugsmokkel, en dat dat andere land hem graag wil houden om hem zelf te berechten en te straffen. Ook dat komt ons goed uit. Ik neem aan dat we als land bepaalde verplichtingen hebben tegenover zo’n burger, maar ik betwijfel of die verplichting ook inhoudt dat we hem met alle mogelijke middelen proberen terug te halen om hem in een onzer eigen gevangenissen te stoppen? Ik zou daar, als het om een IS-strijder gaat, niet sterk op aandringen.
     Wallijn vindt dat het allemaal een kwestie is van ‘inclusief nationalisme’, dat hij samenvat als ‘geen Belg = geen rechten, wél Belg = wél rechten.’ Dat laatste beginsel treed ik bij, maar ik weet niet of het veel met het eerste te maken heeft. Ik weet het niet zeker, want ik ben geen nationalist, maar ‘inclusief nationalisme’ lijkt mij te gaan over de bereidheid om nieuwkomers, onder bepaalde voorwaarden, op te nemen als leden van de eigen samenleving. IS-strijders geloof ik voldoen niet aan die voorwaarden.

woensdag 10 april 2019

Teder hand in hand onder de moslims

Als groot voorstander van vrede onder de mensen, vind ik het jammer dat Sam Van Rooy en Maarten Boudry altijd zo ruzie maken*, en dan nog over de islam, een kwestie waar ze het in grote lijnen over eens zijn. Ze geloven allebei dat de wereld beter af zou zijn zonder islam en ze geloven allebei dat een te grote moslimminderheid in ons land voor problemen zorgt. Maarten schreef ergens dat een verdubbeling van het aantal moslims – het zijn er nu rond de acht procent** – de al bestaande problemen tot hun ‘kwadraat’ zou verheffen. Dat is een forse uitdrukking. Als men tien problemen tot hun kwadraat verheft, zijn het er meteen honderd, en als het er honderd waren, worden het er tienduizend.
     Sam is de somberste van de twee. In zijn boek Voor vrijheid dus tegen islamisering heeft hij een groot aantal uitspraken bijeengebracht van mensen die zich, vertrekkende van hun ervaringen of van hun lectuur, negatief uitlaten over de islam. Hij heeft een nog groter aantal krantenknipsels verzameld over geweld en intimidatie, over onfrisse toespraken in moskeeën, en over tienjarige meisjes die verplicht worden een hoofddoek te dragen. Hij vreest dat het niet meer goed komt, omdat moslims meer kinderen krijgen dan niet-moslims, waardoor hun aandeel in de bevolking maar blijft toenemen.
     Maarten is vrolijker van aard, zoals blijkt uit de titel van zijn boek Waarom de wereld niet naar de knoppen gaat. Hij buigt zich graag over statistieken en ziet daar goed nieuws, ook als het om moslims gaat. Die keren zich volgens de cijfers zoetjesaan aan af van hun traditionele geloof. Ze seculariseren, zoals dat heet. In Saoedi-Arabië – of all places – noemt ondertussen 24 procent van de bevolking zich in anonieme enquêtes ‘niet-religieus’ of zelfs ‘atheïstisch’. Jonge moslims in Nederland lezen minder in de Koran dan hun ouders. De meisjes dragen minder hoofddoeken dan hun moeders. De tweede generatie migranten staat minder vijandig tegenover homo’s en joden dan de eerste generatie***. Wel gaat het allemaal erg traag, want onder de jongeren is er helaas ook een minderheid die juist fanatieker is dan de ouders. En bovendien, aldus Maarten: ‘Als de toestroom te groot wordt, kan dat de secularisering tenietdoen.’

     Maarten stelt net als Sam vast dat de moslims wereldwijd meer kinderen krijgen dan anderen – 2,9 kinderen per vrouw. Het aandeel van de moslims zal in de komende decennia dus nog toenemen. Maar op lange termijn gaan de  geboortecijfers van moslims en niet-moslims dezelfde richting uit. Tussen 1975 en 2010 is het geboortecijfer in moslimlanden met 41 procent gedaald, wat sneller is dan de wereldwijde daling van 33 procent. En in Europese landen is het aantal kinderen van moslimvrouwen al gedaald tot 2,1 kinderen per vrouw. Dat is natuurlijk nog altijd meer dan het autochtone gemiddelde van 1,6, maar – zoals Maarten niet moe wordt te herhalen – het is vooral de richting die telt. Dat is ook zo voor de huwelijksmigratie. Die neemt namelijk af omdat de migranten hun partner steeds minder gaan zoeken in het land van herkomst****.
     Naast statistieken heeft Maarten nog andere redenen om zijn goede humeur te bewaren. De fundamentalistische moslims in ons land zijn verdeeld in verschillende strekkingen, wat hun politieke mogelijkheden beperkt. Het fundamentalisme is een laatste barbaarse reactie van een voorbijgestreefde levensopvatting die vroeg of laat voor de bijl gaat. En er zijn goede redenen om aan te nemen dat de islam zich, na de nodige strubbelingen, tóch zal moeten hervormen. Dat zou eigenlijk niets meer betekenen dan dat de godsdienst zich aanpast aan de gematigde manier waarop hij nu al door veel van de gelovigen wordt beleefd. Het christendom heeft zo’n aanpassing tenslotte ook moeten ondergaan.
     Men kan aanvoeren dat sommige van Maartens redenen nogal speculatief zijn. Misschien overwint de barbarij wel –  dat is al gebeurd. Misschien blijkt de islam wel resistent tegen elke hervorming – dat weet je op voorhand nooit met zekerheid. Toch geloof ik dat Maarten op de lange termijn gelijk zal krijgen. Maar dan stelt zich een nieuwe vraag: hoe lang zal die lange termijn duren? Is het iets wat Jan nog zal meemaken? Ik herinner mij een gesprek ten huize van islamkenner Lucas Catherine in 1985 of daaromtrent. Lucas betoogde vol vuur dat het fundamentalisme à la Khomeiny eigenlijk al over zijn hoogtepunt heen was. Mijn vrouw, mijn broer en ik werden maar al te graag overtuigd. Maar na enkele jaren begon die overtuiging toch wat te verslappen.

     Door zijn optimisme voortgestuwd, gebruikt Maarten soms ongelukkige bewoordingen. Zo spreekt hij van ‘een ‘kleine minderheid van islamfundamentalisten in Europa’– een uitdrukking die nauwelijks overeenstemt met wat hij enkele bladzijden daarvoor schreef. Je kunt wel wat aanmerken op het onderzoek van Ruud Koopmans die onder de Europese moslims 40 procent fundamentalisten telde, maar je komt redelijkerwijs nooit uit op een een ‘kleine minderheid’ *****. Ergens schrijft Maarten dat ‘onze maatschappij zeker voldoende draagkracht [heeft] om een gestage toestroom van minderheden te absorberen, ook als daar enkelen tussen zitten die ons samenlevingsmodel verwerpen’. Die zin komt uit een pleidooi vóór migratiebeperking, dat ik des te meer toejuich omdat er onder degenen die toestromen meer dan ‘enkelen’ zijn die ons samenlevingsmodel verwerpen. Het is om die reden zou ik graag hebben dat die toestroom minder ‘gestaag’ was.
     Volgens Maarten gaat het met de moslims in ons land de goede richting uit. Als hij de huidige stand van zaken overschouwt, ziet hij veel wat laakbaar is: parallelle samenleving, homohaat, onderdrukking van vrouwen, vijandigheid tegenover de liberale democratie. De problemen zijn groot en de toestand is niet rooskleurig. Zijn goede humeur keert pas terug als hij over zich over de evolutie – de richting dus – bezint. Maar ook over die richting valt wat te zeggen. Als die richting inhoudt dat de immigratie van moslims gevoelig vermindert, dan moeten we inderdaad niet vrezen dat hun aantal zal vertiendubbelen – zoals dat in de voorbije 40 jaar is gebeurd (hier) – maar daarmee is een gewone verdubbeling nog niet uitgesloten. En als het aandeel van fundamentalisten onder de moslims daalt, moet nog altijd bekeken worden of die daling wel groter is dan de stijging van het totale aantal, anders zit de richting – voorlopig althans – nog altijd niet goed.
     Maar nu iets helemaal anders – iets leuks – over de ruzie tussen Maarten en Sam. Maartens nadruk op de ‘richting’ die de moslimkwestie uitgaat, heeft Sam onlangs tot een onvoorzichtige tweet verleid. ‘Welke ‘richting’ het uitgaat, @mboudry? schrijft hij. ‘Laten we samen eens hand in hand of met een keppeltje op door bepaalde wijken in Antwerpen wandelen.’ Maarten reageerde onmiddellijk zoals Barney Stinson in de komische televisiereeks How I Met Your Mother zou doen en juichte: challenge accepted! ‘Welke cameraploeg’, tweette hij,  ‘wil Sam Van Rooy en mij volgen terwijl we innig hand in hand in verschillende Antwerpse wijken rondlopen?’ En toen hij geen antwoord kreeg stuurde hij een nieuwe tweet: ‘Zou Sam bang zijn dat hij het experiment niet overleeft, of eerder dat zijn doemvoorspelling sneuvelt? #chicken.’
     Dat was een heel slimme zet van Maarten. Want stel dat Sam op de uitdaging ingaat en de twee heren lopen teder hand in hand door een paar moslimwijken, dan kunnen er twee dingen gebeuren: of ze worden in elkaar geslagen, of ze worden niet in elkaar geslagen. Worden ze niet in elkaar geslagen, dan is bewezen dat Sam ongelijk had en dat homo’s minder bedreigd worden dan hij had gedacht. Worden ze wel in elkaar geslagen, dan is bewezen dat sommige moslims wel degelijk homohaters zijn, iets wat Maarten volkomen beaamt. Om Karel van het Reve te parafraseren: bij kruis wint Maarten, bij munt verliest Sam.

      

 * Maarten heeft ook ruzie met Sam zijn vader Wim Van Rooy. Het gaat dan over wat beter is: anekdotes of statistiek. Zelf hou ik van allebei. Ook kibbelen Maarten en Wim over de middeleeuwen en over iets wat ‘libido sciendi’ heet, twee zaken waar ik weinig van afweet.
** 7,6 procent volgens onderzoeker Jan Hertogen. Natuurlijk is dat aandeel veel groter in bepaalde steden zoals Antwerpen, Brussel, Molenbeek …

*** Maarten verwijst onder andere naar een studie van Elchardus onder moslimscholieren in Gent en Antwerpen. 25 procent van hen vond geweld tegen homo’s gerechtvaardigd. Ik zou gedacht hebben dat dat meer was. Ook 8 procent van de autochtone scholieren had begrip voor zo’n geweld. Ik zou gedacht hebben dat dat minder was. Dat goedkeuren van geweld is trouwens maar één kant van de zaak. Uit een recente enquête blijkt dat de helft van de Britse moslims homoseksualiteit bij wet wil verbieden. Nou ja, tot 1967 wás homoseksualiteit in Groot-Brittannië natuurlijk bij wet verboden.
**** Maarten geeft hier geen exacte cijfers, maar verwijst in een noot naar het boek van Lucassen en Lucassen, Vijf eeuwen migratie. Maarten heeft zijn eigen boek zeker niet volgestouwd met cijfers en statistiek, maar de cijfers díe hij geeft zijn meestal verhelderend.

***** Het cijfer van 40 procent fundamentalisten kan, zoals Maarten zelf aangeeft, zowel een overschatting als een onderschatting van het probleem zijn. In het onderzoek van Koopmans geldt als fundamentalist iemand die tegelijk aan drie criteria beantwoordt: hij gelooft dat er slechts één correcte interpretatie is van zijn heilig boek, dat de religieuze wet boven de burgerlijke wet moet komen en dat gelovigen moeten terugkeren naar de zuivere bron. Volgens die definitie zijn 40 procent van de moslims fundamentalist en slechts 5 procent van de christenen.  Het onderzoek van Bretfeld en Wetzels (2007) komt tot gelijklopende resultaten: 47 procent van de ondervraagde Duitse moslims vond dat de regels van de Koran belangrijker waren dan de democratie. 47 procent vind ik geen kleine minderheid.

dinsdag 13 november 2018

Schoolmeester met kop van Rockster

Die van links heeft ondertussen zijn haar bij laten knippen
   Over Pinkers boek Verlichting nu bestaan twee vooroordelen die ik meteen van de baan wil. Het eerste is dat het boek over de Verlichting zou gaan. Dat is niet het geval. Pinker heeft niet in oude boeken zitten snuffelen om na te gaan wat Voltaire nu weer juist gezegd heeft, en in welke mate dat verschilt van wat Diderot, Rousseau of Beccaria beweerd hebben. Die namen komen een paar keer in het boek voor, maar ontbreken in de literatuurlijst. Je vindt in die lijst wel de namen van Kant en Adam Smith, en van Nietzsche, als anti-Verlichtingsdenker, maar veel verder gaat het niet. Je merkt aan alles dat Pinker zijn tijd liever besteedt aan recente vakliteratuur over feiten, meer dan aan boeken met overpeinzingen uit een erudiet verleden. Een mens kan niet alles doen. Dat is overigens geen groot nadeel. De grondgedachte van Pinkers boek is dat we in een altijd maar betere wereld leven en dat dat komt door de wetenschap, de rede en het humanisme. Je moet al van kwade wil zijn om te ontkennen dat wetenschap, rede en humanisme wel degelijk iets, en wellicht veel, met de Verlichting te maken hebben. Zo fout is de boektitel dus niet.
     Het tweede vooroordeel, gevoed door een aantal recensies, is dat het boek een saaie en vermoeiende opsomming zou zijn van statistieken. Dat is niet het geval. Er komen wel veel statistieken in voor – 75 – maar het boek wordt daardoor niet saai, zelfs als je niet van die dingen houdt. Dat komt omdat Pinker, binnen zijn genre, een heel goede schrijver is. Ook als hij over statistieken schrijft, blijft hij boeiend en levendig. Bij elk cijfer gaat hij op zoek naar een originele invalshoek, een treffende vergelijking, een leuke anekdote, een onverwachte interpretatie, een aardige omschrijving van de onderzoeksmethode … En het sterkst is hij in zijn boutades. Pinker heeft daar een talent voor, zowel om die zelf te verzinnen als om die te verzamelen bij andere auteurs. Van Steven Radelet leent hij een fraaie uitspraak over de held van mijn jeugd: ‘In 1976 heeft Mao in zijn eentje de aanzet gegeven tot een dramatische daling van de wereldarmoedecijfers: door te sterven.’ Bij Morgan Housel vindt hij een treffende samenvatting van zijn eigen probleem als prediker van de vooruitgang: ‘Pessimisten geven de indruk dat ze je willen helpen, optimisten dat ze je iets willen verkopen.’ En voor wie ontevreden blijft zolang de diepste zin van het bestaan niet achterhaald is, heeft hij enkele phrases assassines van eigen makelij. ‘Een lang leven, een goede gezondheid, begrip, schoonheid, vrijheid, liefde … Ja, er moet toch iets meer zijn!’ Of deze: ‘De eerste stap naar wijsheid is het besef dat de wetten van het universum zich van jou niets aantrekken.’ Ook regelneven krijgen ervan langs: ‘Een regering die de macht heeft om pottenbakkerij te verbieden, zal nog wel enkele andere dingen verbieden ook.’

   Het nadeel van Pinkers levendige stijl is dat hij zich soms laat meeslepen door zijn voorbeelden en dan schrijft hij wel eens iets dat hij niet zo precies meer weet of nooit zo precies geweten heeft. ‘Schopenhauer was een ‘cultuurpessimist’. Dat woordje ‘cultuur’ is er geloof ik teveel aan. ‘Heidegger en Carl Schmitt waren “gung-ho nazis”.’ Gung-ho – dat heb ik opgezocht – betekent enthousiast en overijverig, en dat lijkt mij niet de juiste nuance voor de voornoemde geleerden. ‘Hitler was een “deïst” die meende Gods werk uit te voeren door de Joden uit te roeien.’ Mja … neen, eigenlijk niet. ‘Hayek heeft in Road to Serfdom voorspeld dat sociale zekerheid naar dictatuur zou leiden, en dat is niet gebeurd’.  Als ik mij goed herinner had Hayek het over de planeconomie die naar dictatuur zou leiden. Die dictatuur is er niet gekomen, maar die planeconomie ook niet. ‘Anna Karenina zou géén zelfmoord hebben gepleegd indien ze in een verlicht en kosmopolitisch milieu had geleefd.’ We kunnen het haar niet vragen natuurlijk, maar haar milieu was in elk geval behoorlijk kosmopolitisch en verlicht, en die zelfmoord zat er al aan te komen na dat ongeluk met die spoorwegarbeider in het achttiende hoofdstuk van deel I. Toch doen al die onnauwkeurigheden weinig af aan de boodschap die Pinker wil meegeven. Er bestáán cultuurpessimisten. Veel intellectuelen hébben meegeheuld met de tirannen van de twintigste eeuw. Sociale zekerheid ís verenigbaar met democratie.  En in de negentiende eeuw wáren er onafhankelijke vrouwen die leden onder de verstikkende normen van hun milieu, en we kunnen dat inderdaad afleiden uit romans van die tijd.
    Eén enkele keer strekt de levendige stijl van Pinker zich ook uit tot de titel van een hoofdstuk. In het begin van het boek, krijgt de lezer een beknopte samenvatting van de huidige stand van zaken in het heelal, onder de aanstekelijke titel: ‘Entro, evo, info’, wat staat voor entropie, evolutie en informatie. De materiële wereld valt uit elkaar (entro), binnen dat verval ontstaat en evolueert het leven (evo), en een van die levensvormen, de mens, verzamelt en verwerkt informatie (info) om zijn omgeving, in weerwil van de entropie, naar zijn hand te zetten. Het is een meeslepend stuk voor wie daar weinig van afweet, want Pinker is erg knap in het vulgariseren. En het plaatst de Verlichting tegen een heldhaftige achtergrond. De strijd gaat niet alleen tegen enkele achterlijke opvattingen of praktijken uit de middeleeuwen, nee, de strijd gaat tegen niets minder dan de almachtige entropie zelf. Dat is enthousiasmerend. Zo konden marxisten indertijd een staking in een textielfabriekje voorstellen tegen de achtergrond van een klassenstrijd die al begonnen was bij Spartacus. Bij Pinker is alles al begonnen, niet tweeduizend jaar geleden, maar 13 miljard jaar geleden.
     Pinker gebruikt een groot deel van zijn boek om te bewijzen dat het met de mensheid de goede kant op gaat. De wereld waarin we nu leven, is een betere dan die van vroeger. Om te beginnen leven we langer dan vroeger. De gemiddelde Europeaan werd in 1870 niet ouder dan 35 jaar. Nu wordt de gemiddelde Europeaan 80, de gemiddelde Aziaat 70 en de gemiddelde Afrikaan bijna 60. Met zulke cijfers krijgt de zwartkijker het moeilijk. Hij zal iets mompelen over luchtvervuiling, ongezonde levensstijl, stijgende misdaad, discriminatie, kinderarbeid, terrorisme, en over al die landen waar oorlog woedt en dictatuur heerst. Dat is nu juist iets wat je niet moet zeggen als Pinker in de buurt is en hij je kan horen, want dan komt hij pas goed op dreef. Voor al die zaken diept hij cijfers en statistieken op die laten zien dat de luchtvervuiling daalt, de gezondheid verbetert, de discriminatie afneemt, het met de misdaad de goede kant op gaat, kinderen overal langer naar school gaan in plaats van vroeger te gaan werken, en dat er nu minder – en minder grote – oorlogen zijn dan vroeger, en meer democratie. Over IS-terrorisme valt natuurlijk niets positiefs te zeggen, behalve dat het in het Westen minder doden vallen dan we soms denken*, en dat aan vroegere terreurgolven van anarchisten, nihilisten, marxisten en nationalisten ook een einde is gekomen.
     Bij die cijfers kun je je verschillende vragen stellen. Vooreerst, zijn ze betrouwbaar? Mark Twain vond statistieken de overtreffende trap van leugens, en Churchill beweerde alleen díe statistieken te geloven die hij zelf had vervalst. Maar in tijden van Google, Wikipedia en fact checking worden geloof ik weinig cijfers en statistieken nog echt vervalst. Wel zie je vaak spectaculaire getallen die speciaal worden uitgekozen om een boodschap te ondersteunen: over de 0,004 % rijksten ter wereld, over productiviteitswinsten van 9000 miljard dollar, en over de armoede die in Vleteren gestegen is met 566 procent in één jaar. Daar kun je Pinker niet op betrappen. Zijn cijfers hebben goede bronnen, laten vergelijking toe, overspannen grote periodes, doen ter zake, worden niet lichtvaardig gebruikt om oorzakelijke verbanden te leggen, en gaan vergezeld van een duidelijke omschrijving van de meetmethodes. De vijanden van Pinker (Taleb, John Gray) hebben een aantal scherpe bedenkingen geformuleerd bij zijn cijfers en zijn interpretaties, maar ik geloof niet dat ze even goede cijfers en statistieken kunnen voorleggen die het tegenovergestelde van wat Pinker beweert ondersteunen. Het zou fijn zijn als die tegenstanders eerst toegaven dat Pinker in grote lijnen gelijk heeft, voor ze aan detailkritiek beginnen.
     Toch zal menige lezer net vanwege de cijfers het boek boos dichtklappen, zeker als die cijfers niet overeenkomen met het beeld van de werkelijkheid dat die lezer koestert. Het zal de godsdienstleraar veel verdriet doen, als hij verneemt dat de armoede in de wereld afneemt, want als het zo verder gaat zijn er straks geen armen meer om solidair mee te zijn. Menig groene jongen of meisje zal humeurig worden bij cijfers over een grondstoffenvoorraad die toeneemt, over uitlaatgassen die afnemen, over een tropisch regenwoud dat minder ontbost wordt, over tankers die minder olie in zee lozen. En voor de herverdelende socialist is er ook slecht nieuws: de armen worden niet armer en de ongelijkheid neemt op wereldschaal niet toe. Ik heb in een vorige stukje heb ik de ‘olifantengrafiek’ besproken die Pinker overneemt en die laat zien dat er in de wereld twee groepen spectaculair vooruitgaan: de grote groep werkende mensen in Azië en de kleine groep grootverdieners overál. Maar de armen in Afrika gaan óók vooruit, net als de kleinverdieners in de rijke landen. De lezer vindt het hier onderaan terug als appendix.
     Feiten, cijfers en statistieken zijn lastig als ze niet ondersteunen wat je graag gelooft. Maar er is nog iets anders dat sommigen vervelend vinden. Feiten, cijfers en statistieken vertonen geen emoties; ze zijn harteloos. Daarom zal de gevoelsmens vaak afhaken. Pinker wijst erop dat de extreme armoede (momenteel vastgelegd op een dagelijks inkomen van 1,9 $) sinds 1970 gedaald is van 50 % van de wereldbevolking, naar 10 % van de wereldbevolking. Als hij zich daarover verheugt, dan lijkt het alsof hij die 10 % allerarmsten van vandaag niet zo erg vindt. ‘Verlichting nu, empathie later,’ schrijft één van de tegenstanders van Pinker.
     Je komt die reflex vaak tegen bij de tegenstanders van Pinker. Ja, er is vooruitgang, minder armoede, meer veiligheid, betere gezondheid, geeft men toe, maar niet overal!!!. Dat klopt evenwel niet. Die vooruitgang is er juist wél overal. Of je nu in Europa, Azië, of Afrika geboren wordt, overal heb je vandaag statistisch meer kans op een langer leven, een betere gezondheid, en een veiliger omgeving. Maar de gevoelsmens maalt niet om statistiek. Wat heb je eraan dat de extreme armoede gedaald is tot 10 %, zo denkt hij, als je zélf tot die 10 % behoort? Wat heb je eraan dat er minder oorlog is in de wereld, als jóuw ziekenhuis gebombardeerd wordt? Wat heb je eraan dat het aantal verkeersslachtoffers daalt, als jóuw kind door een auto wordt meegesleurd? Zolang er één iemand in extreme armoede leeft, zolang er één bom valt op één ziekenhuis of school, zolang er één kind door één auto wordt meegesleurd, is er geen reden om te juichen. De meeste van die gevoelsmensen die zich aan Pinker storen behoren overigens niet tot die tien procent allerarmsten, komen in ziekenhuizen die niet gebombardeerd worden, en hun kinderen komen dagelijks veilig op school aan. Zij lijden, zou je kunnen zeggen, aan een ‘borrowed suffering’-syndroom. Pinker noemt het de illusie van ‘I’m OK, They’re Not’.

    Nu, er zijn onder de cijferaars en de statistici ongetwijfeld harteloze mensen, zoals er onder hen die het wereldleed torsen ongetwijfeld schijnheiligen zijn. Die verwijten van harteloosheid en van schijnheiligheid brengen ons niet veel vooruit. Het is interessanter om ons af te vragen wat we we uit die cijfers van Pinker kunnen besluiten. Pinker gelooft dat de wereld in toenemende mate in de ban is van Verlichting en liberalisme en gereguleerd kapitalisme. Dat is volgens hem de verklaring van het goede wereldrapport voor levensverwachting, gezondheid, enzovoort. De linkerzijde kan daar vier dingen tegen inbrengen: (a) de cijfers zijn fout, (b) die cijfers zijn niet het gevolg van dat gereguleerde kapitalisme, (c) die cijfers zouden onder een socialistisch systeem nog beter zijn en (d) Pinker is een ploert. Ik heb in de anti-Pinkerstukken die ik las weinig overtuigende pogingen gezien om (a),  (b) of (c) hard te maken.
     Het eerste deel van Pinkers boek ondergraaft dus vooral de zekerheden van links. Iets over de helft komt Pinker op het terrein van rechts. Wat betekent al die materiële vooruitgang voor de morele vooruitgang en voor het menselijk geluk? En: is het menselijk geluk het opperste ideaal? Moeten we niet eerder streven naar een deugdzaam, misschien zelfs religieus leven? En: moet een samenleving niet steunen op gemeenschappelijke waarden in plaats van op altijd maar meer consumptie? Over dat geluk kan Pinker nog terugvallen op statistieken, maar ze bieden minder vaste grond. De trendlijnen zijn minder steil, de begrippen zijn minder afgebakend, de factoren die meespelen zijn talrijker? Wat is geluk? Is er een verschil tussen een gelukkig en een zinvol bestaan? Zíjn we eenzaam of vóelen we ons eenzaam of zéggen we dat we ons eenzaam voelen? Bieden de sociale media écht menselijk contact? Voel je je door stress gelukkiger of ongelukkiger? Zijn cijfers over zelfmoord en depressie betrouwbaar?

     Pinker probeert zo goed en zo kwaad als hij kan, tussen de moeilijkheden door te laveren. Ja, geluk stijgt met toenemende rijkdom, maar veel trager dan die rijkdom zelf. En ja, je moet met veel dingen rekening houden. Als je met dezelfde rijkdom in Costa-Rica geboren bent dan wel in Rusland, zul je in dat eerste land gelukkiger zijn dan in het dat tweede. In de VS is er de laatste tijd een daling in het aangegeven geluk, ondanks de toegenomen welvaart. Het onderzoek naar geluk is nog nieuw en de conclusies gaan niet altijd in dezelfde richting. Dat neemt niet weg dat volgens het recentste onderzoek, de relatie tussen rijkdom en geluk eigenlijk nauwer is dan men eerst had gedacht. Ook zou het geluk, in tegenstelling tot wat Gentse onderzoekers onlangs beweerden (hier), blijven stijgen zelfs als men al veel rijkdom heeft. Als het over geluk gaat, schrijft Pinker, had Wallis Simpson half gelijk toen ze zei: “You can’t be too rich or too thin.”
     Ook is het moeilijk om het geluk over de eeuwen heen te meten. Het gedachte-experiment met de teletijdmachine helpt ons niet veel verder. In de romantische komedie Kate & Leopold kiest Meg Ryan ervoor om haar geliefde te volgen naar het Victoriaanse tijdperk. Maar misschien heeft ze een voorraadje anticonceptiemiddelen meegenomen en iets tegen de hoofdpijn. Zelf wil ik niet terug naar de tandartsen en de sanitaire voorzieningen van mijn jeugd. Maar was ik daardoor ongelukkiger? Ik weet het niet. Misschien zou de discussie wat makkelijker verlopen als Pinker af en toe erkende dat er naast vooruitgang ook achteruitgang kán zijn. Ik heb de school meegemaakt van de jaren 60-70 en ik ken de school van nu. Veel is gelijk gebleven, sommige dingen zijn verbeterd, andere zijn slechter geworden. Ik betrouw mijn geheugen onvoldoende om die dingen af te wegen –  we are wired for nostalgia, schrijft Pinker – maar dat er én verbeteringen én verslechteringen zijn, dat weet ik wel zeker. Om maar iets te noemen, de leerlingen spreken beter voor de klas, en ze kennen minder Frans. Ze kennen meer films, en minder boeken.

     Over deugd en deugdzaamheid is Pinker nog voorzichtiger. Hij beseft de valkuilen van de Kantiaanse plichtsmoraal, net zo goed als die van de utilitaristische leus ‘zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen en zo weinig mogelijk leed voor zo weinig mogelijk mensen’. Maar hij heeft een voorkeur voor de tweede benadering. ‘Humanisme komt met een utilitaristisch smaakje,’ schrijft hij voorzichtig. Zijn sterkste argument heeft Pinker beet als hij het utilitarisme als gemeenschappelijke grond aanduidt voor mensen met verschillende morele overtuigingen. ‘Wanneer mensen met een verschillende culturele achtergrond met elkaar overeen moeten komen over een morele code, grijpen ze terug naar het utilitarisme.’ Pinker illustreert dat met een uitspraak van Jacques Maritain die samen met andere intellectuelen – christenen, atheïsten, moslims, confucianisten – een lijst van mensenrechten moest opstellen. Het opstellen van die lijst verliep vlot ondanks de hevige ideologische meningsverschillen. ‘We gaan akkoord over die mensenrechten,’ zeiden de opstellers, ‘maar alleen op voorwaarde dat niemand ons vraagt naar het “waarom” ervan.’ Misschien was er ook een verzwegen voorwaarde dat niemand mocht vragen naar het “hoe”, denk je dan.
     Minder voorzichtig is Pinker als hij schrijft over godsdienst. Hij verwerpt, helemaal in de lijn van Richard Dawkins, élke vorm van godsdienst die hij voor een wat achterlijke en niet helemaal eerlijke concurrent van het wetenschappelijke denken houdt. Maar zijn zwaarste kritiek geldt de Islam. ‘Alle oorlogen die woedden in 2016 vonden plaats in landen met een moslimmeerderheid of hadden te maken met islamistische groepen, en die groepen waren verantwoordelijk voor de grote meerderheid van de terreuraanslagen.’
Pinker wijst daarbij streng naar de fundamenten zelf van de Islam. ‘Het probleem begint met het feit dat veel voorschriften van de Islamitische leer, letterlijk genomen, uitbundig anti-humanistisch zijn. De Koran bevat tientallen passages die oproepen tot haat tegen ongelovigen, tot martelaarschap en tot een heilige oorlog onder de vorm van gewapende strijd.’ En het ergste vindt hij dat de moslims hun godsdienst, ook mét die ingebouwde haatboodschappen, zo letterlijk en zo serieus nemen. ‘De Islam heeft ook zijn versie van ‘culturele joden’, ‘cafetaria katholieken’ en ‘CINO’s’ (Christians in Name Only),’ schrijft Pinker. ‘Het probleem is dat die goedaardige hypocrisie zo onderontwikkeld is in de hedendaagse moslimwereld.’ Pinkers enige hoop is dat de moslimjeugd, althans in de moslimlanden, zich in versneld tempo aanpast aan de Verlichtingswaarden, waarbij hij, misschien wat optimistisch, verwijst naar de Arabische lente. Pinker heeft ook weinig geduld met berichten over islamofobie en geweld tegen moslims in de VS. ‘Die komen van organisaties,’ schrijft hij, ‘die voor hun financiering afhankelijk zijn van paniek en overdrijving, eerder dan van objectieve registratie.’ Zouden wij in Vlaanderen ook zoiets hebben?
     In sociaal-economische aangelegenheden is Pinker een centrist, een Obama-bewonderaar, een Ikea-socialist als je wil, die probeert gelijke afstand te bewaren van conservatisme, marxisme en libertarisme. Links en rechts vindt hij achterhaald, omdat ze problemen willen oplossen die in de samenleving van vandaag al grotendeels zíjn opgelost. Zo’n centristische positie is verduiveld comfortabel. Je kunt naar believen kritiek geven op de twee ‘extreme’ standpunten zonder zelf te moeten aanduiden waar precies het juiste midden ligt. Pinker verwijt links dat het de voordelen ontkent van de vrije markt, en rechts dat het de voordelen niet ziet van ‘herverdelende’ maatregelen. Zelf zegt hij dat vrijemarktkapitalisme verenigbaar is met “any amount of social spending”. Any – om het even welk – dat is behoorlijk veel, vooral omdat hij op andere plaatsen wel degelijk schrijft over ‘too much social spending” dat ‘perverse incentives’ in het leven roept. Pinker lost het probleem nogal gemakkelijk op door zowel van rechts als van links een karikatuur te maken. Zo verwijt hij de Amerikaanse republikeinen dat ze tegen élke vorm van sociale uitgaven zijn, en de Bernie Sanders-mensen dat ze tegen élke vorm van vrije markt is. Geen van beide is waar, geloof ik.
     Dat centrisme van Pinker zie je ook als het over immigratie gaat. In een interview met De Volkskrant zei hij het volgende: ‘De Verlichting kan geschaad worden door overhaaste immigratie. In 2015 rees in Europa het beeld van een grote instroom van mensen die niet of moeilijk geïntegreerd kunnen worden. Dat kan een deel van de Verlichting, het vrije verkeer van mensen, in gevaar brengen …  Neem mijn eigen land, Canada. Canada heeft een doordacht en gecontroleerd immigratiebeleid. Geen open grenzen, maar elk jaar wordt een quotum aan legale arbeidsmigranten en vluchtelingen toegelaten.’ Wij krijgen hier een rationeel principe aangereikt: een land bepaalt hoeveel immigranten het toelaat in functie van zijn eigen noden en draagkracht. Maar dat principe kan worden gebruikt om een heel restrictief of juist een heel permissief beleid te voeren. Hoe hoog moet dat quotum zijn? Welke instroom kunnen we ons als land permitteren? Spreken we van 1000 per jaar of van 30 000 per jaar? Ik ben geen specialist, maar ik geloof dat dat laatste cijfer voor ons land de realiteit van de laatste 20 jaar best goed benadert als we arbeidsimmigranten, erkende vluchtelingen, illegalen en gezinsherenigers samentellen.
      Er is één politieke kwestie waarin Pinker allesbehalve centristisch en dat is die van het populisme. Verlichting nu! Is Pinkers ‘war effort’ tegen Trump. Dat Trump door verkiezingen aan de macht is gekomen, is niet iets wat Pinker gunstig stemt tegenover verkiezingen.  ‘Ondanks het wijdverspreide geloof dat verkiezingen de essentie van een democratie uitmaken, zijn ze slechts één mechanisme waarmee de regering ter verantwoording kan worden geroepen door het volk, en dan nog niet altijd een erg constructief mechanisme.’
     Koenraad Elst heeft op Doorbraak ooit geschreven dat antipopulisten in werkelijkheid antidemocraten zijn (hier). In het geval van Pinker zit daar veel waarheid in. In zijn hoofdstuk ‘Democratie’ geeft hij verschillende definities van het begrip, maar de omschrijving als een staat waarin de meerderheid van het volk de beslissingen stuurt, is daar niet bij. Pinker gebruikt het begrip ‘democratie’ om te verwijzen naar een vrije maatschappij die ‘het midden houdt tussen tirannie en anarchie’. Burgers die meebeslissen over het algemeen belang en vertegenwoordigers kiezen om hun wensen te realiseren, dat heeft volgens hem weinig met de werkelijkheid te maken. Het is een idealisering die geschikt is voor de ‘civics-class’***. De werkelijkheid is anders. Het aantal democratieën dat werkt volgens het civics-class-boekje, schrijft Pinker, ‘was nul in het verleden, is nul in het heden, en zal hoogstwaarschijnlijk nul zijn in de toekomst.’ De burgers kúnnen bij verkiezingen niet duidelijk maken wat ze willen, want zij wéten niet wat ze willen – of ze willen de meest tegenstrijdige en onmogelijke dingen. Beter is het dus, suggereert Pinker in bedekte termen, als de burgers door een goed geïnformeerde en verlichte elite in de juiste richting worden geleid. ‘Nudging’ heet dat nu. In de Verlichtingstijd heette het: ‘Alles voor het volk, niets door het volk’. Het was de slagzin van verlichte despoten die een Romeins cijfers twee bij hun naam hadden staan: Jozef, Catherina en Frederik.
     Nu vertellen geschiedschrijvers ons veel kwaads van Jozef, en nog meer van Catherina en Frederik. Dat neemt niet weg dat de kerngedachte van het verlicht despotisme zich moeilijk laat weerleggen. De burgers zijn inderdaad niet goed geïnformeerd over politiek, weten niet altijd goed wat ze willen, en vaak wíllen ze inderdaad tegenstrijdige en onmogelijke dingen. Ook kan een meerderheid kiezen voor minder vrijheid. Als ik moest kiezen tussen vrijheid enerzijds en een verkiezingsdemocratie anderzijds, zou ik zonder lang te aarzelen kiezen voor het eerste****. Toch zijn er argumenten om niet al te cynisch te doen over de verkiezingsdemocratie en niet al te gretig toe te geven aan de elitaire verleiding. Burgers informeren zich beter in tijden van verkiezingen en volksraadpleging. Leden van de verlichte elite zijn buiten hun specialisatie vaak even slecht geïnformeerd als anderen, ze zijn moreel niet superieur aan de eenvoudige dorpers*****, ze zijn zoals iedereen onderhevig aan vooroordelen. En, verkiezingen leiden tot een periodieke afwisseling van de wacht waarbij de stommiteiten van het ene kamp na enkele jaren in evenwicht worden gebracht door de stommiteiten van het andere kamp.

     Ik neem aan dat Pinker díe argumenten vóór de verkiezingsdemocratie kent, en overwogen en verworpen heeft. Maar het schijnt mij toe dat er één argument is dat hij niet opmerkt, en dat is het volgende. In de westerse landen, en in de VS in het bijzonder, is er iets aan dat hand dat mijn professor Europese literatuur Marcel Janssens in een andere context de ‘aristocratische secessie’ noemde. Charles Murray spreekt van ‘the new segregation’. De samenleving raakt opgesplitst in twee groepen, de 5 % en de 95 %. Die groepen hebben een verschillend gemiddeld IQ, een verschillende opleiding, een verschillend inkomen, wonen in verschillende buurten, lezen andere kranten, kijken naar andere films, vinden andere dingen in het leven belangrijk, en trouwen binnen de eigen groep.
     Die groepen zou je nieuwe klassen, of nieuwe standen kunnen noemen. Ze leven in hun eigen ‘bubbel’. Ze hebben allebei hun eigen bekommernissen, maar kennen slecht de bekommernissen van de andere groep. Hier stelt zich dus in alle scherpte de democratievraag: is het wijs om de elite van 5 % over allerlei zaken te laten beslissen waarvan de gevolgen niet door hen, maar door de 95 % wordt gedragen? Moeten beslissingen over migratie, zware beroepen, armoedebestrijding eigenmachtig genomen worden door lui die in een buurt wonen zonder migranten en wier kinderen naar homogeen blanke scholen gaan, die op het einde van een werkdag geen pijn hebben voelen aan armen, schouders of rug, en die armoede alleen kennen van horen zien zeggen? Die vragen ziet Pinker niet. Het is zijn blinde vlek. Hij behandelt alle mogelijke maatschappelijke problemen, van armoede en ongelijkheid tot geluk en eenzaamheid. Hij heeft daarover de beste statistieken bij elkaar gezocht. Maar het probleem van de ‘new segregation’ laat hij onbehandeld, ook al had hij kunnen putten uit de tientallen statistieken die Charles Murray verzameld heeft in zijn boek Coming Apart. En Pinker hield toch zo van statistieken?
     Een hele reeks mensen zich zal zich in mindere of meerdere mate ergeren aan Steven Pinkers boek: geboren zwartkijkers, cijferhaters, gevoelsmensen, en iedereen met een uitgesproken linkse of rechtse overtuiging. Ook zullen sommigen zich ergeren aan de directe toon waarop de auteur zijn lezer (Pinker zou schrijven: lezeres) aanspreekt. Pinker treedt niet in dialoog, danst niet om een onderwerp heen, komt meteen ter zake en laat zijn twijfels niet blijken – zoals minder rechtlijnige schrijvers dat soms wél doen: Hume, Burke, Maistre, Nozick, Karel van het Reve. Pinker is een wat autoritaire schoolmeester die van bij het begin zegt waar het op staat.
     Zelf  vind ik dat zo’n directe manier van spreken en schrijven grote voordelen heeft, en al zeker in mijn vak: het onderwijs. Het is dan ook jammer dat Pinker die voordelen net dáár niet ziet, en ze zelfs ontkent. Het is altijd pijnlijk als je met een auteur van mening moet verschillen over een onderwerp dat je zelf een beetje kent en waar je bij betrokken bent. Eerst wil Pinker een nieuw schoolvak invoeren dat kritisch denken moet aanleren. Ik ben daar al geen voorstander van (hier) en het verbaast me niet dat experimenten met zo’n vak tot flauwe resultaten hebben geleid. De leerlingen zagen er een nieuwe ‘civics class’ in, denk ik dan. Daarna maakt Pinker de zaken nog erger door die flauwe resultaten toe te schrijven aan de onderwijskundige aanpak. ‘Elk vak zal pedagogisch inefficiënt zijn als het bestaat uit een docent die voor het bord staat de drenzen en een cursus die leerlingen moeten bewerken met een gele stift.’ Pinker schrijft dat de leerlingen op die manier nooit kritisch zullen leren denken. Ik weet dat nog zo niet. Als leraar sta ik heel vaak te drenzen voor het bord, en stop ik mijn leerlingen een cursus in de hand die ze moeten bewerken met een gele stift. En ook als leerling heb ik vaak geluisterd naar leraren die stonden te drenzen voor het bord, en heb ik cursussen bewerkt met een gele stift. En toch hebben dat gedrens en die stift mij, geloof ik, geholpen om over Pinkers boek kritisch na te denken.


 * Ik had bij het schrijven van dit stuk de Nederlandse vertaling van Pinkers boek niet bij de hand. Mijn eigen ‘vertalingen’ zijn, geef ik toe, vaak meer een verkorte parafrase dan een letterlijke weergave van de tekst.

** Pinker merkt, zoals velen vóór hem, op dat het aantal slachtoffers van het terrorisme weinig voorstelt vergeleken met de verkeersslachtoffers, ongeveer 3 %. Hij maakt echter dezelfde vergelijking in verband met de schietpartijen in Amerikaanse scholen en die hoor je minder vaak. Ook merkt hij op dat er emotionele en rationele redenen zijn waarom mensen anders reageren op tragedies van kwaad opzet dan die van ongeluk en toeval. We maken ons terecht grote zorgen over enkele dissidenten die door dictatoriale regimes worden gedood, ook al zijn die véél minder talrijk dan verkeersslachtoffers.

*** De civics-class is een bijzonder saai vak dat aan Amerikaanse scholen gedoceerd wordt en dat binnenkort ook bij ons zijn intrede doet onder de naam ‘Burgerschap’.


**** Er bestaat een andere mogelijkheid om de nadelen van een verkiezingsdemocratie te temperen. Pinker wijst erop dat mensen bij politieke vraagstukken sterk door vooroordelen en groepsgevoel geleid worden, maar dat ze in zaken waar hun persoonlijk belang direct van een persoonlijke beslissing afhangt veel redelijker te werk gaan. Alles verandert als men ‘skin in the game’ heeft. Dat lijkt mij een argument om de sfeer van de politieke beslissingen te verminderen en de sfeer van markt te vergroten.
 
***** Pinker beroept zich voor zijn democratie-interpretatie op Popper, maar juist Popper wijst die morele superioriteit van de elite af. Ik heb daar indertijd iets over geschreven naar aanleiding van de Brexit. (hier)

Appendix: Pinker over de stijgende ongelijkheid in de wereld

     Als je de hele wereld overschouwt is er volgens de statistieken* een duidelijke daling van de ongelijkheid. Die wereldongelijkheid was geleidelijk gestegen tot 1960, bleef dan even op dezelfde hoogte, en is dan beginnen dalen vanaf de jaren 1980. Je kunt dat op verschillende manieren uitrekenen. Je kunt de landen onder elkaar vergelijken, of de individuele wereldburgers, je kunt het inkomen als uitgangspunt nemen of de consumptie, telkens kom je weer uit op een daling van de wereldongelijkheid vanaf 1980. Ik hoop dat veel godsdienstleraren en derdewereldactivisten blij zullen zijn met dat nieuws, nadat ze de kleine teleurstelling te boven zijn gekomen dat hun wereldbeeld wat achterliep op de feiten. 
     Die daling van de wereldwijde ongelijkheid kun je ook weergeven met een sprekende  grafiek. In de grafiek is een kameelrug verborgen – de grijze lijn met twee bulten – die de toestand van de wereld weergeeft in 1975.  In dat jaar bevinden heel wat mensen zich in de eerste bult van de halve-tot-één-dollar-per-dagverdieners. Dan is er een ‘kloof’ en daarna komt er een tweede bult van de 10-tot-20-dollarverdieners. Hogere inkomens van 50 dollar zijn zeldzaam en komen alleen in de Westerse landen voor. Heel anders is de toestand in 2015. De ‘kloof’ is weg. Er is nu een dromedarisrug met één bult in de plaats gekomen. Wiskundigen zouden het een normaalverdeling noemen. Wereldwijd zitten de meeste mensen in die ene bult van 5-tot-20 dollarinkomens, en inkomens van 50 dollar zijn géén Westerse uitzondering meer. 
     Goed. De ongelijkheid is wereldwijd is afgenomen. Maar hoe zit dat als je onze westerse wereld uit dat geheel licht? Daar, moet Pinker toegeven, heeft zich een omgekeerde ontwikkeling voltrokken. De auteur illustreert dat vooral met cijfers voor de Verenigde Staten. De ongelijkheid is daar in de 19de eeuw gestegen, in de twintigste eeuw gedaald, na 1940 lange tijd gelijk gebleven, en dan vanaf 1980 geleidelijk weer gestegen. In de 19de eeuw bedroeg de Gini-coëfficiënt 0,5, in 1940 was hij gedaald tot 0,35, en sinds 1980 is hij gestegen tot het huidige niveau van 0,4. (In België is de Gini-coëfficiënt na 1980 gestegen van 0,22 naar 0,25 maar de laatste tien jaar blijft hij stabiel).**
     Er zijn dus twee tegengestelde tendensen sinds 1980. In de hele wereld daalt de ongelijkheid, maar in de Westerse wereld – en vooral in de Verenigde Staten – neemt de ongelijkheid toe. Dat komt niet omdat de ene armer wordt, en de andere rijker, maar omdat de ene sneller rijker wordt dan de andere. Als men zegt dat de wereldwijde economie winnaars en verliezers voortbrengt, drukt men de stand van zaken dus niet helemaal correct uit. De wereldwijde economie heeft overal winnaars voortgebracht, maar de ene wint veel  en de andere heel wat minder. Ook die tendens kan worden voorgesteld in een grafiek waar een aardig dier in verborgen is.
     Let op. De grafiek geeft geen inkomens weer, maar de stíjging van de inkomens, over 30 jaar, en die stijging is overal positief en nergens gelijk aan nul. Aan de linkerkant van de grafiek, de staart van de olifant, zitten de 10 procent armsten ter wereld, veelal Afrikanen. Die zijn er 20% op vooruitgegaan. Daarna wordt het interessant. Het hele lichaam en de kop van de olifant stellen de inkomens voor van de mensen wier inkomen met 40 tot 60 procent gestegen is. Veel van die mensen zijn hardwerkende Aziaten, dus die hebben dat verdiend. Vervolgens komt het minst leuke deel van de grafiek: de krul van de slurf, waar zich de arbeidersklasse van de Westerse wereld bevinden. Die zijn er slechts 10 procent op vooruitgegaan. Wie in een autofabriek of bij een staalreus is blijven werken, is er natuurlijk veel meer op vooruit gegaan, maar het aantal van zulke arbeidsplaatsen is verminderd en er zijn er andere in de plaats gekomen bij koeriersdiensten, schoonmaakbedrijven en hamburgerrestaurants. Die nieuwe, minder betalende arbeidsplaatsen halen het gemiddelde loon van de arbeidersklasse naar beneden. Waar de slurf ten slotte weer steil de hoogte in gaat, vanaf de 4 procent rijkste wereldburgers, is de inkomensstijging weer interessant. Ik geloof dat ik daar als Vlaamse leraar nog net bij hoor. ’t Is ook het verhaal dat mijn loonbriefjes mij vertellen.
     Zal ik dat allemaal kunnen onthouden. Ik denk het wel. 1980. Daling van wereldwijde ongelijkheid. Stijging van ongelijkheid in het Westen. Kameel, dromedaris, olifant.  Amerikaanse Gini-coëfficiënt van 0,35 naar 0,4. Belgische van 0,22 naar 0,25. Loon Vlaamse leraren in stijgende lijn.

* Sommige statistieken hebben, dat moet ik toegeven, een vrije verhouding met de werkelijkheid. In veel derdewereldlanden lees je aan het bruto binnenlands product maar een klein deel van de economische werkelijkheid af. Toch blijft dat product een redelijke graadmeter om te vergelijken met soortgelijke landen, of om tendensen van stijging of daling te onderkennen. 
 De cijfers in dit stuk komen uit de primaire bronnen van Pinker en enkele andere internetpublicaties. 
- Moatsos, M. e.a. 2014. Income inequality since 1820. In J. van Zanden e.a. (red) How was life? Global well-being since 1820. Paris: OECD. (Voor de niet gewogen Gini-index vergelijking tussen verschillende landen tussen 1820-2000) 
 - Milanovic, B. 2012. Global income inequality by the numbers: In history and now – an overview. Washington: World Bank Development Research Group. (voor de gewogen Gini-index vergelijking tussen verschillende landen 1945-2012)
- Milanovic, B. 2016. Global inequality: A new approach for the age of globalization. Cambridge, MA: Harvard University Press. (Gini-index vergelijking tussen wereldburgers op basis van inkomen (1825-1890 en op basis van inkomen en consumptie tussen 1980-2015, daling en stijging van Gini-index in de Verenigde Staten 1775-2013, olifantgrafiek).
- Gapminder, via Ola Rosling, http://www.gapminder.org/tools/mountain. (voor de kameel- en dromedarisgrafiek)
- United Nations Development Program. 2004 [via https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_landen_naar_inkomensverschillen]. (voor de Gini-index van Europese landen)
- De Ivoren Toren, http://www.ivorentoren.be/2017/08/07/dertig-jaar-inkomensverdeling-in-belgie/ (voor de evolutie van de Gini-index in België)

 ** De Gini-coëfficiënt geeft de mate van ongelijkheid weer. Een coëfficiënt van 0 betekent dat iedereen precies hetzelfde verdient. Een coëfficiënt van 1 betekent dat één iemand zich alle inkomen toe-eigent, en al de rest niets krijgt. De Gini-coëfficiënt in Europa schommelt tussen 0,25 (België, Finland, Zweden) en 0,33 (Frankrijk, Nederland, Zwitserland).