Posts tonen met het label Kristien Hemmerechts. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kristien Hemmerechts. Alle posts tonen

donderdag 29 april 2021

Oude blanke mannen en de spelling


      Er is vorige week een nieuwe versoepelingsbrigade opgestaan, dit keer niet rond de coronaregels, maar rond de dt-regels. Leden van de brigade: Kristien Hemmerechts, Kris Van den Branden, Dominiek Sandra, Ruud Hendrickx, Rik Vostert, en nog enkele anderen*. Eigenlijk zijn de meeste leden van de brigade oud-strijders, maar dat doet niets af van hun heilige vuur.
    Opvallend is dat de brigade vooral ‘oude blanke mannen’ tot vijand heeft uitgeroepen. De universiteit van Hull, waar Hemmerechts zich op beroept spreekt van ‘white’ en ‘male’. Een professor op Radio 1 vertelde dat hij bij lezingen vooral weerwerk kreeg van ‘oudere mannen’.  Het kan natuurlijk dat zijn publiek uit dat volkje bestaat, terwijl jongeren en vrouwen wel wat beters te doen hebben. Het duidelijkst is Rik Vostert die ‘hatemail krijgt, van vooral oudere, Vlaamse mannen’ ... ‘Elke taalkundige,’ schrijft Vostert, ‘die zich in het publieke debat mengt, kent het fenomeen.’**
     Ik zal de brigade maar niet tegenspreken, want dan zaag ik de tak af waarop ik zit. Ik ben namelijk zelf oud, blank en Vlaams. Misschien ben ik ook elitair, homogeen***, etnocentrisch en kolonialistisch. Ik zou het eens aan een specialist kunnen vragen. Anderzijds: wat heeft het voor zin? Er is waarschijnlijk niets aan te doen, en dood ga je toch.
     Toch wil ik de brigade ook tegemoet komen en mij bezinnen over de vraag waarom een oude blanke man zich stoort aan voorstellen om aan de taal te sleutelen. Is de oude blanke man jaloers op de jeugd en misgunt hij hen een spellingsvereenvoudiging waar hij zelf niet van heeft kunnen genieten. ‘Als die ‘dt’ goed genoeg was voor mij, moet ze ook goed genoeg zijn voor hen.’ Zoiets? Ik weet het niet. Zelf heb ik niet vaak last van zulke jaloezie.
     Wat mij wél stoort is het gebrek aan logica in de argumentatie van de brigade. Men wijst op de neurologische redenen van werkwoordsfouten, en concludeert daaruit dat de spellingsregels moeten vereenvoudigen. Dat lijkt mij een non sequitur. Men zegt dat taal in voortdurende verandering is en verwijst naar de tijd van Herman Gorter toen ook over ‘groter als’ en ‘groter dan’ werd gediscussieerd. Ik trek hieruit de tegenovergestelde conclusie: zelfs de taalkwesties waarover men discussieert zijn al meer dan honderd jaar dezelfde.
     Spelling, lees ik, heeft niets met taal en met de echte ‘taalgebruiksregels’ te maken. Het gaat slechts om ‘opgelegde regels’. Dat is zeker waar. Taal is in de eerste plaats gesproken taal. Daar is een gestileerde, genormeerde taal van afgeleid, zoals we die schrijven, en de eloquenten onder ons misschien ook spreken. En ten slotte moet die gestileerde taal ook nog eens op een uniforme manier worden gespeld. Spelling is een afgeleide van een afgeleide. Het standaard model van Chomsky voorziet geen spellingsmodule. Allemaal waar. Taalkunde 101. Maar betekent dat ook dat spelling ‘onbenullig’ is? Dat ze naar ‘spruitjeslucht’ ruikt. Spruitjeslucht, really? Vostert vermeldt verder nog dat opgelegde spellingsregels met ‘schoolbanken’ worden geassocieerd. Welja. Waarom niet meteen met ‘muffe klaslokalen’?**** En is er een andere plaats waar die regels moeten worden aangeleerd?
     Men zegt dat taalverandering onvermijdelijk is. Dat kan best, en als ze onvermijdelijk is, wil ik mij daar in navolging van  Epictetus en Reinhold Niebuhr sereen bij neerleggen. Maar tegelijk blijf ik geïnteresseerd in de wenselijkheid van die veranderingen. De twee grote taalveranderingen die het Nederlands heeft gekend, die bij het begin van de verstedelijking en die bij het begin van de Nieuwe Tijd, waren wenselijke taalveranderingen die leidden tot een betere communicatie van Ieper tot Amsterdam. De opmars van het ABN in het Vlaanderen van de jaren 60 was een hefboom tot sociale emancipatie. Maar de huidige ontwikkeling van soap-Vlaams en soap-Hollands en het ontstaan van gecreoliseerde randtalen betreur ik omdat ze een tegenovergesteld effect hebben. Heeft dat iets met mijn leeftijd of mijn huidskleur te maken?
     Bovendien: als voortdurende taalverandering onvermijdelijk is, zijn voortdurende spellingswijzigingen dan ook onvermijdelijk? En wenselijk? Zeker. Het is een voordeel als spelling gemakkelijk is, dat wil zeggen relatief dicht aansluit bij de uitspraak, geen beroep doet op speciale kennis van abstracte grammatica en etymologie, en regels gebruikt zonder veel uitzonderingen. De aansluiting bij de uitspraak lijkt mij daarbij nog het minste probleem. Ik heb de Engelse spelling nooit moeilijk gevonden. Als ik een keer wist dat ‘thru’ als ‘through’ geschreven wordt, vergat ik dat niet snel. Maar ‘aparté’ in het Frans met één ‘p’ en ‘apparition’ met twee, probeer dat maar eens te onthouden.
     Maar niet álles moet altíjd gemakkelijk zijn. In de lagere school kregen we vaak dictee. Een van de zinnen is mij altijd bijgebleven:  ‘Het Zoniënwoud is een verkwikkend rustoord voor de bewoners van de Brusselse agglomeratie.’ Dat was behoorlijk moeilijk en ik had dat laatste woord zojuist alweer fout. Anderzijds was zo’n dictee een oefening in spelling en woordenschat in één, met daarbovenop nog eens een in luister-, noteer-, schoonschrift- en concentratievaardigheid.
     Spelling moet vooral uniform en stabiel zijn. Als oude blanke man herinner ik mij de tijd van de ‘voorkeurspelling’ en  de ‘toegelaten spelling’. In het Groene Boekje stond naast ‘actie’ ook ‘aktie’ en naast ‘akkoord’ ook ‘accoord’. Dat zorgde voor verwarring. Ik heb een uitgeverij gekend die systematisch de tweede, toegelaten vorm koos, en op dus op een erg onlogische manier de ‘progressieve’ en ‘archaïsche’ spelling combineerde. Mijn eigen spellingsvaardigheid is door die ‘toegelaten spelling’ grondig verstoord. Net als door de opeenvolgende spellingswijzingen van 1995 en 2006. Mijn ouders hebben daarnaast nog die van 1946 en 1954 moeten verwerken. Mijn moeder, die een oude blanke vrouw is, kan die van 1946 nog uitleggen.
     Wat ik in de hele kwestie nog het belangrijkst vind, is het esthetisch aspect. Dat wordt bij spelling nogal sterk door de gewoonte bepaald. ‘Odeklonje’ en ‘vurrukkulluk’ zijn grappig voor één keer, maar ‘hij wort’, hij ‘speeld’ en ‘hij heeft gespeelt’ vinden wij, oude blanke mannen, lelijk. Maar ik denk dat je bij mijn zoon (23) ook niet moet komen aandragen met die vormen.
      Als de lieve lezer belooft om het niet verder te vertellen, wil ik hier, zoals Multatuli in Saïdjah en Adinda, een bekentenis doen: ik vind de ‘dt’ op het einde van een woord ook lelijk. Voor mij zou een ‘d’ al genoeg zijn. ‘Ik antwoord, jij antwoord, hij antwoord, ik heb geantwoord, het antwoord.’ Die ‘t’ in de derde persoon is ook niet nodig. Je voegt ook geen extra ‘t’ toe aan ‘hij zit’. Maar dat lost het veel grotere probleem van ‘hij speeld’ en ‘hij heeft gespeelt’ niet op. Ik vrees dus dat het niet zou stoppen bij ‘hij antwoord’. En ik vrees vooral dat een commissie bestaande uit Hemmerechts, Van den Branden, Sandra, Hendrickx en Vostert zich over de kwestie zou buigen en dat zich dan een meerderheid zou aftekenen voor de allerlelijkste vormen. Dan heeft déze oude blanke man liever dat alles blijft zoals het is.

* Er zijn overigens aanzienlijke verschillen tussen de brigadisten. Hemmerechts wil de dt-regel geloof ik niet afschaffen. Sandra wil bij een nieuwe regel vooral aandacht schenken aan het woordbeeld en Hendrickx aan de uitspraak. Over de dt-kwestie heb ik de vorige dagen al enkele stukjes gepubliceerd: hier, hier en hier

** Een intelligent en snedig antwoord op de onzin die Vostert in zijn stuk schrijft, vind je op de facebookpagina van Herman Jacobs: hier.

*** ‘Homogeen was ook een van de ongunstige kwalificaties van Hull University. Naast Noord-Europees. Qué? Waarom Noord? Wordt hier een nieuwe polarisatie opgestart?

*** Zie ook hier.

woensdag 28 april 2021

De dt-regel en het post-doctoraal onderzoek

** Hoe moet een leraar reageren op een dt-fout? Ik kan alleen zeggen hoe ik, als leraar Nederlands, dat deed. Toen ik nog met de hand verbeterde, trok ik bij een dt-fout niet een, maar twee, dikke rode strepen onder de fout, en tekende er op een goede dag nog driftig een venijnig cirkeltje rond. Dat is, geloof ik, wat professor in de Taalkunde Rik Vosters noemt ‘elke vorm van enthousiasme over taal nuanceloos neersabelen met rode pennen.’ Daar tegenover stond dat ik maar een half punt aftrok voor de eerste dt-fout en nog eens een half punt voor de tweede, en dan stopte het. Wel vroeg ik dat bij de verbeterde versie àlle aangestreepte dt-fouten waren verbeterd. Ik trok meteen 2 punten af voor élke niet verbeterde dt-fout. Zo kon je alsnog met een nul op tien eindigen.

** En leraren van andere vakken? Kijk, daar heb ik mij nooit mee gemoeid. Ik heb een collega geschiedenis gekend die een nul gaf bij elk antwoord dat een afkorting bevatte. Zijn leerlingen wisten dat. Ze gebruikten weinig afkortingen.

** Als uit grondig doctoraal of postdoctoraal onderzoek zou blijken dat een aanzienlijk deel van de geschiedenis- of fysicaleraren kwistig nullen rondstrooien voor de minste dt-fout, dan wil ik dat in een korzelig stukje best een keertje aanklagen. Maar het komt geloof ik weinig voor.

** Er is trouwens een verbijsterende hoeveelheid doctoraal en postdoctoraal onderzoek gewijd aan de fouten tegen de ‘dt’-regel. Een niet-taalkundige begrijpt dat niet. Er zijn, denkt hij dan, maar zes fouten mogelijk: een ‘t’ in plaats van een ‘d’, een ‘d’ in plaats van een ‘t’, een ‘dt’ in plaats van een ‘d’, een ‘dt’ in plaats van een ‘t’, een ‘t’ in plaats van een ‘dt’, een ‘d’ in plaats van een ‘dt’.  Hoe kun je daar nu duizenden bladzijden over schrijven? Zouden we dat geld voor zo’n nutteloos onderzoek niet beter geven aan een Antwerpse dansschool?

** Wat men echter onderzoekt is de óórzaak van de gemaakte dt-fouten. Er wordt daarbij gebruik gemaakt van ingewikkelde apparatuur, met onder andere camera’s die de oogbewegingen van de testpersonen volgen terwijl die volop dt-fouten maken. De belangrijkste wetenschappelijke conclusie is dat het ‘dominante’ woordbeeld verantwoordelijk is voor de meeste fouten. Als de vorm ‘gebeurd’ vaker voorkomt dan ‘gebeurt’, dan wordt de fout ‘het gebeurd’ sneller gemaakt dan de fout ‘het is gebeurt’. Ja, dat is waar, maar wat doe je eraan? We kunnen dat dominante woordbeeld toch niet afschaffen?

** Ik kan zonder apparatuur of camera’s zelf ook drie of vier andere oorzaken van dt-fouten geven. Dt-fouten zijn frequenter als de werkwoordsvorm in de bijzin staat, of in inversie, of als het voltooid deelwoord onmiddellijk volgt op het onderwerp. Verder doctoraal of postdoctoraal onderzoek zou mijn werkhypothesen ongetwijfeld met evidence kunnen ondersteunen. Misschien is dat onderzoek al gebeurd; ik volg dat niet op de voet. Maar dan blijft mijn vraag: so what?  Gaan we de bijzin, de inversie en de voltooide deelwoorden na een onderwerp afschaffen?

** Nog een hypothese zonder voorafgaand systematisch onderzoek van mijn kant: een leerling schrijft meer dt-fouten in een laboratoriumverslag dan in een reiservaringsverslag, en meer fouten als hij moet antwoorden op een moeilijke vraag van geschiedenis, dan op een ‘eigen mening’-vraag van godsdienst. Dan stel ik voor de derde keer mijn vraag wat we met die wijsheid kunnen aanvangen. Laboratoriumverslagen en moeilijke vragen van geschiedenis uit het curriculum verwijderen?

** Er zou trouwens ook doctoraal en postdoctoraal onderzoek kunnen worden gedaan naar het verband tussen het aantal dt-fouten dat iemand maakt en de vlijt waarmee hij zijn tekst naleest, de heldere of duistere manier waarop hij de dt-regels op school kreeg uitgelegd, het aantal punten dat zijn leraren aftrokken per fout … Maar ook zo’n onderzoek had ik als leraar niet nodig om nalezen aan te prijzen, mijn uitleg en oefeningen zo helder mogelijk te houden, en niet te veel punten af te trekken voor een dt-fout, op voorwaarde dat ze in de tweede versie verbeterd werd.

** Een heldere uitleg, dat is duidelijk – maar wat zijn heldere oefeningen? Dat zijn oefeningen die de aandacht vestigen op de regel. Ik bekeek als beginnend leraar niet alleen de examens zelf, maar ook de kladblaadjes. Vaak zag ik daar losse werkwoordsvormen naast elkaar staan:  vernederd naast vernedert en gebeurt naast gebeurd. De leerling had de spelling eens ‘uitgeprobeerd’, zonder te beseffen dat de twee vormen mogelijk zijn en dat er een regel bestaat om de juiste vorm te kiezen. Mijn oefeningen bestonden daarom uit paren van zinnen waarin het werkwoord de ene keer als persoonsvorm en de andere keer als voltooid deelwoord werd gebruikt.

** Hecht de ‘maatschappij’ vandaag minder aandacht aan spelling, zoals ze ook minder aandacht hecht aan schoonschrift? De handgeschreven sollicitatiebrief is inderdaad uit de mode. Die mag nu uitgetikt worden. Mag hij binnenkort ook vol dt-fouten staan? Het zal zo’n vaart niet lopen. Het is immers best mogelijk dat onze tekstverwerkers binnenkort zelf onze dt-fouten verbeteren. Dat zou mij als matige speller in elk geval goed uitkomen. Maar daarom moet de dt-regel in het onderwijs nog niet verdwijnen. We hebben nu rekenmachines, maar hoofdrekenen wordt op de lagere school, in weerwil van het vooroordeel dat daarover bestaat, nog altijd aangeleerd.

** Bovendien: een school moet niet in alles ‘de maatschappij’ volgen. In de loop der tijden verandert de maatschappij en verandert het schoolcurriculum. Dat is geen drama. Vroeger werd er op scholen meer belang gehecht aan dansen, schermen, portret tekenen, goede manieren, Latijns opstel, schoonschrift en elegant over de bok springen. Altijd waren er leerlingen die daar niet erg goed in waren. Maar een goede school gebruikte het curriculum ook om haar leerlingen discipline en streven naar excellentie bij te brengen, in de hoop dat die discipline en dat streven zouden overvloeien naar andere terreinen des levens.

** Ik heb er in mijn polemiekje tegen Hemmerechts (hier) overigens al op gewezen dat een tekst niet ‘creatiever’ wordt als je bij het nalezen minder op de spelling let. Jane Austen was naar het schijnt geen erg goede speller, maar het is niet door slecht te spellen dat je een Jane Austen wordt.


maandag 26 april 2021

Lang voor Hemmerechts

      In een ver verleden verzorgde ik de eindredactie van De Schoolkrant. De laatste bladzijde van dat krantje, dat op het Sint-Ursula-Instituut goed verkocht, bevatte een over meerdere specimina van sensatiejournalistiek. Als Kristien Hemmerechts denkt dat ze de eerste is om overdreven aandacht voor de dt-regel aan te klagen, vergist ze zich. Zeventien jaar geleden hebben wij in deze materie al onze J’accuse gepubliceerd.
     De tekst wordt groter als je erop klikt.





vrijdag 23 april 2021

Kristien Hemmerechts en de dt-regel


   Als leraar zijnde – om meteen met een leuke taalfout te beginnen – kan ik niet zwijgen over de recente dt-uitspraak van Kristien Hemmerechts. ‘Voor veel jonge mensen,’ zei Hemmerechts op de televisie, ‘is die dt-regel geen punt meer … In mijn lessen zie ik dat creatief schrijven niet over spellen gaat; als je er de nadruk op legt, verlam je ook mensen.’
     Dat veel jonge mensen de dt-regel ‘geen punt’ meer vinden, zou voor mij juist een reden zijn om als leraar strenger te zijn. Ik heb nooit veel punten afgetrokken voor dt-fouten, omdat de ‘jonge mensen’ in mijn klassen die regel gelukkig wel belangrijk vonden. Hadden ze dat niet gedaan, dan was ik harder geweest, om het belang van de regel aan hun verstand te brengen.
     Dat Hemmerechts in haar lessen over creatief schrijven aan het Herman Teirlinck Instituut niet te veel over spelling sprak, mag ik hopen. De dt-regels zijn meer iets voor het tweede en derde leerjaar, niet voor het hoger onderwijs. Zelf heb ik voor een publiek van 15-, 16-, en 17-jarigen de regels elk jaar nog eens kort samengevat, omdat ik de uitleg van de lagere school veel te verwarrend vind*. De meeste van mijn leerlingen pasten de regels goed toe, maar een overzicht ontbrak. Ik vroeg dan bij het begin van de les aan een leerling om voor het bord de regels eens uit te leggen en dan volgde een verwarde uitleg over ‘smurfen’ en ‘inversie’ en ‘’t kofschip’ en ‘gij drinkt altijd thee’. Ik heb één keer een leerling gehad die een foutloos schema improviseerde dat als twee druppels water op mijn standaard uitleg geleek. ‘Die jongen zal het nog ver brengen,’ dacht ik. Hij slaagde in elk geval voor het ingangsexamen geneeskunde, vanuit een richting die daar niet goed op voorbereidt.
     Ik geef toe dat de dt-regels niet zo eenvoudig zijn. Je moet weten wat een ‘infinitief’ is, je moet de begrippen ‘onvoltooid tegenwoordige tijd’ en ‘onvoltooid verleden tijd’ kunnen plaatsen, je moet de ‘stam’ van een werkwoord kunnen construeren, je moet het onderscheid kunnen maken tussen een ‘persoonsvorm’ en een ‘voltooid deelwoord’, je moet de LAT-relatie tussen onderwerp en persoonsvorm ontdekken in een bijzin, je moet ‘inversie’ herkennen, en je moet het verschil begrijpen tussen ‘stemhebbende’ en ‘stemloze’ medeklinkers, en het is best dat je ook weet wat ‘medeklinkers’ zijn. Maar die regels zijn bijlange na niet zo ingewikkeld als de regels voor de participe passé in het Frans. Ik herinner mij de 50 bladzijden regels die professor Jozef Mertens daarover had verzameld.
     Hemmerechts verwijst instemmend naar Hull University, waar men aandacht voor spelling gaat inperken. Ik heb het even opgezocht en die universiteit doet dat omdat aandacht voor spelling ‘Noord-Europees, blank, mannelijk en elitair’ is. Op dat ‘Noord-Europees, blank en mannelijk’ kon ik niet zo snel een antwoord verzinnen, omdat mijn verstand even stilstond, maar dat ‘elitair’, wist ik onmiddellijk, was niet juist. Als je de dt-kwestie een  beetje handig aanpakt, kun je de regels flink vereenvoudigen met trucjes en elementaire taalintuïtie. Ik heb leerlingen gehad met een gemeten IQ van 80 die nooit een dt-fout maakten. Ze moesten wel bij elke werkwoordsvorm lang nadenken, iets wat ikzelf helaas niet altijd doe, en zo komt het dat ik wel eens ‘wordt je’ schrijf.
     Ook zie ik niet goed hoe nadruk op correcte spelling mensen die schrijven kan ‘verlammen’, zoals Hemmerechts beweert. Ik ben nu zelf aan het schrijven en word helemaal niet verlamd omdat ik enkele woorden geleden ‘wordt’ in ‘word’ heb moeten veranderen. Natuurlijk gaat mijn voornaamste aandacht niet uit naar spelling. Ik ben bezig met argumentatie, tekstsamenhang, woordkeuze, ritme, overgangen, de strijd tegen ‘maar’, ‘ook’ en ‘als’ – die ik telkens weer verlies, en de wanhopige zoektocht naar iets grappigs om ertussen te gooien. Maar niets belet mij om bij het nalezen van een zin, een alinea of een hele bladzijde ook even de spelling te bekijken**. Wie verlamd wordt door de gedachte aan nalezen, stopt beter met schrijven, ook als hij dat onder leiding van Hemmerechts ‘creatief’ probeert te doen.
     Je zou desnoods kunnen zeggen dat de vereiste van correcte táál verlammend kan werken. Dat kan ik billijken. Louis-Paul Boon probeerde een roman te schrijven waarin hij ‘alles holderdebolder uitkeert, kwak, gelijk een kuip mortel die van een stelling valt, + ernaast en erbij zijn aarzelingen en twijfels omtrent het doel en nut van de roman …’ Het is mogelijk dat Louis-Paul Boon zo schreef, daar op zijn zolderkamer met uitzicht op het niemandbos, maar achteraf heeft hij zijn tekst, daar ben ik zeker van, ook nagelezen, ‘tweifels’ in ‘twijfels’ veranderd, en na enige aarzeling beslist om het plusteken, het tautologische ‘erbij’ en het anakoloetische ‘kwak’ te laten staan, ‘holderdebolder’ níet te vervangen door ‘halsoverkop’, en het woordenboek niet open te slaan om een correcter woord voor ‘uitkeren’ te zoeken. Misschien heeft hij een deel van die taalrebellie zelfs achteraf in zijn tekst binnengesmokkeld. Hij had, in zijn anarchistische betrachting, ook ‘uitkeerdt’ kunnen schrijven, maar zelfs dan had hij eerst de regel moeten kennen om hem daarna bewust te kunnen overtreden.
     ‘Ons onderwijs heeft een enorme focus op die spelling,’ zei Hemmerechts nog, ‘het is meetbaar en daar houden we van.’ Dat eerste is onzin, en iedereen die met hedendaags onderwijs te maken heeft, weet dat, maar dat tweede is waar. ‘Meetbaar’ heeft zijn voordelen. De ene leerling schrijft verzorgd, helder en samenhangend en de andere slordig, duister en van de hak op de tak. Dat is iets waar je als leraar moeilijk iets aan kunt veranderen. Gelukkig komt er vanzelf enige verbetering, als de leerling veel moet schrijven en wat ouder wordt. Het enige trucje dat ik kende om een leerling daarbij te helpen, bestond erin om hem een bijzonder kreupele zin half luidop te laten zeggen. Dan vonden ze vaak zelf een betere versie. Voor de rest heb ik heel mijn carrière gezocht naar het ideale lijstje ‘meetbare’ vuistregels waarop een leerling terug kon vallen om zijn tekst wat te verbeteren. Controleer de spelling van de werkwoorden was er een. Gebruik nooit het woord ‘enorm’ was een andere. Geef de voorkeur aan Nederlandse woorden als ‘nadruk’ boven vreemd klinkende woorden als ‘focus’ was een derde. En ten slotte: schrijf niet ‘we’ als je over anderen spreekt. 
     ‘Als je voorbeelden geeft,’ zei professor Jozef Mertens, ‘moet je niet te ver zoeken. Neem iets uit de onmiddellijke omgeving.’ Goed dan. ‘Ons onderwijs heeft een enorme focus op spelling; het is meetbaar en daar houden we van.’

* De grootste verwarring wordt gesticht door de dt-regels in één schema onder te brengen als de dd/tt-regels.

** Wel kan ik bij het nalezen de aandacht blijven richten op andere taalaspecten en daardoor de spelling verwaarlozen. Na enkele keren nalezen wordt het dan bijna onmogelijk om een spelfout nog op te merken, behalve als je de tekst enkele dagen later naleest. Zo moesten andere lezers mij wijzen op de fout in 
wie verlamt wordt. Maar dat is het omgekeerde van wat Hemmerechts beschrijft. Niet de aandacht voor de spelling verlamt de aandacht voor de andere taalaspecten, maar de aandacht voor de andere taalaspecten verlamt de aandacht voor de spelling.