Posts tonen met het label J.L. Borges. Alle posts tonen
Posts tonen met het label J.L. Borges. Alle posts tonen

dinsdag 28 augustus 2018

Orde in de boekenkast

      Onlangs volgde ik een discussie onder vrienden over hun boeken en hun boekenkasten. ’t Is inderdaad een hele kwestie. Als je eens meer dan duizend, tweeduizend of zelfs drieduizend boeken hebt, kan het moeilijk worden om juist dát werkje terug te vinden dat je nodig heb. De ene vriend zwoer bij een alfabetische klassering, een tweede zag het thematisch en een derde had een databestand op zijn computer waarin elk boek een uniek nummer had gekregen.
     Maar waarom maakt men het altijd zo moeilijk? Ik doe het zo. In de woonkamer komen de mooie bandjes. Dan hebben we er plezier aan terwijl we aan het eten zijn.* In de studeerkamer komen de boeken die ik soms nodig heb als ik iets uitwerk voor mijn lessen, en ook de grotere boeken omdat daar een kast staat met verstelbare leggers. In de gang komen de boeken die te groot zijn voor de kast in de woonkamer, maar te klein om daarvoor de verstelbare leggers in te schakelen. Op de verdieping komen de boeken van Jan.
     Natuurlijk moet ook rekening worden gehouden met de taal van het boek: Nederlands, of een of andere vreemde taal, of geschreven in een vreemde taal maar vertaald naar het Nederlands. Dat kunnen we niet zomaar door elkaar gooien. We moeten redelijk blijven. Ook heb ik graag een scheiding tussen poëzie, fictie en non-fictie. De weinige toneelstukken die we bezitten moeten daartussen maar ergens een plaatsje vinden, al naar gelang ze een mooi bandje hebben, groot of klein zijn, bruikbaar zijn voor mijn schoolwerk, of aan Jan toebehoren.
     Omdat mijn vrouw en ik het goed met elkaar kunnen vinden, is er geen bezwaar tegen dat onze boeken door elkaar staan, althans wat fictie betreft. Voor non-fictie gaat dat niet, dat begrijp je wel. Non-fictie moet trouwens ook wat verder worden opgedeeld: politiek, geschiedenis, filosofie, koken – waardoor je al snel een kleine onderafdeling hebt die gewijd is aan de politiek-filosofische geschiedenis van het koken. En biografie komt natuurlijk apart want ik lees dat graag. Maar biografieën van politieke persoonlijkheden komen onder politiek, dat spreekt. En als het om levende politieke persoonlijkheden gaat, zet ik ze bij actualiteit.
     Als het enigszins kan is het beter de boeken van dezelfde auteur wat te groeperen, maar heel strikt ben ik daarin niet. Ik heb een mooi anderhalf plankje Elsschotiana, maar sommige werkjes moeten omwille van het formaat, het lelijke omslag, of de onzin die erin staat ergens anders een onderkomen vinden.
     Je hebt gemerkt dat ik nog niets over de kleur van het omslag heb gezegd. Ik ben daar breed in. Ruggetjes in zwart, groen of bruin leer mogen gerust naast elkaar op de plank. Met rood leer heb ik het wat moeilijker. Die hou ik liever wat afgezonderd. Voor materialen ben ik nog verdraagzamer. Waarom zouden linnen, leer en fatsoenlijk kunstleer gescheiden moeten worden als de kleuren samengaan? Apartheid is niet meer van deze tijd. Alhoewel ik nu ook weer geen papieren ruggen tussen die andere ga flikkeren.
     Er is eigenlijk maar één regel waar ik streng in ben, twee eigenlijk. De eerste is dat ik geen ronde en platte ruggen door elkaar wil. Ik begrijp eigenlijk helemaal niet dat iemand op het idee gekomen is om boeken met platte ruggen uit te geven. Een boek met een platte rug ziet er uit als een stuk plank. Vroeger was dat een tijdelijke staat waarin een boek verkeerde voor het door een bekwame boekbinder onder handen werd genomen.
     En mijn tweede strenge regel betreft de richting van de rugopdruk. Die richting is anders bij Nederlandse en Engelse boeken enerzijds, en Franse, Duitse en Spaanse anderzijds. Een Nederlands of Engels boek moet je op tafel met de bovenkant naar boven leggen om rugtitel te kunnen lezen. Bij een Frans, Duits of Spaans boek moet je de onderkant van het boek naar boven leggen om hetzelfde resultaat te krijgen. Je zou nu kunnen zeggen: dat probleem lost zich vanzelf op als je de boeken per taal groepeert. Was dat maar waar. Er bstaan immers Nederlandse, Engelse, Franse, Duitse en Spaanse uitgevers die niet op de hoogte zijn van hun eigen druktradities. Ik heb een alleraardigste reeks van Jane Austen-boekjes, maar de rugopdruk is volgt de Franse regel. Moet ik nu die door-en-door Engelse Tante Jane bij mijn Franse boeken onderbrengen?
     Die hele opdrukkwestie is des te pijnlijker omdat ze zo verdomd onnodig is. Waarom plaatst men die opdruk niet gewoon dwars, zoals men dat in vroeger en beschaafder tijden deed, zodat de titel leesbaar is als het boek rechtstaat. Dan is er geen probleem meer van Nederlands en Frans en Duits. En dan kun je de titels in een boekenkast lezen zonder je hals krom te trekken. Bij sommige hele dunne poëzieboekjes begrijp ik nog dat de rug geen plaats heeft voor een mooie dwarse titel. Zo’n titel moet dan wel evenwijdig met het boekplat worden gedrukt. Maar ik heb in mijn kast een boek van Borges van wel acht centimeter dik. Zo ergens dan toch daar had men die titel dwars en in grote letters op de rug kunnen plaatsen. Maar neen, ’t boek heeft een Spaanse opdrukrichting, terwijl een boek van Unamuno, dat nog niet half zo dik  is, een mooie dwarse opdruk heeft. Kan ik die twee boeken dan naast elkaar zetten op de plank?
     Maar ik dwaal af. Wat ik zeggen wou, was dat een boekenklasseersysteem helemaal niet zo ingewikkeld hoeft te zijn. Laatst had ik Het proces van Kafka nodig. Eerst dacht ik even aan de studeerkamer omdat ik het boekje in mijn lessen ter sprake breng. Maar mijn dwaling was van korte duur. Vertaald, fictie – hoop ik –, mooi bandje, donkerblauw, rond rugje, klein formaat, dwarse opdruk … dat moet in de woonkamerkast te vinden zijn, bovenste plank links, naast een paar bleekblauwe bandjes van P.G. Wodehouse.
     En jawel hoor.


* Je kunt ook kiezen voor behangpapier dat een boekenkast voorstelt, zoals op het plaatje hierboven.

vrijdag 27 juli 2018

De gevangenis als metafoor

     Binnen de literatuur is de verhalenbundel een aantrekkelijk maar lastig genre. De auteur moet zijn best doen om zich bij ieder verhaal weer tot de essentie van zijn vondst beperken. Hij kan zich niet laten drijven op de stroom van verbanden die elke nieuwe vondst met zich meebrengt. En de lezer moet zich bij ieder verhaal weer van vooraf aan  inleven in een nieuwe situatie, een nieuwe omgeving en nieuwe personages. Bij een roman is dat anders. De lezer kan zich langzaam laten meeslepen door zijn groeiende genegenheid voor een of meerdere personages, en door zijn angst en hoop bij de opeenvolging van gunstige en ongunstige gebeurtenissen. Daardoor leest die lezer het tweede deel van de roman haastiger en met minder onderbrekingen dan het eerste.
     Ik las gisteren voor de tweede keer de verhalenbundel Orun en vijftien anderen van Daniël Op de Beeck en tot mijn verwondering trad halverwege de bundel hetzelfde meesleep-gevoel op als bij een roman, terwijl de verhalen onderling niets met elkaar te maken hebben, behalve dan dat ze in dezelfde laconische taal geschreven zijn. De eerste zin van de bundel luidt: ‘Als kind werd Orun achtergelaten bij een oude oom die de mensentaal niet machtig was’; ergens in het midden lees ik: ‘Van iedere sterveling kende hij de schoenmaat en de smerigste gedachten’; en de bundel besluit met: ‘Ik kom te weinig onder de mensen om mijn gevoel voor humor bij te stellen, dat moet veranderen; ik ga er wat meer over lezen.’ In een van de verhalen wordt een heel scheppingsverhaal opgehangen in drie-vier regels.
     De verhalen van Op de Beeck behoren tot het genre van de fantastiek. Ze doen om beurten denken aan E.A. Poe (‘Conium Maculatum’), J.L. Borges (‘Tris’), Roald Dahl (‘Spil’), of een aflevering van Black Mirror (‘Meneer Georges-Henri’). Voor dat soort verhalen bestaat een beperkt aantal scenario’s en bouwstenen, en zijn het de details die het hem moeten doen. En net voor die details, en vooral visuele details, heeft Op de Beeck een zeker talent. Van opleiding is hij graficus.
     Neem het verhaal ‘Een soort rechtspraak’. Een in de geschiedenis van de slavernij vaak toegepaste straf was het oversnijden van de achillespees. Op de Beeck plaatst die straf in een niet nader bepaalde toekomst waar ze vanwege humanitaire overwegingen wordt uitgevoerd onder verdoving. ‘Met het voorgeschreven aantal bewegingen sneed de Medisch Executeur de achillespees door. De meest cruciale stap was daarmee gezet en het resultaat was onomkeerbaar. De doorgesneden pees werd vastgeklemd om er gemakkelijk een centimeter van weg te kunnen snijden. Het stukje pees werd daarna ondergedompeld in een spoelmiddel om het bloed te verwijderen. Uiteindelijk kwam het terecht in een klein glazen potje met een bewaarvloeistof.’ Het mooiste in die beschrijving vind ik die ‘centimeter’ en dat ‘stukje pees’. Ik zou ‘knippen’ gebruikt hebben, in plaats van ‘snijden’.
     Het genre van de fantastiek schetst veelal een dystopische wereld en in die wereld speelt gevangenschap en opgesloten zijn een grote rol. Dat is zo bij Poe en dat is zo bij Op de Beeck. Twee van Op de Beecks verhalen gaan over een echte gevangenis, maar ook in de andere verhalen is de gevangenis minstens als metafoor voelbaar : een toestand van slavenarbeid, een zorginstelling, een hotelkamer met bed, tafel en stoel, een laag plafond waardoor je onwillekeurig je hoofd intrekt, een strak gesneden vest, een beklemmend godsdienstig ritueel, een maatschappij waar alles dwingend geleid wordt door ‘de ouderen’ … Het lijkt wel of de diepste angst van de mens, naast verminking, vooral onvrijheid als voorwerp heeft. Dan is het wel eigenaardig dat we in het dagelijkse leven zo weinig voor het tegenovergestelde, de vrijheid, over hebben.
     Het boekje van Op de Beeck – Daniël eigenlijk, want het is een vriend en collega – is erg verzorgd uitgegeven door uitgeverij Skribis, die zich toelegt op uitgaven in eigen beheer. Het Vlaams Fonds voor de Letteren heeft er geloof ik geen subsidie voor toegekend. Het is een beetje jammer dat het niet in leer is ingebonden, gezien de auteur zijn voorkeur voor dat edele materiaal. Ik noteerde: leren tas (32), leren foedraal (55), leren etui (64), leren kaft (69), zwartleren map (104), leren delen die glimmen (141) en een flinterdunne rol zwart leer (57). Het boekje telt 144 blz., kost 15 euro, en kan hier worden besteld.

zaterdag 20 mei 2017

Ik ben 62 nu*

     Ik ben niet altijd tweeënzestig geweest. Gisteren bijvoorbeeld was ik nog eenenzestig, en daarvoor ben ik nóg veel jonger geweest. Hoe moet dat geweest zijn, vraag ik mij af. Slapen zonder last van mijn schouder, opstaan zonder een beetje pijn in de rug, een trap oplopen zonder te hijgen, in staat zijn om een sprintje te trekken op het natte zand naast de zeelijn. En wat speelde zich af in het hoofd van die jongeman? Heb ik iets met hem gemeen?
     De jonge man sterft in de oudere, en de oudere in de nog oudere, zegt Heraclitus.** ’t Is zelfs niet altijd een kwestie van jaren. Vóór ik het water induik, kan ik mij moeilijk voorstellen dat die zwemmer van straks dezelfde persoon is als de aarzelende man op de plank. Als ik gisteren boos was op mijn vrouw, en vandaag zijn we verzoend, dan kan ik mij die wrokkige zeikerd van gisteren amper herinneren.
     De Argentijnse auteur Jorge Luis Borges vertelt hoe in februari 1969 zijn eigen jongere zelf naast hem komt zitten op een bankje. ’t Was in de buurt van Boston. De oude Borges is dan zeventig en de jonge Borges is negentien. Ze maken ruzie over literatuur. De jonge Borges gelooft dat Walt Whitman een oprechte schrijver is en dat metaforen origineel horen te zijn. De oude Borges vertelt de jongeman dat hij blind zal worden. Als het geleidelijk gebeurt, is dat niet erg, zegt hij. Het is als het langzaam invallen van een zomeravond. Ze spreken af om elkaar de volgende dag weer te ontmoeten bij hetzelfde bankje, maar als het zover is blijft de oude man thuis. Hij gelooft dat de jongeman hetzelfde heeft gedaan.
     Ik heb onlangs wat zitten snuisteren in meer dan dertig jaar oude papieren uit mijn politieke verleden. Daar zijn merkwaardige teksten bij. De PVDA en de crisis in de revolutionaire beweging, Structuur en werking van de communistische cel, Houding aan te nemen bij identiteitscontrole door het repressie-apparaat.*** Dat laatste hangt van de ‘concrete omstandigheden’ af, lees ik. **** Als je in groep bent en de rijkswachter is jong, dan kan een ‘turbulente propagandist’ die laatste zover brengen dat hij ‘zijn eigen notaboekje oppeuzelt’.
     Eén stuk trok mijn aandacht. Voor een betere verspreiding van ons weekblad, heet het. Het gaat over de ‘gigantische taak om het partijwerk op een hoger niveau te brengen’ waarbij het weekblad een ‘centrale schakel’ moet zijn. Zulke dingen las ik dus vroeger. Maar dan stoot ik op een eigenaardige zin. ‘Partij-journalisten die vinden dat de lezer best een inspanning mag doen, zouden die redenering beter op zichzelf toepassen.’ Dat doet mij vaag aan Schopenhauer denken. Ergens anders gaat het over de moeilijkheidsgraad van de geschreven pers. ‘Er zijn weinig volksvrouwen die wetenschappelijke tijdschriften lezen; daarentegen zijn er heel wat vrouwen met een wetenschappelijke opleiding die gretig populaire damesbladen en zelfs damesromans lezen.’ ‘Damesroman’ is natuurlijk een courant woord, maar ik ken het van Karel van het Reve. Nog wat verder lees ik: ‘Op welk niveau moeten wij ons richten? Het niveau dat zich bevindt op de grens van de lezers die ons weekblad net blijven lezen, en degenen die het net niet blijven lezen.’ Hè?
     Ik lees het stuk nu helemaal door. De conclusie is onvermijdelijk: ik heb het, meer dan dertig jaar geleden, niet alleen gelezen maar ook zelf geschreven. Als ik de steller ervan tegenkwam op een bankje, dan zouden we over heel veel zaken ruzie maken. Ik zou hem niet erg aardig vinden, vrees ik, en hij mij ook niet. Op dat punt ben ik niet veel veranderd.

* Zie ook hier en hier.

** Of althans Plutarchus: φθείρεται μὲν μὲν γὰρ ὁ ἀκμάζων γενομένου γέροντος, ἐφθάρη δ᾽᾽ ὁ νέος εἰς τὸν ἀκμάζοντα

*** Ik heb de spelling wat aangepast, want misschien leest ergens een leerling mee en blijft het woordbeeld ‘kommunisties’ en ‘konkreet’ dan hangen.

**** ‘Concreet’ was een erg populair woord in de communistische beweging. Omstandigheden bijvoorbeeld waren altijd ‘concreet’.

zondag 18 december 2016

Eric Defoort (1943-2016)

     Ik weet dat het onbeleefd is, maar ik kan het niet laten. Als ik ergens op bezoek kom, ga ik altijd even voor de boekenkast staan. Ik ben daarbij niet op zoek naar iets nieuws, want zo leergierig ben ik niet. Ik wil juist weten of daar soms niets tussenstaat dat ik wel al ken. ‘Aha, Borges, heel goed.’
     Iemand die dat ook had, geloof ik, was Eric Defoort (1943-2016). Heel lang geleden hadden we hem eens over de vloer en al vlug stond hij voor de boekenkast. ‘Aha, Hippolyte Taine, heel goed … Aha Ernest Renan, heel goed … Aha Léon Bloy, heel goed … En zoveel van Julien Benda. Kijk, dat doet me nu echt plezier, dat jonge mensen die ouwe Benda nog lezen.’ Eric Defoort was erg francofiel.
     Hij moet die avond veel anekdotes verteld hebben. Die ben ik allemaal vergeten, behalve één. Het ging over zijn tijd als bibliothecaris aan de Kortrijkse universiteit. Zekere dag kwam de eminente taalkundige professor Paardekooper de boekenzaal binnen en zei met luide stem: ‘Eric, waar in jouw bibliotheek is hier de afdeling Homoseksualiteit?’ Een paar studenten keken vanachter hun boeken op. ‘Hoezo geen afdeling Homoseksualiteit? Moeten ze dat dan niet kennen hier in Zuid-West-Vlaanderen?’
     Defoort en Paardekooper konden het goed met elkaar vinden.

zaterdag 30 april 2016

Val van het Romeinse Rijk

     De literaire verjaardagen blijven op ons afkomen. “This week marks the 279th anniversary of the birth of Edward Gibbon,” lees ik in een artikel van zekere Tobias Carroll. Dat was me ontsnapt.
      Die Edward Gibbon heeft me met zijn Decline and Fall of the Roman Empire jarenlang achtervolgd. Het begon al in het middelbaar. Onze geschiedenisboeken waren zo opgevat dat aan de rechterkant stukken leerstof afgedrukt stonden, en aan de linkerkant plaatjes en stukken uit oude documenten. Die stukken leerstof waren merkwaardig slecht geschreven.  Bij elke nieuwe zin, vergat je wat er in de vorige stond. Als je geen goeie leraar had die uitlegde wat ‘investituurstrijd’ en ‘assignaten’ betekenden, dan zou je het nooit weten – of je moest het in een écht boek opzoeken. De documenten aan de linkerkant stonden ook wel vol moeilijke woorden, zoals ‘okshoofd’ en ‘pestilentie’, maar dat waren leuke woorden en de teksten waren in hun geheel best leesbaar (1). Daar las ik voor het eerst een stukje Gibbon – iets over Germaanse huurlingen in het Romeinse leger.
     Vele jaren later kwam ik Gibbon opnieuw tegen in de erg beknopte geschiedenis van de Engelse literatuur van J.L. Borges (2). Van de hele achttiende eeuw vermeldt Borges alleen Dr. Johnson en Gibbon, en van die laatste zegt hij dat hij op een verrassende manier staatsie en ironie – ‘la ironía y la pompa’ –  met elkaar verbindt. Decline and Fall was volgens Borges het ‘monumento histórico más importante de la literatura inglesa’. Als ik tegen zo'n zinnetje aanloop, maak ik onvermijdelijk een snelle, denkbeeldige aantekening: ‘Ooit lezen!’
     Omdat ik graag in tweedehandsboekenwinkels rondsnuister, was het onvermijdelijk dat ik ook daar vroeg of laat Decline en Fall zou aantreffen. In een winkel in Canterbury vond ik een exemplaar in vijf delen, een eerste druk nog wel, geprijsd £ 17 000 'or any reasonable offer'. Ik heb geen ‘reasonable offer’ gedaan, want het boek bevatte geen plaatjes, lettertype en spatiëring stonden mij tegen, en het formaat was onhandig om in bed te lezen. Ik heb toen voor £ 25 een twintigdelig Verzameld Werk van Mark Twain gekocht en daar evengoed veel plezier aan beleefd.
     Decline and Fall heb ik rond dezelfde tijd ook in de boekenkast van een geleerde vriend gezien. Hij bezat alleen het eerste deel van een driedelige uitgave, maar het boek bevatte wél mooie plaatjes, en een uitnodigende inleiding die begon met: ‘So, you are going to read Gibbon at last’. Dat vond ik een mooie zin.
     Maar niet zo mooi als Gibbons eigen eerste zin: ‘In the second century of the christian era, the empire of Rome comprehended the fairest part of the earth and the most civilized portion of mankind.’ Met zulke volmaakt uitgelijnde zinnen loodst de auteur u door dertien eeuwen geschiedenis, want Gibbon geeft slechts op nadat ook Byzantium gevallen is.
     In die dertien eeuwen is de wereld ingrijpend veranderd. En in de vele uren die hij aan de lectuur ervan besteedt, is menig lezer evenzo veranderd. Christenen verloren hun geloof. Churchils politieke, militaire en literaire ambitie werd erdoor gevormd. De Amerikaanse econoom Thomas Sowell (hier) noemt twee boeken die hem diepgaand beïnvloed hebben. Het eerste was het Communistisch Manifest van Karl Marx en Friedrich Engels. Door dat boek werd hij een linkse jongen. Het tweede was Decline and Fall en had een omgekeerde uitwerking (hier). Het boek maakte hem voor altijd ‘wiser and sadder’. ‘Older’ was hij toen al.

_____________

(1) De geschiedenisboeken die Jan in het middelbaar gebruikt heeft, zijn nog altijd volgens hetzelfde recept gemaakt. Zelfs de merkwaardige onleesbaarheid van de leerstoftekst is zorgzuldig bewaard gebleven.


(2) Borges schreef zijn ‘Introducción a la literature inglesa’ in samenwerking met María Esther Vázquez.

dinsdag 3 november 2015

Volmaakt berouw

     Als alles goed gaat, start op 1 september van dit jaar in de buurt van Overijse een nieuwe katholieke school – de Sint-Ignatiusschool. Het wordt een instituut voor gelovigen die wat strenger in de leer zijn, en het bestuur belooft dat godsdienstles zal worden gegeven uit de Mechelse Catechismus van 1954.
     Die catechismus heb ik nog gekend. Een heerlijk werkje! Het was een soort zakboekje dat je bij je hield gedurende de hele lagere school, met een lange reeks vragen en antwoorden, thematisch gerangschikt, genummerd en voorzien van een cijfercode die aangaf in welk leerjaar je welke onderdelen moest kennen. Ook waren de vragen duidelijk en de antwoorden kort. ‘Wat is het teken van de christenmens?’ -  ‘Het teken van de christenmens is het kruisteken.’
     Ik wil mij verder nergens mee moeien, maar ik zou de godsdienstleraren van de nieuwe school aanraden bijzondere zorg te besteden aan de vragen 416 tot en met 419. Dat zijn de vragen over ‘berouw’. Nietzsche was er tegen, La Rochefoucauld vond het huichelarij – zoals hij alles huichelarij vond – en Edith Piaf had er geen last van, maar voor katholieken is berouw een hoeksteen waar je niet zomaar met een boogje omheen loopt.
     Wat mij in mijn jonge jaren wakker hield, was het verschil tussen ‘onvolmaakt’ en ‘volmaakt’ berouw. Dat eerste kende ik, want ik had vaak genoeg spijt van iets wat ik had gedaan. Ik was beschaamd bij de gedachte dat iemand het te weten zou komen, of bang dat er straf zou volgen, maar zoiets, leerden we, was slechts onvolmaakt berouw, en zoals het antwoord op vraag 418 luidde: ‘Onvolmaakt berouw is voldoende maar volmaakt berouw is beter.’ Hoe zo’n volmaakt berouw - zónder schaamte of angst voor straf - eruit moest zien, kon ik niet bevatten.
     En nog altijd niet. Ik zie het zo. Je hebt een kwalijke daad gesteld. Daarmee heb je eigenlijk al bewezen dat je die daad in precies gelijke omstandigheden weer zou stellen, bijvoorbeeld als je in het verleden terugkeerde – zonder je kennis uit het heden mee te nemen, want dan waren de omstandigheden niet meer precies gelijk. Zelfs met zo’n tijdreis kun je je daad dus niet ongedaan maken. Of stel, je bent door opvoeding, ervaring en het zien van goede voorbeelden, een ander mens geworden en je zou die kwalijke daad nu níet meer stellen. Waarom zou je dan berouw hebben over iets wat die vreemdeling, die vroegere versie van jezelf, gedaan heeft. Het is een verdomd venijnig dilemma: ofwel ben je veranderd en is berouw niet meer nodig, ofwel ben je niet veranderd en dan is berouw  niet mogelijk, althans niet in zijn volmaakte vorm.
     Er is een prachtig verhaal van Borges – alle verhalen van Borges zijn prachtig – over een soldaat die op het slagveld als een lafaard op de vlucht slaat. Hij is daar erg beschaamd over en trekt zich terug uit de mensenmaatschappij. Na vele jaren van eenzaamheid, schaamte, schuldgevoel, wroeging en spijt, sterft hij. En dan gebeurt iets raars. Na zijn dood gaan zijn medestrijders zich hem herinneren als een held in het gevecht. Het verleden ís veranderd. Het berouw was volmaakt geweest.


Oorspronkelijk geplaatst op 10 juni