Posts tonen met het label Noam Chomsky. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Noam Chomsky. Alle posts tonen

woensdag 30 november 2022

De taalkunde en het ABN

 




   Het is een grote fout om in de ABN-discussie argumenten uit de taalkunde aan te halen. De moderne taalkunde beschrijft en kan dus, ipso facto, niet voorschrijven wat correct of fout is. Voor de taalkunde is elk dialect een taal, en is het volkomen misplaatst om het Werviks en het Lubbeeks niet, en het Fries en het Gallicischwel bij de talen te rekenen. Je kunt verwijzen naar de officiële beslissingen van de Nederlandse staat of Spaanse staat, die het Fries en het Gallicische erkennen als officiële talen in Friesland en Galicië, ik bedoel in Fryslân en Galiza, maar de lezer zal begrijpen dat taalbeleid van de overheid enerzijds en taalkunde anderzijds twee verschillende dingen zijn.    
     Taalkundigen die zich met ABN hebben beziggehouden, kwamen door die stand van zaken wel eens in de moeilijkheden. Ze deden hun best om het ABN in Vlaanderen uit te dragen, maar maakten de fout om niet tijdig uit hun rol van taalkundige te stappen. Als ze een vraag kregen waarom een of andere woord geen goed Nederlands was, durfden ze niet kordaat te antwoorden met ‘daarom’ of ‘omdat ik het zeg.’ Ze durfden niet eens meer het Noord-Nederlandse gebruik aan te halen, zoals Professor Paardekooper deed. Ze wisten immers dat er geen enkel taalkundig argument bestond waarom die Noord-Nederlandse norm moest worden verkozen boven die van enig ander dialect of enige andere tussentaal*.
     Sommige taalkundigen probeerden zich achter drogredenen te verbergen. Een uitdrukking was bijvoorbeeld fout omdat ze uit het Frans was overgenomen, en dus een ‘gallicisme’ was. Je mocht niet zeggen dat iets een ander paar mouwen was omdát het een vertaling was van het Franse une autre paire de manches. Maar dan moest men enkele ogenblikken later vertellen dat voetpad fout was en trottoir correct. Dat was dus duidelijk onzin. Woorden of uitdrukkingen zijn niet goed of fout omdát ze uit het Frans kwamen, ze zijn goed als ze in het Noord-Nederlands waren overgenomen en ze zijn fout als ze alleen in het Vlaams waren overgenomen. Garage is goed, en chauffage is fout. Zo onrechtvaardig is het. Mensen als Taeldeman* begrepen dat, en het maakte hun positie nog delicater.
      Andere taalkundigen beweerden dat ‘tussentaal’, ‘Verkavelingsvlaams’ enzovoort vermeden diende te worden omdat het om een kunstmatig gedrocht ging, het lelijke kind van twee mooie, spontaan gegroeide talen, zijnde authentiek Nederlands en authentiek dialect. Maar ook was de conclusie juist maar hield het argument geen steek. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat het Nederlands van boven de Moerdijk op een spontanere manier gegroeid is dan de Vlaamse tussentaal, die goeddeels ontstond als een spontane fatsoenering van het Brabants, dat zich daarna even spontaan over de rest van Vlaanderen ging verspreiden. Ook deze redenering van ‘kunstmatigheid werd door professor Taeldeman terecht verworpen.
     Zelf haalde Taeldeman er in zijn lovenswaardige strijd tegen de tussentaal de generatieve grammatica van Chomsky bij. Die benaderde taal  als een module in de hersenen, een module die op heel jonge leeftijd moest worden gestimuleerd door taalimpulsen vanuit de omgeving. Maar door de tussentaal, zei Taeldeman, werden de impulsen ‘schraler’. De dialecten verdwenen, het ABN verdween, en wat overbleef was het Algemeen Brabants. In plaats van een ‘binnentalige meertaligheid’ (streekdialect – ABN) kwam een ‘monolinguaal systeem’ tot stand dat Vlaamse kinderen onvoldoende en slechts eenzijdig stimuleerde bij hun taalontwikkeling**.
     Dit is een zwak argument, want een beetje verder in zijn tekst noemt Taeldeman het ‘dialectverlies’ onomkeerbaar. Met dat dialect moeten we dus geen rekening houden. Dan doen zich nog drie mogelijkheden voor: een eentaligheid met Schoon Vlaams, een eentaligheid met ABN, en een tweetaligheid met Schoon Vlaams én ABN. Volgens zijn eigen argumentatie zou Taeldeman er dus de voorkeur aan moeten geven dat jongere kinderen opgroeien in een milieu waar twee talen worden gebruikt: een formeel ABN en een informeel Schoon Vlaams. Maar dat is natuurlijk niet wat hij wil. Wat hij wil is, terecht, dat het ABN ook in het informele register een kans krijgt, ‘zodat we het niet meer hoeven te spreken met toegeknepen billen.’ Ja, dat vind ik ook. Maar dan groeit het kind wel op in een monolinguaal systeem, iets wat Taeldeman wou vermijden. ’t Is kiezen of delen.
     Kijk, het is iets wat ik af en toe graag doe, argumenten ondermijnen die nochtans pleiten voor de zaak – in casu het ABN – die ik goedgezind ben. 

 

* Zie onder andere hier en hier.

** Let wel dat het Chomskyaanse redenering alleen opgaat voor de allereerste kinderjaren. In die periode zullen de taalimpulsen worden gegeven in het ouderlijke huis, de kindercrèche en de kleuterschool. Eén- of tweetaligheid speelt daarbij geen grote rol, wel de rijkdom, variatie, gepastheid en duidelijkheid van de impulsen. Al die eigenschappen kunnen evengoed verzekerd worden binnen alleen dialect, of alleen ABN, of alleen tussentaal. 

donderdag 29 april 2021

Oude blanke mannen en de spelling


      Er is vorige week een nieuwe versoepelingsbrigade opgestaan, dit keer niet rond de coronaregels, maar rond de dt-regels. Leden van de brigade: Kristien Hemmerechts, Kris Van den Branden, Dominiek Sandra, Ruud Hendrickx, Rik Vostert, en nog enkele anderen*. Eigenlijk zijn de meeste leden van de brigade oud-strijders, maar dat doet niets af van hun heilige vuur.
    Opvallend is dat de brigade vooral ‘oude blanke mannen’ tot vijand heeft uitgeroepen. De universiteit van Hull, waar Hemmerechts zich op beroept spreekt van ‘white’ en ‘male’. Een professor op Radio 1 vertelde dat hij bij lezingen vooral weerwerk kreeg van ‘oudere mannen’.  Het kan natuurlijk dat zijn publiek uit dat volkje bestaat, terwijl jongeren en vrouwen wel wat beters te doen hebben. Het duidelijkst is Rik Vostert die ‘hatemail krijgt, van vooral oudere, Vlaamse mannen’ ... ‘Elke taalkundige,’ schrijft Vostert, ‘die zich in het publieke debat mengt, kent het fenomeen.’**
     Ik zal de brigade maar niet tegenspreken, want dan zaag ik de tak af waarop ik zit. Ik ben namelijk zelf oud, blank en Vlaams. Misschien ben ik ook elitair, homogeen***, etnocentrisch en kolonialistisch. Ik zou het eens aan een specialist kunnen vragen. Anderzijds: wat heeft het voor zin? Er is waarschijnlijk niets aan te doen, en dood ga je toch.
     Toch wil ik de brigade ook tegemoet komen en mij bezinnen over de vraag waarom een oude blanke man zich stoort aan voorstellen om aan de taal te sleutelen. Is de oude blanke man jaloers op de jeugd en misgunt hij hen een spellingsvereenvoudiging waar hij zelf niet van heeft kunnen genieten. ‘Als die ‘dt’ goed genoeg was voor mij, moet ze ook goed genoeg zijn voor hen.’ Zoiets? Ik weet het niet. Zelf heb ik niet vaak last van zulke jaloezie.
     Wat mij wél stoort is het gebrek aan logica in de argumentatie van de brigade. Men wijst op de neurologische redenen van werkwoordsfouten, en concludeert daaruit dat de spellingsregels moeten vereenvoudigen. Dat lijkt mij een non sequitur. Men zegt dat taal in voortdurende verandering is en verwijst naar de tijd van Herman Gorter toen ook over ‘groter als’ en ‘groter dan’ werd gediscussieerd. Ik trek hieruit de tegenovergestelde conclusie: zelfs de taalkwesties waarover men discussieert zijn al meer dan honderd jaar dezelfde.
     Spelling, lees ik, heeft niets met taal en met de echte ‘taalgebruiksregels’ te maken. Het gaat slechts om ‘opgelegde regels’. Dat is zeker waar. Taal is in de eerste plaats gesproken taal. Daar is een gestileerde, genormeerde taal van afgeleid, zoals we die schrijven, en de eloquenten onder ons misschien ook spreken. En ten slotte moet die gestileerde taal ook nog eens op een uniforme manier worden gespeld. Spelling is een afgeleide van een afgeleide. Het standaard model van Chomsky voorziet geen spellingsmodule. Allemaal waar. Taalkunde 101. Maar betekent dat ook dat spelling ‘onbenullig’ is? Dat ze naar ‘spruitjeslucht’ ruikt. Spruitjeslucht, really? Vostert vermeldt verder nog dat opgelegde spellingsregels met ‘schoolbanken’ worden geassocieerd. Welja. Waarom niet meteen met ‘muffe klaslokalen’?**** En is er een andere plaats waar die regels moeten worden aangeleerd?
     Men zegt dat taalverandering onvermijdelijk is. Dat kan best, en als ze onvermijdelijk is, wil ik mij daar in navolging van  Epictetus en Reinhold Niebuhr sereen bij neerleggen. Maar tegelijk blijf ik geïnteresseerd in de wenselijkheid van die veranderingen. De twee grote taalveranderingen die het Nederlands heeft gekend, die bij het begin van de verstedelijking en die bij het begin van de Nieuwe Tijd, waren wenselijke taalveranderingen die leidden tot een betere communicatie van Ieper tot Amsterdam. De opmars van het ABN in het Vlaanderen van de jaren 60 was een hefboom tot sociale emancipatie. Maar de huidige ontwikkeling van soap-Vlaams en soap-Hollands en het ontstaan van gecreoliseerde randtalen betreur ik omdat ze een tegenovergesteld effect hebben. Heeft dat iets met mijn leeftijd of mijn huidskleur te maken?
     Bovendien: als voortdurende taalverandering onvermijdelijk is, zijn voortdurende spellingswijzigingen dan ook onvermijdelijk? En wenselijk? Zeker. Het is een voordeel als spelling gemakkelijk is, dat wil zeggen relatief dicht aansluit bij de uitspraak, geen beroep doet op speciale kennis van abstracte grammatica en etymologie, en regels gebruikt zonder veel uitzonderingen. De aansluiting bij de uitspraak lijkt mij daarbij nog het minste probleem. Ik heb de Engelse spelling nooit moeilijk gevonden. Als ik een keer wist dat ‘thru’ als ‘through’ geschreven wordt, vergat ik dat niet snel. Maar ‘aparté’ in het Frans met één ‘p’ en ‘apparition’ met twee, probeer dat maar eens te onthouden.
     Maar niet álles moet altíjd gemakkelijk zijn. In de lagere school kregen we vaak dictee. Een van de zinnen is mij altijd bijgebleven:  ‘Het Zoniënwoud is een verkwikkend rustoord voor de bewoners van de Brusselse agglomeratie.’ Dat was behoorlijk moeilijk en ik had dat laatste woord zojuist alweer fout. Anderzijds was zo’n dictee een oefening in spelling en woordenschat in één, met daarbovenop nog eens een in luister-, noteer-, schoonschrift- en concentratievaardigheid.
     Spelling moet vooral uniform en stabiel zijn. Als oude blanke man herinner ik mij de tijd van de ‘voorkeurspelling’ en  de ‘toegelaten spelling’. In het Groene Boekje stond naast ‘actie’ ook ‘aktie’ en naast ‘akkoord’ ook ‘accoord’. Dat zorgde voor verwarring. Ik heb een uitgeverij gekend die systematisch de tweede, toegelaten vorm koos, en op dus op een erg onlogische manier de ‘progressieve’ en ‘archaïsche’ spelling combineerde. Mijn eigen spellingsvaardigheid is door die ‘toegelaten spelling’ grondig verstoord. Net als door de opeenvolgende spellingswijzingen van 1995 en 2006. Mijn ouders hebben daarnaast nog die van 1946 en 1954 moeten verwerken. Mijn moeder, die een oude blanke vrouw is, kan die van 1946 nog uitleggen.
     Wat ik in de hele kwestie nog het belangrijkst vind, is het esthetisch aspect. Dat wordt bij spelling nogal sterk door de gewoonte bepaald. ‘Odeklonje’ en ‘vurrukkulluk’ zijn grappig voor één keer, maar ‘hij wort’, hij ‘speeld’ en ‘hij heeft gespeelt’ vinden wij, oude blanke mannen, lelijk. Maar ik denk dat je bij mijn zoon (23) ook niet moet komen aandragen met die vormen.
      Als de lieve lezer belooft om het niet verder te vertellen, wil ik hier, zoals Multatuli in Saïdjah en Adinda, een bekentenis doen: ik vind de ‘dt’ op het einde van een woord ook lelijk. Voor mij zou een ‘d’ al genoeg zijn. ‘Ik antwoord, jij antwoord, hij antwoord, ik heb geantwoord, het antwoord.’ Die ‘t’ in de derde persoon is ook niet nodig. Je voegt ook geen extra ‘t’ toe aan ‘hij zit’. Maar dat lost het veel grotere probleem van ‘hij speeld’ en ‘hij heeft gespeelt’ niet op. Ik vrees dus dat het niet zou stoppen bij ‘hij antwoord’. En ik vrees vooral dat een commissie bestaande uit Hemmerechts, Van den Branden, Sandra, Hendrickx en Vostert zich over de kwestie zou buigen en dat zich dan een meerderheid zou aftekenen voor de allerlelijkste vormen. Dan heeft déze oude blanke man liever dat alles blijft zoals het is.

* Er zijn overigens aanzienlijke verschillen tussen de brigadisten. Hemmerechts wil de dt-regel geloof ik niet afschaffen. Sandra wil bij een nieuwe regel vooral aandacht schenken aan het woordbeeld en Hendrickx aan de uitspraak. Over de dt-kwestie heb ik de vorige dagen al enkele stukjes gepubliceerd: hier, hier en hier

** Een intelligent en snedig antwoord op de onzin die Vostert in zijn stuk schrijft, vind je op de facebookpagina van Herman Jacobs: hier.

*** ‘Homogeen was ook een van de ongunstige kwalificaties van Hull University. Naast Noord-Europees. Qué? Waarom Noord? Wordt hier een nieuwe polarisatie opgestart?

*** Zie ook hier.

donderdag 2 januari 2020

'Een van onze grootste kunstenaars'

    


     Er is niets mis met een beetje eerbied – voor bejaarden bijvoorbeeld, zeker nu ikzelf tot die groep behoor. In de Nederlandse les probeer ik mijn leerlingen wat eerbied bij te brengen voor de grote namen uit de literatuur. ‘Chrétien de Troyes,’ zeg ik dan met veel nadruk, ‘was de tweede grootste epische schrijver van de middeleeuwen.’ Daarmee heb ik meteen mijn les over Dante al wat aangekondigd. Omgekeerd vind ik het fijn om af en toe zo’n grote naam eens door de mangel te halen. Dan geloven de leerlingen gemakkelijker dat ik meen wat ik over de anderen zeg, en dat ik die niet alleen ophemel omdat ik ervoor betaald word.
     Eerbied is dus goed, maar te veel eerbied wordt bespottelijk. Het is alsof je een buiging maakt die zo diep is dat je romp en je benen een perfecte hoek van 90 graden vormen daar waar je achterwerk zich bevindt. In mijn jonge jaren behoorde ik tot een organisatie waar men sprak over ‘voorzitter’ Mao en ‘kameraad’ Stalin. Gewoon Mao en Stalin kon ook, maar af en toe moest de titel er toch bij. We deden op die manier mee aan een oude, ik zal maar zeggen: eerbiedwaardige, traditie. De anarchisten van honderd jaar geleden spraken ook over ‘graaf’ Tolstoj en ‘vorst’ Kropotkin. ‘Ça me gêne si peu et ça leur fait tant de plaisir,’ zei de laatste daarover.
     Karel van het Reve haalt ergens aan dat de communisten van de jaren dertig – binnenkort zijn ze er weer, die jaren – graag de academische titels van hun intellectuele leden vermeldden: ir Anton Struik, mr. A.S. de Leeuw, dr. J.A.N. Knuttel’. Dat was vijftig jaar later nog altijd een beetje zo. Een vriend van ons – laten we hem Piet Zonnebloem noemen – maakte toen een reis naar Peru. Dat was een politieke reis om contacten te leggen met een marxistisch-leninistische partij die daar in het hooggebergte actief was – niet het Lichtend Pad, maar een bravere versie ervan. Nu was onze vriend ingenieur van opleiding, en overal waar hij kwam, werd hij door het lokale partijcomité opgewacht met spandoeken waarop stond: ‘Bienvenido al ingeniero Piet Zonnebloem del Partido del Trabajo de Bélgica’. De materialenkennis van ingeniero Piet straalde daarmee af op de hele communistische beweging van ons land. 
      Ook mooi zijn de adjectieven die in het milieu gebruikt worden. Als een schrijver ‘humanistisch’ wordt genoemd, of een geleerde ‘kritisch’, een schilder ‘vooruitstrevend’ of een kanunnik ‘democratisch’, dan mag je er zeker van zijn dat die iets gezegd heeft dat in het communistische kraam past, of hij nu Sartre** heet, of Chomsky*** of Picasso of François Houtart****. Soms volstaan zelfs de adjectieven ‘belangrijk’ of ‘groot’ om een politieke verbondenheid uit te drukken. Daar kan desnoods nog een overtreffende trap bij. Een oude vriend van mij postte laatst iets over een interview dat hij in De Morgen gelezen had met ‘één van onze allergrootste kunstenaars.’ Het ging om Luc Tuymans.
     Ik kan de inhoud van dat interview al een beetje raden.

* De anarchisten van mijn generatie spraken over de boer Machno, ook een soort adeltitel als je wil.
** Zie ook hier en hier.
*** Zie ook hier en hier.
**** Zie ook hier.

vrijdag 18 januari 2019

Het telegram van Cary Grant

Gary Grant (18 januari 1904 - 29 november 1986)
     Indien filmacteur Cary Grant nu nog leefde, werd hij vandaag 115 jaar oud. Maar hij is al een poosje dood. Hij was een van de bekendste Hollywoodsterren van de jaren 40-50. Hij speelde zijn rollen met grote waardigheid, ook als die inhielden dat hij zich als indiaan verkleedde en met een groepje kinderen rond een totempaal huppelde, of zich vastklemde aan de oorlel van een president, of gestalte gaf aan de hoofdredacteur van een krant.* Van dat laatste kunnen we ons nu nog moeilijk voorstellen hoe je dat met waardigheid moet doen.
     Over zijn privéleven deden heel wat verhalen de ronde. Hij zou zijn eerste vrouw geslagen hebben. Hij zou LSD gebruikt hebben. Hij zou een homoseksuele relatie gehad hebben met die andere filmacteur Randolph Scott. Van geen van die verhalen is bewezen dat ze waar zijn. Maar het kan.
     Maar het nu volgende verhaal is bijna zeker niet waar. Het gaat zo. Op zekere dag stuurt een journalist een telegram naar de impresario van Cary Grant om te vragen hoe oud de acteur is. Zo’n telegram - ook telegrafisch bericht genoemd - werd doorgeseind naar een kantoor, en werd dan door een bode gebracht naar het adres van de bestemmeling en aan hem overhandigd. Dat was een snelle, zekere, maar ook dure manier om een boodschap door te sturen en de afzender betaalde per woord. Men probeerde de tekst zo kort mogelijk te houden door bepaalde woorden weg te laten. Ik leg aan mijn leerlingen nog altijd uit dat ze géén ‘telegramstijl’ mogen gebruiken.
     Goed, die journalist wil dus weten hoe oud de acteur was. Zijn telegram luidt: ‘How Old Cary Grant?’ De acteur is toevallig op het kantoor van zijn impresario, leest het bericht, en stuurt een telegram terug: ‘Old Gary Grant Fine, How You?’
     Veel moppen werken met een semantische dubbelzinnigheid. De cardioloog die zegt: ‘Hier klopt iets niet’. Maar voor één keer hebben we een mop die werkt met een syntactische dubbelzinnigheid. Wie in de jaren 70, 80 of 90 taalkunde gestudeerd heeft, toen Chomsky nog erg in de mode was, weet dat je die dubbelzinnigheid kunt weergeven in twee verschillende ‘dieptestructuren’. In één daarvan is ‘old’ linksvertakt, in de andere is ‘old’ rechtsvertakt.
     Kijk, een mop goed vertellen is een hele kunst, maar er één verneuken, dat is erg gemakkelijk, vooral als je wat doorgeleerd hebt.
 



* Respectievelijk: Monkey Business, North By North West en His Girl Friday.


 

zondag 23 oktober 2016

Noam Chomsky en CETA

     Toen ik voor de vijftiende keer op Facebook het clipje zag verschijnen met de boodschap ‘Noam Chomsky maakt in twee minuten CETA gelijk met de grond’ heb ik het toch maar eens bekeken (hier).
     Ik heb die Chomsky nog de hand geschud.
     Ik had over hem geleerd aan de universiteit. Hoe hij de taalkunde veranderd had door niet meer als een gek op zoek te gaan naar duizenden taalkundige feitjes en rare zinnetjes, en die dan in een min of meer samenhangende theorie onder te brengen. In de plaats daarvan stelde Chomsky eerst een geraffineerde theorie op, en ging dan zoeken welke zinnetjes er wel en niet mogelijk waren binnen die theorie. Die konden dan, ter controle, vergeleken worden met wat ons moedertaalgevoel ons ingaf en zo konden we zien of de theorie juist was of niet. Het leek een beetje op de werkwijze die Karl Popper aanbeval.
     Later las ik ook wat politieke boekjes van Chomsky, en daar ging hij anders te werk. Hij ging als een gek op zoek naar duizenden feitjes en rare persknipsels, die dan een erg grove theorie moesten ondersteunen – multinationals deugen niet, Amerika verknecht de wereld. Het leek een beetje op de werkwijze die Chomsky verweet aan de taalkundigen vóór hem. Ik vond die boekjes erg vermoeiende lectuur.
     Een aantal van die boekjes werd in het Nederlands vertaald en mijn vrouw verzorgde de promotie ervan. Zij haalde Chomsky naar België om te spreken op een conferentie aan de Brusselse universiteit. Ik ben toen gaan luisteren en dat viel best mee. De beroemde linguïst zag er erg vriendelijk uit. Terwijl de zaal zich vulde, maakte hij een praatje met de tolk en de concierge. En toen hij begon te spreken, liet hij zijn persknipsels in de map en hield een keurig toespraakje waarin hij zijn anarcho-syndicalistische kijk op de maatschappij ontvouwde. Hij had het daarbij vaak over Dzjân Lâk, waar hij erg tegen was, en het duurde even voor ik doorhad dat hij over de Engelse arts en filosoof John Locke (1632 – 1704) sprak.
    En na afloop heb ik Chomsky dus de hand geschud.
    Dan het clipje. Eigenlijk spreekt Chomsky daarin niet over het handelsakkoord tussen Europa en Canada (CETA) maar over dat tussen Europa en de Verenigde Staten (TTIP) en over dat tussen de Verenigde Staten, Canada en Mexico (NAFTA). Sommige argumenten zijn daardoor fout als ze worden toegepast op het Europees-Canadese akkoord. Die argumenten zijn dat het akkoord (1) niets met vrijhandel te maken heeft; (2) geheim gehouden wordt; (3) bedrijven toelaat om staten gerechtelijk te vervolgen als hun winst bedreigd wordt; en (4) staten het recht ontneemt om uitheemse bedrijven buiten beschermde natuurgebieden te houden.
     Dat klopt allemaal niet voor CETA, geloof ik.
     (1) Het akkoord dat nu moet worden goedgekeurd, heeft alles met vrijhandel te maken. Chomsky beweert dat vrijhandel bij de vermelde akkoorden maar een voorwendsel is omdat de handelstarieven nu al laag zijn. Maar ook een ‘laag’ tarief van 10 % betekent een ernstige rem op de handel. Men verwacht dat de Europees-Canadese handelsstroom door het afschaffen van de tarieven met een vijfde zou stijgen, dus met 12 miljard euro.
     (2) Het akkoord is niet geheim. Het is al twee jaar openbaar, namelijk sinds 26 september 2014. Dat de onderhandelingen daarvóór discreet verliepen, komt geloof ik niet omdat men ‘het volk’ niet wil inlichten. Vanaf 26 september 2014 kon ‘het volk’, en ook elke recalcitrante actiegroep, de tekst lezen. Ook Magnette had twee jaar de tijd om de tekst te lezen.
      (3) CETA staat niet toe dat bedrijven een staat vervolgen vanwege een winstbedreigende wetgeving (hier). Ik heb begrepen dat eenzijdige acties, zoals het van staatswege onteigenen van buitenlandse bedrijven, wel voor een arbitragehof kunnen worden gebracht. Maar als het eens op onteigenen aankomt, vrees ik dat arbitrage niet veel meer zal helpen.
     (4) Zoals ik het inzie, zullen de nationale staten nog altijd het recht hebben om uitheemse bedrijven buiten beschermde natuurzones te houden, zolang daarbij niet gediscrimineerd wordt en binnenlandse bedrijven daar ook niet binnen mogen. Dat beginsel geldt voor alles. Zo kan Frankrijk de Canadezen niet verplichten op hun sigaretten, Dunhill bijvoorbeeld, in vette zwarte letters de boodschap af te drukken ‘Fumer peut nuire à votre santé’, terwijl aan de andere kant de Franse Gitanes van die verplichting worden vrijgesteld, zelfs al zijn ze misschien nog veel schadelijker.
     Chomsky maakt ook een aantal algemene opmerkingen. (5) Dat het subsidiëren van de Amerikaanse landbouw strijdig is met de vrijhandelsgedachte. Dat ben ik helemaal met hem eens. (6) Dat intellectueel eigendomsrecht niet te rijmen valt met vrijhandel. Dat is een erg moeilijk probleem*. En (7) dat je geen gelijkheid kunt eisen in de behandeling van binnenlandse en buitenlandse bedrijven als je niet gelijk ook aan alle vreemdelingen die illegaal het land binnenkomen dezelfde rechten toekent als aan de eigen burgers.
     Dat is een erg verwarde vergelijking. Hoe kun je nu buitenlandse bedrijven met immigranten vergelijken? Dan moet je de motieven meerekenen waarom je die bedrijven of immigranten aantrekt of buitensluit. Een nationale staat laat buitenlandse bedrijven toe – trekt ze zelfs aan –, omdat hij hoopt dat daar voordeel van komt voor de eigen burgers, bijvoorbeeld in de vorm van tewerkstelling. Als een staat beslist om inwijkelingen aan te trekken, ongelimiteerd toe te laten, gecontroleerd toe te laten, of niet toe te laten, doet hij dat ook, hopelijk, met het welzijn van zijn burgers voor ogen. En het is bij die immigranten zeker niet a priori duidelijk welke van de vier handelswijzen het meeste voordeel oplevert. Terwijl zelfs de meeste tegenstanders van de multinationals die toch liever zien komen dan vertrekken, zoals ik uit de recente beroering rond Catterpillar heb geleerd.

* Uitvindingen en merknamen in eigen bezit houden en niet toelaten dat anderen die gebruiken, remt zeker de vrije handel af. Maar het lijkt redelijk de oorspronkelijke uitvinder of ondernemer toch een periode te gunnen waarin hij door zijn exclusieve winsten de investering terugwint die voor de uitvinding of voor de ontwikkeling van het merk noodzakelijk waren. Ook heb ik begrepen dat de bakkers van Geraardbergse mattentaarten hun streekproduct willen beschermen en dat die dus graag bepaalde vormen van intellectuele eigendom in de handelsakkoorden behouden willen zien.