Posts tonen met het label Marcel Proust. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Marcel Proust. Alle posts tonen

zaterdag 23 maart 2019

Dandy Baudet

     Over Thierry Baudet heb ik niet veel te melden, maar ’t blijft een rare kerel. Ik ben blij dat ik in België woon en niet voor hem hoef te stemmen – wat ik anders misschien wel had gedaan.  Ik heb die twee essays gelezen waar hij de bundels ‘Conservatieve vooruitgang’ en ‘Revolutionair verval’ mee inleidt. Die waren best interessant. Ik las in Het Nieuwsblad dat hij er ‘economisch donkerblauwe ideeën’ op nahoudt. Dat doe ik ook. Maar kan je die mensen van Het Nieuwblad vertrouwen over zo’n kwestie? Wat verstaan zij onder ‘donkerblauw’? En eigenlijk vertrouw ik alle berichtgeving over het buitenland maar half. Het is voor zo’n krant al moeilijk om iets van het bínnenland te begrijpen en juist te rapporteren.
     Af en toe lees ik een stuk waarin gezegd wordt dat Baudet ‘vrouwonvriendelijk’ is. Soms wordt dat ondersteund door uittreksels uit een roman die hij geschreven heeft. Daarin doet een van de personages vrouwonvriendelijke uitspraken. Als argument tegen Baudet vind ik dat flauw. Als ík een roman zou schrijven die zich afspeelt in het maoïstische milieu van de jaren zeventig, en een van mijn personages betoogt daarin vol vuur dat de fouten van kameraad Stalin niet opwegen tegen zijn verdiensten, dan zou dat van mij als auteur geen stalinist maken.
     In alle krantenstukken lees ik dat Baudet zich keurig kleedt. Dát is in elk geval de zuivere waarheid, want je kunt het nagaan op talrijke foto’s. Er is er ook een waarop hij géén kleren aan heeft, maar áls hij kleren aan heeft, zijn die onberispelijk en voornaam. Die twee eigenschappen van kleren – onberispelijk en voornaam – tref je samen aan bij zo verscheiden mensen als ‘Beau’ Brummell, Marcel Proust, James Bond en mijn goede vader. Maar ze vallen niet altíjd samen. Zelf draag ik bijvoorbeeld altijd –  winter of zomer, werkdag of feestdag – een voornaam wit overhemd. Ik heb het eens een jaar met ruitjeshemden geprobeerd, maar dat werkte niet. Welnu, die witte overhemden, die ik dus op werkdag en feestdag draag, zijn niet altijd smetteloos. Ik durf wel eens – vertel het niet verder – twee dagen na elkaar hetzelfde overhemd aantrekken. Als je dat in een Amerikaans bedrijf doet, word je daarop aangesproken door je afdelingshoofd geloof ik.
     Mijn grootvader schijnt dat ook gehad te hebben. Hij straalde graag waardigheid en chic uit. Toen strooien hoeden in de mode kwamen, was hij een van de eersten om zo’n hoed te kopen. Hoewel hij in zijn jonge mannenjaren goed uit beide ogen zag, droeg hij een lorgnet wanneer hij zich onder de mensen begaf. Zo’n ding op je neus straalde klasse uit, vond hij. Als hij boodschappen deed voor mijn grootmoeder, droeg hij de boodschappentas onder de arm, in plaats van die naast zich te laten slingeren, zoals een vrouw dat zou doen. Maar hij maakte zich niet druk over een kreuk in zijn jas of een kleine spat op zijn broek.
     Mijn grootvader en ik zijn in goed gezelschap. De Russische auteur Tsjechov droeg ook graag voorname kleren – en een lorgnet. Hij was verzot op dassen, en als hij in het buitenland kwam, kocht hij er een grote voorraad van. Kreeg hij bezoekers over de vloer die er een losse kledingstijl op nahielden, dan verkrampte hij. De boerenkiel van Tolstoj verdroeg hij alleen omdat Tolstoj nu eenmaal Tolstoj was, maar zelf was hij altijd tip top gekleed … althans naar Russische normen. Toen hij evenwel met de actrice Olga Knipper trouwde, viel hij door de mand. Olga was van Duitse afkomst en was, zoals wel meer van haar landgenoten, erg gesteld op hygiëne en Grundlichkeit. Tsjechov werd duchtig de les gespeld. Dat hij wat vaker van overhemd moest wisselen.

vrijdag 27 april 2018

Moet een biografie zo dik zijn?

     Ex-VRT-journalist Johan Op de Beeck, die geloof ik verre familie is van mijn vrouw*, heeft net een biografie geschreven over Lodewijk XIV. Naar wat ik er in Het Nieuwsblad over lees, moet het er een zijn in het Franse genre. Iets als Amours et amourettes du Roi Soleil. ‘Geen detail blijft onvermeld,’ schrijft de krant goedkeurend. ’t Boek telt 735 bladzijden. Dat is niet mis. Zelf ben ik nu de Dostjojevskibiografie van Joseph Frank aan het lezen – 959 bladzijden, kleine druk. En ’t is dan nog een ingekorte versie van een werkstuk dat oorspronkelijk in vijf delen werd uitgegeven en drie keer zoveel tekst bevatte.
     Dat een biografie zo dik is, kan moeilijk als bezwaar gelden. Als je voor een Belangrijk Persoon geen interesse hebt, kun je beter niets over hem lezen, en als je die interesse wel hebt: hoe meer hoe beter. De Elsschotbiografie van Vic Van de Reijt bijvoorbeeld vond ik veel te beknopt. Vic zal gedacht hebben: ‘Elsschot schreef beknopt, dus als ik over hem schrijf moet ik ook beknopt blijven.’ Dat is een treurig misverstand. Het is niet omdat Hitler een hystericus was, dat je over hem alleen hysterisch kan schrijven. Als je iets wil vertellen over een saai familiefeest, in een verhaal of op café, kun je er beter voor zorgen dat je beschrijving zelf niet saai is, anders zal men je verhaal niet lezen, of zal men op café je gezelschap mijden.
     Mijn ontgoocheling over de beknopte Elsschotbiografie was zo groot dat ik lange tijd elke korte biografie gemeden heb. Een literaire biografie kort houden was ipso facto verkeerd, dacht ik. De auteur heeft de regels van het genre niet begrepen. Hij denkt dat de lezer uit is op een korte kennismaking, terwijl de lezer juist álles wil weten over een bewonderde schrijver en dus best die drie delen van Nop Maas wil lezen over Gerard Reve, of die bijna duizend bladzijden van Richard Ellmann over Joyce. Misschien is die biografie van Ellmann zelfs meer gelezen dan de Ulysses zelf.
     Maar onlangs had ik moeite om een of andere lijvige biografie over Proust te bestellen. Ik bestelde dan maar het dunne boekje van Edmund White en kijk, daar stond warempel meer in van wat ik over de schrijver wou weten dan in menige uitgebreide biografie die ik gelezen had over andere schrijvers. Je begrijpt ook hoe het komt. ‘Er bestaan al zoveel boeken over Proust,’ zal White gedacht hebben, ‘waar alles, álles, in staat. Ik vertel hier lekker alleen wat ikzelf de moeite vind. Wie daar niet tevreden mee is, moet die andere boeken maar lezen.’ Als je een beetje talent hebt, kun je met dat recept een aardig boekje voor elkaar krijgen.
     Het tegenovergestelde bestaat ook. Over een Belangrijk Persoon bestaan nog géén biografieën. Een auteur die dan als eerste een levensbeschrijving wil plegen voelt de verantwoordelijkheid als een loden last op zijn schouders wegen. De hele wereld kijkt mee, denkt hij. En hij werpt zich op de archieven, pluist brieven en dagboeken na, en onderzoekt de stamboom van zijn onderwerp tot in het zevenentwintigste geslacht. Zo moet het Wayne Franklin vergaan zijn toen hij de Amerikaanse schrijver James Fenimore Cooper onder handen wilde nemen. De professor schreef uiteindelijk twee dikke delen van respectievelijk 708 en 805 bladzijden – dit terwijl over Cooper in de archieven niet zo verschrikkelijk veel te vinden is. Maar wat te vinden is, heeft Wayne gevonden. Cooper heeft ooit een winkeltje gehad waar de Amerikaanse Frontiermen spijkers, textiel, medicijnen, thee, tabak en voedingswaren konden kopen. Wayne toont over talrijke bladzijden aan dat het winkeltje niet anders dan failliet kón gaan vanwege een roekeloze financiering, een verkeerd aankoopbeleid en een ondoordacht voorraadbeheer. Elke beginnende winkelier zou die bladzijden moeten lezen.
     Ikzelf lees ondertussen dapper verder in de Dostojevskibiografie, terwijl zich op mijn bureau andere ongelezen boeken opstapelen. Misschien moet ik maar eens doen wat mijn vader altijd doet: hier een daar een stuk overslaan. Ik heb zojuist met enige moeite 20 bladzijden literaire analyse gelezen van Misdaad en straf. Dat is allemaal heel degelijk gedaan, maar ik merk dat mijn oordeel over dat boek niet veel veranderd is door die analyse. Misschien sla ik de analyse van De idioot en De broers Karamazov maar eens over. Het hoofdstuk over Boze geesten wil ik wel helemaal lezen. Ik ken dat boek niet.

* Een vergissing. Dat verre familielid is Johan De Poortere. 

donderdag 15 maart 2018

De mondaine feestjes van Marcel Proust

     Menig Proustlezer zal, net als ik, opgelucht ademhalen als Swann of Marcel zich naar een mondain feestje begeeft.* Het onderwerp van de seksuele jaloezie wordt even verlaten, de stijl ontspant zich, er komt ruimte voor wat spreektaal, de zinnen worden korter en je moet minder vaak in de tekst terugkeren om te weten of ‘son’, ‘sa’, ‘lui’ en ‘l-apostrophe’ verwijzen naar de dame dan wel naar de heer die voorafgaand ter sprake kwamen.**
     In Du côté de chez Swann hebben we natuurlijk de onvergetelijke ‘avondjes’ van de onnozele Verdurins, die met elkaar wedijveren in om ter langst lachen om de geestige opmerkingen van henzelf of die van hun gasten. Alletwee hebben ze hun trucjes. Madame bedekt haar gezicht met de handen en schokt daarbij met de schouders, en Monsieur doet alsof hij zich in de rook van zijn pijp verslikt en eindeloos moet hoesten.
     Ja, die avondjes bij de de Verdurins zijn onovertroffen. Maar een feestje bij Mme de Sainte-Euverte, wat verder in het boek, is anders ook niet mis. Proust beschrijft één voor één de oogglazen van de mannelijke gasten, die bij chique gelegenheden hun gewone bril thuislaten, en brengt verslag uit van wat die oogglazen aanrichten in het gezicht van de dragers ervan. Dat is bij iedereen anders. Er wordt op het feestje ook muziek gespeeld – veel Chopin – en Proust merkt op dat die componist toen – rond 1880 – uit de mode was. Dat doet mij plezier, want ik hou niet van Chopin. Ik reageer op die muziek zoals bij Proust de jonge Mme de Cambremer ‘qui souffrait quand elle en entendait jouer’.
     Rond die naam ‘Cambremer’ weeft Proust een mooi scènetje. De mooie, geestige, hooggeboren Mme de Guermantes is in al haar goedheid bereid gevonden om een half uurtje acte de présence te geven op het feest. Ze is aan het praten met een generaal die zijn ogen niet kan afhouden van de jonge Mme de Cambremer. Hij zou liever met haar in bed liggen, zegt hij, dan opgegeten worden door de wilden. Mme de Guermantes heeft daar begrip voor, maar merkt op dat ‘Cambremer’ toch een wonderlijke naam is. Dat begrijpt de generaal niet goed. ’t Is een oude, degelijke naam, vindt hij. Maar goed, die Guermantes hebben veel ‘esprit’. Dan moet je aanvaarden dat je niet altijd meteen kunt volgen. ‘Vous n’êtes pas Guermantes pour des prunes,’ antwoordt hij galant.
     Mme de Guermantes gaat dan naar Swann en probeert bij hem haar zelfde geestigheid uit. Deze keer heeft ze meer succes, want er ontspint zich volgend gesprekje.

- Enfin ces Cambremer ont un nom bien étonnant. Il finit juste à temps, mais il finit mal! dit-elle en riant.
- Il ne commence pas mieux, répondit Swann.
- En effet cette double abréviation!...
- C’est quelqu’un de très en colère et de très convenable qui n'a pas osé aller jusqu'au bout.

     Dat is nogal subtiel. Waarom eindigt de naam Cambremer ‘juist op tijd’? Waarom is het een een ‘dubbele afkorting’? Waarom zou je de naam willen uitspreken ‘als je erg boos bent’, en waarom zou je niet tot het einde durven gaan ‘als je erg fatsoenlijk bent’? Wie de zeventiende voetnoot gelezen heeft bij mijn stukje ‘Aanschouwelijk geschiedenisonderwijs’ kent het antwoord op die vragen. De uitdrukking ‘le mot de Cambronne’ is een eufemisme voor het vloekwoord ‘merde’. ‘Cambremer’ is dan, in de lezing van Mme de Guermantes en Swann, een samenvoeging van Cambr(onne) en mer(de). Verder moet je het niet gaan zoeken.
     Veronderstel nu, lieve lezer, dat je in een gezelschap komt waar dergelijke subtiliteiten schering en inslag zijn. Je hebt geen idee waarover het gaat, en toch word je om je mening gevraagd. Het beste wat je kunt doen is dan zeggen zoals Mme de Guermantes:  ‘Je n’ai pas de lumières à ce sujet.’  Je moet die woorden enigszins uit de hoogte uitspreken. Probeer het maar eens: ‘Je n’ai pas de lumières à ce sujet.’ Als de lezer van het mannelijk geslacht is, moet hij daarbij ook een oogglas dragen. Het effect zal vernietigend zijn.

 
*Het half jaartje Proust dat ik in de eerste kandidatuur gedoceerd kreeg van Roland Beyen bestond hierin dat de brave professor een stukje voorlas uit zo’n feestscène, onbedaarlijk begon te lachen, zich verontschuldigde met een ‘c’est tellement drôle’, en dan weer verder ging met lezen tot de volgende lachbui. Veel tijd voor diepergravend commentaar bleef er op die manier niet over.

**Die lange, opzettelijk moeilijke zinnen vond ik ook bij andere ‘modernisten’ zoals de late Reve (Op weg naar het einde), de late Salinger (Raise High the Roofbeam) en Thomas Pynchon.