Posts tonen met het label Mary Poppins. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mary Poppins. Alle posts tonen

maandag 31 december 2018

Melville, Marx, Camus en Mary Poppins

     Laatst postte ik een cover van het beroemde boek Moby Dick. Facebookvriend Edgard Frederix, die ik soms in de schoolgangen zie rondlopen, reageerde dat hij dat boek gelezen had, maar dat het lezen ‘aanvoelde als een verplichting’. Ik herkende het gevoel. Professoren die er les over geven of geleerde stukken over schrijven prijzen het boek, en ook Marc Vanfraechem die daar geen cent voor ontvangt, maar zelf heb ik er weinig plezier aan beleefd. Ik las het aan een strandbar gezeten, terwijl vrouw en kind lagen te zonnen in het zand of zich vermaakten in de zee. Ik hou heel veel van zon, zand en zee, maar vanop een afstand.
     Wat ik indertijd wel met plezier heb gelezen, is Melvilles korte verhaal ‘Bartleby the Scrivener’. Een advocaat werft een nieuwe klerk aan om documenten te kopiëren, de brave, vreugdeloze Bartleby. Eerst kopieert die vlijtig de documenten die hij moet kopiëren, maar op zekere dag weigert hij een document na te kijken. ‘I would prefer not to,’ zegt hij beleefd. Voor de vertaling twijfel ik tussen ‘Liever niet’ en ‘Ik geef er de voorkeur aan om niet aan uw verzoek te voldoen.’ En na die eerste weigering zal hij altijd maar meer opdrachten weigeren met altijd hetzelfde zinnetje: ‘I would prefer not to.’ Op de duur doet hij niets meer dan voor zich uit te staren. Later ontdekt de advocaat dat Bartleby zich permanent in het kantoor heeft gevestigd en er ook overnacht. Als men hem vraagt te vertrekken, zegt hij:  ‘I would prefer not to.’ De advocaat verhuist ten slotte zelf maar naar een ander gebouw. Bartleby blijft achter, wordt door de nieuwe bewoners aangegeven bij de politie en sterft in de gevangenis van de honger. He preferred not to eat. Melville eindigt zijn verhaal met de uitroep: ‘Ah Bartleby! Ah humanity!’
     Het was een van de Amerikaanse verhalen die ik moest lezen voor het examen van professor Doyen, maar uiteindelijk werd ik ondervraagd over een andere verhaal, één van Washington Irving. De jongen vóór mij had de vraag over ‘Bartleby’. Terwijl ik mijn eigen antwoord aan het voorbereiden was, ving ik vlagen op van wat mijn voorganger vertelde ‘… the absurdity of existence … breakdown in communication … metaphysical rebellion … French existentialists … Albert Camus …’ Ik was onder de indruk, en professor Doyen nog meer: ‘very good … quite so … nice catch’, zei hij.
    Ik weet niet of Doyen die thema’s zelf in de les had aangebracht, want ik ben nooit naar die lessen geweest. Het kan. Ik reageer op een mondeling examen ook altijd enthousiast als een leerling precies hetzelfde vertelt als wat ik eerder in de klas heb verteld. Maar in elk geval is de gelijkenis tussen ‘Bartleby’ en de existentialistische en absurdistische verhalen van honderd jaar later niet erg vergezocht. Ik verwachtte dus dat Melvilles biograaf Delbanco het ook in die richting zou zoeken als hij aan dat verhaal gekomen was. Of misschien iets psycho-analytisch, dat kon ook.
     Maar het werd iets anders. Nadat Delbanco eerst Moby Dick in verband had gebracht met Kubrick en Benda (zie hier), besteedde hij nu meerdere pagina’s om ‘Bartleby’ in verband te brengen met ... de proletarisering van de klerkenstand, de marxistische vervreemdingstheorie van de arbeid, de ontoereikendheid van de American Dream, het laissez-faire kapitalisme,  en de noodzaak om met een sociaal-zekerheidssysteem de klassenjustitie te doorbreken*.
     Ik kan mij daar een beetje over opwinden. Dat je die onderwerpen ter sprake brengt bij de arme klerken van Charles Dickens – Nemo in Bleak House, Cratchit in Christmas Carol – à la bonheure. Daar past dat bij. Maar toch niet bij ‘Bartleby’. Het is alsof je Mary Poppins – de film, de eerste – aangrijpt om uit te weiden over de verderfelijke rol van het bankwezen in onze samenleving. Aan de andere kant, Mary Poppins … nu ik erover nadenk, heb ik die film vroeger wel eens aangegrepen om over die banken uit te weiden.



* ‘It is a medidation … on how to define collective responsibility at a time when the old ad hoc welfare system of churches and charities could no longer cope with the growing number of workers and families left destitute by the boom-and-bust cycle of the industrial economy. As casualties mounted, the scope of corporate responsibility was being narrowed in the courts by business-friendly judges who routinely ruled against plaintiffs in cases of workplace injury and property loss.’

vrijdag 19 augustus 2016

Mary Poppins en de boerkini*

   In de krant lees ik graag af en toe een stuk dat geruststelt. Een stuk dat bedaart, sust en kalmeert. Een stuk dat onomwonden stelt dat het allemaal zo’n vaart niet zal lopen en dat alles goed komt. Een stuk dat olie op de golven gooit in plaats van op het vuur. Ik ben daar vorige week goed van bediend geworden met de affaire van de zogeheten boerkini. Commentaarschrijvers in de pers en elders vonden die nieuwe badkledij weliswaar een ongelukkige keuze van onze moslima’s, en hier en daar werd ook in twijfel getrokken of het echt wel hún keuze was, maar voor de rest bracht de krant geluidjes voort als van een spinnende kat.
     De hele rel, las ik ergens, was maar een afleidingsmaneuver van de n-va die de aandacht wou afleiden van het begrotingstekort. De boerkini was eigenlijk best een sexy, zij het wat dubbelzinnig kledingstuk, een patent bewijs van integratie, en betekende van geen kanten een gevaar voor de zwemveiligheid. Ook moesten we van óns tweedelige en toch wel erg minuscule vrouwenbadpak geen vrijheidssymbool maken, nietwaar?  En je zag zo dat een  boerkinidraagster veel pret beleefde aan haar kostuum. En dan: aan onze kust waren die boerkini’s zo goed als afwezig;  in Oostende en Knokke  had men er nog nooit één gezien – alleen in Blankenberge zou er ooit een zijn opgedoken. Trouwens, hoe zag je nu het verschil tussen een boerkini en een surfpak?  En was het niet allemaal een kwestie van persoonlijke smaak? Vergelijk het met een oudere man die in pak en met opgerolde broekspijpen gaat pootjebaden. Ten slotte kon je hier en daar ook vernemen dat onze overgrootmoeders precies dezelfde badkledij hadden gedragen en kijk, wij waren toch goed terechtgekomen.**
Mevrouw Remona Aly
    Wie nog meer geruststelling wou, kon in de politieke sfeer zijn gading vinden. De boerkini ‘is een non-issue’ verklaarde Johan Vande Lanotte (sp.a). En Peter Poulussen (cd&v) deelde die mening: ‘In de praktijk is er geen probleem.’ En als er dan toch een probleem was, dan werd het door Jong Groen tot zijn ware verhoudingen teruggebracht. Op een grappige affiche vergeleken ze namelijk de dracht van de boerkini met die van witte sokken in sandalen. Wat dus eigenlijk neerkomt op een belediging van de boerkinidraagsters. Maar wellicht bedoelden de jongens en meisjes van Groen het niet zo.
     Dat was dus allemaal heel geruststellend.
     Maar – regel nummer één – als het over moslims gaat, moet je niet alleen óver hen praten, je moet ook mét hen praten, je moet henzélf ook eens aan het woord laten. Dat hebben de kranten gedaan, en voor mijn gemoedsrust ware het beter geweest als ze het niet hadden gedaan. Dan gaat het plots niet meer om een kleine minderheid binnen de moslimgemeenschap die alleen in Blankenberge actief is. ‘De boerkini-draagster kan iedere doorsnee hoofddoekdragende moslima zijn,’ schrijft Hasna El Maroudi (hier).  En op het gemoed werkend, voegt ze eraan toe: ‘Het enige dat een verbod op een boerkini doet, is ervoor zorgen dat deze meisjes niet meer in zee zullen zwemmen.’ Ja, dat zou harteloos zijn. Daar kunnen we het allemaal mee eens zijn. Maar mocht die sentimentele kunstgreep zijn doel missen, dan kan pittiger spijs worden opgediend. Jamilla:  ‘Voer dat verbod in, en ik garandeer je dat er méér radicalisering optreedt en [meer] mannen naar Syrië vertrekken.’ (hier)  De duidelijkste taal wordt gesproken door ene Remona Aly, die een overigens kluchtig stuk in De Standaard besluit met de woorden: ‘Ze kunnen ons van het leven beroven, maar niet van onze boerkini.’ (hier), (hier) of (hier)
     De boerkini of de dood. Dát is wat men in het Engels noemt –  met een uitdrukking die mooi kleurt bij ons vraagstuk – : to have skin in the game. Het deed me denken aan een essay van Nassim Nicholas Taleb waar Luc Van Braekel mijn aandacht op vestigde (hier). De schrijver van de Black Swan beweert in dat essay dat maatschappelijke controverses niet beslecht worden door meerderheden tegenover minderheden. Wat telt is hoe fanatiek een bepaalde groep een bepaalde opvatting aanhangt. Als een minderheid van, zeg, tien procent iets héél belangrijk vindt (koosjer vlees, halalvlees, biologische groeten, zedige strandkledij), dan is de kans niet gering dat de negentig procent die niet in dat vlees, die groenten of die strandkledij gelooft, op den duur schouderophalend volgt.
100 jaar geleden - Good for the goose, good for the gander
     Daar zit iets in. Zelf zou ik het, geloof ik,  niet zo héél erg vinden als mijn vrouw morgen, bij politieverordening, alleen nog in een Edwardiaans badpakje mocht gaan zwemmen. Daar zaten heel elegante dingetjes bij. Mijn vrouw zelf zou wat heftiger reageren, dat wel, maar ze zou, in tegenstelling tot haar vrome zusters van moslimse gezindte, het zwemmen niet laten als de voorgeschreven badkledij haar niet beviel. Zeker niet op warme dagen, als de hitte ondraaglijk is en de natte kleren snel droog worden. Mijn vrouw en ik missen de verbetenheid van óns-zwempak-of-de-dood, de verbetenheid die mevrouw Aly wél bezit. En volgens Taleb moeten we dus niet verwonderd zijn als binnen afzienbare tijd de boerkini ook voor ons de norm wordt.
     Zelf geloof ik niet dat zoiets ons binnenkort staat te gebeuren, al kan ik niet meteen een fout ontdekken in Talebs redenering.  Maar toch ben ik er niet helemaal gerust in. Als ik nu eens zeker wist dat die boerkini-godsdienst – waarmee ik hopelijk maar een deel van de Islam omschrijf – onze halfnaakte westerse badmode gadesloeg met niets meer dan tolerante of meewarige onverschilligheid. Dan was alles goed. En als ik nu ook eens zeker wist dat het alleen om die boerkini ging.

     * Tegen deze vergelijking tussen de boerkini en onze eigen badpakken van honderd jaar geleden moet ik formeel protest aantekenen. De Victoriaanse, Edwardiaanse en post-Edwardiaanse strandmode gold voor iedereen – vrouwen én mannen. What was good for the goose, was good for the gander. Als Mary Poppins een badpak aantrok tot aan de enkels, dan moest Bert ook zijn kuiten, en minstens zijn dijen, bedekt houden.

** De tot controle geneigde lezer vindt hieronder de oorspronkelijke bewoordingen en context van de sussende boodschappen: afleidingsmaneuver (Marc van Ranst); sexy (Arjen van Veelen) ; bewijs van integratie, geen gevaar voor zwemveiligheid (Jan de Zutter) ; geen vrijheidssymbool (Liesbeth Van Impe);  veel pret beleven (Arjen van Veelen) ; zo goed als afwezig (Bart Eeckhout) ; nooit in Oostende en Knokke (Farid el Mabrouk en Dany Van Loo) ; vergelijkbaar met surfpak (Karel Verhoeven) ; opgerolde broekspijpen (Mark Van de Voorde) ; overgrootmoeders (Aleid Truijens).